31.10.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 402/59
Beroep ingesteld op 19 september 2016 — Credito Fondiario/GAR
(Zaak T-661/16)
(2016/C 402/71)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Credito Fondiario SpA (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: F. Sciaudone, F. Iacovone, S. Frazzani en A. Neri, advocaten)
Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
Conclusies
—
het eerste en het tweede besluit van de Gemeenschappelijke afwikkelingraad nietig verklaren;
—
artikel 5, lid 1, onder f), van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63, waarop de bestreden besluiten gebaseerd zijn, strijdig verklaren met de beginselen van gelijke behandeling, evenredigheid en rechtszekerheid, neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de EU;
—
bijlage I bij gedelegeerde verordening (EU) 2015/63, waarop de bestreden besluiten gebaseerd zijn, strijdig verklaren met de beginselen van gelijke behandeling, evenredigheid en rechtszekerheid, neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de EU;
—
gedelegeerde verordening (EU) 2015/63, waarop de bestreden besluiten gebaseerd zijn, strijdig verklaren met het beginsel van vrij ondernemerschap, neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de EU;
—
de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Dit beroep is gericht tegen de besluiten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad in bestuursvergadering SRB/ES/SRF/2016/06 van 15 april 2016 (eerste besluit) en SRB/ES/SRF/2016/13 van 20 mei 2016 (tweede besluit), die betreffende verzoekster de vooraf te betalen bijdrage bepalen voorzien in gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zeven middelen aan.
1.
Eerste middel: verzuim van mededeling van het eerste en het tweede besluit aan Credito Fondiario.
—
De Banca d’Italia (Italiaanse centrale bank) heeft de twee door de Afwikkelingsraad vastgestelde besluiten niet aan verzoekster meegedeeld, zoals vereist door artikel 5 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds betreft (PB 2015, L 15, blz. 1), en heeft zich beperkt tot het meedelen van het totaalbedrag van de betaling en heeft het recht van verzoekster op een tijdige voorziening in rechte geschonden. De Afwikkelingsraad heeft bij de mededeling niet de nodige waakzaamheid aan de dag gelegd.
2.
Tweede middel: schending van artikel 296, lid 2, VWEU wegens gebrek aan motivering en niet-naleving van de verplichting besluiten betreffende vooraf te betalen bijdragen na een procedure op tegenspraak vast te stellen.
—
De bestreden besluiten bevatten geen enkele motivering over hoe de vooraf te betalen bijdrage werkelijk is berekend, waardoor verzoekster de wettigheid en de gegrondheid van de besluiten niet daadwerkelijk kan nagaan.
3.
Derde middel: onjuiste toepassing van artikel 5, lid 1, onder f), van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63.
—
De aan Credito Fondiario gevraagde vooraf te betalen bijdrage is onevenredig met het risicoprofiel van de instelling en is het resultaat van een onjuiste beoordeling van de passiva van de instelling.
4.
Vierde middel: schending van de artikelen 4, lid 1, en 6 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63. Onjuiste beoordeling van het risicoprofiel van Credito Fondiario.
—
Credito Fondiario had op 31 december 2014 een laag risicoprofiel, op grond van de parameters voorzien in [de artikelen] 4, lid 1, en 6 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63. De door de Afwikkelingsraad berekende bijdrage is eigen aan instellingen met een hoog risicoprofiel, en is het resultaat van het niet in rekening brengen, door de Afwikkelingsraad, van de criteria voor de bepaling en de vermindering van het risico voorzien in de aangehaalde artikelen.
5.
Vijfde middel: schending van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Gelijke behandeling.
—
Artikel 5, lid 1, onder f), en bijlage I bij gedelegeerde verordening (EU) 2015/63, schenden het beginsel van gelijke behandeling voor zover zij voorzien in een discriminerende behandeling voor de betrokken bedrijfstak.
6.
Zesde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
—
De besluiten houden geen rekening met het lage risicoprofiel van verzoekster en leggen een vooraf te betalen bijdrage op die overeenkomt met die van een instelling die een hoog risicoprofiel heeft, waardoor aldus de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid worden geschonden.
7.
Zevende middel: schending van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Vrijheid van ondernemerschap.
—
Gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 legt strengere vereisten op dan die voorzien in het Europese bancaire recht en in verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014 L 225, blz. 1), met betrekking tot de beoordeling van het risico van de instelling, door het invoeren van discretionaire elementen in de berekening van de vooraf te betalen bijdrage, waardoor zij de beginselen van gelijke behandeling, rechtszekerheid en vrijheid van ondernemerschap schendt.