8.7.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 230/3
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 mei 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Oostenrijk) — Martin Leitner/Landespolizeidirektion Tirol
(Zaak C-396/17) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Verbod van elke vorm van discriminatie op grond van leeftijd - Richtlijn 2000/78/EG - Uitsluiting van de beroepservaring die vóór de leeftijd van 18 jaar is opgedaan - Nieuwe regeling voor bezoldiging en bevordering - Handhaving van het verschil in behandeling - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Rechtvaardigingsgronden)
(2019/C 230/03)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Martin Leitner
Verwerende partij: Landespolizeidirektion Tirol
Dictum
1)
De artikelen 1, 2 en 6 van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een met terugwerkende kracht in werking tredende nationale regeling als in het hoofdgeding die, om een einde te maken aan discriminatie op grond van leeftijd, voorziet in een overgang van de reeds aangestelde ambtenaren naar een nieuwe regeling voor bezoldiging en bevordering, waarbij de eerste indeling van die ambtenaren plaatsvindt op basis van het overeenkomstig de oude regeling ontvangen laatste salaris.
2)
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 9 van richtlijn 2000/78 dienen aldus te worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die in een situatie als die in het hoofdgeding de reikwijdte van het toezicht dat de nationale rechter kan uitoefenen beperkt door de kwesties uit te sluiten die verband houden met de grondslag van het „overgangsbedrag” dat werd berekend volgens de regels van de oude regeling voor bezoldiging en bevordering.
3)
Wanneer nationale bepalingen niet in overeenstemming met richtlijn 2000/78 kunnen worden uitgelegd, dient de nationale rechter, binnen het kader van zijn bevoegdheden, de rechtsbescherming te waarborgen die voor de justitiabelen voortvloeit uit die richtlijn en er de volle werking van te garanderen, waarbij indien nodig iedere daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing wordt gelaten. Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een met het Unierecht strijdige discriminatie is vastgesteld en zolang maatregelen tot herstel van een gelijke behandeling niet zijn genomen, de gelijke behandeling in een geval zoals in het hoofdgeding alleen kan worden hersteld door aan de door de oude regeling voor bezoldiging en bevordering benadeelde ambtenaren dezelfde voordelen toe te kennen als deze waarop de door die regeling bevoordeelde ambtenaren aanspraak konden maken met betrekking tot zowel de inaanmerkingneming van de vóór de leeftijd van 18 jaar vervulde diensttijdvakken als het stijgen in salaristrappen, en bijgevolg door aan de gediscrimineerde ambtenaren een financiële compensatie toe te kennen die gelijk is aan het verschil tussen het bezoldigingsbedrag dat de betrokken ambtenaar had moeten verkrijgen als hij niet was gediscrimineerd, en het bedrag van de bezoldiging die hij daadwerkelijk heeft ontvangen.
(1) PB C 347 van 16.10.2017.
Full & Egal Universal Law Academy