14.1.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 16/7
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 13 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Den Haag zittingsplaats Haarlem — Nederland) — X (C-47/17), X (C-48/17) / Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(Gevoegde zaken C-47/17 en C-48/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Verordening (EU) nr. 604/2013 - Verordening (EG) nr. 1560/2003 - Bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming - Criteria en instrumenten om dit te bepalen - Verzoek tot over- of terugname van een asielzoeker - Negatief antwoord van de aangezochte lidstaat - Verzoek tot heroverweging - Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1560/2003 - Antwoordtermijn - Verstrijken - Gevolgen))
(2019/C 16/08)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Den Haag zittingsplaats Haarlem
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: X (C-47/17), X (C-48/17)
Verwerende partij: Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Dictum
Artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 van de Commissie van 30 januari 2014, moet aldus worden uitgelegd dat in het kader van de procedure ter bepaling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, de lidstaat waarbij krachtens artikel 21 of artikel 23 van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, een verzoek tot over- of terugname is ingediend en die na de nodige verificaties daarop een negatief antwoord heeft gegeven binnen de termijnen van artikel 22 of van artikel 25 van laatstgenoemde verordening en die nadien wordt gevraagd om heroverweging krachtens genoemd artikel 5, lid 2, zich in een geest van loyale samenwerking moet beijveren om daarop binnen de termijn van twee weken te antwoorden.
Wanneer de aangezochte lidstaat niet binnen deze termijn van twee weken antwoordt, is de aanvullende procedure voor heroverweging definitief beëindigd, zodat de verzoekende lidstaat vanaf het verstrijken van die termijn moet worden aangemerkt als verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, tenzij hij nog over de nodige tijd beschikt om binnen de daartoe in artikel 21, lid 1, en in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 604/2013 gestelde dwingende termijnen een nieuw verzoek tot over- of terugname in te dienen.
(1) PB C 112 van 10.4.2017.
Full & Egal Universal Law Academy