12.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 270/7
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 20 juni 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin — Duitsland) — ExxonMobil Production Deutschland GmbH/Bundesrepublik Deutschland
(Zaak C-682/17) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Milieu - Richtlijn 2003/87/EG - Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten - Aardgasbehandelingsinstallatie - Zwavelterugwinning - ,Clausproces’ - Elektriciteitsproductie in een hulpinrichting - Productie van warmte - Emissie van inherent kooldioxide (CO2) - Artikel 2, lid 1 - Toepassingsgebied - Bijlage I - Activiteit,verbranden van brandstof’ - Artikel 3, onder u) - Begrip,elektriciteitsopwekker’ - Artikel 10 bis, leden 3 en 4 - Overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten - Besluit 2011/278/EU - Toepassingsgebied - Artikel 3, onder c) - Begrip „warmtebenchmark-subinstallatie”)
(2019/C 270/08)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Berlin
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ExxonMobil Production Deutschland GmbH
Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland
Dictum
1)
Artikel 3, onder u), van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een installatie als die aan de orde in het hoofdgeding, die in het kader van haar activiteit „verbranding van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 [megawatt (MW)]” als bedoeld in bijlage I bij deze richtlijn, elektriciteit produceert die hoofdzakelijk bestemd is om voor haar eigen behoeften te worden gebruikt, moet worden beschouwd als een „elektriciteitsopwekker” in de zin van deze bepaling, wanneer deze installatie, ten eerste, tegelijkertijd een activiteit uitoefent ter vervaardiging van een product dat niet onder die bijlage valt en, ten tweede, tegen vergoeding, een, zij het slechts klein, deel van haar elektriciteitsproductie doorlopend afgeeft aan het openbare elektriciteitsnet, waarop deze installatie om technische redenen permanent moet zijn aangesloten.
2)
Artikel 3, onder c), van besluit 2011/87/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 moet aldus worden uitgelegd dat een installatie als die in het hoofdgeding, voor zover zij moet worden beschouwd als „elektriciteitsopwekker” in de zin van artikel 3, onder u), van richtlijn 2003/87, geen recht heeft op kosteloze toewijzing van emissierechten voor de warmte die wordt geproduceerd in het kader van haar activiteit „verbranding van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW” als bedoeld in bijlage I bij deze richtlijn, wanneer die warmte wordt gebruikt voor andere doeleinden dan elektriciteitsopwekking, aangezien een dergelijke installatie niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 bis, leden 4 en 8, van die richtlijn.
(1) PB C 112 van 26.3.2018.
Full & Egal Universal Law Academy