12.12.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 462/33
Beroep ingesteld op 13 oktober 2016 — VFP/Commissie
(Zaak T-726/16)
(2016/C 462/43)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Vlaamse Federatie van Persverkopers VZW (VFP) (Antwerpen, België) (vertegenwoordigers: P. de Bandt, J. Dewispelaere en J. Probst, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het beroep ontvankelijk verklaren;
—
het besluit van de Europese Commissie van 3 juni 2016 in staatssteunzaak SA.42366 (2016/N) — België — Overheidscompensaties voor bpost voor de verstrekking van openbare diensten in de periode 2016-2020 (1) nietig verklaren;
—
de zaak terugverwijzen naar de Commissie voor nader onderzoek en een nieuw besluit;
—
de Commissie verwijzen in verzoeksters kosten;
—
elke andere rechtens geboden maatregel treffen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, namelijk schending door de Europese Commissie van haar procedurele rechten door het bestreden besluit vast te stellen en de formele procedure van artikel 108, lid 2, VWEU niet in te leiden.
Met dit enige middel stelt verzoekster dat de Commissie, aangezien zij ernstige moeilijkheden ondervond in verband met de mogelijke verenigbaarheid met de interne markt van de compensatie voor de dienst van algemeen economisch belang („DAEB”) bestaande in persdistributie, wettelijk verplicht was om de formele onderzoeksprocedure in te leiden. Dit enige middel bestaat uit vier onderdelen. In het bijzonder wordt betoogd dat het bestaan van de ernstige moeilijkheden blijkt uit een grote hoeveelheid consistent bewijsmateriaal betreffende (i) de duur van de vooronderzoeksprocedure en de bijzondere omstandigheden waaronder de steun werd toegekend (eerste onderdeel), (ii) het feit dat de analyse door de Commissie van de kwalificatie van de distributie van erkende kranten en tijdschriften als een DAEB ontoereikend is (tweede onderdeel), (iii) het feit dat de analyse door de Commissie van de gebruikers van de DAEB bestaande in persdistributie onvolledig is (derde onderdeel) en (iv) het feit dat de analyse door de Commissie van de concurrentievervalsing en de ontwikkeling van het handelsverkeer onvolledig en ontoereikend is (vierde onderdeel).
(1) PB 2016, C 341, blz. 5.