10.10.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 371/17
Beroep ingesteld op 3 augustus 2016 — Pometon/Commissie
(Zaak T-433/16)
(2016/C 371/20)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Pometon SpA (Martellago, Italië) (vertegenwoordigers: E. Fabrizi, V. Veneziano en A. Molinaro, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
primair, het bestreden besluit nietig te verklaren;
—
subsidiair, de aan Pometon opgelegde boete nietig te verklaren of te verminderen;
—
verweerster te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die eventueel voor verzoekster zijn opgekomen in de loop van de procedure tot uitvoering van het bestreden besluit, alsook tot terugbetaling van alle andere kosten van verzoekster tot uitvoering van dit bestreden besluit;
—
verweerster hoe dan ook te verwijzen in de kosten en in alle andere kosten die voor verzoekster zijn opgekomen in de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep wordt opgekomen tegen besluit C(2016) 3121 definitief van de Commissie van 25 mei 2016 (zaak AT.39792 — Steel Abrasives), betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (hierna: „bestreden besluit”).
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
1.
Het eerste middel is ontleend aan schending van het beginsel van de onpartijdigheid van de rechter, het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht van verweer, doordat verweerster in het kader van het jegens Ervin Industries Inc. en Ervin Amasteel, Winoa SA en WHA Holding SAS, Metalltechnik Schmidt GmbH & Co. KG en Eisenwerk Würth GmbH (hierna: „belanghebbenden”) vastgestelde besluit C(2014) 2074 definitief van 2 april 2014 („schikkingsbesluit”) bepaalde vermeende gedragingen van Pometon in aanmerking heeft genomen, waardoor het bestreden besluit is vastgesteld zonder dat het standpunt van Pometon en het door haar ontwikkelde betoog naar behoren en onpartijdig is onderzocht.
—
In het schikkingsbesluit — dus vóórdat Pometon in staat is gesteld om zich te verweren — heeft de Commissie uitdrukkelijk geoordeeld dat verzoekster zich op dezelfde wijze had gedragen als de andere belanghebbenden, aan wie — in ditzelfde besluit — juist wegens die gedraging een specifieke schending is toegeschreven van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Verzoekster stelt dat dit noodzakelijkerwijs en op onherroepelijke wijze afbreuk heeft gedaan aan het vermogen van de Commissie om jegens haar een daadwerkelijk onpartijdige beoordeling te verrichten.
2.
Het tweede middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende en tegenstrijdige motivering, schending van het recht van verweer en van de beginselen betreffende de verdeling van bewijslast, doordat is geoordeeld dat verzoekster betrokken was bij een vermeende regeling waaraan zij in feite niet heeft deelgenomen.
—
De Commissie heeft volgens verzoekster ter onderbouwing van haar stelling gegevens gehanteerd die onnauwkeurig, tegenstrijdig en dubbelzinnig waren en niet volstonden als bewijs dat Pometon aan de gestelde inbreuk had deelgenomen.
3.
Het derde middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, beoordelingsfouten, ontoereikend onderzoek en een kennelijk onlogische redenering, doordat verweerster heeft geoordeeld dat de aan Pometon verweten gedraging een beperking van de mededinging had opgeleverd.
4.
Het vierde middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende motivering en ontoereikend onderzoek, schending van de beginselen betreffende de verdeling van de bewijslast met betrekking tot de duur van verzoeksters beweerde deelneming aan de gestelde inbreuk, en bijgevolg schending van de artikelen 23, lid 2, en 25, leden 1 en 5, van verordening nr. 1/2003 (1), alsook schending van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de Commissie verzoekster een geldboete heeft opgelegd hoewel de daartoe gestelde termijn was verstreken.
—
De datum waarop verzoeksters beweerde deelneming aan de inbreuk die haar in het bestreden besluit wordt verweten, is beëindigd, kan volgens verzoekster niet samenvallen met de datum die door de Commissie in aanmerking is genomen, maar hoogstens is die deelneming veel eerder beëindigd, zodat de termijn waarin de Commissie geldboeten kon opleggen, moet worden geacht te zijn verstreken.
5.
Het vijfde middel is ontleend aan volstrekt ontoereikende motivering, schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling betreffende de vaststelling van de krachtens artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 opgelegde geldboeten, wat de aanpassing van het basisbedrag ervan volgens punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten betreft.
—
De wijze waarop Commissie punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten heeft toegepast, levert een grove discriminatie op, aangezien voor verzoekster een verminderingspercentage is gehanteerd dan kennelijk lager was dan het percentage dat voor de andere belanghebbenden is gebruikt.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB 2003, L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy