3.6.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 187/11
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 maart 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Bashar Ibrahim (C-297/17), Mahmud Ibrahim e.a. (C-318/17), Nisreen Sharqawi, Yazan Fattayrji, Hosam Fattayrji (C-319/17)/Bundesrepublik Deutschland, Bundesrepublik Deutschland/Taus Magamadov (C-438/17)
(Gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming - Richtlijn 2013/32/EU - Artikel 33, lid 2, onder a) - Afwijzing door de autoriteiten van een lidstaat van een asielverzoek wegens niet-ontvankelijkheid op grond dat in een andere lidstaat reeds subsidiaire bescherming is toegekend - Artikel 52 - Werkingssfeer ratione temporis van deze richtlijn - Artikelen 4 en 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Structurele tekortkomingen in de asielprocedure in die andere lidstaat - Systematische afwijzing van de asielverzoeken - Reëel en bewezen risico op onmenselijke of vernederende behandeling - Levensomstandigheden van personen die subsidiaire bescherming in laatstgenoemde staat genieten)
(2019/C 187/13)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Bashar Ibrahim (C-297/17), Mahmud Ibrahim, Fadwa Ibrahim, Bushra Ibrahim, Mohammad Ibrahim, Ahmad Ibrahim (C-318/17), Nisreen Sharqawi, Yazan Fattayrji, Hosam Fattayrji (C-319/17), Bundesrepublik Deutschland (C-438/17)
Verwerende partijen: Bundesrepublik Deutschland (C-297/17, C-318/17, C-319/17), Taus Magamadov (C-438/17)
Dictum
1)
Artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat mag bepalen dat de nationale bepaling waarbij artikel 33, lid 2, onder a), van die richtlijn wordt omgezet, onmiddellijk van toepassing is op asielverzoeken waarop nog geen definitief besluit is genomen, die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en vóór de inwerkingtreding van die nationale bepaling. Artikel 52, eerste alinea, gelezen in het licht van met name genoemd artikel 33, verzet zich daarentegen tegen een dergelijke onmiddellijke toepassing in een situatie waarin zowel het asielverzoek als het verzoek tot terugname is ingediend vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 en, overeenkomstig artikel 49 van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, nog ten volle valt onder verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend.
2)
In een situatie als aan de orde in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17, moet artikel 33 van richtlijn 2013/32 aldus worden uitgelegd dat de lidstaten een asielverzoek niet-ontvankelijk mogen verklaren op grond van artikel 33, lid 2, onder a), zonder dat zij bij voorrang gebruik moeten of kunnen maken van de procedures tot overname of terugname die zijn neergelegd in verordening nr. 604/2013.
3)
Artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een lidstaat krachtens de door die bepaling verleende bevoegdheid een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus niet-ontvankelijk verklaart omdat aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, wanneer de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die subsidiaire bescherming geniet in die andere lidstaat, hem niet blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De omstandigheid dat personen die een dergelijke subsidiaire bescherming genieten, in die lidstaat geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of voorzieningen genieten die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen dan leiden tot de vaststelling dat de verzoeker er wordt blootgesteld aan een dergelijk risico, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie.
Artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een lidstaat diezelfde bevoegdheid uitoefent wanneer de asielprocedure in de andere lidstaat die de verzoeker subsidiaire bescherming heeft toegekend, ertoe leidt dat de vluchtelingenstatus systematisch, zonder dat er een werkelijk onderzoek wordt gevoerd, wordt geweigerd aan personen die om internationale bescherming verzoeken en die voldoen aan de voorwaarden van de hoofdstukken II en III van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
(1) PB C 309 van 18.9.2017.
PB C 347 van 16.10.2017
Full & Egal Universal Law Academy