27.8.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 301/7
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 juli 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam — Nederland) — X/Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(Zaak C-213/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Verordening (EU) nr. 604/2013 - Bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend - Artikelen 17, 18, 23 en 24 - Eerder ingeleide, nog lopende procedure voor internationale bescherming in een lidstaat - Nieuw verzoek in een andere lidstaat - Geen terugnameverzoek binnen de gestelde termijnen - Overlevering van de betrokken persoon met het oog op strafrechtelijke vervolging))
(2018/C 301/08)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: X
Verwerende partij: Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Dictum
1)
Artikel 23, lid 3, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaat waar een nieuw verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk is voor de behandeling ervan indien die lidstaat niet binnen de in artikel 23, lid 2, van die verordening gestelde termijnen om terugname heeft verzocht, terwijl een andere lidstaat verantwoordelijk was voor de behandeling van eerder ingediende verzoeken om internationale bescherming en het hoger beroep tegen de afwijzing van een van deze verzoeken bij het verstrijken van die termijnen nog aanhangig was voor een rechterlijke instantie van die lidstaat.
2)
Artikel 18, lid 2, van verordening nr. 604/2013 moet aldus worden uitgelegd dat de indiening, door een lidstaat, van een verzoek tot terugname van een onderdaan van een derde land die zich zonder verblijfstitel op zijn grondgebied bevindt, deze lidstaat niet verplicht de behandeling van een hoger beroep tegen de afwijzing van een eerder ingediend verzoek om internationale bescherming te schorsen en die behandeling vervolgens stop te zetten als dit verzoek door de aangezochte lidstaat wordt ingewilligd.
3)
Artikel 24, lid 5, van verordening nr. 604/2013 moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die, in een situatie als in het hoofdgeding, na het verstrijken van de in artikel 23, lid 2, van deze verordening gestelde termijnen in de aangezochte lidstaat, een terugnameverzoek krachtens artikel 24 van die verordening indient, niet gehouden is de autoriteiten van deze lidstaat ervan in kennis te stellen dat een hoger beroep tegen de afwijzing van een eerder ingediend verzoek om internationale bescherming aanhangig is voor een rechterlijke instantie van de verzoekende lidstaat.
4)
Artikel 17, lid 1, en artikel 24 van verordening nr. 604/2013 moeten aldus worden uitgelegd dat een lidstaat waaraan, ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, een verzoeker om internationale bescherming is overgeleverd die zich op zijn grondgebied bevindt zonder daar een nieuw verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend, in een situatie als in het hoofdgeding op de datum van het overdrachtsbesluit, de lidstaat die de verzoeker heeft overgeleverd om terugname van die persoon kan verzoeken en niet is gehouden het door hem ingediende verzoek te behandelen.
(1) PB C 239 van 24.7.2017.
Full & Egal Universal Law Academy