14.1.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 16/12
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — C, A / Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(Zaak C-257/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Bevoegdheid van het Hof - Richtlijn 2003/86/EG - Recht op gezinshereniging - Artikel 15 - Weigering om een autonome verblijfstitel te verlenen - Nationale regeling op grond waarvan een inburgeringsexamen moet worden behaald))
(2019/C 16/14)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: C, A
Verwerende partij: Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Dictum
1)
Het Hof is uit hoofde van artikel 267 VWEU bevoegd om artikel 15 van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging uit te leggen in situaties als aan de orde in de hoofdgedingen, waarin de verwijzende rechter zich dient uit te spreken over de verlening van een autonome verblijfstitel aan een derdelander die gezinslid is van een Unieburger die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, wanneer deze bepaling door het nationale recht op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze van toepassing is verklaard op dergelijke situaties.
2)
Artikel 15, leden 1 en 4, van richtlijn 2003/86 staat niet in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan een aanvraag voor een autonome verblijfstitel die is ingediend door een derdelander die uit hoofde van gezinshereniging langer dan vijf jaar op het grondgebied van een lidstaat heeft verbleven, kan worden afgewezen op grond dat hij niet heeft aangetoond dat hij is geslaagd voor een inburgeringsexamen over de taal en de samenleving van deze lidstaat, mits de wijze waarop de verplichting om dat examen te behalen concreet wordt uitgewerkt, niet verder gaat dan nodig is om het doel van vergemakkelijking van de integratie van derdelanders te bereiken.
3)
Artikel 15, leden 1 en 4, van richtlijn 2003/86 staat niet in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan de autonome verblijfstitel pas kan worden verstrekt met ingang van de datum van indiening van de aanvraag daartoe.
(1) PB C 269 van 14.8.2017.
Full & Egal Universal Law Academy