23.4.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 142/16
Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 22 februari 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunalul Sibiu — Roemenië) — Liviu Petru Lupean, Oana Andreea Lupean / SC OTP BAAK Nyrt., vertegenwoordigd door OTP BANK SA, op haar beurt vertegenwoordigd door Sucursala SIBIU, SC OTP BAAK Nyrt., vertegenwoordigd door OTP BANK SA
(Zaak C-119/17) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Bescherming van de consument - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Artikel 3, lid 1, artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5 - Beoordeling of contractuele bedingen oneerlijk zijn - Kredietovereenkomst in een vreemde valuta - Wisselkoersrisico volledig ten laste van de consument - Aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen - Eigenlijke voorwerp van de kredietovereenkomst))
(2018/C 142/21)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunalul Sibiu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Liviu Petru Lupean, Oana Andreea Lupean
Verwerende partijen: SC OTP BAAK Nyrt., vertegenwoordigd door OTP BANK SA, op haar beurt vertegenwoordigd door Sucursala SIBIU, SC OTP BAAK Nyrt., vertegenwoordigd door OTP BANK SA
Dictum
1)
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat een in een kredietovereenkomst in vreemde valuta tussen een verkoper en een consument opgenomen beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, zoals het beding in het hoofdgeding, op grond waarvan het krediet in dezelfde valuta moet worden terugbetaald, onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van die bepaling valt aangezien dat beding een wezenlijke prestatie vastlegt die kenmerkend is voor die overeenkomst.
2)
De artikelen 3 tot en met 5 van richtlijn 93/13 moeten aldus worden uitgelegd dat een beding in een kredietovereenkomst als in het hoofdgeding, waarmee het wisselkoersrisico volledig bij de kredietnemer wordt gelegd en dat niet transparant is geformuleerd, met als gevolg dat de kredietnemer niet op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de financiële gevolgen van de ondertekening van die overeenkomst kan inschatten, door de nationale rechter bij de beoordeling van dat beding als oneerlijk kan worden beschouwd als wordt vastgesteld dat het in strijd met het gebod van goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Het staat aan de verwijzende rechter om — in het licht van alle omstandigheden van het hoofdgeding en rekening houdend met name met de deskundigheid en de kennis van de verkoper met betrekking tot de mogelijke wisselkoersschommelingen en de risico’s die inherent zijn aan het aangaan van een lening in vreemde valuta — na te gaan, in de eerste plaats, of het vereiste van goede trouw is nageleefd en, in de tweede plaats, of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13.
(1) PB C 178 van 6.6.2017.