11.3.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/11
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 januari 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Presidenza del Consiglio dei Ministri / Fallimento Traghetti del Mediterraneo SpA
(Zaak C-387/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Staatssteun - Bestaande steun en nieuwe steun - Kwalificatie - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikel 1, onder b), iv) en v) - Rechtszekerheidsbeginsel en beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen - Toepasselijkheid - Subsidies toegekend vóór de liberalisering van een markt die aanvankelijk niet openstond voor mededinging - Door een concurrent van de begunstigde onderneming tegen de lidstaat ingestelde schadevordering))
(2019/C 93/13)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Presidenza del Consiglio dei Ministri
Verwerende partij: Fallimento Traghetti del Mediterraneo SpA
Dictum
1)
Subsidies die aan een onderneming worden toegekend vóórdat de betrokken markt wordt geliberaliseerd, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde subsidies, kunnen niet als bestaande steun worden aangemerkt louter omdat die markt ten tijde van de toekenning niet formeel was geliberaliseerd, wanneer de betrokken subsidies het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden en de mededinging konden vervalsen of dreigen te vervalsen, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.
2)
Artikel 1, onder b), iv), van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een situatie als die in het hoofdgeding. Voor zover de in het hoofdgeding aan de orde zijnde subsidies werden toegekend zonder dat de bij artikel 93 EEG-Verdrag opgelegde voorafgaande aanmeldingsplicht werd nageleefd, kunnen de overheidsentiteiten zich niet beroepen op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen. In een situatie als die in het hoofdgeding, waarin tegen de lidstaat een schadevordering wordt ingesteld door een concurrent van de begunstigde onderneming, staat het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg dat aan die verzoekende partij naar analogie een verjaringstermijn als die van artikel 15, lid 1, van die verordening wordt opgelegd.
(1) PB C 338 van 9.10.2017.
Full & Egal Universal Law Academy