31.7.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 249/14
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 11 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Törvényszék — Hongarije) — Bericap Záródástechnikai Cikkeket Gyártó Bt./Nemzetgazdasági Minisztérium
(Zaak C-53/17) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Door de lidstaten verstrekte steun - Afwijkingen van het verbod op steun - Steun die als verenigbaar met de interne markt kan worden aangemerkt - Verordening (EG) nr. 800/2008 - Definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen - Verbonden ondernemingen - Ondernemingen die hun activiteiten op dezelfde markt uitoefenen en die deel uitmaken van een wereldwijd concern dat in handen is van de leden van eenzelfde familie - Begrip „in gemeenschappelijk overleg handelende groep natuurlijke personen”])
(2017/C 249/21)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Fővárosi Törvényszék
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bericap Záródástechnikai Cikkeket Gyártó Bt.
Verwerende partij: Nemzetgazdasági Minisztérium
Dictum
Artikel 3, lid 3, van bijlage I bij verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen [107 en 108 VWEU] met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”), moet aldus worden uitgelegd dat ondernemingen als „verbonden” ondernemingen in de zin van dit artikel kunnen worden aangemerkt indien uit het onderzoek van de onderlinge juridische en economische betrekkingen volgt dat zij, via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep natuurlijke personen, een enkele economische eenheid vormen, ook al onderhouden zij formeel niet een van de in artikel 3, lid 3, eerste alinea, van deze bijlage genoemde banden. Natuurlijke personen handelen in gemeenschappelijk overleg in de zin van artikel 3, lid 3, vierde alinea, van deze bijlage als zij hun optreden coördineren om de commerciële beslissingen van de betrokken ondernemingen te beïnvloeden, zodat is uitgesloten dat die ondernemingen als onderling economisch onafhankelijk worden beschouwd. Daarbij komt het aan op de omstandigheden van het geval; het is niet per se noodzakelijk dat er contractuele betrekkingen tussen deze personen bestaan, noch dat deze personen beogen de definitie van kleine, middelgrote of micro-ondernemingen in de zin van bijlage I bij verordening nr. 800/2008 te omzeilen.
(1) PB C 144 van 8.5.2017.
Full & Egal Universal Law Academy