7.1.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 4/8
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 25 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Vrhovno sodišče — Slovenië) — Milan Božičevič Ježovnik / Republika Slovenija
(Zaak C-528/17) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 143, lid 1, onder d) - Vrijstelling van btw bij invoer - Invoer gevolgd door een intracommunautaire levering - Risico op belastingfraude - Goede trouw van de belastingplichtige importeur en leverancier - Beoordeling - Zorgvuldigheidsplicht van de belastingplichtige importeur en leverancier)
(2019/C 4/11)
Procestaal: Sloveens
Verwijzende rechter
Vrhovno sodišče
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Milan Božičevič Ježovnik
Verwerende partij: Republika Slovenija
Dictum
Artikel 143, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/69/EG van de Raad van 25 juni 2009, moet aldus worden uitgelegd dat de belastingplichtige importeur en leverancier die een vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde bij invoer genoot die door de bevoegde douaneautoriteiten na een voorafgaande controle was verleend op basis van de door hem aangedragen bewijzen, niet gehouden is de btw achteraf te betalen wanneer bij een latere controle blijkt dat niet was voldaan aan de materiële voorwaarden voor de vrijstelling, tenzij op basis van objectieve gegevens wordt vastgesteld dat de betrokken belastingplichtige wist of had moeten weten dat de op de importen in kwestie volgende leveringen deel uitmaakten van fraude door de koper, en dat die belastingplichtige niet alle hem ter beschikking staande redelijke maatregelen heeft getroffen om die fraude te voorkomen, wat door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.
(1) PB C 374 van 6.11.2017.