11.3.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/10
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 januari 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Stefano Liberato/Luminita Luisa Grigorescu
(Zaak C-386/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Artikel 5, punt 2 - Artikel 27 - Artikel 35, lid 3 - Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Artikel 19 - Aanhangigheid - Artikel 22, onder a) - Artikel 23, onder a) - Niet-erkenning van beslissingen wegens kennelijke strijd met de openbare orde - Artikel 24 - Verbod om de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht te toetsen - Weigeringsgrond gebaseerd op schending van de regels inzake aanhangigheid - Geen))
(2019/C 93/12)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Stefano Liberato
Verwerende partij: Luminita Luisa Grigorescu
Dictum
De aanhangigheidsregels van artikel 27 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en van artikel 19 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer in het kader van een geding betreffende huwelijkszaken, ouderlijke verantwoordelijkheid of onderhoudsverplichtingen de laatst aangezochte rechter in strijd met deze regels een beslissing geeft die definitief is geworden, zij zich ertegen verzetten dat de gerechten van de lidstaat van de eerst aangezochte rechter om die enkele reden weigeren deze beslissing te erkennen. In het bijzonder vormt deze schending van de aanhangigheidsregels op zich geen rechtvaardiging voor de weigering om die beslissing te erkennen wegens kennelijke strijdigheid met de openbare orde van die lidstaat.
(1) PB C 338 van 9.10.2017.
Full & Egal Universal Law Academy