CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 3 oktober 2018 ( 1 )
Zaak C‑168/17
SH
tegen
TG,
in tegenwoordigheid van:
UF
[verzoek van de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië – Verordening nr. 204/2011 – Artikel 5, lid 2 – Verbod om tegoeden ter beschikking te stellen aan de in bijlage III bij de verordening genoemde personen – Artikel 12 – ,Geen vorderingen’-clausule – Artikel 9 – Betalingen in strijd met het verbod van artikel 5, lid 2 – Keten van overeenkomsten die zijn gesloten om een garantie te stellen ten gunste van een op de lijst in bijlage III bij de verordening geplaatste entiteit”
1.
Met de prejudiciële verwijzing die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige conclusie, heeft de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) het Hof een reeks vragen voorgelegd betreffende de uitlegging van artikel 5, lid 2, artikel 9 en artikel 12 van verordening (EU) nr. 204/2011 van de Raad van 2 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië ( 2 ), alsmede van artikel 17 van verordening 2016/44 ( 3 ). Die vragen vinden hun oorsprong in een geschil tussen twee in de Unie gevestigde banken, SH en TG, over de betaling van provisies en andere garantiekosten door eerstgenoemde aan laatstgenoemde in het kader van twee overeenkomsten die zijn gesloten als contragarantie voor de garantieverplichtingen van een Libische bank ten aanzien van een Libische entiteit in verband met een overeenkomst tot aanneming van werk tussen die Libische entiteit en een Hongaarse onderneming.
I. Toepasselijke bepalingen
2.
Op 28 februari 2011 heeft de Raad besluit 2011/137/GBVB ( 4 ) vastgesteld. In overeenstemming met resolutie 1970 (2011) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties [hierna: „UNSCR 1970 (2011)”] ( 5 ) en daaropvolgende resoluties heeft dit besluit voorzien in een wapenembargo, een verbod op de uitvoer van uitrusting die voor binnenlandse repressie zou kunnen worden gebruikt, alsook inreisbeperkingen en het bevriezen van de tegoeden en economische middelen van bepaalde personen en entiteiten die betrokken zijn bij ernstige schendingen van de mensenrechten tegen personen in Libië, onder meer via aanvallen tegen de burgerbevolking en civiele installaties, wat in strijd is met het internationaal recht ( 6 ).
3.
Op 2 maart 2011 heeft de Raad verordening nr. 204/2011 vastgesteld om de noodzakelijke maatregelen ter uitvoering van het embargo vast te stellen.
4.
Volgens artikel 5, lid 1, van die verordening „[worden] [a]lle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de in bijlagen II en III genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen, [...] bevroren”. ( 7 ) In artikel 5, lid 2, is bepaald dat „[a]an of ten behoeve van de in bijlagen II en III genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen [...] geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking [mogen] worden gesteld”. ( 8 ) Volgens lid 3 van hetzelfde artikel „[is] [h]et [...] verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben dat de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen direct of indirect worden omzeild”.
5.
Artikel 9, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 204/2011 bepaalt: „Artikel 5, lid 2, is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van: a) rente of andere inkomsten op die rekeningen; of b) betalingen op grond van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de in artikel 5 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen door het Sanctiecomité, de Veiligheidsraad of de Raad zijn aangewezen [...], mits deze rente, andere inkomsten en betalingen overeenkomstig artikel 5, lid 1, worden bevroren.” ( 9 )
6.
Artikel 12 van verordening nr. 204/2011, in de oorspronkelijke versie, bepaalde het volgende: „Geen enkele schadeloosstelling of soortgelijke vergoeding, bijvoorbeeld op grond van schuldvergelijking of van een garantie, in verband met een overeenkomst of transactie waarvan de uitvoering, al dan niet rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk wordt geraakt door maatregelen overeenkomstig UNSCR 1970 (2011), met inbegrip van de maatregelen die door de Unie of door een lidstaat worden getroffen in overeenstemming met, ter uitvoering van of in verband met de ter zake dienende beslissingen van de Veiligheidsraad of onder onderhavige verordening vallende maatregelen, wordt toegekend aan de regering van Libië, noch aan een persoon of entiteit die met haar hulp of ten behoeve van haar optreedt.” Dit artikel is tweemaal gewijzigd ( 10 ), de tweede maal bij verordening nr. 45/2014 ( 11 ). Artikel 12, leden 1 en 2, van verordening nr. 204/2011, zoals gewijzigd bij verordening nr. 45/2014, bepaalt:
„1. Vorderingen in verband met contracten of andere transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van onderhavige verordening zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schadevergoeding of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, in het bijzonder een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm daarvan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door: a) de in de bijlagen II of III genoemde personen, entiteiten of lichamen; b) een andere Libische persoon, entiteit of lichaam, de Libische regering daaronder begrepen; c) een persoon, entiteit of lichaam, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de onder a) of b) bedoelde personen, entiteiten of lichamen.
2. In de procedure waartoe een vordering aanleiding geeft, wordt het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, door de eiser geleverd.”
7.
Verordening nr. 204/2011 is per 20 januari 2016 vervangen door verordening 2016/44. De tekst van artikel 12 van verordening nr. 204/2011 is ongewijzigd overgenomen in artikel 17 van verordening 2016/44.
II. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
8.
De voor het hoofdgeding kenmerkende feiten, zoals zij uit de verwijzingsbeslissing en het dossier blijken, kunnen worden samengevat als volgt.
9.
Op 7 juli 2009 hebben de Libyan Housing and Infrastructure Board (Libische raad voor huisvesting en infrastructuur; hierna: „HIB”), een Libische entiteit, als opdrachtgever, en UF (interveniënte aan de zijde van de verzoekende partij in het hoofdgeding), een vennootschap naar Hongaars recht, als opdrachtnemer, een overeenkomst gesloten voor de aanleg van publieke infrastructuur in de Libische regio Zawya.
10.
In het kader van deze overeenkomst verlangde HIB van UF dat zij twee bankgaranties, een garantie voor de terugbetaling van de vooruitbetaling die UF had verkregen van HIB (hierna: „garantie APG”), en een uitvoeringsgarantie (hierna: „garantie PG”) stelde. HIB heeft gevraagd dat die garanties te haren gunste door de Libische bank Sahara Bank zouden worden verstrekt. Sahara Bank heeft TG (verwerende partij in het hoofdgeding) om een contragarantie en de uitgifte van een kredietbrief gevraagd, die op haar beurt SH (verzoekende partij in het hoofdgeding) om een contragarantie heeft verzocht.
11.
Op 16 oktober 2009 is door SH en UF een overeenkomst gesloten waarbij SH zich ertoe verbond een contragarantie ten gunste van TG te verstrekken (hierna: „contragarantie APG van SH”), die moest dienen tot waarborg van de contragarantie die TG ten gunste van Sahara Bank diende te verstrekken (hierna: „contragarantie APG van TG”) in ruil voor de garantie APG die de Libische bank aan HIB had verstrekt. Ter uitvoering van deze overeenkomst is op 20 november 2009 de contragarantie APG van SH ten belope van 69499610 Libische dinar (LYD) verstrekt ten gunste van TG, waarbij was bepaald dat deze garantie verstreek op 14 september 2013. Dientengevolge is op 24 november 2009 de contragarantie APG van TG ten gunste van Sahara Bank verstrekt, waarbij was bepaald dat deze garantie verstreek op 30 augustus 2013.
12.
Nog steeds op 16 oktober 2009 is door SH en UF een overeenkomst gesloten waarbij SH zich ertoe verbond om een contragarantie ten gunste van TG te verstrekken (hierna: „contragarantie PG van SH”), die moest dienen tot waarborg van de onherroepelijke „standby letter of credit” die TG diende te verstrekken ten gunste van Sahara Bank (hierna: „contragarantie PG van TG”) in ruil voor de garantie PG die de Libische bank aan HIB had verstrekt. Ter uitvoering van deze overeenkomst is op 16 december 2009 de contragarantie PG van SH ten belope van 6567000 EUR ten gunste van TG verstrekt, waarbij was bepaald dat deze garantie verstreek op 15 juli 2014. Dientengevolge is op 17 december 2009 de contragarantie PG van TG ten gunste van Sahara Bank verstrekt, waarbij was bepaald dat deze garantie verstreek op 30 juni 2014.
13.
SH heeft zich, op basis van deze overeenkomsten tussen SH en TG betreffende het verstrekken van de contragarantie APG van TG en de contragarantie PG van TG ertoe verbonden aan TG de sommen terug te betalen die door laatstgenoemde aan Sahara Bank werden betaald en om haar driemaandelijks een provisie van 1,3 % per jaar te betalen.
14.
SH heeft tot en met maart 2011aan haar betalingsverplichtingen jegens TG voldaan.
15.
Op 2 maart 2011 is verordening nr. 204/2011 vastgesteld. HIB en Sahara Bank stonden op de lijst in bijlage III bij deze verordening en zijn op die lijst blijven staan tot en met 29 januari 2014 ( 12 ) respectievelijk tot en met 2 september 2011 ( 13 ).
16.
Op 20 december 2012 hebben SH en TG een memorandum van overeenstemming ondertekend, waarmee zij hun betrekkingen wilden regelen om rekening te houden met de gevolgen van de vaststelling van verordening nr. 204/2011. Op dezelfde datum hebben zij een tripartiete bewaargevingsovereenkomst met een depothoudende bank gesloten (hierna: „bewaargevingsovereenkomst”). Overeenkomstig artikel V van deze overeenkomst moesten de in bewaring gegeven geldsommen ( 14 ) worden overgemaakt aan TG in het geval dat de HIB van de lijst werd gehaald vóór de datum waarop de contragaranties APG en PG van SH en de kredietbrief verstreken (respectievelijk op 14 september 2013 en op 15 juli 2014). In het andere geval moesten de betrokken geldbedragen aan SH worden terugbetaald. SH is de voor de contragaranties APG en PG van TG verschuldigde geldsommen dus regelmatig blijven storten op de depotrekening.
17.
Op verzoek van HIB heeft Sahara Bank herhaaldelijk verzocht om uitwinning van de contragarantie APG van TG. TG heeft dat geweigerd op grond dat het verzoek onrechtmatig was. Bij onherroepelijke beschikking van 22 april 2013 heeft de Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije) TG verboden om de betaling aan Sahara Bank uit te voeren zolang HIB op de lijst in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 stond.
18.
Op 10 januari 2013 heeft TG verzocht om uitwinning van de contragarantie APG van SH. SH heeft dat verzoek afgewezen omdat de beperkende maatregelen nog van kracht waren.
19.
De contragarantie APG van SH verstreek op 14 september 2013. Op 17 juli 2014 is ook de contragarantie PG van SH verstreken zonder dat een verzoek om uitvoering was ingediend. Dienovereenkomstig heeft SH TG verzocht om in te stemmen met de vrijgave van de in bewaring gegeven geldsommen door de nodige wilsverklaring bij de depothoudende bank af te leggen. TG heeft evenwel geweigerd deze wilsverklaring af te leggen.
20.
SH heeft zich dan tot de rechter gewend om uitvoering van de verplichtingen van TG op grond van de depotovereenkomst te verkrijgen. Bij wijze van reconventionele vordering ( 15 ) heeft TG verzocht om SH te veroordelen tot betaling van de kosten voor het verstrekken van de contragaranties in kwestie, inclusief de terugbetaling van de reeds aan Sahara Bank overgemaakte bedragen ( 16 ).
21.
De rechter in eerste aanleg heeft de vordering van SH toegewezen en toestemming verleend voor het deblokkeren van de ten gunste van SH gedeponeerde geldsommen. Op dit punt is de uitspraak onherroepelijk geworden. De reconventionele vordering is door de rechter in eerste aanleg afgewezen voor zover deze betrekking had op de door TG aan Sahara Bank betaalde bedragen en toegewezen voor zover zij betrekking had op de door SH aan TG verschuldigde garantieprovisies. Volgens deze vormden deze provisies de tegenprestatie voor een door een rechtspersoon naar Hongaars recht geleverde prestatie en vielen zij niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 204/2011. SH is derhalve veroordeeld tot betaling van het bedrag van 1352713,04 EUR aan TG, inclusief vertragingsrente. SH, UF en TG zijn in hoger beroep gekomen van de uitspraak in eerste aanleg.
22.
In hoger beroep is de uitspraak in eerste aanleg deels vernietigd en de reconventionele vordering werd volledig afgewezen. De appelrechter heeft geoordeeld dat deze vordering ongegrond was in het licht van de depotovereenkomst waarbij de oorspronkelijke afspraken tussen SH en TG waren gewijzigd; voorts was de appelrechter van oordeel dat TG, door de geldende beperkende maatregelen ten aanzien van HIB, geen garantie kon verlenen en derhalve geen recht had op vergoeding van de desbetreffende kosten. TG heeft tegen de uitspraak van de appelrechter cassatieberoep ingesteld bij de Kúria, de verwijzende rechter.
23.
De verwijzende rechter is van oordeel dat voor de vaststelling of TG – in de keten van overeenkomsten die zijn gesloten om bankgaranties ten gunste van HIB te stellen – recht heeft op betaling van de kosten van de in opdracht van SH verstrekte contragaranties, het Unierecht moet worden uitgelegd, in het bijzonder de artikelen 5 en 12 en eventueel artikel 9 van verordening nr. 204/2011, en de artikelen 5, 9 en 17 van verordening 2016/44.
24.
In de verwijzingsbeslissing wordt vermeld dat de partijen in het hoofdgeding zich hebben gewend tot de Europese Commissie (dienst Instrumenten buitenlands beleid; hierna: „IBB”) om een juridische beoordeling van de situatie te verkrijgen. Op 18 november 2013 heeft de IBB een juridisch advies verleend, volgens hetwelk de te volgen procedure erin bestond geen tegoeden, direct of indirect, ter beschikking te stellen aan of ten behoeve van HIB, vanaf het tijdstip waarop deze entiteit op de lijst in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 was geplaatst. Op 10 maart 2014 heeft de IBB, in antwoord op een vraag van de permanente vertegenwoordiging van Frankrijk bij de Europese Unie, een tweede advies verleend, waarin een onderscheid werd gemaakt tussen „verzoek om uitvoering van de garantie” en „betaling ter uitvoering van de garantie”. Volgens de IBB kan, in het geval dat artikel 12 van verordening nr. 204/2011 niet van toepassing is, een „verzoek om uitvoering van de garantie” ten gunste van een op de lijst opgenomen lichaam worden aanvaard maar kan een „betaling ter uitvoering van de garantie” niet worden verricht zolang dat lichaam binnen de werkingssfeer van de in artikel 5 van verordening nr. 204/2011 opgenomen maatregelen valt, tenzij de desbetreffende betaling op grond van artikel 9 van deze verordening kan plaatsvinden.
25.
In deze context heeft de Kúria, bij beslissing van 23 maart 2017 de behandeling van het hoofdgeding geschorst en de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Vallen de volgende verplichtingen die strekken tot betaling van garantiekosten en die voortvloeien uit contragarantie-overeenkomsten welke onderdeel zijn van een keten van overeenkomsten en zijn gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan [HIB] binnen de werkingssfeer van verordening nr. 204/2011, dan wel eventueel van verordening nr. 2016/44 wanneer:
1.1)
een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantie-overeenkomst verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische bank die op de verbodslijst van bijlage III bij verordening nr. 204/2011 staat;
1.2)
een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantie-overeenkomst verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische bank die niet op de verbodslijst van bijlage III bij verordening nr. 204/2011 staat, maar de bankgarantie is afgegeven aan HIB en HIB wel op die lijst staat;
1.3)
verordening nr. 204/2011, na wijziging ervan bij verordening nr. 45/2014, directe of indirecte betalingen aan Libische organisaties verbiedt;
1.4)
de verplichting tot betaling van garantiekosten voortvloeit uit een contragarantie-overeenkomst welke onderdeel is van een keten van overeenkomsten en in het kader van de verhouding tussen twee in de Europese Unie gevestigde banken is gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan HIB;
1.5)
de hoogte van de garantiekosten na het verstrijken van de garantieperiode in een gerechtelijke procedure en na de inwerkingtreding van verordening 2016/44 wordt vastgesteld?
2)
Voor het geval de in de punten 1.1) en 1.2) genoemde verplichting tot betaling van garantiekosten binnen de werkingssfeer van de verordening valt, is dan sprake van tegoeden die direct of indirect worden gebruikt ten behoeve van de in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 genoemde [natuurlijke en] rechtspersonen, entiteiten en lichamen, bij de garantiekosten die aan een Libische bank – die ook enige tijd op de verbodslijst van bijlage III heeft gestaan – zijn betaald ter verstrekking van een vooruitbetalingsgarantie en een uitvoeringsgarantie aan HIB?
3)
Moet artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 204/2011, na wijziging van die verordening bij verordening nr. 45/2014 [punt 1.3)], aldus worden uitgelegd dat de door een Libische bank gevorderde en door een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantie-overeenkomst betaalde kosten en uitgaven direct of indirect zijn aan te merken als garantievorderingen?
4)
Is als een persoon of entiteit in de zin van artikel 12, lid 1, onder c), van verordening nr. 204/2011, zoals gewijzigd bij verordening nr. 45/2014, dus als een persoon of entiteit, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de onder a) of b) van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 204/2011 bedoelde personen, entiteiten of lichamen, aan te merken een in de Europese Unie gevestigde bank die op grond van een contragarantie-overeenkomst welke onderdeel is van een keten van overeenkomsten en is gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan HIB, verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische entiteit [punt 1.4)]? Zijn de garantiekosten die deze bank vordert van een andere in de Europese Unie gevestigde bank, direct of indirect aan te merken als garantievorderingen?
5)
Heeft de in artikel 9 van verordening nr. 204/2011 opgenomen afwijking betrekking op alle betalingen?
6)
Is verordening 2016/44 van toepassing op het geschil tussen partijen, aangezien de hoogte van de garantiekosten wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van die verordening, waarbij verordening nr. 204/2011 is ingetrokken, maar waarbij in wezen sprake is van identieke bepalingen [punt 1.5], en moet artikel 17, lid 1, onder b), van verordening 2016/44 aldus worden uitgelegd dat de door een Libische bank gevorderde en door een in de Europese Unie gevestigde bank op grond van een contragarantie-overeenkomst betaalde kosten en uitgaven direct of indirect zijn aan te merken als garantievorderingen? Is als een persoon of entiteit in de zin van artikel 17, lid 1, onder c), van verordening 2016/44, dus als een persoon of entiteit, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) of punt b) van artikel 17, lid 1, van die verordening bedoelde personen, entiteiten of lichamen, aan te merken een in de Europese Unie gevestigde bank die op grond van een contragarantie-overeenkomst welke onderdeel is van een keten van overeenkomsten en is gesloten ter verstrekking van een bankgarantie aan HIB, verplicht is garantiekosten te betalen aan een Libische entiteit? Zijn de garantiekosten die deze bank vordert van een andere in de Europese Unie gevestigde bank, direct of indirect aan te merken als garantievorderingen?”
26.
UF, SH, TG, de Italiaanse, de Duitse en de Hongaarse regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en zijn, met uitzondering van de Italiaanse regering, ter terechtzitting van 23 april 2018 gehoord.
III. Beoordeling
A. Inleidende opmerkingen
27.
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat het voor de Kúria geen redelijke twijfel lijdt dat de uitwinning van de contragaranties – uitwinning die nooit heeft plaatsgevonden en die niet meer mogelijk is daar de contragaranties zijn verstreken – overeenkomstig verordening nr. 204/2011 verboden was, in elk geval in de periode waarin HIB op de lijst stond. Het Hof behoeft deze vraag dus niet te beantwoorden.
28.
De Kúria vraagt evenwel aan het Hof hoe de volgende betalingen voor de toepassing van de embargomaatregelen van de Europese Unie tegen Libië moeten worden aangemerkt:
–
betalingen die door een in de Unie gevestigde bank verschuldigd zijn aan een op de lijst in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 geplaatste Libische bank, welke betalingen dienen om de kosten voor het stellen van een garantie ten gunste van een eveneens op die lijst geplaatste entiteit later te vergoeden;
–
betalingen die door een in de Unie gevestigde bank verschuldigd zijn aan een Libische bank die niet geplaatst is op de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011, welke betalingen dienen om de kosten voor het stellen van een garantie ten gunste van een op die lijsten geplaatste entiteit later te vergoeden;
–
betalingen die door een in de Unie gevestigde bank verschuldigd zijn aan een andere in de Unie gevestigde bank, welke dienen om later de kosten te vergoeden die gepaard gaan met het stellen van een contragarantie ten gunste van een Libische bank die niet op de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011 is geplaatst, teneinde een garantie te verstrekken ten gunste van een entiteit die na het verstrekken van deze garantie op die lijsten is geplaatst.
29.
Het is aan het Hof om voor elke betalingscategorie vast te stellen of zij onder het verbod van verordening nr. 204/2011 dan wel onder het verbod van verordening 2016/44 valt.
30.
Het is echter aan de nationale rechter (de Kúria of de feitenrechter) om te bepalen of TG, op grond van de contragarantie-overeenkomsten tussen SH en TG, de depotovereenkomst en het op deze overeenkomsten toepasselijke recht, ten aanzien van SH aanspraak kan maken op betaling van de kosten van de in opdracht van laatstgenoemde verstrekte contragaranties (of een vorm van schadevergoeding of schadeloosstelling op grond van ongerechtvaardigde verrijking) voor de periode waarin HIB op de lijst in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 stond, niettegenstaande het feit dat de naam van laatstgenoemde pas van voormelde lijst is gehaald, voor wat betreft de contragarantie APG van TG, nadat de betrokken contragarantie was verstreken en niettegenstaande de vaststelling van de beperkende maatregelen waarbij de blootstelling van TG aan het risico van uitwinning van de contragaranties is gewijzigd.
B. Eerste prejudiciële vraag, punt 1.1), en tweede prejudiciële vraag: betalingen die door een in de Unie gevestigde bank zijn verschuldigd aan een op de lijst in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 geplaatste Libische bank, welke betalingen dienen om de kosten voor het stellen van een garantie ten gunste van een eveneens op die lijst geplaatste entiteit later te vergoeden
31.
Met de eerste prejudiciële vraag, punt 1.1), die samen met de tweede prejudiciële vraag moet worden behandeld, voor zover zij verwijst naar punt 1.1), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de kosten ( 17 ) die TG diende te betalen aan Sahara Bank voor het stellen van de garanties APG en PG ten gunste van HIB, in de periode waarin Sahara Bank op de lijst stond, onder verordening nr. 204/2011 dan wel onder verordening 2016/44 vielen en het voorwerp waren van een verbod, gelet op de relevante bepalingen van deze verordeningen.
32.
In de eerste plaats moet gepreciseerd worden dat, aangezien het gaat om betalingen die moesten worden verricht toen verordening nr. 204/2011 van kracht was en de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of die betalingen binnen de werkingssfeer van de embargomaatregelen van de Unie tegen Libië vielen op het tijdstip waarop zij verschuldigd waren, uitsluitend verordening nr. 204/2011 relevant is voor de beantwoording van de door de verwijzende rechter gestelde vraag.
33.
Als dat zo is, vallen de betalingen in kwestie onder deze verordening indien zij aan een van de in artikel 5, lid 2, ervan genoemde criteria voldoen, dat wil zeggen indien het gaat om betalingen waarbij tegoeden of economische middelen direct of indirect „ter beschikking zijn gesteld” aan of ten behoeve van in bijlagen II en III genoemde rechtspersonen, entiteiten en lichamen.
34.
Het lijdt geen twijfel dat de betalingen van geldsommen ter vergoeding van de kosten voor het stellen van een garantie, die een in de Unie gevestigde bank moet verrichten aan een entiteit die op een lijst in deze bijlagen staat, zo zij worden verricht, een „direct ter beschikking stellen van tegoeden” als bedoeld in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 204/2011 vormen en derhalve onder deze verordening vallen. De omstandigheid dat deze betalingen passen in het kader van een transactie die wordt gekenmerkt door een economisch evenwicht tussen de prestatie en de tegenprestatie daarvoor en worden verricht ter uitvoering van een overeenkomst die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 204/2011 is gesloten, is op zichzelf geen reden om ze uit te sluiten van de werkingssfeer van deze verordening en de daarin opgenomen verboden, zoals reeds door het Hof is uiteengezet. ( 18 )
35.
Hooguit rijst de vraag of deze betalingen mochten worden verricht door bijboeking op een bevroren rekening van de Sahara Bank, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), van verordening nr. 204/2011, volgens welke bepaling artikel 5, lid 2, van dezelfde verordening niet van toepassing is op betalingen op grond van contracten die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de begunstigde is geplaatst op de lijsten in bijlagen II en III, mits deze betalingen ook worden bevroren. Wat de relevantie van deze vraag voor de oplossing van het geschil in het hoofdgeding betreft, verwijs ik naar het antwoord op de vijfde prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de uitlegging van artikel 9 van verordening nr. 204/2011.
C. Eerste prejudiciële vraag, punt 1.2), en tweede prejudiciële vraag: betalingen die door een in de Unie gevestigde bank verschuldigd zijn aan een Libische bank die niet is geplaatst op de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011, welke betalingen dienen om de kosten voor het stellen van een garantie ten gunste van een op die lijsten geplaatste instelling later te vergoeden
36.
Met de eerste prejudiciële vraag, punt 1.2), die samen met de tweede prejudiciële vraag moet worden behandeld voor zover zij verwijst naar punt 1.2), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de kosten die TG aan Sahara Bank moest betalen voor het stellen van de garanties APG en PG ten gunste van HIB, in de periode nadat de naam „Sahara Bank” was geschrapt van de lijst in bijlage III bij verordening nr. 204/2011, onder deze verordening dan wel onder verordening 2016/44 vielen en het voorwerp van een verbod waren. Om dezelfde redenen als genoemd in punt 32 van deze conclusie is uitsluitend verordening nr. 204/2011 relevant voor de beantwoording van deze vraag.
