3.6.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 187/16
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 maart 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Falck Rettungsdienste GmbH, Falck A/S/Stadt Solingen
(Zaak C-465/17) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Plaatsen van overheidsopdrachten - Richtlijn 2014/24/EU - Artikel 10, onder h) - Specifieke uitsluitingen voor opdrachten voor diensten - Diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie - Non-profitorganisaties en -verenigingen - Ziekenvervoer per ambulance - Gekwalificeerd ziekenvervoer)
(2019/C 187/18)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Falck Rettungsdienste GmbH, Falck A/S
Verwerende partij: Stadt Solingen
Dictum
1)
Artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG moet aldus worden uitgelegd dat de uitzondering op de toepassing van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten waarin die bepaling voorziet, zowel geldt voor de bijstand en de verzorging die in een reddingsvoertuig aan spoedpatiënten worden verstrekt door een ambulancehulpverlener/ambulanceverpleegkundige, welke diensten onder CPV-code [CPV: Common Procurement Vocabulary, gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten] 75252000-7 (reddingsdiensten) vallen, als voor het gekwalificeerde ziekenvervoer, dat naast het vervoer bijstand aan en verzorging van patiënten in een ambulance door een ambulanceverpleegkundige, bijgestaan door een ambulancemedewerker, omvat en onder CPV-code 85143000-3 (ambulancediensten) valt, mits het daadwerkelijk wordt uitgevoerd door personeel dat naar behoren is opgeleid om eerste hulp te verlenen en wordt verricht ten behoeve van een patiënt bij wie het risico bestaat dat zijn gezondheidstoestand tijdens het vervoer achteruitgaat.
2)
Artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 moet enerzijds aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich ertegen verzet dat instellingen van algemeen nut die in het nationale recht zijn erkend als organisaties voor civiele bescherming en verdediging worden beschouwd als „non-profitorganisaties of -verenigingen” in de zin van die bepaling voor zover het nationale recht aan de erkenning als instelling van algemeen nut niet de voorwaarde verbindt dat de betrokken organisatie geen winst nastreeft, en anderzijds dat organisaties of verenigingen die tot doel hebben sociale opdrachten te vervullen, die geen commerciële werkzaamheden vervullen en die eventuele winst herinvesteren om het doel van de organisatie of de vereniging te verwezenlijken, „non-profitorganisaties of -verenigingen” in de zin van die bepaling zijn.
(1) PB C 330 van 2.10.2017.
Full & Egal Universal Law Academy