16.1.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 14/42
Beroep ingesteld op 3 november 2016 — Paulini/ECB
(Zaak T-764/16)
(2017/C 014/51)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Jörn Paulini (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordigers: L. Levi en M. Vandenbussche, advocaten)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
nietig te verklaren het besluit van 15 december 2015, zoals gewijzigd op 19 februari 2016, waarbij verzoeker op de hoogte wordt gesteld van zijn annual salary and bonus review (jaarlijkse salaris- en bonusherziening; hierna: „ASBR”) over 2015;
—
verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de materiële schade zoals omschreven in de punten 99 tot en met 103 van het verzoekschrift;
—
verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de door hem geleden immateriële schade, welke hij begroot op 10 000 EUR;
—
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan de onwettigheid van de ASBR richtsnoeren voor 2015, daar deze in strijd zijn met het verbod van discriminatie, met artikel 51 van de arbeidsvoorwaarden en met de artikelen 12 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Subsidiair is dit middel ontleend aan de onwettigheid van het bestreden besluit, aangezien het in strijd is met de ASBR richtsnoeren voor 2015 en op een kennelijk onjuiste beoordeling berust.
Verzoeker is van mening dat de ASBR richtsnoeren voor 2015 onwettig zijn, daar zij personeelsleden die om redenen die buiten hun controle liggen, zoals ziekteverlof, parttime werk wegens arbeidsongeschiktheid of vrijstelling van het werk wegens werkzaamheden in het personeelscomité (of een combinatie daarvan), beperkter beschikbaar zijn voor hun dienst, benadelen ten opzichte van collega’s die volledig beschikbaar zijn. Het bestreden besluit, dat is genomen op basis van de onwettige ASBR richtsnoeren, is derhalve eveneens onwettig.
Mochten de ASBR richtsnoeren voor 2015 wel wettig zijn, dan stelt verzoeker subsidiair dat het bestreden besluit in strijd is met die richtsnoeren, voor zover zijn periodes van afwezigheid werden gebruikt als een discriminerende factor en bovendien hadden moeten worden uitgelegd als een positieve houding die een positieve invloed op zijn ASBR beloning had moeten hebben. De beoordeling van al deze factoren overeenkomstig de ASBR richtsnoeren hadden kennelijk moeten leiden tot een hogere ASBR beloning.
2.
Tweede middel, ontleend aan het feit dat het bestreden besluit, voor wat betreft de toepassing van de formule van vrijstelling voor werkzaamheden op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging, onwettig is, voor zover het de afwezigheid als gevolg van ziekte niet buiten beschouwing laat en dus in strijd is met het besluit van 18 december 2008, met het verbod van discriminatie, met de artikelen 12 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 51 van de arbeidsvoorwaarden. Subsidiair en voor het geval het besluit van 18 december 2008 niet de mogelijkheid biedt om ziekteverlof buiten beschouwing te laten, stelt verzoeker dat het besluit van 18 december 2008 op dat punt onwettig is.
Verzoeker is van mening dat de ECB geen rekening had moeten houden met zijn ziekteverlof, zoals dit tot uiting komt in zijn vrijstelling voor januari en februari 2015, toen zij bij de berekening van zijn ASBR beloning voor zijn werkzaamheden als lid van het personeelscomité de formule gebruikte van het besluit van 18 december 2008.
Mocht het besluit van 18 december 2008 niet in deze mogelijkheid voorzien, dan betwist verzoeker subsidiair de wettigheid van het besluit op dat punt, aangezien leden van het personeelscomité wier vrijstelling om redenen van afwezigheid wegens ziekte opnieuw moest worden toegekend worden benadeeld in vergelijking met hun collega’s die voltijds werken, ondanks gelijke inzet en productie, en omdat zij werkzaam zijn voor het personeelscomité.
3.
Derde middel, ontleend aan, wat de praktijk van het afronden betreft, schending van het besluit van de ECB van 18 december 2008, voor zover het besluit van 18 december 2008 geen afronding toestaat voor leden van het personeelscomité. Indien dat wel het geval is, stelt hij subsidiair dat het besluit op dat punt kennelijk ongerechtvaardigd en inadequaat is.
In het kader van het tweede middel betwist verzoeker de wettigheid van het besluit van 18 december 2008 indien dat besluit aldus moet worden uitgelegd dat het de ECB niet toestaat om verzoekers ziekteverlof buiten beschouwing te laten bij de toepassing van de formule die is vastgesteld om de ASBR beloning te berekenen. In dit middel betwist hij alleen de wettigheid van dat besluit op dit punt. Bovendien maakt de ECB gebruik van een praktijk die erin bestaat om het resultaat van die formule af te ronden teneinde dit om te zetten in punten, waarna die afgeronde punten vervolgens worden omgezet in percentages teneinde te bepalen welke salarisverhoging het personeelslid krijgt.
Verzoeker komt op tegen deze praktijk waarvoor in de toepasselijke regels en met name in het besluit van 18 december 2008 geen wettelijke basis bestaat. Subsidiair en voor zover het besluit van 18 december 2008 aldus moet worden uitgelegd dat de afronding van de ASBR beloning voor leden van het personeelscomité is toegestaan, stelt verzoeker dat het besluit op dit punt onwettig is, aangezien het kennelijk ongerechtvaardigd en inadequaat is.
Full & Egal Universal Law Academy