11.3.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/6
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 22 januari 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Cresco Investigation GmbH/Markus Achatzi
(Zaak C-193/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 21 - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Richtlijn 2000/78/EG - Artikel 2, lid 2, onder a) - Directe discriminatie op grond van godsdienst - Nationale wettelijke regeling op grond waarvan bepaalde werknemers op Goede Vrijdag een vrije dag krijgen - Rechtvaardiging - Artikel 2, lid 5 - Artikel 7, lid 1 - Verplichtingen van particuliere werkgevers en van de nationale rechter die voortvloeien uit de onverenigbaarheid van het nationale recht met richtlijn 2000/78))
(2019/C 93/06)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster in Revision: Cresco Investigation GmbH
Verweerder in Revision: Markus Achatzi
Dictum
1)
Artikel 1 en artikel 2, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling op grond waarvan Goede Vrijdag slechts voor werknemers die lid zijn van bepaalde christelijke kerken een feestdag is, en voorts alleen deze werknemers, wanneer zij op die feestdag moeten werken, recht hebben op een toeslag bovenop hun salaris voor de op die dag verrichte arbeid, directe discriminatie op grond van godsdienst oplevert.
De nationale wettelijke bepalingen kunnen niet worden aangemerkt als maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van derden in de zin van artikel 2, lid 5, van richtlijn 2000/78, noch als specifieke maatregelen die bedoeld zijn om de nadelen verband houdende met godsdienst te compenseren in de zin van artikel 7, lid 1, van die richtlijn.
2)
Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat, zolang de betrokken lidstaat zijn wettelijke regeling op grond waarvan alleen aan werknemers die lid zijn van bepaalde christelijke kerken een feestdag wordt toegekend op Goede Vrijdag, niet heeft aangepast om de gelijke behandeling te herstellen, een particuliere werkgever voor wie die wettelijke regeling geldt, verplicht is om ook aan zijn andere werknemers het recht op een vrije dag op Goede Vrijdag toe te kennen, mits deze andere werknemers vooraf om toestemming van die werkgever hebben gevraagd om die dag niet te hoeven werken, en dus ook verplicht is om aan deze werknemers het recht op een toeslag bovenop hun salaris voor de op die dag verrichte arbeid toe te kennen wanneer hij geen toestemming voor een vrije dag heeft verleend.
(1) PB C 283 van 28.8.2017.
Full & Egal Universal Law Academy