37.
Anders dan in de situatie waarop punt 1.1) van de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft, is bij betalingen van geldsommen die een in de Unie gevestigde bank moet verrichten aan een rechtspersoon naar Libisch recht die niet wordt vermeld op een van de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011, zo zij worden verricht, geen sprake van „direct ter beschikking stellen van tegoeden” in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 204/2011.
38.
Van „indirect ter beschikking gestelde” ( 19 ) tegoeden in de zin van dezelfde bepaling kan sprake zijn indien de geldsommen die het voorwerp van de betrokken betalingen uitmaken, worden overgemaakt aan een op de bovengenoemde lijsten opgenomen natuurlijke persoon, entiteit of lichaam of indien tussen een van deze subjecten en de rechtspersoon naar Libisch recht die de betaling ontvangt, een juridische of financiële band (bijvoorbeeld een eigendoms- of controlerelatie) ( 20 ) bestaat waardoor dit subject beschikkingsbevoegdheid over de geldsommen verwerft.
39.
Ik ben evenwel geneigd om uit te sluiten dat een van die situaties zich in het hoofdgeding voordoet. In de eerste plaats dienen de geldsommen die het voorwerp uitmaken van de in dit geding betrokken betalingen, gelet op het feit dat zij dienen ter vergoeding van de kosten die een bank heeft gemaakt om een garantie te stellen en de tegenprestatie voor de door deze bank geleverde diensten vormen, immers in beginsel in de kas van die bank te blijven. Ook al staat het aan de nationale rechter om een dergelijke omstandigheid definitief uit te sluiten, uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt overigens niet dat de door TG aan Sahara Bank overgemaakte geldsommen ter vergoeding van de kosten voor het stellen van de garanties APG en PG ten gunste van HIB op enigerlei wijze van laatstgenoemde ter beschikking zijn gesteld.
40.
In de tweede plaats blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet dat tussen Sahara Bank en HIB een band zoals beschreven in punt 38 van deze conclusie bestaat. Het is dus ook in dit geval echter aan de nationale rechter om na te gaan of daarvan daadwerkelijk sprake is.
41.
Aangezien geen sprake kan zijn van een directe of indirecte terbeschikkingstelling van tegoeden, moet worden onderzocht of de betalingen in kwestie een „ter beschikking stellen” van tegoeden aan of ten behoeve van een subject dat wordt vermeld op de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011 in de zin van artikel 5, lid 2, van deze verordening vormen, aangezien zij dienen om later de kosten te vergoeden die zijn gemaakt voor het stellen van een garantie ten gunste van een entiteit die tijdens de looptijd van de garantieovereenkomst op die lijsten stond.
42.
Dat zou naar mijn mening het geval zijn indien op basis van de overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van het embargo zijn gesloten door de in de Unie gevestigde bank als opdrachtgever en de Libische bank als verstrekker van de garantie en op basis van eventuele wijzigingen van deze overeenkomsten na de inwerkingtreding van het embargo zou blijken dat de betrokken betalingen direct of indirect invloed hebben op de mogelijkheid van de begunstigde om van de Libische bank uitvoering van de garantie te verkrijgen ( 21 ), of dat de in de Unie gevestigde bank met deze betalingen kosten voor haar rekening neemt die contractueel voor rekening van de begunstigde zijn ( 22 ).
43.
Zo zouden bijvoorbeeld de betalingen die de in de Unie gevestigde bank moet verrichten ten gunste van de Libische bank om de kosten voor het verstrekken van de garantie of de verlenging ervan te vergoeden onder het in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 204/2011 opgenomen verbod vallen in het geval dat het recht om te bankgarantie uit te winnen geheel of ten dele afhankelijk is van de bijboeking van de geldsommen die als tegenprestatie voor het verstrekken van de garantie zijn overeengekomen of in het geval dat de twee banken tijdens het embargo waren overeengekomen om de garantie te verlengen zolang het embargo van kracht was. De geldsommen die het voorwerp van die betalingen uitmaken, zouden dan namelijk dienen om een op de lijsten in bijlagen II en III bij die verordening geplaatst subject het recht op uitwinning van de garantie te verzekeren of om te verzekeren dat de garantie te zijnen gunste na de oorspronkelijk overeengekomen looptijd geldig blijft en deze geldsommen aan hem dus ter beschikking zullen worden gesteld. ( 23 )
44.
Gelet op de voorgaande overwegingen vallen de betalingen die een in de Unie gevestigde bank moet verrichten aan een Libische bank die niet wordt vermeld op de lijsten in bijlagen II en III van verordening nr. 204/2011, om later de kosten te vergoeden die zijn gemaakt voor het verstrekken van een garantie ten gunste van een subject dat tijdens de looptijd van de garantieovereenkomst op die lijsten was geplaatst, in het geval dat niet is voldaan aan de criteria in de punten 38 en 42 van deze conclusie, niet onder een van de gevallen waarin artikel 5, lid 2, van verordening nr. 204/2011 voorziet, en zijn zij niet verboden uit hoofde van deze bepaling tenzij zij deel uitmaken van activiteiten die tot doel hebben de in deze bepaling opgenomen verboden te omzeilen, in de zin van lid 3 van hetzelfde artikel ( 24 ).
45.
Ik ben met name niet van mening dat het enkele feit dat de keten van met elkaar samenhangende overeenkomsten die door de verschillende betrokken subjecten vóór de inwerkingtreding van het embargo zijn gesloten of de verrichting in zijn geheel uiteindelijk ertoe strekt een op de lijst in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 geplaatst subject toegang te geven tot een bankgarantie, wat als zodanig voldoende is om elke in het kader van deze transactie verrichte betaling als verboden in de zin van artikel 5, lid 2, van die verordening aan te merken.
46.
Het is in ieder geval aan de nationale rechter om op basis van de tussen TG en Sahara Bank gesloten overeenkomsten en in het licht van het soort van garantie dat laatstgenoemde ten gunste van HIB heeft verstrekt, de verificaties te verrichten waardoor de toepassing van artikel 5 van verordening nr. 204/2011 op de betalingen in kwestie definitief kan worden uitgesloten.
D. Eerste prejudiciële vraag, punt 1.4): betalingen die door een in de Unie gevestigde bank verschuldigd zijn aan een andere in de Unie gevestigde bank, om later de kosten te vergoeden die zijn gemaakt voor het stellen van een contragarantie ten gunste van een Libische bank die niet is geplaatst op de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011, teneinde een garantie te verstrekken ten gunste van een entiteit die op die lijsten is geplaatst nadat deze garantie werd verstrekt
47.
Met de eerste prejudiciële vraag, punt 1.4), wenst de Kúria in wezen te vernemen of in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de betalingen met betrekking tot de kosten ( 25 ) waaromtrent SH zich ertoe had verbonden deze te betalen aan TG ten behoeve van het stellen van een contragarantie ten gunste van Sahara Bank – om laatstgenoemde in staat te stellen de garanties APG en PG ten gunste van HIB te verstrekken – onder verordening nr. 204/2011 dan wel onder verordening 2016/44 vallen en uit hoofde van de relevante bepalingen van die verordeningen zijn verboden. Ook in dit geval mag uitsluitend verordening nr. 204/2011, die van kracht was op het tijdstip waarop bovengenoemde betalingen contractueel verschuldigd waren, in aanmerking worden genomen voor de beantwoording van de vraag.
48.
Gelet op de functionele band die, ondanks hun autonome karakter, bestaat tussen de contragaranties die op advies van SH door TG aan Sahara Bank zijn verstrekt en de door Sahara Bank aan HIB afgegeven garanties, zijn de overwegingen in de punten 38 tot en met 46 van deze conclusie mutatis mutandis van toepassing op de betrokken betalingen in dit deel van de prejudiciële verwijzing, ongeacht het feit dat die betalingen plaatsvinden tussen twee banken die in de Unie zijn gevestigd. Daarom verwijs ik hier alleen naar die overwegingen.
E. Eerste prejudiciële vraag, punt 1.3), derde, vierde en zesde prejudiciële vraag: invloed van artikel 12 van verordening nr. 204/2011 en van artikel 17 van verordening 2016/44
49.
Verordening nr. 204/2011 bevat van meet af aan ( 26 ), in artikel 12, een zogeheten „no claims clause” oftewel een „geen vorderingen”-clausule, waarvan de werkingssfeer is gewijzigd bij verordening nr. 45/2014 om die in overeenstemming te brengen met de richtsnoeren van de Raad inzake beperkende maatregelen ( 27 ) en die thans is opgenomen in artikel 17 van verordening 2016/44.
