10.10.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 371/25
Beroep ingesteld op 23 augustus 2016 — NRW. Bank/GAR
(Zaak T-466/16)
(2016/C 371/28)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: NRW. Bank (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Behrens, J. Kraayvanger en J. Seitz, advocaten)
Verwerende partij: Gemeenschappelijke afwikkelingsraad (GAR)
Conclusies
—
verweerders besluit met betrekking tot verzoeksters jaarlijkse bijdrage aan het herstructureringsfonds voor het bijdragejaar van 1 januari tot en met 31 december 2016 nietig verklaren;
—
verweerder verwijzen in de gerechtskosten van verzoekster.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59/EU (1) en van artikel 70, lid 2, van verordening (EU) nr. 806/2014 (2)
Verzoekster stelt dat verweerders besluit met betrekking tot haar jaarlijkse bijdrage onrechtmatig is, omdat daarin met het oog op de vermindering van haar bijdrage alleen rekening wordt gehouden met de stimuleringsactiviteit van verzoekster, en niet met haar voor de stimulering dienstige nevenactiviteit. Daardoor werd de jaarlijkse bijdrage van verzoekster aan het herstructureringsfonds voor het bijdragejaar van 1 januari tot en met 31 december 2016 te hoog vastgesteld.
2.
Tweede middel: schending van de uitvoeringsverordeningen van richtlijn 2014/59/EU en verordening (EU) nr. 806/2014, die overeenkomstig deze rechtshandelingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij ook de voor de stimulering dienstige nevenactiviteit bevoorrecht behandelen.
3.
Derde, subsidiaire middel: onrechtmatigheid van de uitvoeringsverordeningen van richtlijn 2014/59/EU en verordening (EU) 806/2014
In dit verband voert verzoekster aan dat indien een uitlegging van de uitvoeringsverordeningen conform richtlijn 2014/59/EU en verordening (EU) nr. 806/2014 onmogelijk zou zijn, de uitvoeringsverordeningen in dit opzicht onrechtmatig zouden zijn. Daardoor zou ook het op deze uitvoeringsverordeningen gebaseerde besluit van verweerder onrechtmatig zijn.
(1) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190).
(2) Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy