5.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 263/3
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 5 juni 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budai Központi Kerületi Bíróság — Hongarije) — GT/HS
(Zaak C-38/17) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Consumentenbescherming - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Richtlijn 93/13/EEG - Artikel 3, lid 1 - Artikel 4, lid 2 - Artikel 6, lid 1 - Leningsovereenkomst in vreemde valuta - Mededeling aan de consument van de wisselkoers die van toepassing is op het in nationale valuta ter beschikking gestelde bedrag nadat de overeenkomst is gesloten)
(2019/C 263/03)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Budai Központi Kerületi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: GT
Verwerende partij: HS
Dictum
Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 2, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, zoals uitgelegd door de hoogste rechter van deze lidstaat, die niet voorziet in de nietigheid van een in vreemde valuta luidende leningsovereenkomst die weliswaar het in de nationale munteenheid uitgedrukte bedrag vermeldt waarvoor de consument om financiering heeft verzocht, maar niet aangeeft welke wisselkoers op dat bedrag wordt toegepast om het definitieve bedrag van de lening in vreemde valuta te bepalen, doch in één van de bedingen ervan preciseert dat de leninggever die wisselkoers in een afzonderlijk document zal vaststellen nadat de overeenkomst is gesloten,
—
indien dit beding overeenkomstig artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd doordat het berekeningsmechanisme van het totale geleende bedrag alsook de toepasselijke wisselkoers op transparante wijze zijn uiteengezet, zodat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument, op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria, de economische gevolgen die voor hem uit de overeenkomst voortvloeien, kan inschatten, met name de totale kosten van zijn lening, dan wel, indien blijkt dat dit beding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd,
—
indien dat beding niet oneerlijk is in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn of, wanneer het wel oneerlijk is, indien de betrokken overeenkomst kan voortbestaan zonder dat oneerlijke beding, zoals artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt.
(1) PB C 178 van 6.6.2017
Full & Egal Universal Law Academy