20.2.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 53/40
Beroep ingesteld op 21 december 2016 — HeidelbergCement/Commissie
(Zaak T-902/16)
(2017/C 053/49)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: HeidelbergCement AG (Heidelberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: U. Denzel, C. von Köckritz, P. Pichler en H. Weiß, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
nietig te verklaren besluit (2016)6591 def. van de Europese Commissie van 10 oktober 2016 tot inleiding van de procedure krachtens artikel 6, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 139/2004 (1) van de Raad in zaak M. 7878 — HeidelbergerCement/Schwenk/Cemex Hungary/Cemex Croatia betreffende de beoogde verwerving door Duna-Dráva Cement Kft. van 100 % van de aandelen in Cemex Hratska dd. en Cemex Hungária Építőanyagok Kft.; en
—
in elk geval, de Commissie te verwijzen in verzoeksters kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster één middel aan.
Volgens verzoekster heeft de Europese Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door verzoekster en Schwenk Zement KG — in plaats van Duna-Dráva Cement Kft., een volwaardige joint venture waarin verzoekster en Schwenk Zement KG elk een zeggenschapsdeelneming van 50 % hebben, aan te merken als „betrokken ondernemingen” en dus vast te stellen dat de transactie een „dimensie voor de Unie” heeft in de zin van artikel 1 van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad. In feite is de Europese Commissie niet bevoegd om het betrokken besluit vast te stellen en de transactie te onderzoeken op basis van verordening (EG) nr. 139/2004, zodat het betrokken besluit in strijd is met artikel 1 van die verordening en met de daaraan ten grondslag liggende beginselen van rechtszekerheid en subsidiariteit.
Ten eerste heeft de Europese Commissie blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en van een kennelijke beoordelingsfout door verzoekster en SchwenkZement KG, in plaats van Duna-Dráva Cement Kft., op basis van punt 147 van de Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwestie (2) aan te merken als „betrokken ondernemingen”.
Ten tweede, indien punt 147 van de Geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties inderdaad kan worden toegepast op de onderhavige zaak is het onwettig wegens schending van artikel 1 van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad en de daaraan ten grondslag liggende beginselen van rechtszekerheid en subsidiariteit.
(1) Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, PB 2004, L 24, blz. 1.
(2) Geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van onderneming, PB 2008, C 95, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy