14.1.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 16/6
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 14 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Danieli & C. Officine Meccaniche SpA, e.a. / Regionale Geschäftsstelle Leoben des Arbeitsmarktservice
(Zaak C-18/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Toetreding van nieuwe lidstaten - Republiek Kroatië - Overgangsmaatregelen - Vrij verrichten van diensten - Richtlijn 96/71/EG - Terbeschikkingstelling van werknemers - Terbeschikkingstelling van Kroatische staatsburgers en derdelanders in Oostenrijk via een in Italië gevestigde onderneming))
(2019/C 16/06)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Danieli & C. Officine Meccaniche SpA, Dragan Panic, Ivan Arnautov, Jakov Mandic, Miroslav Brnjac, Nicolai Dorassevitch, Alen Mihovic
Verwerende partij: Regionale Geschäftsstelle Leoben des Arbeitsmarktservice
Dictum
1)
De artikelen 56 en 57 VWEU en bijlage V, hoofdstuk 2, punt 2, bij de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, dienen aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat het recht heeft om de terbeschikkingstelling van Kroatische werknemers die in dienst zijn van een in Kroatië gevestigde vennootschap te beperken door een werkvergunning te verlangen, wanneer deze terbeschikkingstelling zodanig plaatsvindt dat die werknemers naar een in een andere lidstaat gevestigde onderneming worden overgeplaatst in de zin van artikel 1, lid 3, onder c), van richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en die terbeschikkingstelling strekt tot de verrichting door die laatste onderneming van een dienst in eerstgenoemde lidstaat.
2)
De artikelen 56 en 57 VWEU dienen aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat niet het recht heeft om te verlangen dat derdelanders die ter beschikking zijn gesteld van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming door een tevens in die andere lidstaat gevestigde onderneming met het oog op de verrichting van een dienst in eerstgenoemde lidstaat, over een werkvergunning beschikken.
(1) PB C 144 van 8.5.2017.
Full & Egal Universal Law Academy