6.2.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/48
Beroep ingesteld op 5 december 2016 — Le Pen/Parlement
(Zaak T-863/16)
(2017/C 038/64)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Jean-Marie Le Pen (Saint-Cloud, Frankrijk) (vertegenwoordigers: M. Ceccaldi en J.-P. Le Moigne, advocaten)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het besluit van de quaestoren van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 nietig te verklaren voor zover daarbij slechts het besluit wordt gehandhaafd om van Jean-Marie Le Pen het bedrag van 320 026,23 EUR terug te vorderen;
—
het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 29 januari 2016 nietig te verklaren;
—
debetnota nr. 2016-195 van 4 februari 2016 nietig te verklaren;
—
het Europees Parlement te verwijzen in alle kosten van de procedure, en
—
het Europees Parlement te veroordelen Jean-Marie Le Pen 50 000,00 EUR te betalen als vergoeding van invorderbare kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan.
1.
Eerste middel, betreffende gebreken die leiden tot de formele onwettigheid van de bestreden handelingen. Dit middel valt uiteen in drie onderdelen.
—
Eerste onderdeel: het Bureau van het Europees Parlement, en niet de secretaris-generaal of de quaestoren, is bevoegd voor financiële besluiten die de politieke partijen, en derhalve de leden, aanbelangen.
—
Tweede onderdeel: het Bureau van het Europees Parlement kan de aard en de reikwijdte van zijn bevoegdheid niet wijzigen. De secretaris-generaal kan geen enkele wettige volmacht van de voorzitter van het Bureau van het Parlement aantonen, die hem de bevoegdheid gaf het besluit van 29 januari 2016 inzake het afwikkelen van financiële vraagstukken betreffende een lid vast te stellen en mee te delen. Van hun kant waren de quaestoren niet bevoegd om het besluit van 4 oktober 2016 te nemen, aangezien de kwestie bij hen is aangebracht bij een „besluit” van een bestuurlijke autoriteit die zelf onbevoegd was, namelijk de secretaris-generaal van het Europees Parlement.
—
Derde onderdeel: het besluit van de quaestoren van het Europees Parlement is niet met redenen omkleed.
2.
Tweede middel, betreffende gebreken die leiden tot de materiële onwettigheid van de bestreden handelingen. Dit middel valt uiteen in acht onderdelen.
—
Eerste onderdeel: het besluit van de quaestoren strekt er niet toe vast te stellen dat de uitgekeerde bedragen onverschuldigd zijn betaald. Dat besluit is bijgevolg een gedeeltelijk besluit, dat slechts betrekking heeft op de terugvordering van die bedragen. Er is thans geen besluit meer waarbij wordt vastgesteld dat de betrokken bedragen daadwerkelijk onverschuldigd zijn betaald aan verzoeker. Daarmee zijn het besluit van de secretaris-generaal en het besluit waarbij terugvordering van die bedragen wordt gelast, ingetrokken.
—
Tweede onderdeel: de bestreden handelingen doen blijken van een kennelijk onjuiste beoordeling.
—
Derde onderdeel: het evenredigheidsbeginsel is geschonden.
—
Vierde onderdeel, betreffende de bewijslast. Het staat niet aan verzoeker het bewijs te leveren dat de medewerker in kwestie daadwerkelijk voor hem werkte en dat zijn werkzaamheden noodzakelijk waren en rechtstreeks verband hielden met de uitoefening van verzoekers parlementair mandaat.
—
Vijfde onderdeel: de bestreden handelingen tasten de politieke rechten van lokale medewerkers aan.
—
Zesde onderdeel: de bestreden handelingen doen blijken van misbruik van bevoegdheid en van procedure.
—
Zevende onderdeel: de bestreden handelingen zijn discriminatoir. De bestreden besluiten zijn er bovendien enkel op gericht de politieke activiteit van verzoeker te schaden.
—
Achtste onderdeel: verzoekers onafhankelijkheid als Europarlementariër wordt ondermijnd.