8.4.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 131/9
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 14 februari 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Svea hovrätt — Zweden) — Rebecka Jonsson/Société du Journal L’Est Républicain
(Zaak C-554/17) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Europese procedure voor geringe vorderingen - Verordening (EG) nr. 861/2007 - Artikel 16 - „In het ongelijk gestelde partij” - Proceskosten - Verdeling - Artikel 19 - Procesrecht van de lidstaten)
(2019/C 131/11)
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Svea hovrätt
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Rebecka Jonsson
Verwerende partij: Société du Journal L’Est Républicain
Dictum
Artikel 16 van verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan, wanneer een partij slechts ten dele in het gelijk wordt gesteld, de nationale rechter kan gelasten dat elke partij in de procedure in haar proceskosten wordt veroordeeld of die kosten tussen die partijen kan verdelen. In een dergelijk geval is de nationale rechter in beginsel vrij om het bedrag van deze kosten te verdelen, mits de nationale procedureregels voor de verdeling van de proceskosten voor geringe grensoverschrijdende vorderingen niet ongunstiger zijn dan de procedureregels die gelden voor soortgelijke situaties die onder intern recht vallen en de procedurevoorschriften voor de verdeling van deze proceskosten de betrokkenen er niet toe brengen om af te zien van het gebruik van deze Europese procedure voor geringe vorderingen, door de eiser, wanneer hij grotendeels in het gelijk is gesteld, ertoe te veroordelen zijn proceskosten of een substantieel deel daarvan te dragen.
(1) PB C 402 van 27.11.2017.
Full & Egal Universal Law Academy