Zaak C-230/17: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 27 juni 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Østre Landsret — Denemarken) — Erdem Deha Altiner, Isabel Hanna Ravn / Udlændingestyrelsen (Prejudiciële verwijzing — Burgerschap van de Unie — Artikel 21, lid 1, VWEU — Richtlijn 2004/38/EG — Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten — Verblijfsrecht van een derdelander die familielid is van een burger van de Unie, in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit — Binnenkomst van dit familielid op het grondgebied van de lidstaat in kwestie nadat de burger van de Unie naar deze lidstaat is teruggekeerd)
C2942018NL920120180627NL001292102
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 27 juni 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Østre Landsret — Denemarken) — Erdem Deha Altiner, Isabel Hanna Ravn / Udlændingestyrelsen
(Zaak C-230/17) ( 1 )
„(Prejudiciële verwijzing — Burgerschap van de Unie — Artikel 21, lid 1, VWEU — Richtlijn 2004/38/EG — Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten — Verblijfsrecht van een derdelander die familielid is van een burger van de Unie, in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit — Binnenkomst van dit familielid op het grondgebied van de lidstaat in kwestie nadat de burger van de Unie naar deze lidstaat is teruggekeerd)”2018/C 294/12Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Østre Landsret
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Erdem Deha Altiner, Isabel Hanna Ravn
Verwerende partij: Udlændingestyrelsen
Dictum
Artikel 21, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die niet voorziet in de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op grond van het Unierecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die de nationaliteit van deze lidstaat heeft en naar deze lidstaat terugkeert nadat hij in een andere lidstaat heeft verbleven krachtens en onder eerbiediging van het Unierecht, wanneer dat familielid van de betrokken burger van de Unie niet op het grondgebied van de lidstaat van herkomst van die burger van de Unie is binnengekomen of daar geen verzoek om toekenning van een verblijfsrecht heeft ingediend „als natuurlijk vervolg” op de terugkeer van de betrokken burger van de Unie naar deze lidstaat, voor zover deze regeling vereist dat in het kader van een algemene beoordeling ook andere relevante factoren in aanmerking worden genomen, met name factoren die kunnen aantonen dat — niettegenstaande het tijdsverloop tussen de terugkeer van de burger van de Unie naar die lidstaat en de binnenkomst in dezelfde lidstaat van zijn familielid dat derdelander is — het in het gastland opgebouwde en bestendigde gezinsleven niet is beëindigd, wat de toekenning aan het betrokken familielid van een afgeleid verblijfsrecht rechtvaardigt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
( 1 ) PB C 213 van 3.7.2017.
Full & Egal Universal Law Academy