50.
Die clausule, die is opgenomen in de meeste juridische instrumenten van de Unie die voorzien in beperkende maatregelen ( 28 ), beoogt te voorkomen dat de door beperkende maatregelen getroffen subjecten, de Libische regering of haar vertegenwoordigers, en in het algemeen de Libische personen, entiteiten of lichamen, schadevergoeding kunnen verkrijgen voor de nadelige gevolgen van het embargo en strekt ertoe het bedrijfsleven te beschermen tegen de aanspraken die Libische tegenpartijen jegens hen zouden kunnen doen gelden op basis van of in verband met overeenkomsten op de uitvoering waarvan de genoemde maatregelen van toepassing waren ( 29 ).
51.
Aangezien zij verschillende doelstellingen hebben, valt de „geen vorderingen”-clausule van artikel 12 van verordening nr. 204/2011 niet samen met de verboden in artikel 5, lid 2, van deze verordening, maar heeft zij een aparte werkingssfeer. Behalve in het geval van vorderingen van subjecten die op de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011 zijn geplaatst, als bedoeld in artikel 12, onder a), van deze verordening, vormt de toewijzing van onder dit artikel vallende vorderingen in beginsel geen geval van terbeschikkingstelling van tegoeden of economische middelen dat is verboden op grond van voornoemd artikel 5, lid 2. Een andere uitlegging zou aan dit artikel elk nuttig effect ontnemen.
52.
Gelet op de functie ervan kan deze clausule bovendien niet alleen effecten sorteren zolang de beperkende maatregelen gelden maar ook nadat deze zijn ingetrokken. Indien deze clausule wordt gehandhaafd, blijft zij zelfs na de beëindiging van de embargomaatregelen gelden ( 30 ), waardoor schadevorderingen uit hoofde van contractuele, tijdelijke of definitieve niet-nakoming wegens de inwerkingtreding van deze maatregelen niet-ontvankelijk zijn.
53.
Het doel van de „geen vorderingen”-clausule bestaat er dus in de effecten van de embargomaatregelen op de voorafgaand aan deze maatregelen gesloten overeenkomsten nader te bepalen door, binnen de grenzen van het toepassingsgebied ervan, te erkennen dat de debiteur van wie de prestatie geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of definitief, onmogelijk is geworden, in aanmerking komt voor het bevrijdende effect, dat in het civiele recht geldt in gevallen van overmacht ten gevolge van een „factum principis” (overheidshandeling). Terwijl het tijdelijke karakter van een embargo in beginsel slechts leidt tot „verlamming” en niet tot het tenietgaan van de vóór de inwerkingtreding van het embargo gesloten overeenkomsten – met als gevolg dat de prestaties die ondertussen niet zijn geëindigd en waarvan de uitvoering niet definitief onmogelijk is geworden, na de intrekking van de beperkende maatregelen uitgevoerd moeten kunnen worden – heeft het bestaan van een „geen vorderingen”-clausule tot gevolg dat schadevorderingen wegens niet-nakoming van de overeenkomsten of de verrichtingen waarvan de uitvoering door deze maatregelen wordt geraakt, niet-ontvankelijk zijn – zelfs nadat het embargo geen schorsende werking meer heeft –zodat, in bepaalde gevallen, de nog lopende betrekkingen de facto vervallen ( 31 ).
54.
De garanties en contragaranties die zijn aangegaan in het kader van een contract, bijvoorbeeld een aanbestedings- of leveringsovereenkomst, waarvan de uitvoering wordt geraakt door de bij verordening nr. 204/2011 vastgestelde beperkende maatregelen, zijn uitdrukkelijk vermeld in artikel 12 van deze verordening en thans in artikel 17 van verordening 2016/44, als bron van „vorderingen” die niet mogen worden toegewezen in de zin van deze bepaling. Bijgevolg is de uitwinning van deze garanties (of contragaranties) door de subjecten die zijn opgesomd onder a) tot en met c) van artikel 12 van verordening nr. 204/2011 – thans artikel 17 van verordening 2016/44 –, ongeacht dat die garanties losstaan van de onderliggende basisovereenkomst, verboden ( 32 ) overeenkomstig deze artikelen indien blijkt dat de uitvoering van de onderliggende overeenkomst door de maatregelen uit hoofde van de genoemde verordening wordt geraakt.
55.
Ongeacht hun band met de onderliggende overeenkomst, zijn de garanties en contragaranties daarenboven, als zodanig, overeenkomsten die kunnen worden geraakt door de bij deze verordening vastgestelde beperkende maatregelen.
56.
De inwerkingtreding van het embargo staat immers, zolang het duurt, in de weg aan de mogelijkheid voor de door deze maatregelen getroffen begunstigden (of in ieder geval de subjecten die behoren tot een van de in artikel 12 van verordening nr. 204/2011 opgesomde categorieën) om de garantie of de contragarantie uit te winnen en belet de garant (of de contragarant) aldus om zijn prestatie uit te voeren. Verlenging van garanties of contragaranties is overigens uitdrukkelijk verboden door het genoemde artikel 12 en indien verlenging toegestaan zou zijn, zou zij, zoals ik heb aangegeven, schending van het in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 204/2011 opgenomen verbod opleveren. Zodra de garant (of de contragarant) zich wegens redenen van overmacht in de onmogelijkheid bevindt om zijn prestatie uit te voeren, is hij dus bevrijd van aansprakelijkheid wegens niet-nakoming van zijn verplichtingen zolang de beperkende maatregelen en de „geen vorderingen”-clausule van kracht zijn. ( 33 ) Indien de garantie of contragarantie vóór het einde van het embargo verstrijkt, is hij definitief bevrijd van zijn verplichtingen. Indien men zou erkennen dat de vaststelling van embargomaatregelen louter tot gevolg heeft dat de uitvoering van de lopende contracten wordt opgeschort, moet daarentegen hoe dan ook worden uitgesloten dat voor een bepaalde duur aangegane autonome garanties hun geldigheid na de oorspronkelijk overeengekomen einddatum behouden. ( 34 )
57.
Provisies en andere kosten voor het verstrekken van een garantie of contragarantie zijn weliswaar niet uitdrukkelijk vermeld in artikel 12 van verordening nr. 204/2011 maar vallen onder dit artikel ingeval de uitvoering van de garantie- of contragarantieovereenkomst, waaraan zij zijn verbonden, wordt belemmerd door de bij deze verordening ingevoerde maatregelen, en het verzoek om betaling van die provisies en kosten door subjecten die behoren tot de in deze bepaling genoemde categorieën kan dus een vordering vormen die is ingesteld „in verband met overeenkomsten waarvan de uitvoering wordt geraakt” door die maatregelen. ( 35 )
58.
Het is aan de nationale rechter om concreet te beoordelen of, en zo ja, op welke wijze, de in de verordeningen nr. 204/2011 en 2016/44 opgenomen „geen vorderingen”-clausule van toepassing is op de vorderingen van TG jegens SH. Die beoordeling moet mijns inziens berusten op de volgende criteria.
59.
Om te bepalen welke versie van de clausule ratione temporis van toepassing is op de betalingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, moet in de eerste plaats een onderscheid worden gemaakt tussen de door TG aan Sahara Bank overgemaakte geldsommen, waarvan TG de terugbetaling door SH eist, en de geldsommen die SH aan TG verschuldigd is, die in essentie bestaan uit provisies voor de verstrekking van de contragaranties APG en PG. Binnen de eerste categorie moet verder een onderscheid worden gemaakt tussen de betalingen die zijn verricht in de periode tussen de inwerkingtreding van verordening nr. 204/2011 en de inwerkingtreding van verordening nr. 45/2014 (22 januari 2014), en die welke zijn verricht vanaf deze datum tot de datum waarop de door Sahara Bank verstrekte garanties zijn verstreken. Op de eerstgenoemde betalingen is de oorspronkelijke versie van artikel 12 van verordening nr. 204/2011 van toepassing, terwijl op laatstgenoemde bepalingen de bij verordening nr. 45/2014 gewijzigde versie van toepassing is. Ik ben evenwel van mening dat verordening 2016/44 op geen van deze betalingen van toepassing is. Het is immers het recht dat van toepassing was op het tijdstip waarop de betalingen zijn verricht, dat bepalend is om vast te stellen of die betalingen al dan niet verboden waren op grond van de „geen vorderingen”-clausule, en niet het recht dan van toepassing was op het tijdstip waarop in rechte terugbetaling van de betreffende bedragen is gevorderd. Wat daarentegen de door SH aan TG verschuldigde provisies betreft, die onbetaald zijn gebleven, is het tijdstip waarop om betaling ervan wordt gevraagd bepalend en dientengevolge is het verordening 2016/44, waarvan artikel 17 overigens dezelfde strekking heeft als artikel 12 van verordening nr. 204/2011, die van toepassing is.
