Zaak C-306/17: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 31 mei 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tatabányai Törvényszék — Hongarije) — Éva Nothartová / Sámson József Boldizsár [Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Rechterlijke bevoegdheid — Bijzondere bevoegdheden — Artikel 8, punt 3 — Tegenvordering die al dan niet voortspruit uit de overeenkomst of uit het feit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is]
C2592018NL1210120180531NL0016121132
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 31 mei 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tatabányai Törvényszék — Hongarije) — Éva Nothartová / Sámson József Boldizsár
(Zaak C-306/17) ( 1 )
„[Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Rechterlijke bevoegdheid — Bijzondere bevoegdheden — Artikel 8, punt 3 — Tegenvordering die al dan niet voortspruit uit de overeenkomst of uit het feit waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is]”2018/C 259/16Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Tatabányai Törvényszék
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Éva Nothartová
Verwerende partij: Sámson József Boldizsár
Dictum
Artikel 8, punt 3, van verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het niet-exclusief van toepassing is in een situatie waarin bij de rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van een beweerde schending van persoonlijkheidsrechten van de verzoeker op grond dat zonder diens medeweten foto’s en video-opnamen zijn gemaakt, door de verweerder een tegenvordering is ingediend strekkende tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad van de verzoeker, met name wegens de beperking van zijn intellectuele schepping, die het voorwerp vormt van de oorspronkelijke vordering, wanneer het onderzoek van die tegenvordering vereist dat die rechterlijke instantie beoordeelt of de feiten waarop de verzoeker zijn eigen vorderingen baseert al dan niet rechtmatig zijn.
( 1 ) PB C 269 van 14.8.2017.
Full & Egal Universal Law Academy