Zaak C-512/17: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 28 juni 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy Poznań — Stare Miasto w Poznaniu — Polen) — procedure ingeleid door HR (Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Artikel 8, lid 1 — Gewone verblijfplaats van een kind — Zuigeling — Beslissende omstandigheden voor de bepaling van deze verblijfplaats)
C2942018NL1210120180628NL0016121132
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 28 juni 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy Poznań — Stare Miasto w Poznaniu — Polen) — procedure ingeleid door HR
(Zaak C-512/17) ( 1 )
„(Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Artikel 8, lid 1 — Gewone verblijfplaats van een kind — Zuigeling — Beslissende omstandigheden voor de bepaling van deze verblijfplaats)”2018/C 294/16Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Rejonowy Poznań — Stare Miasto w Poznaniu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: HR
in tegenwoordigheid van: KO, Prokuratura Rejonowa Poznań Stare Miasto w Poznaniu
Dictum
Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat de gewone verblijfplaats van een kind in de zin van die verordening overeenkomt met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt. Het is aan de nationale rechter om, aan de hand van een reeks met elkaar overeenstemmende factoren, te bepalen waar zich dat centrum op het tijdstip van de indiening van het verzoek omtrent de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind bevond. In een zaak als in het hoofdgeding zijn de volgende omstandigheden, in het licht van de feiten die door deze rechter zijn vastgesteld, tezamen beslissend:
—
het kind heeft sinds zijn geboorte tot aan het uit elkaar gaan van zijn ouders in het algemeen met hen op een bepaalde plaats gewoond;
—
de ouder die sinds het uit elkaar gaan van het paar in feite het gezag over het kind uitoefent, verblijft in het dagelijks leven nog steeds met hem op die plaats en oefent daar zijn beroepswerkzaamheden uit op basis van een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd, en
—
het kind heeft op die plaats regelmatig omgang met zijn andere ouder, die daar nog steeds verblijft.
In een zaak als in het hoofdgeding kunnen de volgende omstandigheden echter niet als beslissend worden beschouwd:
—
de verblijven in het verleden van de ouder die in feite het gezag over het kind uitoefent met dat kind op het grondgebied van de lidstaat waaruit deze ouder afkomstig is tijdens verloven of feestdagen;
—
de herkomst van die ouder, de culturele banden van het kind met die lidstaat die daaruit voortvloeien en zijn betrekkingen met zijn familieleden die in die lidstaat wonen, en
—
de eventuele bedoeling van die ouder zich in de toekomst met het kind in die lidstaat te vestigen.
( 1 ) PB C 412 van 4.12.2017.
Full & Egal Universal Law Academy