14.1.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 16/18
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — K, B / Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(Zaak C-380/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Bevoegdheid van het Hof - Richtlijn 2003/86/EG - Recht op gezinshereniging - Artikel 12 - Niet-inachtneming van de termijn van drie maanden na de toekenning van internationale bescherming - Subsidiair beschermde persoon - Afwijzing van een visumaanvraag))
(2019/C 16/22)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: K, B
Verwerende partij: Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Dictum
1)
Het Hof is uit hoofde van artikel 267 VWEU bevoegd om artikel 12, lid 1, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging uit te leggen in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de verwijzende rechter zich dient uit te spreken over het recht op gezinshereniging van een subsidiair beschermde, wanneer deze bepaling door het nationale recht op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze van toepassing is verklaard op dergelijke situaties.
2)
Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2003/86 staat niet in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan een ten behoeve van een gezinslid van een vluchteling ingediend verzoek om in aanmerking te komen voor gezinshereniging op basis van de gunstiger bepalingen van hoofdstuk V van deze richtlijn, kan worden afgewezen op grond dat dit verzoek meer dan drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus aan de gezinshereniger is ingediend, waarbij tegelijk wel de mogelijkheid wordt geboden een nieuw verzoek in te dienen in het kader van een andere regeling, op voorwaarde dat deze regeling:
—
erin voorziet dat een dergelijke weigeringsgrond niet kan worden gehanteerd in situaties waarin de te late indiening van het eerste verzoek op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is;
—
erin voorziet dat de betrokkenen volledig worden geïnformeerd over de gevolgen van het besluit tot afwijzing van hun eerste verzoek en de maatregelen die zij dienen te nemen om hun recht op gezinshereniging doeltreffend te doen gelden, en
—
waarborgt dat de als vluchteling erkende gezinsherenigers in aanmerking blijven komen voor de op vluchtelingen toepasselijke gunstiger voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging zoals bepaald in de artikelen 10 en 11 of artikel 12, lid 2, van genoemde richtlijn.
(1) PB C 300 van 11.9.2017.
Full & Egal Universal Law Academy