60.
In de tweede plaats lijdt het geen twijfel dat Sahara Bank onder de categorie van subjecten valt die is vermeld in artikel 12, onder b), van verordening nr. 204/2011, in de bij verordening nr. 45/2004 gewijzigde versie, en dat de betalingen die door TG zijn verricht vanaf de inwerkingtreding van deze wijziging onder het in dat artikel opgenomen verbod vallen mits aan de andere voorwaarden van dat artikel is voldaan. Hetzelfde kan echter niet worden gezegd van de aan de wijziging voorafgaande versie van artikel 12, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen terecht heeft benadrukt. Dienaangaande is het aan de nationale rechter om de noodzakelijke verificaties te doen om vast te stellen of men in de omstandigheden van het hoofdgeding kan oordelen dat Sahara Bank, in haar hoedanigheid van schuldeiser van de verbintenis tot betaling van de kosten voor het verstrekken van de garantie ten gunste van HIB op basis van de met TG gesloten overeenkomst, beschouwd kan worden als „persoon of entiteit die met hulp van of ten behoeve van [de Libische regering] optreedt”. Is dit niet het geval, dan kunnen de door TG aan Sahara Bank verrichte betalingen in de periode vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 45/2004 in geen geval worden geacht in strijd te zijn met het verbod van artikel 12 van verordening nr. 204/2011. Ten eerste moet de mogelijkheid dat TG, in de omstandigheden van het hoofdgeding, kan worden geacht onder de definitie van dit artikel in de oorspronkelijke versie ervan te vallen, of kan worden geacht te behoren tot de categorie van subjecten als bedoeld in lid 1, onder c, van hetzelfde artikel, zoals gewijzigd bij verordening nr. 45/2014, of van artikel 17 van verordening 2016/44, volgens mij van meet af aan worden uitgesloten. Immers, zoals de Duitse regering terecht heeft opgemerkt, kan op basis van het enkele feit dat een in de Unie gevestigde bank door een garantieovereenkomst met een Libische bank is verbonden, als zodanig niet worden aangenomen dat zij namens de Libische bank handelt wanneer zij een derde, in de Unie gevestigde bank, waarmee zij door een contragarantie-overeenkomst is verbonden, om terugbetaling van de aan de Libische bank betaalde garantiekosten verzoekt. Ten tweede kan de door TG ingestelde vordering tot betaling van de provisies betreffende de met SH gesloten contragarantie-overeenkomst, zodra het argument volgens hetwelk een vordering die is ingesteld in het kader van de keten van garantie- en contragarantie-overeenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde is, „ongeldig” moet worden geacht voor zover zij bijdraagt aan het uiteindelijke doel om een garantie te verstrekken aan een op de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011 geplaatst subject, is afgewezen, zoals ik in punt 44 van onderhavige conclusie heb gedaan, slechts worden beschouwd als een vordering die door een in de Unie gevestigde marktdeelnemer uitsluitend in zijn eigen belang is ingesteld om de tegenprestatie te verkrijgen van de diensten die zijn verricht ten behoeve van een andere in de Unie gevestigde marktdeelnemer.
61.
Ten slotte zal de nationale rechter moeten nagaan op welke wijze de bij verordening nr. 204/2011 ingestelde beperkende maatregelen de garantie- en contragarantie-overeenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, hebben geraakt om te beoordelen of de door TG in het hoofdgeding ingestelde vorderingen, die in het licht van de in het vorige punt uiteengezette overwegingen onder deze clausule zouden moeten vallen, onder het daarin vervatte verbod vallen. Dienaangaande merk ik enkel op dat het best mogelijk is dat de nationale rechter, in het kader van deze beoordeling, tot de conclusie komt dat de uitvoering van de garantie van Sahara Bank ten gunste van HIB, waarvan de verstrekking aan de grondslag ligt van de door TG aan de Libische bank gedane betalingen, en de door SH aan TG verschuldigde terugbetalingen, wegens de bestaande band met de contragarantie-overeenkomsten tussen TG en SH, niet konden worden geraakt door de bij verordening nr. 204/2011 ingevoerde maatregelen. Daardoor kan de verwijzende rechter de vorderingen van TG evenwel niet automatisch uitsluiten van de werkingssfeer van de „geen vorderingen”-clausule aangezien de bij verordening nr. 204/2011 ingestelde beperkende maatregelen ongetwijfeld van invloed zijn geweest op de keten van onderling samenhangende overeenkomsten, waarvan de overeenkomst tussen TG en Sahara Bank deel uitmaakte, en dientengevolge ook op de „garantieverrichting” in haar geheel. Ik preciseer in dat verband dat het bovengenoemde artikel 12 uitdrukkelijk verwijst naar zowel de „overeenkomsten” die door de bij verordening nr. 204/2011 ingestelde maatregelen worden geraakt, als naar elke „verrichting” die door deze maatregelen wordt geraakt.
F. Vijfde prejudiciële vraag: mogelijke toepassing van artikel 9 van verordening nr. 204/2011
62.
Met de vijfde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of de betalingen aan de orde in het hoofdgeding, of bepaalde van deze betalingen, onder de uitzondering op artikel 5, lid 2, van verordening nr. 204/2011 vallen, waarin artikel 9 van deze verordening voorziet.
63.
Dienaangaande merk ik om te beginnen op dat overeenkomstig lid 1 van artikel 5, deze uitzondering – op basis waarvan in geen geval betalingen kunnen worden toegestaan die moeten worden geacht in te druisen tegen de „geen vorderingen”-clausule, zoals terecht door de Commissie in haar opmerkingen is benadrukt – betrekking heeft op bijboekingen die dienen te worden verricht op rekeningen die het voorwerp uitmaken van de in artikel 5, lid 1, van verordening nr. 204/2011 bedoelde bevriezingsmaatregelen, dat wil zeggen rekeningen die toebehoren aan personen, entiteiten of lichamen die op de lijsten in bijlagen II en III bij die verordening staan. Derhalve kunnen in het hoofdgeding alleen de bijboekingen ten gunste van HIB of Sahara Bank, die zijn verricht of te verrichten waren in de periode waarin zij op de lijst in bijlage III bij verordening nr. 204/2011 zijn geplaatst, onder artikel 9, lid 1, van deze verordening vallen. Het hoofdgeding heeft echter geen betrekking op betalingen ten gunste van HIB en voorts lijken de partijen het erover eens te zijn dat TG geen enkele betaling aan Sahara Bank heeft gedaan in de periode dat laatstgenoemde op voornoemde lijst stond. ( 36 ) Hieruit volgt dat de door TG in het hoofdgeding ingestelde vorderingen geen betrekking hebben op geldsommen die het voorwerp uitmaken van betalingen die eventueel onder artikel 9 van verordening nr. 204/2011 hadden kunnen vallen.
IV. Conclusie
64.
Gelet op voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Kúria te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 5, lid 2, van verordening (EU) nr. 204/2011 van de Raad van 2 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië moet aldus worden uitgelegd dat:
–
de betaling door een in de Unie gevestigde bank aan een Libische bank die op de lijst in bijlage III bij die verordening is geplaatst, van de kosten voor het stellen van een garantie ten gunste van een tevens op die lijst geplaatste entiteit, een verboden terbeschikkingstelling van tegoeden is;
–
de betaling door een in de Unie gevestigde bank aan een Libische bank die niet op de lijsten in bijlagen II en III bij verordening nr. 204/2011 is geplaatst, van de kosten voor het stellen van een garantie ten gunste van een op een van deze lijsten geplaatste entiteit, geen verboden terbeschikkingstelling of gebruik van tegoeden is, mits:
–
de geldsommen die het voorwerp van deze betalingen uitmaken, niet worden overgemaakt aan een op de deze lijsten geplaatste natuurlijke persoon, entiteit of lichaam;
–
er tussen een van deze rechtssubjecten en de rechtspersoon naar Libisch recht die de betaling ontvangt, geen juridische of financiële band bestaat die dat rechtssubject in staat stelt de beschikkingsbevoegdheid over de geldsommen in kwestie te verkrijgen;
–
de bovengenoemde betalingen niet direct of indirect van invloed zijn op de mogelijkheid voor de Libische entiteit die recht heeft op de betaling, om van de Libische bank de uitvoering van de garantie te verkrijgen, en de in de Unie gevestigde bank met deze betalingen geen kosten voor haar rekening neemt die, contractueel gezien, voor rekening zijn van de Libische entiteit die recht heeft op de betaling;
–
onder dezelfde voorwaarden er geen sprake is van verboden terbeschikkingstelling of gebruik van tegoeden indien een in de Unie gevestigde bank aan een andere in de Unie gevestigde bank de kosten voor het stellen van een contragarantie ten gunste van een Libische bank die niet op de lijsten in bijlagen II en III van verordening nr. 204/2011 is geplaatst, betaalt ten behoeve van de verstrekking van een garantie ten gunste van een entiteit die op die lijsten is geplaatst nadat die garantie was verstrekt.
2)
Artikel 12 van verordening nr. 204/2011, in de versie van voor de wijziging bij verordening nr. 45/2014 en in de versie van na deze wijziging, moet aldus worden uitgelegd dat de vordering tot betaling van de kosten betreffende het verstrekken van een garantie of een contragarantie niet uitgesloten is van het in dat artikel vervatte verbod om vorderingen toe te wijzen, mits zij is ingesteld door een van de in dit artikel genoemde subjecten en de uitvoering van de garantie- of contragarantie-overeenkomst of van de verrichting waarvan die overeenkomst deel uitmaakt, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, wordt geraakt door de overeenkomstig verordening nr. 204/2011 ingestelde maatregelen.
3)
Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 204/2011, in de versie van na de wijziging bij verordening nr. 45/2014, moet aldus worden uitgelegd dat een in de Unie gevestigde bank die, op grond van een contragarantie-overeenkomst die deel uitmaakt van een keten van onderling samenhangende overeenkomsten strekkende tot het stellen van een garantie ten gunste van een Libische entiteit, de kosten voor de verstrekking van de garantie aan een Libische bank dient te betalen, geen subject in de zin van punt c) van deze bepaling, is indien geen gegevens voorhanden zijn op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat zij namens of voor rekening van de Libische bank handelt.
4)
Artikel 9 van verordening nr. 204/2011 moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op betalingen als die aan de orde in het hoofdgeding, die zijn verricht of hadden moeten worden verricht ten gunste van subjecten die niet zijn getroffen door de bij deze verordening ingestelde beperkende maatregelen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 2 ) PB 2011, L 58, blz. 1.
( 3 ) Verordening (EU) 2016/44 van de Raad van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van verordening (EU) nr. 204/2011 (PB 2016, L 12, blz. 1).
( 4 ) Besluit 2011/137/GBVB van de Raad van 28 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (PB 2011, L 58, blz. 53). Dit besluit is ingetrokken bij besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad van 31 juli 2015 (PB 2015, L 206, blz. 34).
( 5 ) Aangenomen op 26 februari 2011.
( 6 ) Zie overweging 1 van verordening nr. 204/2011.
( 7 ) Artikel 6, leden 1 en 2, van verordening nr. 204/2011 bepaalt het volgende: „1. Bijlage II omvat de natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen die zijn aangewezen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of door het Sanctiecomité overeenkomstig punt 22 van resolutie 1970 (2011) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. 2. Bijlage III omvat natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen die niet in bijlage II zijn genoemd en die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van besluit 2011/137/GBVB door de Raad zijn geïdentificeerd als personen en entiteiten die betrokken zijn in of medeplichtig zijn aan het bevelen, het controleren of het anderszins leiden van het plegen van ernstige schendingen van de mensenrechten tegen personen in Libië, waaronder het betrokken zijn in of het medeplichtig zijn aan het plannen, het leiden, het bevelen of het uitvoeren van aanvallen in strijd met het internationaal recht, met inbegrip van luchtaanvallen, tegen de burgerbevolking en civiele installaties, als personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen, of als entiteiten die hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan.”
( 8 ) Overeenkomstig artikel 1, onder a), iv), v) en vi), van verordening nr. 204/2011 wordt onder „tegoeden” in de zin van deze verordening verstaan: „iv) rente, dividenden of andere inkomsten uit of waarde voortkomende uit of gegenereerd door activa; v) krediet, recht op compensatie, garanties, uitvoeringsgaranties of andere financiële verplichtingen; vi) kredietbrieven, cognossementen, koopbrieven”.
( 9 ) Bij verordening (EU) nr. 488/2013 van de Raad van 27 mei 2013 tot wijziging van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB 2013, L 141, blz.1) zijn aan artikel 9, lid 1, van verordening nr. 204/2011, in de oorspronkelijke versie, twee punten met betrekking tot betalingscategorieën toegevoegd die geen verband houden met de feiten van het hoofdgeding.
( 10 ) De eerste wijziging is aangebracht bij verordening (EU) nr. 296/2011 van de Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB 2011, L 80, blz. 2). De nieuwe tekst bestond uit twee alinea’s, waarvan de eerste de bewoordingen van het oorspronkelijke artikel 12 overnam en enkel de verwijzing naar UNSCR 1973 (2011) toevoegde. De tweede alinea was als volgt geformuleerd: „Natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor handelingen die zij te goeder trouw hebben verricht ter uitvoering van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen.”
( 11 ) Verordening (EU) nr. 45/2014 van de Raad van 20 januari 2014 tot wijziging van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB 2014, L 16, blz. 1).
( 12 ) Zie de artikelen 1 en 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 74/2014 van de Raad van 28 januari 2014 tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië.
( 13 ) Zie de artikelen 1 en 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 872/2011 van de Raad van 1 september 2011 tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië.
( 14 ) Het ging om een bedrag van 1668927,72 EUR waar nog gedurende de looptijd van de depotovereenkomst de elke zes maanden door SH gestorte bedragen en de rente bijkwamen.
( 15 ) De reconventionele vordering berustte primair op uitvoering van de overeenkomst, subsidiair op de toekenning van schadevergoeding en meer subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.
( 16 ) Gemakshalve zal ik de term „kosten” van een contragarantie gebruiken voor het geheel van de provisie en de kosten die SH diende te betalen aan TG uit hoofde van de verstrekking van de in punt 13 van de onderhavige conclusie bedoelde contragaranties APG en PG.
( 17 ) Ik verwijs hier ook naar het geheel van de kosten (provisies en andere kosten) die TG diende te betalen aan Sahara Bank in haar hoedanigheid van opdrachtgevende bank.
( 18 ) Zie, voor wat betreft verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (PB 2002, L 139, blz. 9), arrest van 11 oktober 2007, Möllendorf en Möllendorf-Niehuus (C‑117/06, EU:C:2007:596, punten 49 en 62).
( 19 ) Ik herinner eraan dat het Hof in het arrest van 29 juni 2010, E en F (C‑550/09, EU:C:2010:382, punten 67 en 68) heeft verduidelijkt dat de uitdrukking „ter beschikking gesteld” in artikel 2, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB 2001, L 344, blz. 70) – waarvan de bewoordingen zo goed als identiek zijn aan die van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 204/2011 – „[...] ruim [moet] worden opgevat, en [...] alle handelingen [omvat] die moeten worden verricht opdat een persoon, groep of entiteit die wordt vermeld op de lijst bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001, daadwerkelijk de volle beschikkingsbevoegdheid krijgt over de betrokken tegoeden of andere financiële of economische middelen” en dat deze ruime opvatting „[...] [losstaat] van het al dan niet bestaan van betrekkingen tussen de auteur van de betrokken terbeschikkingstellingshandeling en degene voor wie deze bestemd is”; zie ook arrest van 11 oktober 2007, Möllendorf en Möllendorf-Niehuus (C‑117/06, EU:C:2007:596, punt 51).
( 20 ) Document nr. 15598/17 van de Raad van 8 december 2017, „Richtsnoeren inzake sancties – actualisering”, punten 55a tot en met 55e.
( 21 ) Ik merk evenwel op dat de internationale praktijk van garanties op eerste verzoek veeleer als regel hanteert dat de garantie niet afhankelijk is van een regelmatige betaling van de kosten. Zie de „Règles uniformes de la Chambre de commerce internationale (ICC) relatives aux garanties sur demande” [uniforme regels van de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) inzake garanties op verzoek, herziene versie 2010, artikel 32, onder c)].
( 22 ) Bijvoorbeeld in het in artikel 32, onder b), van de in de voorgaande noot aangehaalde uniforme regels van de ICC.
( 23 ) Het feit dat de gegarandeerde bedragen slechts ter beschikking worden gesteld aan dat subject mits zijn verzoek om uitvoering van de garantie wordt toegewezen, is niet van belang aangezien het economisch gezien in elk geval baat heeft bij het bestaan van de garantie als zodanig (die overigens, aangezien zij door een Libische bank is verstrekt, in beginsel kan worden uitgewonnen zonder dat de maatregelen van verordening nr. 204/2011 daaraan in de weg staan); zie naar analogie – zij het in de context van het indirect ter beschikking stellen van een economisch middel in de zin van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2007, L 103, blz. 1) – arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C‑72/11, EU:C:2011:874, punten 45‑47), waarin het Hof in wezen heeft geoordeeld dat ook louter de mogelijkheid om het betrokken actief, ook al is het niet meteen gebruiksklaar, te gebruiken voor het verkrijgen van tegoeden, goederen of diensten die kunnen bijdragen tot de activiteiten die de beperkende maatregelen van de Unie trachten te beletten, onder de bij die maatregelen ingestelde verboden kunnen vallen. Anders dan de Duitse regering acht ik evenmin relevant, de omstandigheid dat het voordeel bestaande in het recht om de garantie uit te winnen niet het vermogen van de opdrachtgevende bank die de kosten van de garantie betaalt, aantast maar dat van de bank die de garantie heeft gesteld. In de omstandigheden als beschreven in punt 42 van deze conclusie, was immers sprake van een rechtstreekse band tussen dat voordeel en de betaling van de bovengenoemde kosten. Zie, a contrario, arrest van 29 april 2010, M e.a. (C‑340/08, EU:C:2010:232, punten 41 e.v.).
( 24 ) Dergelijke activiteiten onderscheiden zich van handelingen die formeel de verboden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 204/2011 schenden en activiteiten omvatten die, op basis van objectieve gegevens, zich formeel gezien zo voordoen dat zij niet de constitutieve bestanddelen van een schending van artikel 5, lid 2, van die verordening vertonen, maar als zodanig of wegens hun mogelijke band met andere activiteiten, direct of indirect tot doel of tot resultaat hebben dat het in deze bepaling neergelegde verbod wordt omzeild. Zie naar analogie arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C‑72/11, EU:C:2011:874, punten 45‑47 en 60), voor wat betreft artikel 7, lid 4, van verordening nr.423/2007.
( 25 ) Ik herinner eraan dat die kosten bestaan uit de door TG uit hoofde van de uitgifte van contragaranties verschuldigde kosten enerzijds en de door TG aan Sahara Bank overgemaakte geldsommen voor het verstrekken van de garanties APG en PG ten gunste van HIB, welke geldsommen, zoals ik heb aangegeven, SH contractueel moet terugbetalen aan TG.
( 26 ) De clausule was niet opgenomen in het gezamenlijk voorstel voor een verordening van de Raad betreffende restrictieve maatregelen in verband met de situatie in Libië [COM(2011) 108 definitief] maar is door de Raad opgenomen tijdens de procedure tot aanneming van de verordening.
( 27 ) Richtsnoeren inzake de implementatie en evaluatie van beperkende maatregelen (sancties) in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, die de Raad op 15 juni 2012 heeft goedgekeurd, document nr. 11205/12; zie overweging 2 van verordening nr. 45/2014.
( 28 ) Een „geen vorderingen”-clausule is voor het eerst opgenomen in artikel 2 van verordening nr. 3541/92, in het kader van het embargo tegen Irak na de invasie in Koeweit; zie artikel 2 van verordening (EEG) nr. 3541/92 van de Raad van 7 december 1992 waarbij het verboden wordt gevolg te geven aan Iraakse eisen in verband met overeenkomsten en transacties op de uitvoering waarvan resolutie 661 (1990) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en verwante resoluties van toepassing zijn (PB 1992, L 361, blz. 1). Zie, meer recentelijk, document 15598/17.
( 29 ) Het doel van dit type clausule blijkt duidelijk uit de preambule van verordening nr. 3541/92 (vierde en vijfde overweging) waarin de Raad, na erop te hebben gewezen dat als gevolg van het embargo tegen Irak het bedrijfsleven in de Gemeenschap en in derde landen het risico liep met eisen van Iraakse zijde te worden geconfronteerd (een Irakese wet van 1990 had bepaald dat Iraakse contractspartijen niet aansprakelijk waren voor de schade ten gevolge van niet-nakoming van hun contractuele verplichtingen wegens het embargo en andersom, dat buitenlandse contractspartijen aansprakelijk waren voor de schade die hun Iraakse wederpartijen om die reden hadden geleden), van mening was dat het „noodzakelijk is het bedrijfsleven blijvend tegen zulke eisen te beschermen en te voorkomen dat Irak schadevergoeding verkrijgt voor de nadelige gevolgen van het embargo”.
( 30 ) Zo heeft bijvoorbeeld de intrekking van het algemene handelsembargo tegen Irak bij verordening (EG) nr. 1210/2003 van de Raad van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2465/1996 van de Raad (PB 2003, L 169, blz. 6) en tot vervanging daarvan door specifieke beperkende maatregelen geen invloed gehad op verordening nr. 3541/92 voor wat betreft de niet-toewijzing van vorderingen van subjecten naar Iraaks recht, welke verordening nog altijd van kracht is (zie overweging 16 van verordening nr. 1210/2003). Op dezelfde wijze is de „geen vorderingen”-clausule gehandhaafd ondanks de opschorting van het embargo tegen Libië, waartoe de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij resolutie 1192 van 5 april 1999 heeft besloten en na de intrekking van het embargo; zie besluit GBVB 2004/698 van 14 oktober 2004.
( 31 ) Aangaande de bij verordening nr. 3541/92 ingevoerde „geen vorderingen”-clausule hebben de rechterlijke instanties van een aantal lidstaten zich in deze zin uitgesproken; zie, voor wat betreft autonome garanties, het arrest van de Tribunale di Padova (rechter in eerste aanleg Padua, Italië) van 1 oktober 1993, in een geval dat veel gelijkenissen vertoont met dat in het hoofdgeding, het arrest van de Cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) van 23 juni 1995 en dat van het House of Lords (Verenigd Koninkrijk) van 5 juni 2001 in de zaak Shanning International Ltd./Lloyds TSB Bank plc., Lloyds TSB Banc plc. Rasheed Bank (2001) UKHL 31. Zie over dit onderwerp: Marchand, A., L’embargo en droit du commerce international, Brussel, 2012, blz. 406 e.v.
( 32 ) Uit de in artikel 12 van verordening nr. 204/2011 (in de versie van voor de herziening bij verordening nr. 45/2014 en in die van na deze herziening) en in artikel 17 van verordening 2016/44 gebruikte terminologie kan worden geconcludeerd dat het om een absoluut verbod gaat [zie, behalve de Italiaanse versie, met name de Franse versie „il n’est fait (aucun) droit à aucune demande”, de Engelse versie „no claims […] shall be granted”, of „satisfied” in de bij verordening nr. 45/2014 en artikel 17 van verordening 2016/44 gewijzigde tekst, en de Duitse versie „werden keine Forderungen […] zugelassen”, in de oorspronkelijke tekst van artikel 12 van verordening nr. 204/2011, „[a]nsprüche […] werden nicht erfüllt, in de bij verordening nr. 45/2014 gewijzigde tekst, en „[f]orderungen […] werden nicht erfullt” in de tekst van artikel 17 van verordening 2016/44].
( 33 ) Zie, voor wat betreft de aansprakelijkheidsregeling ter zake van garanties of contragaranties op eerste verzoek, artikel 26 van de in voetnoot 21 van deze conclusie aangehaalde uniforme regels van de ICC.
( 34 ) Niet alleen omdat het effecten zou sorteren die vergelijkbaar zijn met die van een contractuele verlenging van de garantie, maar ook omdat de opschorting van een autonome garantie met een precieze einddatum voor onbepaalde en onbepaalbare duur moeilijk verzoenbaar is met de onherroepelijke aard van de verbintenis die de garant is aangegaan tijdens het tijdvak waarin de garantie geldig was.
( 35 ) Anders dan de Duitse regering betoogt, heb ik de indruk dat aan deze conclusie niet wordt afgedaan door het feit dat het om een „vervangende prestatie” gaat, omdat de tekst van artikel 12 van verordening nr. 204/2011 noch die van artikel 17 van verordening 2016/44 enig element bevat op grond waarvan het verzoek om uitvoering van de prestaties van de overeenkomst die door de beperkende maatregelen wordt geraakt, van de werkingssfeer van deze bepalingen kan worden uitgesloten. Volgens de tekst van deze artikelen vallen vorderingen tot schadeloosstelling en vorderingen op grond van schuldvergelijking of op grond van een garantie binnen de werkingssfeer ervan maar geldt het verbod van toewijzing van vorderingen niet alleen voor deze vorderingen. Ik merk daarenboven op dat de reconventionele vordering van TG subsidiair strekt tot vergoeding van schade of schadeloosstelling op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
( 36 ) Zoals de Duitse regering sluit ik niet uit dat deze betalingen hadden kunnen worden toegestaan op grond van artikel 9, lid 1, onder b), van verordening nr. 204/2011, zij het evenwel uitsluitend op voorwaarde dat zij op hun beurt geen directe of indirecte terbeschikkingstelling van tegoeden aan of ten behoeve van HIB vormen (zie dienaangaande de punten 38‑40 en de punten 42 en 43 van deze conclusie).