23.1.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 22/53
Beroep ingesteld op 24 november 2016 — QB/ECB
(Zaak T-827/16)
(2017/C 022/72)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: QB (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
bijgevolg
—
het beoordelingsrapport voor 2015 en het op 7 januari 2016 ter kennis gebrachte besluit van 15 december 2015, waarbij verzoekster een salarisverhoging is ontzegd, nietig te verklaren;
—
voor zover nodig, de besluiten van 2 mei 2016 en 15 september 2016 nietig te verklaren, waarbij respectievelijk het administratieve beroep en de klacht van verzoekster zijn afgewezen,
—
verweerster te veroordelen tot vergoeding van de morele schade, ex aequo et bono begroot op 15 000 EUR;
—
verweerster te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: niet-inachtneming van de beoordelingsgids en van de procedurele voorschriften, schending van de rechten van de verdediging en niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht bij de vaststelling van het beoordelingsrapport voor 2015 (hierna: „litigieus beoordelingsrapport”). Verzoekster voert met name de volgende grieven aan:
—
er heeft geen dialoog plaatsgevonden en de rechten van verdediging van verzoekster zijn geschonden;
—
in het litigieuze beoordelingsrapport worden geen middelen om zich te verbeteren vermeld en evenmin doelstellingen vastgelegd, zoals vereist door de beoordelingsgids, wat indruist tegen de zorgvuldigheidsplicht;
—
de input van een andere leidinggevende ontbreekt.
2.
Tweede middel: het beoordelingsrapport schendt de regels van objectieve en onpartijdige beoordeling, alsook artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
—
Uit de specifieke omstandigheden van de zaak blijkt immers dat de beoordelaars en met name de tweede beoordelaars hun rol niet op een objectieve en onpartijdige wijze hebben kunnen vervullen.
3.
Derde middel: kennelijke vergissing. Uit de door verzoekster aangevoerde bewijzen blijkt immers dat de in het litigieuze rapport vervatte beoordeling niet geloofwaardig is.
4.
Vierde middel: het besluit van 15 december 2015, waarbij verzoekster een salarisverhoging wordt ontzegd, berust op een onrechtmatig beoordelingsrapport.
5.
Vijfde middel: schending van de richtsnoeren van 2015 alsook van de procedurevoorschriften en van artikel 41 van het Handvest, doordat het besluit van 15 december 2015 niet met redenen is omkleed en verzoekster niet vooraf is gehoord.
Full & Egal Universal Law Academy