12.11.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 408/21
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 september 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Alexander Mölk/Valentina Mölk
(Zaak C-214/17) (1)
((„Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Protocol van Den Haag inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen - Artikel 4, lid 3 - Verzoek om een onderhoudsbijdrage ingediend door de onderhoudsgerechtigde voor de bevoegde autoriteit van de staat waar de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft - In kracht van gewijsde gegane beslissing - Later verzoek ingediend door de onderhoudsplichtige voor dezelfde autoriteit met het oog op de verlaging van de vastgestelde onderhoudsbijdrage - Verschijning van de onderhoudsgerechtigde - Bepaling van het toepasselijke recht”))
(2018/C 408/26)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Alexander Mölk
Verwerende partij: Valentina Mölk
Dictum
1)
Artikel 4, lid 3, van het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/941/EG van de Raad van 30 november 2009, moet aldus worden uitgelegd dat uit een situatie als in het hoofdgeding, waarin op verzoek van een schuldeiser en, uit hoofde van dat artikel 4, lid 3, volgens de lex fori die overeenkomstig deze bepaling is aangewezen, een onderhoudsbijdrage is vastgesteld bij een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, niet volgt dat dit recht ook een verzoek om verlaging van die onderhoudsbijdrage beheerst dat nadien door de schuldenaar tegen de schuldeiser is ingediend bij de rechterlijke instanties van de staat waar de schuldenaar zijn gewone verblijfplaats heeft.
2)
Artikel 4, lid 3, van het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 moet aldus worden uitgelegd dat de schuldeiser de zaak niet „aanbrengt” in de zin van dat artikel bij de bevoegde autoriteit van de staat waar de schuldenaar zijn gewone verblijfplaats heeft wanneer de schuldeiser verschijnt in de zin van artikel 5 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, in een procedure die door de schuldenaar voor die autoriteit aanhangig is gemaakt en concludeert tot verwerping van het verzoek ten gronde.
(1) PB C 283 van 28.8.2017.
Full & Egal Universal Law Academy