20.2.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 53/41
Beroep ingesteld op 19 december 2016 — RE/Commissie
(Zaak T-903/16)
(2017/C 053/50)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: RE (Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten) (vertegenwoordiger: S. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
besluit SEC 10.20/06/15 van de Europese Commissie van 12 oktober 2016 nietig te verklaren voor zover dit betrekking heeft op verordening nr. 45/2001, en de verwerende partij te veroordelen tot betaling, aan verzoeker, van tienduizend euro (10 000 EUR) zijnde een eerlijke en redelijke vergoeding voor de immateriële schade die hij heeft geleden door de onrechtmatige weigering om hem toegang tot zijn persoonsgegevens te verlenen;
—
de verwerende partij overeenkomstig artikel 91, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te gelasten om een document betreffende verzoekers aanwerving over te leggen dan wel dit document op grond van artikel 104 van voormeld Reglement over te leggen aan het Gerecht en de verwerende partij te veroordelen tot betaling van dertigduizend euro (30 000 EUR) aan verzoeker ter vergoeding van de immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van de onethische en onrechtmatige behandeling van zijn persoonsgegevens gedurende het onderzoek;
—
de verwerende partij te verwijzen in haar eigen kosten alsmede in verzoekers kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van zijn vordering tot nietigverklaring stelt verzoeker dat het bestreden besluit nietig is wegens het ontbreken van motivering met betrekking tot gegevens waarvoor geen uitzondering werd aangevoerd die een rechtvaardiging zou hebben opgeleverd voor de weigering om hem toegang tot die persoonsgegevens te geven.
Bovendien betoogt verzoeker dat het bestreden besluit, voor zover het verzoeker met een beroep op een uitzondering die relevant is voor de bescherming van onderzoeken krachtens verordening 45/2001 (1), geen toegang geeft tot zijn persoonsgegevens, onwettig moet worden geacht, aangezien het besluit niet aantoont waarom die uitzondering nog steeds geldt nadat het onderzoek waarbij verzoeker betrokken was is afgesloten.
Verzoeker stelt voorts dat de afwijzing, bij het bestreden besluit, van zijn specifieke verzoek om toegang te verkrijgen in een geschrapte/bewerkte vorm, dat hij voor de eerste keer heeft ingediend met zijn verzoek van 21 september 2016, onwettig moet worden geacht voor zover niet wordt aangegeven waarom de openbaarmaking van verzoekers persoonsgegevens in een geschrapte vorm in casu niet mogelijk was, met name nadat het onderzoek was afgesloten.
Ter onderbouwing van zijn vordering tot schadevergoeding stelt verzoeker dat hij immateriële schade heeft geleden als gevolg van de onwettige weigering van het directoraat-generaal Personele middelen en veiligheid om hem toegang tot zijn persoonsgegevens te verlenen, dat hij aanzienlijke loopbaanschade heeft geleden door de onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens door dat directoraat-generaal en meer specifiek door de onrechtmatige verspreiding van informatie betreffende het onderzoek, met de bedoeling om zijn loopbaan te schaden, welke schade niet alleen kan worden hersteld door de nietigverklaring van het bestreden besluit. In deze context vraagt hij het Gerecht om twee documenten in aanmerking te nemen bij het onderzoek van zijn vordering tot vergoeding van de immateriële schade als gevolg van de gedraging van de administratie en te oordelen dat deze schade dient te worden vergoed.
(1) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001, L 8, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy