CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
H. SAUGMANDSGAARD ØE
van 27 september 2018 ( 1 )
Gevoegde zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P
International Management Group
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Ontwikkelingssamenwerking – Uitvoering van de begroting van de Unie in indirect beheer – Aan een entiteit toevertrouwde taak tot uitvoering van de begroting – Vervanging van de geselecteerde entiteit door een andere – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Voor beroep vatbare handelingen – Twijfel over de status van internationale organisatie van de oorspronkelijk geselecteerde entiteit – Uitoefening van de rechten van de verdediging vóór bezwarende handelingen worden gesteld – Vertrouwelijk karakter van OLAF-onderzoeken”
I. Inleiding
1.
De gevoegde zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P betreffen de hogere voorzieningen die International Management Group (hierna: „IMG”) heeft ingesteld tegen de arresten van het Gerecht van 2 februari 2017, International Management Group/Commissie (T‑29/15) ( 2 ), en IMG/Commissie (T‑381/15) ( 3 ).
2.
Beide zaken vallen binnen dezelfde feitelijke context, namelijk de wijziging van een actieprogramma voor Myanmar/Birma, waarbij IMG de uitvoering van dit project in indirect beheer werd ontnomen omdat er naar aanleiding van een onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) twijfel bestond over haar status van internationale organisatie.
3.
In het arrest in zaak T‑29/15 heeft het Gerecht het door IMG ingestelde beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit C(2014) 9787 final van 16 december 2014 van de Europese Commissie ( 4 ) verworpen. Met het arrest in zaak T‑381/15 heeft het Gerecht haar andere beroep verworpen dat strekte tot, ten eerste, nietigverklaring van een brief van 8 mei 2015 waarbij de Commissie onder meer IMG ervan in kennis heeft gesteld dat haar niet meer werd toegestaan nieuwe overeenkomsten volgens de voor internationale organisaties geldende methode van indirect beheer ( 5 ) te sluiten en, ten tweede, vergoeding van de schade die zij beweerde te hebben geleden als gevolg van de in die zin getroffen maatregelen.
4.
Bovendien hebben de onderhavige zaken betrekking op de door de Commissie ingestelde incidentele hogere voorzieningen strekkende tot vernietiging van de voornoemde arresten, voor zover het Gerecht – volgens deze instelling ten onrechte – de door IMG in eerste aanleg ingestelde beroepen ontvankelijk heeft verklaard.
5.
Overeenkomstig het verzoek van het Hof beperkt deze conclusie zich tot een analyse van de voornaamste nieuwe rechtsvragen die in casu rijzen, meer bepaald de kwesties die in de incidentele hogere voorzieningen in het tweede middel van elk van de onderhavige zaken, alsook in het vierde middel in zaak C‑183/17 P en het derde middel in zaak C‑184/17 P aan de orde worden gesteld.
6.
Dienaangaande en vooraleer ten gronde uitspraak te doen, moet worden onderzocht of handelingen als die waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, voor beroep vatbare handelingen zijn. Om de gegrondheid van de voorgelegde arresten te beoordelen, moet vervolgens worden nagegaan wat in casu de mogelijke implicaties zijn van het begrip „internationale organisatie” in de zin van de hier relevante bepalingen uit de financiële regelgeving van de Unie. ( 6 ) Ten slotte is de vraag wat de draagwijdte is van het recht van een persoon om zich te verdedigen vooraleer tegen hem een maatregel is getroffen en met name hoe dit recht zich verhoudt tot de bescherming van het vertrouwelijke karakter van OLAF-onderzoeken.
7.
Ik geef al meteen aan dat het Hof mijns inziens, op grond van de redenen die ik hierna zal uiteenzetten, uiteindelijk niet alleen de excepties van niet-ontvankelijkheid van de Commissie zou moeten afwijzen, maar ook beide groepen middelen die door IMG zijn aangevoerd en die in de onderhavige conclusie zullen worden onderzocht.
II. Voorgeschiedenis van de gedingen
8.
De voorgeschiedenis van de gedingen is gedetailleerd uiteengezet in de arresten die respectievelijk in de twee onderhavige zaken worden bestreden, waarnaar dan ook wordt verwezen. ( 7 ) De wezenlijke en noodzakelijke elementen om deze conclusie te begrijpen, kunnen worden samengevat als volgt.
9.
Op 7 november 2013 heeft de Commissie uitvoeringsbesluit C(2013) 7682 inzake het uit de algemene begroting van de Europese Unie te financieren jaarlijks actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma vastgesteld. ( 8 ) Dit besluit bepaalde in bijlage 2 ( 9 ) onder meer dat taken tot uitvoering van de begroting van dit project zouden worden toevertrouwd aan IMG, die in dit besluit werd vermeld als internationale organisatie. ( 10 )
10.
Op 17 februari 2014 heeft OLAF de Commissie meegedeeld dat het een onderzoek naar de juridische status van IMG had ingesteld.
11.
Op 26 februari 2014 heeft de Commissie op grond van de regels over de OLAF-onderzoeken voorzorgsmaatregelen genomen ( 11 ), omdat er na bezwaar van verschillende lidstaten van de Unie twijfel was gerezen over de status van IMG als internationale organisatie. Bij brief van 25 april 2014 heeft zij IMG meegedeeld dat zij voorzorgsmaatregelen had genomen alsook om welke redenen.
12.
Op 15 december 2014 heeft de Commissie het onderzoeksverslag van OLAF ( 12 ) ontvangen, waarin dit Bureau in wezen stelde dat IMG geen „internationale organisatie” in de zin van verordening nr. 1605/2002 was.
13.
Op 16 december 2014 heeft de Commissie een besluit vastgesteld waarbij zij een andere entiteit dan IMG heeft aangewezen om, volgens de methode van indirect beheer, het programma voor ontwikkeling van de handel opgenomen in het dienovereenkomstig gewijzigde oorspronkelijke uitvoeringsbesluit ( 13 ) uit te voeren. Dit besluit is voorwerp van het beroep dat wordt onderzocht in zaak C‑183/17 P.
14.
Op 16 januari 2015 heeft de juridische dienst van de Commissie een nota opgesteld waarin het eindverslag van OLAF juridisch is geanalyseerd.
15.
Bij brief van 8 mei 2015 heeft de Commissie IMG meegedeeld welk gevolg zij voornemens was aan de aanbevelingen in het eindverslag van OLAF te geven en met name dat haar diensten geen nieuwe overeenkomsten volgens de bijzondere procedure voor internationale organisaties van verordening nr. 966/2012 meer met haar zouden sluiten, zolang geen volstrekte zekerheid bestond over de juridische status van IMG. Deze brief is voorwerp van het beroep dat wordt onderzocht in zaak C‑184/17 P.
III. Procedures bij het Gerecht en bestreden arresten
A. Procedure en arrest in zaak T‑29/15
16.
Bij op 21 januari 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft IMG op grond van artikel 263 VWEU beroep tot nietigverklaring van het besluit van 16 december 2014 ingesteld. Dat beroep is ingeschreven onder nummer T‑29/15.
17.
Bij op 24 maart 2015 ter griffie neergelegde akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Bij beschikking van 30 juni 2015 heeft het Gerecht deze exceptie met de zaak ten gronde gevoegd en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
18.
Op 13 januari 2016 heeft IMG het Gerecht verzocht om de Commissie te gelasten het eindverslag van OLAF en het advies van haar juridische dienst hierover over te leggen. ( 14 )
19.
Op 2 februari 2017 heeft het Gerecht arrest gewezen in zaak T‑29/15. Allereerst heeft het geoordeeld dat geen van beide door de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid gegrond was, omdat het besluit van 16 december 2014 voor IMG bindende rechtsgevolgen teweegbracht en ten aanzien van de voorzorgsmaatregelen van 26 februari 2014 geen zuiver bevestigende handeling vormde, zodat dit besluit een voor beroep vatbare handeling vormde en het door IMG ingestelde beroep bijgevolg ontvankelijk was. ( 15 )
20.
Voorts was het Gerecht in zijn uitspraak ten gronde van oordeel dat geen van de zeven door IMG aangevoerde middelen ( 16 ) gegrond was en dat haar beroep tot nietigverklaring derhalve moest worden verworpen. ( 17 ) Bovendien heeft het Gerecht IMG’s vordering tot overlegging van stukken afgewezen en haar in de kosten verwezen. ( 18 )
B. Procedure en arrest in zaak T‑381/15
21.
Bij op 14 juli 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft IMG, onder nummer T‑381/15 ingeschreven, beroep ingesteld tot nietigverklaring van de brief van 8 mei 2015, op grond van artikel 263 VWEU, alsook tot vergoeding van de schade die beweerdelijk door de in die brief vastgestelde maatregelen was veroorzaakt, op grond van artikel 268 VWEU.
22.
Bij op 25 september 2015 ter griffie neergelegde akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Bij beschikking van 29 januari 2016 heeft het Gerecht deze exceptie met de zaak ten gronde gevoegd en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
23.
Tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling heeft de Commissie gevraagd dat twee door IMG aangevoerde stukken, namelijk het eindverslag van OLAF en het advies van haar eigen juridische dienst waarin dat verslag is onderzocht, uit het gerechtelijk dossier zouden worden verwijderd. ( 19 )
24.
Op 2 februari 2017 heeft het Gerecht in zaak T‑381/15 arrest gewezen. Allereerst heeft het Gerecht zich uitgesproken over beide door de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid, in die zin dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk was voor zover dit betrekking had op de maatregel uit de bestreden brief met het besluit van de Commissie dat IMG niet langer in aanmerking kon komen om als „internationale organisatie” projecten in indirect beheer uit te voeren zolang er twijfel bestond over haar juridische status en voor het overige dat hetzij dit beroep niet ontvankelijk was, hetzij er geen procesbelang meer bestond. ( 20 )
25.
Voorts was het Gerecht in zijn uitspraak ten gronde van oordeel dat geen van de acht door IMG aangevoerde middelen ( 21 ) gegrond was en dat haar beroep tot nietigverklaring derhalve moest worden verworpen. ( 22 ) Bovendien heeft het Gerecht de vordering tot schadevergoeding van IMG afgewezen en haar in de kosten verwezen. ( 23 )
26.
Ten slotte heeft het Gerecht de vordering van de Commissie om het advies van haar eigen juridische dienst uit het dossier te verwijderen, toegewezen, maar haar vordering om het eindverslag van OLAF te verwijderen, verworpen. ( 24 )
IV. Procedures bij het Hof en conclusies van partijen
27.
Bij op 11 april 2017 ter griffie van het Hof neergelegde verzoekschriften heeft IMG twee hogere voorzieningen ingesteld die zijn ingeschreven onder nummer C‑183/17 P en C‑184/17 P, waarbij zij het Hof verzocht om:
–
het arrest in zaak T‑29/15 te vernietigen en het geding zelf af te doen door het besluit van 16 december 2014 nietig te verklaren en de Commissie in de kosten te verwijzen;
–
het arrest in zaak T‑381/15 te vernietigen en het geding zelf af te doen door ten eerste de brief van 8 mei 2015 nietig te verklaren, en ten tweede de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade die wordt geacht te zijn veroorzaakt door de in die brief vastgestelde maatregelen en de Commissie te verwijzen in alle kosten van beide procedures.
28.
In haar memories van antwoord en van dupliek in zaak C‑183/17 P en in zaak C‑184/17 P heeft de Commissie het Hof verzocht om beide hogere voorzieningen af te wijzen en IMG in alle kosten te verwijzen.
29.
De Commissie heeft overigens in beide zaken een incidentele hogere voorziening ingesteld, waarbij zij het Hof heeft verzocht om, ten eerste, de arresten die zijn gewezen in de zaken T‑29/15 respectievelijk T‑381/15 te vernietigen voor zover de in eerste aanleg opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid daarin zijn verworpen, en, ten tweede, dit aspect van het geding af te doen door de beroepen tot nietigverklaring van IMG niet ontvankelijk te verklaren en, ten derde, IMG in de kosten te verwijzen. In zaak C‑184/17 P heeft de Commissie het Hof bovendien verzocht om het eindverslag van OLAF uit het gerechtelijk dossier te verwijderen en iedere verwijzing naar dit verslag en de inhoud hiervan te schrappen. ( 25 )
30.
Bij beschikking van 20 maart 2018 zijn de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P gevoegd met het oog op hun mondelinge behandeling en het te wijzen arrest.
31.
Ter terechtzitting van 13 juni 2018 hebben de Commissie en IMG hun mondelinge opmerkingen gemaakt.
V. Beoordeling
32.
Ter ondersteuning van haar hogere voorzieningen tot vernietiging van het arrest in zaak T‑29/15 respectievelijk het arrest in zaak T‑381/15, voert IMG in zaak C‑183/17 P ( 26 ) vier middelen en in zaak C‑184/17 P ( 27 ) vijf middelen aan die elkaar gedeeltelijk overlappen. In zaak C‑183/17 P laakt IMG bovendien het besluit van het Gerecht waarbij haar verzoek tot overlegging van het eindverslag van OLAF wordt afgewezen. In zaak C‑184/17 P vecht IMG de afwijzing van haar verzoek tot schadevergoeding aan, alsook de beslissing van het Gerecht om haar verzoek tot overlegging van het advies van de Juridische Dienst van de Commissie over dit verslag niet-ontvankelijk te verklaren en om dat advies niet bij het dossier te voegen.
33.
In de incidentele hogere voorzieningen die de Commissie in deze beide zaken heeft ingesteld, verwijt zij op haar beurt het Gerecht te hebben geoordeeld dat de handelingen waartegen de beroepen tot nietigverklaring van IMG zijn gericht, voor beroep vatbare handelingen zijn. In zaak C‑184/17 P verwijt zij, in ondergeschikte orde, het Gerecht bovendien het eindverslag van OLAF niet uit het gerechtelijk dossier te hebben verwijderd.
34.
Wat betreft dit laatste wijs ik erop dat de vorderingen van beide partijen in verband met dit verslag thans zonder voorwerp lijken te zijn geraakt, aangezien uit de mondelinge verklaringen van de Commissie blijkt dat zij, enkele dagen vóór de terechtzitting van het Hof, dat verslag met bijlagen spontaan aan IMG heeft meegedeeld, wat door laatstgenoemde ter terechtzitting is bevestigd.
35.
Voorts herinner ik eraan dat – buiten bepaalde aspecten van het tweede middel van de in elk van deze zaken ingestelde hogere voorziening alsook van het vierde middel in zaak C‑183/17 P en het derde middel in zaak C‑184/17 P – de onderhavige conclusie waarin de voornaamste hieronder vermelde rechtsvragen aan bod komen, is toegespitst op de excepties van niet-ontvankelijkheid die in de incidentele hogere voorzieningen zijn opgeworpen. ( 28 )
A. Vatbaarheid voor beroep van de handelingen waartegen IMG beroep heeft ingesteld (incidentele hogere voorzieningen in de gevoegde zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P)
36.
In de incidentele hogere voorzieningen van de Commissie worden procedurele vragen gesteld, meer bepaald in verband met de ontvankelijkheid van de beroepen die door IMG bij het Gerecht zijn ingesteld, die eerst dienen te worden onderzocht vooraleer dieper in te gaan op de problemen ten gronde die in de hogere voorziening van IMG aan de orde worden gesteld.
37.
Met haar incidentele hogere voorzieningen in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P ( 29 ) vordert de Commissie de vernietiging van de bestreden arresten, op grond van het feit dat het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het besluit van 16 december 2014 respectievelijk de brief van 8 mei 2015 voor beroep vatbare handelingen waren in de zin van artikel 263 VWEU en dat de door IMG ingestelde beroepen tot nietigverklaring van die handelingen derhalve ontvankelijk waren.
38.
Hierop antwoordt IMG dat de verwerping van het middel van niet-ontvankelijkheid door het Gerecht wel degelijk gegrond is. Ik deel laatstgenoemde zienswijze, en wel om de volgende redenen.
1. Bindende rechtsgevolgen van de betrokken handelingen
39.
Ter ondersteuning van haar vorderingen verwijt de Commissie het Gerecht in de eerste plaats te hebben geoordeeld dat het besluit van 16 december 2014 en de brief van 8 mei 2015 bindende rechtsgevolgen hebben gesorteerd die de belangen van IMG hebben aangetast, terwijl dat volgens die instelling niet het geval zou zijn geweest.
40.
Ik wijs erop dat volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht alle handelingen van de instellingen van de Unie die bindende rechtsgevolgen sorteren welke de belangen van de betrokken derden kunnen aantasten doordat zij hun rechtspositie ingrijpend wijzigen, op grond van artikel 263 VWEU vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring. Om vast te stellen of een handeling dergelijke gevolgen sorteert, dient men met name uit te gaan van het voorwerp en de inhoud hiervan alsook van de feitelijke en juridische context waarin die is gesteld, met dien verstande dat de vorm waarin dat is gebeurd, in beginsel geen belang heeft. ( 30 )
41.
In zaak C‑183/17 P met betrekking tot het besluit van 16 december 2014 betoogt de Commissie in wezen dat een entiteit waaraan deze instelling een taak tot uitvoering van de begroting had toegewezen, zoals in dit geval IMG, geen beroep zou kunnen instellen tegen een handeling zoals het voornoemde besluit waarbij die taak in de toekomst aan een andere entiteit wordt toegewezen, in casu GIZ. ( 31 )
42.
Volgens de Commissie heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bij het besluit van 16 december 2014 doorgevoerde wijziging tot rechtsgevolg had dat IMG de mogelijkheid werd ontnomen een delegatieovereenkomst te sluiten, wat haar wel in het oorspronkelijke uitvoeringsbesluit was toegestaan. Ten eerste betoogt zij dat uit de formulering van artikel 84 van verordening nr. 966/2012 ( 32 ) blijkt dat een op grond hiervan genomen financieringsbesluit, zoals het besluit van 16 december 2014, per definitie een zuiver interne handeling is die de eventuele zowel budgettaire als juridische vastlegging van een uitgave voorafgaat ( 33 ) en tegenover derden dus geen enkel rechtsgevolg sorteert. Ten tweede betoogt zij dat de loutere vermelding van de naam van IMG in het oorspronkelijke uitvoeringsbesluit haar niet het recht op het sluiten van een delegatieovereenkomst verleende ( 34 ), zodat de wijziging van die handeling als gevolg van het feit dat in haar plaats GIZ werd aangewezen als entiteit om een dergelijke overeenkomst te sluiten, voor de positie van IMG enkel feitelijke maar geen juridische gevolgen had kunnen hebben. Ten derde betoogt zij dat het Gerecht in casu ten onrechte specifiek voor overheidsopdrachten geldende rechtspraak zou hebben toegepast, terwijl de in de financiële regelgeving van de Unie bepaalde regeling van indirect beheer zeer specifiek is.
43.
Ik meen evenwel dat de verschillende punten van bezwaar die de Commissie hier naar voor heeft gebracht ten dele ongegrond en ten dele niet-ontvankelijk zijn. Ten eerste heeft het Gerecht immers – volgens mij terecht – geoordeeld dat het besluit van 16 december 2014 niet kan worden beschouwd als een interne handeling ( 35 ), omdat dit besluit juist tot doel had IMG de mogelijkheid te ontnemen om ingevolge verordening nr. 966/2012 met de Commissie een delegatieovereenkomst te sluiten. ( 36 ) Mijns inziens kan de rechtspraak waarop de Commissie zich beroept niet tot een andere conclusie leiden. ( 37 ) Ten tweede heeft het bestreden besluit, ook al staat vast dat IMG nooit enig verworven recht op concretisering van die mogelijkheid heeft gehad, juridisch niettemin tot gevolg gehad dat IMG duidelijk en definitief die mogelijkheid werd ontnomen, want doordat GIZ in de plaats kwam van IMG verloor deze laatste haar hoedanigheid van entiteit die in voorkomend geval met de uitvoering van de begroting voor het betrokken project zou worden belast. ( 38 ) Wat ten slotte het laatste voornoemde argument betreft, ontleend aan een verondersteld onjuiste toepassing van specifiek voor overheidsopdrachten geldende rechtspraak, volstaat mijns inziens de vaststelling dat dit door de Commissie kennelijk onvoldoende wordt gestaafd ( 39 ) om door het Hof in aanmerking te kunnen worden genomen. ( 40 )
44.
Voorts betoogt de Commissie in zaak C‑184/17 P met betrekking tot de brief van 8 mei 2015 in wezen dat een gedelegeerde entiteit zoals IMG geen beroep kan instellen tegen een handeling zoals de voornoemde brief waarbij die instelling haar heeft meegedeeld dat zij haar geen taken tot uitvoering van de begroting meer zou toevertrouwen zolang geen volstrekte zekerheid zou bestaan over de juridische status van IMG. ( 41 )
45.
Volgens de Commissie heeft de bestreden brief voor IMG strikt feitelijke maar geen juridische, en louter potentiële maar geen reële gevolgen gesorteerd. Zij betoogt dat zij in die brief enkel heeft meegedeeld dat zij voornemens was met IMG geen overeenkomsten meer te sluiten volgens de voor internationale organisaties geldende methode van indirect beheer die door verordening nr. 966/2012 is vastgesteld ( 42 ), zolang er twijfel zou bestaan over haar juridische status. Zij voegt hieraan toe dat IMG geen recht had op de sluiting van een overeenkomst, dat enkel op initiatief van de Commissie kon worden verleend, laat staan een recht om een overeenkomst te sluiten volgens de bedoelde bijzondere regels die enkel voor bepaalde organisaties gelden.
46.
Net als in de bovenstaande analyse van het besluit van 16 december 2014 stel ik echter vast dat de brief van 8 mei 2015 voor de positie van IMG bindende rechtsgevolgen heeft gehad, en dus niet louter feitelijke of potentiële gevolgen, aangezien de Commissie hierin heeft meegedeeld dat zij op dat ogenblik met de betrokkene geen nieuwe delegatieovereenkomsten meer wenste te sluiten ( 43 ), een handeling waarin een beslissing besloten ligt waarmee elke mogelijkheid voor IMG om in haar hoedanigheid van internationale organisatie opdracht te ontvangen voor taken tot uitvoering van de begroting onmiddellijk en rechtstreeks tot nader order werd beëindigd.
47.
Bijgevolg ben ik van mening dat het Gerecht in beide bestreden arresten geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het besluit van 16 december 2014 respectievelijk de brief van 8 mei 2015 bindende rechtsgevolgen hebben gesorteerd, waardoor de belangen van IMG kennelijk werden geschaad, en dat beide handelingen waartegen IMG beroep had ingesteld, derhalve wel degelijk vatbaar waren voor beroep op grond van artikel 263 VWEU.
2. Niet-bevestigend karakter van de betrokken handelingen
48.
In de tweede plaats verwijt de Commissie – uitsluitend in zaak C‑183/17 P – het Gerecht de andere hierbij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te hebben verworpen. Dienaangaande verwijt zij het Gerecht te hebben geoordeeld dat het bestreden besluit van 16 december 2014 niet louter neerkwam op een zuivere bevestiging van de brief van 25 april 2014, waarbij deze instelling IMG meedeelde dat er op 26 februari 2014 voorzorgsmaatregelen waren genomen. Op haar beurt is IMG van mening dat het Gerecht dit middel van niet-ontvankelijkheid op goede gronden heeft verworpen. Ik deel dit standpunt.
49.
Ten eerste heeft het Gerecht volgens de Commissie ten onrechte geoordeeld dat er een „nieuw element” aan het licht was gekomen, in die zin dat het besluit van 16 december 2014 voor IMG „definitief” de mogelijkheid uitsloot om een eventuele delegatieovereenkomst te sluiten, terwijl die mogelijkheid in de brief van 25 april 2014„tijdelijk” of „voorlopig” was uitgesloten. ( 44 )
50.
Dienaangaande herinner ik eraan dat uit vaste rechtspraak ten eerste blijkt dat een beroep tot nietigverklaring van een handeling die neerkomt op de loutere bevestiging van een ander onherroepelijk geworden besluit, niet-ontvankelijk is ( 45 ), en ten tweede dat dit het geval is wanneer de bestreden handeling in vergelijking met het eerdere besluit geen enkel nieuw feitelijk of juridisch element bevat. ( 46 ) In dit geval worden met de betrokken handeling geen autonome bindende rechtsgevolgen beoogd die autonoom zijn ten opzichte van de rechtsgevolgen van het besluit dat hiermee wordt bevestigd. ( 47 )
51.
In casu zou op het eerste gezicht tegen het hier bestreden arrest kunnen worden opgeworpen dat het bestreden besluit, zoals de Commissie stelt, is vastgesteld in het kader van dezelfde feitelijke omstandigheden als de voordien genomen voorzorgsmaatregelen, namelijk wegens de twijfel die bestond over de status van internationale organisatie van IMG, zodat het betrokken besluit geen nieuw element zou bevatten. ( 48 ) Volgens mij kan echter niet worden ontkend dat er zich in de periode tussen de twee betrokken handelingen een aantal gebeurtenissen – en dus nieuwe feiten – heeft voorgedaan, inzonderheid het feit dat de Commissie op 15 december 2014 het eindverslag van OLAF heeft ontvangen. ( 49 )
52.
Ik ben vooral van oordeel dat het Gerecht terecht heeft gesteld dat die voorzorgsmaatregelen duidelijk te onderscheiden waren van het besluit van 16 december 2014, volgens mij zowel wat hun juridische kwalificatie als wat hun gevolgen betreft. Zoals deze rechter heeft onderstreept, hadden die maatregelen tot gevolg dat de mogelijkheid voor IMG om eventueel een delegatieovereenkomst met de Commissie te sluiten, slechts tijdelijk ( 50 ) werd geschorst, terwijl het bestreden besluit tot gevolg had dat die mogelijkheid definitief werd uitgesloten, door de naam van IMG te vervangen door die van GIZ. ( 51 ) Het bestreden besluit beperkt er zich dus niet toe een eerdere handeling inhoudelijk te bevestigen, maar brengt nieuwe elementen aan, in de zin van de hiervoor aangehaalde rechtspraak, met name dat het voorwerp en de juridische draagwijdte hiervan verschillen van die van de voorzorgsmaatregelen ( 52 ) waarvan de betrokkene bij brief van 25 april 2014 op de hoogte was gebracht.
53.
Ten tweede betoogt de Commissie dat, ook al waren de betrokken brief en het besluit van 16 december 2014 het resultaat van afzonderlijke administratieve procedures en steunen die op verschillende rechtsgronden, zoals het Gerecht heeft opgemerkt ( 53 ), een dergelijke vaststelling irrelevant zou zijn, aangezien de tweede handeling nog altijd het directe en automatische gevolg van de eerste zou blijven.
54.
Ik deel dit standpunt niet, want het komt mij voor dat het bestreden besluit, op grond van beoordelingscriteria zoals die herhaaldelijk door het Hof en door het Gerecht worden gehanteerd ( 54 ), in een verschillend normatief kader moet worden gesitueerd en autonome rechtsgevolgen heeft gesorteerd ten opzichte van de eerder genomen maatregelen, waarvan dus bezwaarlijk kan worden aangenomen dat zij door dit besluit gewoon werden bevestigd.
55.
In het bestreden arrest in zaak C‑183/17 P wordt immers – volgens mij terecht – duidelijk gesteld dat de Commissie de betrokken voorzorgsmaatregelen heeft genomen in het kader het onderzoek van OLAF naar de status van internationale organisatie van IMG en op grond van de bepalingen van verordening nr. 883/2013 inzake de uitvoering van een dergelijk onderzoek ( 55 ), terwijl het bestreden besluit was vastgesteld is in het kader van het uit de algemene begroting van de Unie te financieren jaarlijks actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma en op grond van de bepalingen van verordening nr. 966/2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op die begroting. Voorts heeft het Gerecht er terecht op gewezen dat het bestreden besluit wel degelijk een nieuw aspect bevatte ( 56 ), aangezien IMG enkel via een beroep tot nietigverklaring van dat besluit de rechtmatigheid kon betwisten, niet van de maatregelen naar aanleiding van het onderzoek van OLAF, in het licht van de bepalingen van verordening nr. 883/2013, maar van de maatregelen voor de eventuele toekenning van middelen in het kader van het betrokken actieprogramma, in het licht van de bepalingen van verordening nr. 966/2012. ( 57 )
56.
Ik ben dan ook van mening dat het besluit van 16 december 2014 hoegenaamd niet rechtstreeks en automatisch in het verlengde lag van de voorzorgsmaatregelen die bij brief van 25 april 2014 ter kennis van IMG waren gebracht, anders dan de Commissie beweert. ( 58 )
57.
Gelet op al deze elementen ik van mening dat in de in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P bestreden arresten geen blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het Gerecht hierin de door de Commissie in eerste aanleg opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid heeft afgewezen. Aangezien de twee respectieve handelingen die voor deze rechter werden betwist ( 59 ) wel degelijk vatbaar waren voor beroep, dienden de hiertegen door IMG ingestelde beroepen tot nietigverklaring ontvankelijk te worden verklaard, zoals het Gerecht volgens mij terecht heeft geoordeeld. Ik ben dan ook van oordeel dat de incidentele hogere voorzieningen die de Commissie in de onderhavige zaken heeft ingesteld, niet kunnen slagen.
B. Gegrondheid van de besluiten in verband met de status van IMG in het licht van de financiële regelgeving van de Unie (het in de respectieve hogere voorzieningen in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P aangevoerde tweede middel)
58.
Met het in de respectieve hogere voorzieningen in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P aangevoerde tweede middel, ontleend aan schending van de financiële regelgeving van de Unie, schending van de motiveringsplicht alsook aan een onjuiste opvatting van de gegevens in het dossier, betoogt IMG in wezen dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 16 december 2014 en de brief van 8 mei 2015 van de Commissie naar behoren gerechtvaardigd waren, gelet op de twijfel in verband met de status van internationale organisatie van IMG.
59.
In haar verweer stelt de Commissie dat deze tweede middelen niet-ontvankelijk, zo niet kennelijk ongegrond zijn. Zelf ben ik van oordeel dat beide middelen ontvankelijk maar ongegrond zijn, gelet op de navolgende overwegingen, eerst in verband met het argument van IMG dat mij het belangrijkste lijkt ( 60 ), daarna in verband met de volgens mij subsidiaire argumenten.
1. Primair onderdeel van het in de respectieve hogere voorzieningen in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P aangevoerde tweede middel
60.
In elk tweede middel verwijt IMG het Gerecht hoofdzakelijk de onregelmatigheden die zij de Commissie in beide bij deze rechter aanhangig gemaakte zaken heeft verweten, niet afdoende te hebben getoetst. Allereerst betoogt IMG dat de bestreden arresten onjuist zijn gemotiveerd, omdat zij vóór de vaststelling van de bestreden handelingen geen toegang kon krijgen tot de verklaringen van staten die door OLAF waren opgetekend. ( 61 ) Voorts beweert IMG dat de motivering van die arresten lacunair is, omdat het Gerecht niet uitlegt waarom het in het licht van de relevante bepalingen van de financiële regelgeving van de Unie ( 62 ) zou volstaan dat vijf staten de status van „internationale organisatie” van IMG in twijfel hebben getrokken, om te verantwoorden dat haar in beide bestreden handelingen die hoedanigheid kon worden ontzegd. ( 63 )
61.
In haar verweer betoogt de Commissie dat deze punten van bezwaar in het stadium van de hogere voorziening niet-ontvankelijk zijn, omdat die geen rechtsvragen maar feitelijke kwesties aan de orde stellen en voorts zijn ingegeven door argumenten die niet in eerste aanleg zijn aangevoerd en dus nieuw zijn. Zij voegt hieraan toe dat, mochten die punten van bezwaar ontvankelijk worden verklaard, zij in elk geval kennelijk ongegrond zijn, omdat de beroepen die bij het Gerecht zijn ingesteld niet tot doel hadden om uit te maken of IMG al dan niet een internationale organisatie was in de zin van de financiële regelgeving van de Unie ( 64 ), maar wel of, gelet op de bestaande twijfel in verband met de juridische status van IMG, de bestreden handelingen al dan niet binnen de grenzen vielen van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie voor de uitvoering van de begroting van de Unie.
62.
Zelf ben ik, ten eerste, van oordeel dat de punten van bezwaar zoals uiteengezet in elk tweede middel, wel degelijk ontvankelijk zijn, omdat het in die context gevoerde betoog, zoals IMG repliceerde, feitelijke noch nieuwe argumenten bevat. Dit betoog steunt immers op de veronderstelde schending van een rechtsregel, aangezien hierin, in het licht van de financiële regelgeving van de Unie, de juridische juistheid wordt betwist van de in de bestreden arresten gevolgde redenering om de beroepen van IMG af te wijzen. Voorts wordt in dit betoog in wezen een van de stellingen overgenomen die IMG al in eerste aanleg naar voor had gebracht, namelijk dat de Commissie bij het vaststellen van de bestreden handelingen die regelgeving niet heeft geëerbiedigd. ( 65 )
63.
Ten tweede deel ik, wat de grond betreft, het standpunt van de Commissie, namelijk dat de in casu door IMG verdedigde stelling onjuist is, aangezien de Commissie noch – a fortiori – het Gerecht zich heeft uitgesproken over de vraag of IMG al dan niet de hoedanigheid van „internationale organisatie” had. Het ontbreken van een juridische kwalificatie is volgens mij een element van cruciaal belang. In feite heeft deze rechter, gelet op de bestaande twijfel, onderzocht of de Commissie volkomen legaal, met andere woorden, zonder een kennelijke beoordelingsfout te hebben begaan noch blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, kon beslissen om aan IMG in die hoedanigheid geen taken tot uitvoering van de begroting meer toe te vertrouwen zolang die twijfel niet zou zijn weggenomen. ( 66 ) In de passages van de bestreden arresten waarop verzoekster kritiek formuleert, spitst het Gerecht zijn onderzoek dan ook toe op de vraag of de Commissie, gelet op het feit dat er over de hoedanigheid van internationale organisatie van IMG twijfel bestond en zij hieraan de consequenties op grond van de bestreden handelingen heeft verbonden, al dan niet haar beoordelingsmarge had overschreden en de voorwaarden van de toepasselijke bepalingen van de financiële regelgeving van de Unie had geschonden. ( 67 ) Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en motiveert volgens mij genoegzaam zijn standpunt.
64.
Gelet op het aldus omschreven voorwerp van de procedures in eerste aanleg lijkt het mij niet noodzakelijk, zelfs niet relevant, om de punten van bezwaar van IMG te onderzoeken waarin zij het Gerecht verwijt geen rekening te hebben gehouden met het feit dat zij beantwoordde aan beide voorwaarden om een „internationale organisatie” te zijn in de zin van de betrokken regelgeving ( 68 ), ondanks de verklaringen in dit verband van bepaalde staten die naar verluidt aangesloten zijn of waren bij die entiteit, aangezien slechts vijf van de zestien staten ( 69 ) in verband hiermee bezwaren hebben geformuleerd. ( 70 ) Ik ben inderdaad van mening dat dergelijke factoren in ieder geval niet volstaan om te stellen dat de Commissie in juridisch opzicht onterecht twijfel zou hebben geuit over de hoedanigheid van internationale organisatie van IMG en hieraan de voornoemde consequenties zou hebben verbonden. Bovendien ben ik van oordeel dat het Gerecht geen oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van zijn toetsingsbevoegdheid door te concluderen dat de Commissie, gelet op de bewijzen in het dossier ( 71 ), op gewettigde en legale wijze beslist had om, in zekere zin als voorzorgsmaatregel, aan IMG geen taken tot uitvoering van de begroting meer toe te vertrouwen zolang de kwestie van haar juridische status niet zou zijn opgehelderd.
65.
Ten derde wens ik mij met betrekking tot de in limine aangevoerde argumenten van IMG, namelijk dat de twijfel van de Commissie is ingegeven door gegevens die afkomstig waren uit het onderzoek van OLAF, terwijl IMG niet de gelegenheid heeft gekregen om die tijdig te betwisten ( 72 ), te beperken tot de vaststelling dat die argumenten geen betrekking hebben op schending van de financiële regelgeving van de Unie, die de kern vormt van dit gedeelte van elk tweede middel, maar op de bescherming van de rechten van de verdediging, die zal worden onderzocht in het kader van andere in deze zaken aangevoerde middelen ( 73 ), aangezien deze problematiek hoofdzakelijk daarin aan de orde wordt gesteld.
66.
Gelet op al deze overwegingen ben ik van oordeel dat de bezwaren die IMG in het hiervoor onderzochte gedeelte van het tweede middel van elk van de hogere voorzieningen in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P heeft aangevoerd, ongegrond zijn.
2. Overige onderdelen van het in de respectieve hogere voorzieningen in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P aangevoerde tweede middel
67.
Ten eerste voert IMG in limine van het tweede middel in de respectieve hogere voorzieningen in zaak C‑183/17 P en zaak C‑184/17 P in wezen aan dat de redenering van het Gerecht in de bestreden arresten berust op de premisse van onregelmatigheden in de motivering, omdat deze rechter blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste opvatting van de dossierstukken. ( 74 ) IMG betoogt dat deze rechter de in elk van deze zaken bestreden handelingen, namelijk het besluit van 16 december 2014 en de brief van 8 mei 2015, een onjuiste motivering heeft toegedicht.
68.
Ik stel vast dat, zoals IMG zelf aangeeft en de Commissie tegenwerpt, dit argument neerkomt op een herhaling van eerder in het kader van het eerste middel in elk van hogere voorzieningen in beide zaken geformuleerde punten van bezwaar waarop in de onderhavige conclusie niet wordt ingegaan. Ik wil enkel aangeven dat het Gerecht in de passages waarnaar IMG verwijst ( 75 ), volgens mij niet de bedoeling had – zoals verzoekster beweert – de motivering in de bestreden handelingen uiteen te zetten, maar de context waarin deze handelingen moeten worden gesitueerd, inzonderheid om duidelijk te maken dat de Commissie, vóór de vaststelling van die handelingen, IMG ter kennis had gebracht dat zij twijfels had over haar rechtsvorm. ( 76 ) De beweerde onregelmatigheid in de motivering van de bestreden arresten waarnaar IMG verwijst, is dus kennelijk ongegrond, want zij is volgens mij het resultaat van een verkeerde lezing van deze bestreden arresten.
69.
Ten tweede wijst IMG in het tweede middel van haar hogere voorziening in zaak C‑184/17 P op een onjuiste opvatting van de gegevens in het dossier ( 77 ), wanneer zij het Gerecht verwijt te hebben geoordeeld dat de betrokkene geen elementen had verstrekt waarmee de twijfel van de Commissie kon worden weggenomen, alhoewel zij die instelling en daarna deze rechter een aantal stukken had overgelegd om te bewijzen dat die twijfel niet gegrond was. Verweerster voert aan dat uit de acht stukken waarop zij doelde zou blijken dat „de vijf betrokken staten[ ( 78 )] de oprichtingsakte van IMG hebben ondertekend; dat Noorwegen de statuten van IMG heeft ondertekend; dat Noorwegen, België en Portugal hebben deelgenomen aan de vergaderingen van het bestuursorgaan van IMG. Bovendien is tot tweemaal toe door de voorzitter van de vergadering van 25 november 1994 vastgesteld dat die vijf aangesloten staten de vestigingsakte van IMG hebben ondertekend en voorts dat geen enkele van die staten IMG heeft laten weten zich uit IMG terug te trekken”. ( 79 ) De Commissie verwerpt deze grief, waarbij zij niet enkel verzoeksters benadering betwist, maar ook haar analyse van de betrokken stukken. ( 80 )
70.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat in het kader van een hogere voorziening, de beoordeling van de bewijskracht van de dossierstukken door het Gerecht niet voor het Hof in twijfel kan worden getrokken, behoudens in geval van schending van de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering en van een onjuiste opvatting van deze stukken. Bovendien kan het niet de bedoeling zijn dat een rekwirant, onder het voorwendsel van een onjuiste opvatting van de bewijsstukken die aan het Gerecht zijn overgelegd, in werkelijkheid beoogt een nieuwe beoordeling daarvan te verkrijgen, inzonderheid van de waarde die hieraan moet worden gegeven, een beoordeling waartoe het Hof niet bevoegd is. ( 81 )
71.
In casu komt het mij voor dat het Gerecht in de punten 102 en 106 van het arrest in zaak T‑381/15, die specifiek worden bekritiseerd, in wezen heeft geoordeeld dat IMG, gelet op de door haar overgelegde bewijsstukken, rechtens onvoldoende had aangetoond dat de betrokken staten zich daadwerkelijk als haar leden bleven beschouwen, ondanks de verklaringen die zij tegenover OLAF hadden afgelegd. Ik ben van mening dat de beoordeling van die bewijsstukken door het Gerecht om die op hun bewijskracht te toetsen, nergens wijst op een onjuiste opvatting van hun inhoud en, inzonderheid, dat IMG in de lezing daarvan door het Gerecht, geen enkele materiële onjuistheid aantoont.
72.
Ten derde betoogt IMG – nog steeds in zaak C‑184/17 P – dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, omdat volgens haar het bestreden arrest ten eerste tegenstrijdige overwegingen bevatte in verband met het feit dat de standpunten van de Commissie van vóór het onderzoek van OLAF geen invloed hadden, en ten tweede aanvechtbare overwegingen, doordat hierin de „financial backing” (financiële waarborg) van IMG als gevolg van de betwistingen van bepaalde staten opnieuw aan de orde werd gesteld. ( 82 )
73.
Ik herinner eraan dat het Gerecht, volgens vaste rechtspraak, wanneer het zijn besluit met een bepaald bewijsstuk eerder dan met een ander staaft, niet verplicht is telkens zijn keuze te motiveren. In de motivering van zijn arrest dient de onderliggende redenering evenwel duidelijk en ondubbelzinnig te worden uiteengezet, zodat de betrokkenen de rechtvaardigingsgronden van de gegeven beslissing kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. ( 83 )
74.
In casu blijkt in verband met de eerste voornoemde grief, die is gericht op punt 105 van het arrest in zaak T‑381/15 en dit punt uit zijn context licht, gelezen in samenhang met de punten die het betwiste uittreksel voorafgaan ( 84 ), zonder meer dat het Gerecht hier het argument heeft willen uitsluiten dat IMG had afgeleid uit het feit dat de Commissie haar voordien als een internationale organisatie had beschouwd, waarbij het erop wees dat die standpunten dateerden van vóór er als gevolg van het onderzoek van OLAF twijfel was gerezen, welke twijfel deze instelling haar standpunt heeft doen wijzigen en doorslaggevend was voor de conclusie waartoe het Gerecht is gekomen. Het feit dat deze rechter – zoals IMG in haar verwijt beweert – geen rekening zou hebben gehouden met de informatie die zij tijdens het onderzoek van OLAF had verstrekt, kan volgens mij niet als een tegenstrijdigheid worden beschouwd noch volstaan om de afdoende motivering in het betrokken punt opnieuw aan de orde te stellen. ( 85 ) De grief in kwestie kan derhalve niet slagen.
75.
In verband met de tweede voornoemde grief, die betrekking heeft op punten 102 en 108 van hetzelfde arrest, merk ik op dat IMG het Gerecht in wezen verwijt te hebben geoordeeld dat de verklaringen van de staten die betwistten lid te zijn van die entiteit, een beletsel zouden vormen om haar als internationale organisatie te kwalificeren, omdat IMG hierdoor hun financiële steun zou verliezen, terwijl die laatste parameter volgens IMG in het licht van de financiële regelgeving van 2012 geen vereiste is om een dergelijke kwalificatie te verkrijgen. ( 86 ) Mijns inziens blijkt uit het onderzoek van beide in dit opzicht bekritiseerde punten evenwel dat het Gerecht hierin geen overwegingen in die zin heeft opgenomen ( 87 ) en dat de hierin gevolgde redenering op zich duidelijk is en geschikt om de motivering van de conclusie te onderbouwen, zodat die grief kennelijk ongegrond is.
76.
Uit het voorgaande vloeit volgens mij derhalve voort dat de motiveringsplicht in de in beide bezwaren bedoelde punten van het bestreden arrest niet is geschonden.
77.
Concluderend ben ik van mening dat het in de respectieve hogere voorzieningen in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P aangevoerde tweede middel ongegrond dient te worden verklaard.
C. Draagwijdte van het recht van de verdediging waarop IMG zich beroept (vierde middel van de hogere voorziening in zaak C‑183/17 P en derde middel van de hogere voorziening in zaak C‑184/17 P)
78.
Mijns inziens moeten de argumenten die IMG afleidt uit een mogelijke schending van de rechten van de verdediging en die worden toegelicht in het vierde middel van haar hogere voorziening in zaak C‑183/17 P respectievelijk het derde middel van haar hogere voorziening in zaak C‑184/17 P aanvullend maar afzonderlijk worden onderzocht, omdat die middelen qua formulering bepaalde overeenkomsten maar ook verschillen vertonen.
1. Vierde middel van de hogere voorziening in zaak C‑183/17 P
79.
Met het vierde middel van haar hogere voorziening in zaak C‑183/17 P verwijt IMG het Gerecht in het bestreden arrest ( 88 ) blijk te hebben gegeven van schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en schending van het recht om te worden gehoord. ( 89 ) Net zoals de Commissie, die deze argumentering in haar memorie van antwoord verwerpt ( 90 ), ben ik van mening dat dit middel ongegrond, ja zelfs kennelijk ongegrond is, om de volgende redenen.
80.
Ten eerste betoogt IMG, onder verwijzing naar een arrest van het Gerecht over het recht van iedere persoon om te worden gehoord voordat een voor hem bezwarend besluit wordt genomen ( 91 ), dat zij in casu niet op de hoogte was gebracht van de juiste redenen waarom de Commissie aan haar hoedanigheid van internationale organisatie twijfelde en zij niet de gelegenheid zou hebben gehad om haar standpunt ter zake naar voor te brengen vooraleer deze instelling het bestreden besluit vaststelde, met name het besluit van 16 december 2014.
81.
Ik herinner eraan dat het recht om te worden gehoord is verankerd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), waarin het recht op behoorlijk bestuur wordt gewaarborgd. Ingevolge artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest behelst dit recht met name het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de adressaten van bezwarende besluiten in staat worden gesteld naar behoren en daadwerkelijk hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren, zodat hij met zijn mondelinge of schriftelijke opmerkingen dit besluit eventueel inhoudelijk kan beïnvloeden of zelfs de vaststelling hiervan opnieuw aan de orde stellen. ( 92 )
82.
In casu ben ik van mening dat het Gerecht pas na grondig onderzoek van de feiten en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting heeft geoordeeld dat de Commissie IMG afdoende had geïnformeerd over de aanleiding tot de twijfel die zij had in verband met de rechtsvorm van IMG en haar op rechtsgeldige wijze in een eerder stadium, in het kader van de briefwisseling hierover vóór de vaststelling van het bestreden besluit, de gelegenheid had gegeven om haar argumenten kenbaar te maken, en dat het recht van IMG om te worden gehoord, dus wel degelijk was geëerbiedigd. ( 93 )
83.
Ten tweede verwijt IMG het Gerecht de bescherming van het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken van OLAF niet juist te hebben afgewogen tegen de bescherming van het grondrecht van de betrokkene om te worden gehoord. Volgens haar zou deze rechter ten onrechte hebben geoordeeld dat de Commissie op grond van de bescherming van dat vertrouwelijke karakter terecht mocht weigeren het eindverslag van OLAF, waarin de Commissie net vóór de vaststelling van het besluit van 16 december 2014 inzage had gekregen, aan IMG mee te delen. ( 94 ) IMG verwijst inzonderheid naar punt 142 van het arrest in zaak T‑29/15, waar gewag wordt gemaakt van „nieuwe feiten” die door de Commissie zouden zijn aangevoerd.
84.
Dienaangaande wijs ik erop dat het Handvest, samen met het eerder vermelde recht om te worden gehoord ( 95 ), in artikel 41, lid 2, onder b), het recht van eenieder vrijwaart om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, evenwel met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van het vertrouwelijke karakter en het beroepsgeheim. Verordening nr. 883/2013 betreffende onderzoeken door OLAF bepaalt echter in artikel 10, leden 1 tot en met 3, dat de in het kader van dergelijke onderzoeken doorgegeven of verkregen gegevens beschermd zijn en dat de instellingen van de Unie het vertrouwelijk karakter van die gegevens moeten eerbiedigen. Bovendien wordt in artikel 11, leden 3 tot en met 5, van deze verordening weliswaar bepaald dat het onderzoeksverslag van OLAF aan de bevoegde nationale autoriteiten of de betrokken instellingen wordt toegezonden, maar in geen enkele bepaling van die verordening staat dat dit verslag aan de bij het onderzoek betrokken persoon moet worden meegedeeld. ( 96 ) Zoals het Gerecht in zaken waarin een met die in de onderhavige procedure vergelijkbare problematiek wordt onderzocht, volgens mij terecht herhaaldelijk heeft geoordeeld, blijkt uit het wetgevend kader voor OLAF dat enkel wanneer de autoriteiten waarvoor het verslag van dit bureau bestemd is, voornemens zijn op grond van dit verslag handelingen vast te stellen die voor de betrokken persoon bezwarend zijn, zij volgens de voor hen geldende procedureregels die persoon toegang tot dit verslag moeten verlenen, zodanig dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen. ( 97 )
85.
Ik ben, in de onderhavige zaak C‑183/17 P, van mening dat de Commissie, gesteld dat zij voor haar – voor IMG bezwarend – besluit van 16 december 2014 ( 98 ) rechtstreeks op het eindverslag van OLAF had willen steunen ( 99 ), de betrokkene alleszins toegang tot dit verslag had moeten verlenen en haar in de gelegenheid had moeten stellen haar argumenten naar voor te brengen ( 100 ), zeker wanneer zou blijken dat in dit stuk nieuwe feiten zijn opgenomen die de Commissie tegenover haar kan gebruiken.
86.
Om te beginnen blijkt volgens mij uit de lezing van het bestreden arrest echter dat het Gerecht er herhaaldelijk op heeft gewezen dat de eventuele mededeling door de Commissie van „nieuwe feiten” in haar dossier diende te worden afgewogen tegen de noodzaak om het vertrouwelijke karakter van het onderzoek van OLAF te beschermen, niet in het licht van het eindverslag van OLAF, zoals IMG beweert in haar hogere voorziening, maar in het licht van de brief van 25 april 2014. ( 101 ) Welnu, ik stel vast dat de Commissie die brief naar IMG heeft gestuurd op een moment waarop het onderzoek van OLAF nog liep en de bescherming van het vertrouwelijke karakter hiervan dus absoluut noodzakelijk was. Uit de vaststellingen van het Gerecht blijkt daarenboven dat in de brief van 25 april 2014 staat dat de „nieuwe feiten” die naar aanleiding van dit onderzoek aan het licht zijn gekomen, de aanvankelijke twijfel van de Commissie over de hoedanigheid van IMG alleen maar hebben versterkt ( 102 ), en voorts dat IMG bij deze rechter overigens niet heeft betwist dat de Commissie op grond van artikel 10 van verordening nr. 883/2013 verplicht was dit vertrouwelijk karakter te beschermen en derhalve geen nadere informatie over die nieuwe feiten mocht vrijgeven. ( 103 )
87.
Bovendien heeft het Gerecht hoe dan ook en volgens mij terecht geoordeeld dat, ook al was de informatie die de Commissie aan IMG verstrekte hoegenaamd beperkt, IMG alleszins en met voldoende zekerheid de redenen kende waarom het besluit van 16 december 2014 was vastgesteld, met name als gevolg van de brief van 25 april 2014 ( 104 ), om, indien zij dit wenste, nog vóór dit besluit haar verweer te kunnen voordragen. ( 105 ) Zoals door andere advocaten-generaal reeds is onderstreept ( 106 ), is de toegang tot informatie in bezit van een instelling van de Unie geen doel op zich, maar een middel om een betrokken persoon in de gelegenheid te stellen zich te verdedigen, zodat de nietigverklaring van een handeling overbodig zou worden indien zou blijken dat een vermoede onregelmatigheid geen invloed heeft gehad op de uitoefening van de rechten van de verdediging. Bovendien kan de beoordeling van de feitelijke omstandigheden door het Gerecht niet opnieuw aan de orde worden gesteld in het kader van deze hogere voorziening, aangezien op dit niveau geen onjuiste opvatting is vastgesteld en zelfs niet aangevoerd. ( 107 )
88.
Ik ben bijgevolg van mening dat het Gerecht in de motivering van het bestreden arrest, inzonderheid punt 142 hiervan, dat in het bijzonder doel is van kritiek van IMG, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het gaat om het noodzakelijke evenwicht tussen het vertrouwelijke karakter van het onderzoek van OLAF en de mogelijkheid voor betrokkene om haar rechten van verdediging uit te oefenen.
89.
Ten derde uit IMG specifiek kritiek op de redenering van het Gerecht in punt 143 van het arrest in zaak T‑29/15, welke kritiek vanuit drie invalshoeken is opgebouwd. In de eerste plaats voert zij schending van de verplichting van behoorlijk bestuur aan met betrekking tot het zogenaamde rechtstreekse verband tussen de eerder door de Commissie genomen maatregelen en het bestreden besluit. In de tweede plaats herhaalt zij haar argument dat de Commissie haar recht om te worden gehoord over de vermeende twijfel vooraleer dit besluit werd vastgesteld, niet heeft geëerbiedigd. In de derde plaats betoogt IMG dat zij bij het Gerecht niet diende te bewijzen dat de afloop van de procedure anders was geweest, maar gewoon dat die anders had kunnen zijn indien zij in de gelegenheid was gesteld om haar standpunt naar voor te brengen.
90.
Wat de eerste grief betreft, deel ik de analyse van IMG niet, namelijk dat het Gerecht ten onrechte zou hebben geoordeeld dat het besluit van 16 december 2014 het „rechtstreekse gevolg” van hieraan voorafgaande handelingen zou zijn geweest ( 108 ), terwijl er volgens rekwirante tussen deze handelingen en dit besluit verschillende maanden lagen, de Commissie ondertussen het eindverslag van OLAF had ontvangen en die instelling haar standpunt onmogelijk al vanaf het stadium van de voorzorgsmaatregelen die zij voordien had getroffen, had kunnen laten uitkristalliseren. Het komt mij inderdaad voor dat het Gerecht zich er in punt 143 van het bestreden arrest in werkelijkheid toe beperkt heeft – volgens mij terecht – te stellen dat het bestreden besluit onmiddellijk volgde op de twijfel die in verband met de juridische status van IMG was gerezen en waarvan zij reeds in kennis was gesteld ( 109 ), en dat aan de betrokkene dus was meegedeeld dat, bij gebrek aan aanwijzingen die deze twijfel konden wegnemen, haar voor het in het oorspronkelijke uitvoeringsbesluit opgenomen project geen taak tot uitvoering van de begroting meer kon worden toevertrouwd.
91.
Met betrekking tot de tweede grief omtrent het recht van IMG om haar rechten van verdediging uit te oefenen, volstaat de vaststelling dat deze grief om de hierboven uiteengezette redenen ongegrond is. ( 110 )
92.
Met betrekking tot de derde grief, volgens welke het Gerecht beweerdelijk zou hebben geëist dat IMG aantoonde welke invloed de beweerde schending van het recht om te worden gehoord daadwerkelijk op de afloop van de betrokken procedure had gehad, terwijl de rechtspraak ( 111 ) enkel het bewijs vereist van een mogelijke invloed, ben ik van mening dat deze rechter geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens door het Gerecht genoemde vaste rechtspraak in geval van een mogelijke procedurele onregelmatigheid, staat het aan de rechter om na te gaan, aan de hand van de feitelijke en juridische omstandigheden van het geval, of de procedure in kwestie een andere afloop had kunnen hebben indien verzoekster zich zonder die onregelmatigheid beter hadden kunnen verdedigen. ( 112 ) In het bestreden arrest is het Gerecht bijgevolg, in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten, terecht tot het besluit kunnen komen ( 113 ) dat, gelet op zowel de argumenten van IMG als de gegevens in het gerechtelijk dossier, niet was aangetoond dat de afloop van de procedure anders zou zijn geweest indien de Commissie de betrokkene specifiek op de hoogte had gebracht van haar voornemen om het besluit van 16 december 2014 vast te stellen.
93.
Gelet op al deze overwegingen ben ik van oordeel dat het vierde middel van de hogere voorziening in zaak C‑183/17 P ongegrond dient te worden verklaard.
2. Derde middel van de hogere voorziening in zaak C‑184/17 P
94.
Het derde middel van de hogere voorziening van IMG in zaak C‑184/17 P ( 114 ) overlapt gedeeltelijk het vierde middel van de hogere voorziening in de hierboven genoemde zaak C‑183/17 P, aangezien het is ontleend aan schending van het recht van verdediging, op grond van soortgelijke argumenten als aangevoerd ter staving van het vierde middel. Daarenboven is het ontleend aan schending van de motiveringsplicht en een onjuiste opvatting van de bewijsmiddelen, waarvoor in zaak C‑183/17 P geen argumenten zijn aangevoerd. ( 115 ) Net zoals de Commissie ( 116 ) ben ik van oordeel dat ook dit derde middel om de volgende redenen ongegrond is.
95.
Ten eerste verwijt IMG het Gerecht in wezen dat het niet de juiste rechtsgevolgen heeft verbonden aan zijn eigen vaststelling, namelijk dat de Commissie het besluit dat op de brief van 8 mei 2015 volgde, pas had moeten vaststellen nadat de betrokkene de gelegenheid had gehad om van het eindverslag van OLAF kennis te nemen.
96.
Gelet op de hierboven aangehaalde rechtspraak in verband met de mogelijkheid van toegang tot de vertrouwelijke stukken van OLAF ( 117 ), kon het Gerecht volgens mij zonder enige tegenstrijdigheid in de motivering of onjuiste opvatting van de feiten ( 118 ) beslissen dat de Commissie het eindverslag van OLAF alleszins vooraf ter kennis van IMG had moeten brengen ( 119 ), maar dat de vastgestelde onregelmatigheid in de gegeven omstandigheden toch geen beslissende invloed op de rechten van verdediging van de betrokkene had, omdat IMG herhaaldelijk en nog vóór de bestreden brief, de gelegenheid had gehad om opmerkingen te formuleren over de twijfel die in verband met haar juridische status was gerezen. ( 120 )
97.
Ten tweede beweert IMG dat zij met betrekking tot zowel de elementen waarop de Commissie voornemens was haar besluit te baseren als het ontwerpbesluit zelf, haar argumenten had moeten kunnen uiteenzetten. ( 121 )
98.
In tegenstelling tot wat IMG in de onderhavige zaak C‑184/17 P met nadruk betoogt, blijkt volgens mij uit de relevante rechtspraak echter dat het recht om te worden gehoord vooraleer een bezwarend besluit wordt vastgesteld, impliceert dat de betrokken persoon zijn standpunt wel kenbaar kan maken ten aanzien van de elementen waarop een administratie haar voorgenomen besluit gaat baseren, maar niet mede ten aanzien van de inhoud van het voorgenomen besluit, omdat het ontwerpbesluit hem dan vooraf zou moeten worden voorgelegd. ( 122 )
99.
Ten derde betoogt IMG dat het niet aan haar maar aan de Commissie stond om te bewijzen dat de afloop anders had kunnen zijn indien de bedoelde onregelmatigheid niet bij de vaststelling van het bestreden besluit was begaan. ( 123 )
100.
Uit de in het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak waarnaar ook hierboven wordt verwezen ( 124 ), blijkt mijns inziens echter dat de rechter, wanneer er volgens hem sprake is van een procedurele onregelmatigheid, dient na te gaan of die procedure anders had kunnen aflopen indien die onregelmatigheid er niet was geweest, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van dit concrete geval en in het licht van alle overgelegde bewijsstukken, inzonderheid de stukken die zijn aangebracht door de partij die zich op die onregelmatigheid beroept. ( 125 ) Het komt mij echter voor dat in de passage uit het bestreden arrest waarop IMG in dit opzicht meer bepaald kritiek heeft, een grondige analyse bevat van de argumenten die zij bij het Gerecht heeft aangevoerd, alsook van de stukken in het gerechtelijk dossier ( 126 ), een analyse waaruit de rechter, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting of van een onjuiste opvatting van de bewijsstukken, kon opmaken dat niet bewezen was dat de Commissie, zonder de bedoelde onregelmatigheid ( 127 ), een ander besluit had kunnen vaststellen dan het besluit naar aanleiding van de bestreden brief. ( 128 )
101.
Ik meen derhalve dat het derde middel van de hogere voorziening dat IMG in zaak C‑184/17 P aanvoert, ongegrond dient te worden verklaard.
VI. Conclusie
102.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
–
de door de Europese Commissie ingestelde incidentele hogere voorzieningen in de gevoegde zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P ongegrond te verklaren en
–
zonder vooruit te lopen op het oordeel over de gegrondheid van de overige middelen van de door International Management Group ingestelde hogere voorzieningen noch op de verwijzing in de kosten, het tweede en het vierde middel in zaak C‑183/17 P en het tweede en het derde middel in zaak C‑184/17 P ongegrond te verklaren.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Niet gepubliceerd arrest, EU:T:2017:56 (hierna: „arrest in zaak T‑29/15” of „bestreden arrest”).
( 3 ) Niet gepubliceerd arrest, EU:T:2017:57 (hierna: „arrest in zaak T‑381/15” of „bestreden arrest”, en tezamen genomen met het arrest in zaak T‑29/15 „bestreden arresten”).
( 4 ) Uitvoeringsbesluit C(2013) 7682 final van de Commissie inzake het uit de algemene begroting van de Europese Unie te financieren jaarlijkse actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma (hierna: „besluit van 16 december 2014” of „bestreden besluit”).
( 5 ) Hierna: „brief van 8 mei 2015” of „bestreden brief”.
( 6 ) De onderhavige beroepen hebben betrekking op verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1081/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 (PB 2010, L 311, blz. 9) (hierna: „verordening nr. 1605/2002”); verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening [nr. 1605/2002] (PB 2002, L 357, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 van de Commissie van 23 april 2007 (PB 2007, L 111, blz. 13) (hierna: „verordening nr. 2342/2002” en, samen met verordening nr. 1605/2002, „financiële regelgeving van 2002”); verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening [nr. 1605/2002] (PB 2012, L 298, blz. 1), alsook gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening [nr. 966/2012] (PB 2012, L 362, blz. 1) (verordening nr. 966/2012 samen met verordening nr. 1268/2012 hierna: „financiële regelgeving van 2012”).
( 7 ) Zie punten 1‑15 van het arrest in zaak T‑29/15 en punten 1‑17 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 8 ) Hierna: „oorspronkelijk uitvoeringsbesluit”.
( 9 ) Die bijlage beschrijft het tweede optreden van het bij voornoemd besluit goedgekeurde jaarlijks actieprogramma en preciseert dat het betrokken optreden bestond in een integraal door de Unie gefinancierd programma voor ontwikkeling van de handel, en dat het in gezamenlijk beheer met een internationale organisatie moest worden uitgevoerd.
( 10 ) Zie punt 8.3.1 en de voetnoot op bladzijde 2 van de betrokken bijlage.
( 11 ) Met toepassing van artikel 7, lid 6 van verordening (EU, EURATOM) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1).
( 12 ) Hierna: „eindverslag van OLAF”, dat in punt 7 van het arrest in zaak T‑381/15 wordt samengevat.
( 13 ) Volgens het enige artikel van het besluit van 16 december 2014 vervangt de bijlage hiervan bijlage 2 van het oorspronkelijke uitvoeringsbesluit [zie inzonderheid punt 4.3.1 van die nieuwe bijlage, waarin de entiteit wordt vermeld die in de plaats komt van IMG, namelijk de Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit (GIZ) GmbH; hierna: „GIZ”].
( 14 ) De procedure bij het Gerecht wordt nader beschreven in de punten 16‑25 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 15 ) Zie punten 28‑78 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 16 ) Deze middelen worden toegelicht in punt 26 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 17 ) Zie punten 79‑169 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 18 ) Zie punten 170‑175 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 19 ) De procedure bij het Gerecht wordt toegelicht in de punten 18‑25 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 20 ) Zie punten 29‑75 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 21 ) Die middelen worden in punt 76 van het arrest in zaak T‑381/15 uiteengezet.
( 22 ) Zie punten 76‑160 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 23 ) Zie punten 161‑173 en 185 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 24 ) Zie punten 174‑184 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 25 ) Dit laatste verzoek lijkt mij echter zonder voorwerp te zijn geraakt, gelet op de gegevens die partijen ter terechtzitting hebben verstrekt (zie punt 34 van de onderhavige conclusie).
( 26 ) IMG vat die middelen als volgt samen: „(1) Schending van de motiveringsplicht – Schending van de motiveringsplicht van de rechter – Onjuiste opvatting van het dossier; (2) Schending van verordening [nr. 1605/2002] en van verordening [nr. 966/2012] – Schending van verordening [nr. 2342/2002] en van verordening [nr. 1268/2012] – Schending van de motiveringsplicht van de rechter – Onjuiste opvatting van het dossier; (3) Schending van het beginsel van goed financieel beheer – Schending van de motiveringsplicht – Schending van de motiveringsplicht van de rechter – Schending van verordening [nr. 966/2012] (artikel 61, lid 1, en artikel 60, lid 2); (4) Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur – Schending van het recht om te worden gehoord”.
( 27 ) IMG vat die middelen als volgt samen: „(1) Schending van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, van de praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en van de rechten van de verdediging – Schending van de motiveringsplicht van verweerster – Schending van de motiveringsplicht van de eerste rechter – Onjuiste opvatting van het dossier; (2) Schending van verordening [nr. 966/2012] en van verordening [nr. 1268/2012] – Schending van een kennelijke beoordelingsfout – Schending van de motiveringsplicht van de eerste rechter – Onjuiste opvatting van het dossier; (3) Schending van de rechten van de verdediging – Schending van de motiveringsplicht van de eerste rechter – Onjuiste opvatting van het dossier; (4) Schending van het evenredigheidsbeginsel – Schending van de motiveringsplicht van de eerste rechter – Onjuiste opvatting van het dossier; (5) Schending van het rechtszekerheidsbeginsel – Schending van de motiveringsplicht van de eerste rechter – Schending van artikel 61 van verordening [nr. 966/2012]”.
( 28 ) Zie ook punten 5 en 6 van de onderhavige conclusie.
( 29 ) Ik merk op dat niet wordt betwist dat deze incidentele hogere voorzieningen in overeenstemming zijn met de regels van artikel 178 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, inzonderheid van lid 2.
( 30 ) Zie met name arrest van 19 januari 2017, Commissie/Total en Elf Aquitaine (C‑351/15 P, EU:C:2017:27, punten 35‑36); beschikking van 11 oktober 2017, Guardian Glass España, Central Vidriera/Commissie (T‑170/16, EU:T:2017:722, punten 85 e.v.), en arrest van 8 mei 2018, Esso Raffinage/ECHA (T‑283/15, EU:T:2018:263, punten 49‑51).
( 31 ) De Commissie verwijst hier uitdrukkelijk naar de punten 46, 50‑52, 57 en 59‑63 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 32 ) Leden 1 tot en met 3 van het voornoemde artikel 84 met als opschrift „Financieringsbesluiten” luiden als volgt:
„1. Elke uitgave is voorwerp van een vastlegging […].
2. [D]e vastlegging van een uitgave [wordt] voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling […].
3. In het in lid 2 genoemde financieringsbesluit worden de doelstellingen, de verwachte resultaten, de wijze van uitvoering en het totaalbedrag van de uitgave vermeld. Tevens bevat het een beschrijving van de te financieren maatregelen en een vermelding van het aan elke maatregel toegewezen bedrag, alsmede een indicatief tijdschema voor de uitvoering.
In gevallen van indirect beheer worden in het financieringsbesluit tevens de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), belaste entiteit […] en de […] [haar] toevertrouwde taken vermeld”.
( 33 ) Volgens de Commissie zou de juridische vastlegging van een uitgave overeenstemmen met „contracten, overeenkomsten, delegaties, enz.” en zou de ordonnateur hierbij over een beoordelingsmarge beschikken.
( 34 ) De Commissie wijst erop dat artikel 3 van het oorspronkelijke uitvoeringsbesluit, dat in het bestreden besluit ongewijzigd is gebleven, stelt dat taken tot uitvoering van de begroting in het kader van gezamenlijk beheer „kunnen worden” en niet „worden” toevertrouwd aan de in de bijlagen aangewezen entiteit.
( 35 ) Met name, volgens vaste rechtspraak, een handeling die enkel gevolgen binnen de interne werking van de administratie sorteert en met betrekking tot derden geen enkel recht of geen enkele verplichting in het leven roept (zie met name arresten van 6 april 2000, Spanje/Commissie, C‑443/97, EU:C:2000:190, punt 28, en 22 april 2015, Planet/Commissie, T‑320/09, EU:T:2015:223, punt 63).
( 36 ) Zoals opgemerkt in punt 50 van het arrest in zaak T‑29/15 „[heeft] het feit dat het niet zeker is dat de ordonnateur een delegatieovereenkomst met [GIZ] zal sluiten, […] geen gevolgen voor de vaststelling dat een dergelijke overeenkomst in elk geval alleen met [GIZ] zou kunnen worden gesloten, niet met [IMG]”, die ingevolge het bestreden besluit niet meer in aanmerking komt.
( 37 ) Dienaangaande steunt de Commissie hoofdzakelijk op het arrest van 25 februari 1988, Les Verts/Parlement (190/84, EU:C:1988:94, punten 7 en 8), terwijl dit arrest dateert van vóór verordening 966/2012 en geen betrekking heeft op een besluit van gelijke aard als het in casu bestreden besluit.
( 38 ) Ik herinner eraan dat in het oorspronkelijke uitvoeringsbesluit IMG werd aangewezen als entiteit waaraan een taak tot uitvoering van de begroting was toevertrouwd, „onder voorbehoud van de sluiting van de desbetreffende [delegatie]overeenkomst” (zie punt 4 van het arrest in zaak T‑29/15). IMG wijst er terecht op dat dit besluit haar weliswaar geen recht verleent om een dergelijke overeenkomst te sluiten, maar niettemin als rechtsgevolg heeft dat de Commissie, in de veronderstelling dat zij er achteraf wel een had willen sluiten, dit enkel met IMG had kunnen doen, welk rechtsgevolg met het besluit van 16 december 2014 werd opgeheven.
( 39 ) Ik merk enkel op dat het Gerecht in de verschillende punten van het bestreden arrest waarnaar de Commissie in het eerste gedeelte van haar incidentele hogere voorziening in de zaak C‑183/17 P nadrukkelijk verwijst (met name punten 46, 50‑52, en 59‑63 van het arrest in zaak T‑29/15), slechts één enkele rechterlijke beslissing aanhaalt (beschikking in kort geding van 8 januari 2014, Stichting Sona en Nao/Commissie, T‑505/13 R, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1), welke beslissing de Commissie overigens zelf had aangevoerd voor het Gerecht en die mij in casu niet relevant lijkt, om de redenen die deze rechter op goede gronden heeft opgenomen (zie punten 61‑63 van het betrokken arrest). De passages uit de arresten die in punt 56 (waarnaar niet wordt verwezen) van het arrest in zaak T‑29/15 worden aangehaald, weerspiegelen een vaste rechtspraak met een algemene draagwijdte (waarvan sprake in punt 40 van de onderhavige conclusie) die kennelijk verder reikt dan het gebied van de overheidsopdrachten.
( 40 ) Er is herhaaldelijk geoordeeld dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel, duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, om het voorwerp te kunnen uitmaken van een juridische beoordeling die het Hof in staat stelt zijn taak uit te oefenen en zijn rechtmatigheidstoetsing te verrichten [met name arrest van 1 februari 2018, Panalpina World Transport (Holding) e.a./Commissie, C‑271/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:59, punt 17].
( 41 ) De Commissie verwijst hier uitdrukkelijk naar de punten 44‑48 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 42 ) Meer bepaald op grond van artikel 58, lid 1, onder c), ii), van de voornoemde verordening, dat als volgt luidt: „De Commissie voert de begroting […] uit op indirecte wijze (‚indirect beheer’), […] door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan […] internationale organisaties en hun agentschappen”.
( 43 ) Over de precieze inhoud van de bestreden brief, zie punten 10‑16 en 44 van het arrest in zaak T‑381/15 en inzonderheid deze twee laatste punten in verband met het aspect dat in de incidentele hogere voorziening van de Commissie in de onderhavige zaak C‑184/17 P aan de orde is gesteld.
( 44 ) Dienaangaande verwijst de Commissie uitdrukkelijk naar de punten 70‑73 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 45 ) Een beroep tegen een bevestigend besluit is alleen dan niet-ontvankelijk, wanneer het bevestigde besluit voor de betrokkene onherroepelijk is geworden doordat er niet tijdig beroep tegen is ingesteld (zie met name arrest van 31 mei 2017, DEI/Commissie, C‑228/16 P, EU:C:2017:409, punt 35).
( 46 ) Zie met name, naast de in punt 69 van het arrest in zaak T‑29/15 aangehaalde rechtspraak van het Gerecht, arresten van 15 juli 2015, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie (T‑393/10, EU:T:2015:515, punt 107), en 13 oktober 2015, Intrasoft International/Commissie (T‑403/12, EU:T:2015:774, punten 48‑52); voor de rechtspraak van het Hof zie arresten van 19 januari 2017, Commissie/Total en Elf Aquitaine (C‑351/15 P, EU:C:2017:27, punten 37‑49), en 31 mei 2017, DEI/Commissie (C‑228/16 P, EU:C:2017:409, punten 33 en 34).
( 47 ) Zie met name arresten van 19 januari 2017, Commissie/Total en Elf Aquitaine (C‑351/15 P, EU:C:2017:27, punten 37‑49), en 8 mei 2018, Esso Raffinage/ECHA (T‑283/15, EU:T:2018:263, punten 50 en 81‑83).
( 48 ) De Commissie voegt hieraan toe dat het bestreden besluit niet het gevolg is van een „heronderzoek”, waarbij zij verwijst naar het arrest van 7 februari 2001, Inpesca/Commissie (T‑186/98, EU:T:2001:42, punt 49). Het komt mij nochtans voor dat het Gerecht in de hier aangevoerde rechtspraak verwijst naar de eventuele weigering van een administratie om een heronderzoek te verrichten, welke context niet overeenstemt met die van de onderhavige zaak C‑183/17 P. Zo heeft het Gerecht het in punt 69 van het arrest in zaak T‑29/15 ook over een „heronderzoek”, onder verwijzing naar het arrest van 22 mei 2012, Sviluppo Globale/Commissie (T‑6/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:245, punt 22), welke passage volgens mij dient te worden gelezen in samenhang met de punten 21, 24, 31 en 37 van dit laatste arrest, waarin sprake is van een dergelijk heronderzoek. Zie in die zin arresten van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie (C‑454/16 P–C‑456/16 P en C‑458/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:818, punten 30‑35), en 2 juni 2016, Moreda-Riviere Trefilerías e.a./Commissie (T‑426/10–T‑429/10 en T‑438/12–T‑441/12, EU:T:2016:335, punten 545‑549).
( 49 ) Zie de gebeurtenissen beschreven in de punten 7‑13 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 50 ) In verband met het tijdelijke en omkeerbare karakter van de voorzorgsmaatregelen, zie naar analogie arrest van 5 oktober 2017, Mabrouk/Raad (T‑175/15, EU:T:2017:694, punt 147).
( 51 ) IMG onderstreept volgens mij terecht dat het besluit van 16 december 2014 geen algemeen en tijdelijk karakter heeft, maar haar voor 2013 specifiek en definitief uitsluit voor een van beide optredens in het kader van het actieprogramma voor Myanmar/Birma.
( 52 ) Zie in die zin arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C‑224/12 P, EU:C:2014:213, punten 69‑72), waarin met name wordt onderstreept dat „[v]oor een vooronderzoek […] waardoor noodmaatregelen noodzakelijk waren, […] niet dezelfde criteria [kunnen] gelden als voor een definitieve beschikking”.
( 53 ) Dienaangaande verwijst de Commissie naar de punten 74‑76 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 54 ) In verband met de inaanmerkingneming van de specifieke normatieve context en de autonome rechtsgevolgen van de bestreden handeling bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring, zie naast de in voetnoot 47 van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak, inzonderheid arresten van 13 februari 2014, Hongarije/Commissie (C‑31/13 P, EU:C:2014:70, punten 57 e.v.), en 8 december 2011, Deutsche Post/Commissie (T‑421/07, EU:T:2011:720, punten 49 e.v.).
( 55 ) Zie ook voetnoot 11 van de onderhavige conclusie.
( 56 ) In de zin van de aangehaalde rechtspraak in verband met de punten 50 e.v. van de onderhavige conclusie.
( 57 ) Zie inzonderheid punt 76 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 58 ) Ten overvloede wijs ik erop dat het tegenstrijdig lijkt om, zoals de Commissie doet, te beweren dat het bestreden besluit het automatische gevolg zou zijn geweest van de brief van 25 april 2014, terwijl in die brief uitdrukkelijk was gesteld zij dat de instelling op grond van het oorspronkelijke uitvoeringsbesluit over een beoordelingsmarge beschikte om met IMG een overeenkomst te sluiten (zie de inhoud van die brief zoals toegelicht in de punten 8 en 85 van het arrest in zaak T‑29/15).
( 59 ) Namelijk het besluit van 16 december 2014 en de brief van 8 mei 2015.
( 60 ) De Commissie heeft haar verweer hierop toegespitst, zowel in haar memorie van antwoord als in haar dupliek en haar pleidooi.
( 61 ) Dienaangaande verwijst IMG meer bepaald naar punt 105 van het arrest in zaak T‑29/15, alsook naar de punten 102, 105 en 106 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 62 ) Zie de instrumenten die zijn genoemd in voetnoot 6 van de onderhavige conclusie, waarbij wordt opgemerkt dat het tweede middel in de zaak C‑183/17 P zowel naar de financiële regelgeving van 2002 als naar de financiële regelgeving van 2012 verwijst, terwijl het tweede middel in hogere voorziening de zaak C‑184/17 P enkel naar die laatste regelgeving verwijst. In verband met de ratione temporis toepasselijke bepalingen, zie punt 27 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 63 ) Wat dit laatste aspect betreft, laakt IMG inzonderheid de punten 104‑106, 109 en 110 van het arrest in zaak T‑29/15 (opgenomen in het gedeelte over het eerste en tweede door haar in die zaak opgeworpen middel), alsook punten 102, 103 en 108 van het arrest in zaak T‑381/15 (opgenomen in het gedeelte over het derde door haar in die zaak opgeworpen middel). Ter terechtzitting heeft IMG met name gepleit dat het Gerecht zich heeft vergist, aangezien het feit dat een staat een internationale organisatie niet meer erkent of verklaart hiervan geen lid meer te zijn, geen afbreuk zou doen aan het bestaan rechtens hiervan.
( 64 ) Ter terechtzitting heeft de Commissie gepleit dat de vordering van IMG om te doen vaststellen dat zij wel degelijk een internationale organisatie is, niet het voorwerp van deze procedure kan zijn, niet omdat die instelling nog niet definitief stelling heeft genomen, maar wel omdat zij hierover twijfels had en de Unierechters over die hoedanigheid evenmin zekerheid kunnen geven.
( 65 ) Zie met name punten 26, 79 en 95 van het arrest in zaak T‑29/15 en punt 76 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 66 ) Zie inzonderheid punten 103‑110 van het arrest in zaak T‑29/15 en (in het bijzonder) punt 98 en punten 99‑108 van het arrest in zaak T‑381/15, waaruit blijkt dat de Commissie niet geconcludeerd heeft dat IMG geen internationale organisatie was, maar besloten heeft om de uitvoering van de begroting in indirect beheer niet meer aan IMG toe te vertrouwen zolang de twijfel over haar rechtsvorm niet was weggenomen, en voorts geoordeeld heeft dat dit besluit in de gegeven omstandigheden niet kennelijk ongeschikt was noch in strijd met de financiële regelgeving van de Unie.
( 67 ) Inzonderheid in het licht van artikel 53 quinquies, lid 1, van verordening nr. 1605/2002 en artikel 60, lid 2, van verordening nr. 966/2012 (punten 95‑110 van het arrest in zaak T‑29/15) alsook artikel 60, lid 2, van verordening nr. 966/2012 en artikel 43, lid 1, van verordening nr. 1268/2012 (punten 96‑108 van het arrest in zaak T‑381/15).
( 68 ) Namelijk een internationale publiekrechtelijke organisatie die is opgericht bij intergouvernementele overeenkomst, volgens artikel 43, lid 1, onder a), van verordening nr. 1268/2012, waarin bepaald wordt wat „internationale organisaties” in de zin van artikel 58, lid 1, onder c), ii), van verordening nr. 966/2012 zijn.
( 69 ) In haar verzoekschrift in de zaak C‑183/17 P respectievelijk C‑184/17 P geeft IMG aan dat de groep werd opgericht „in 1994 bij intergouvernementele overeenkomst” ondertekend door 16 staten (Oostenrijk, België, Canada, Denemarken, Finland, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italië, Nederland, Noorwegen, Portugal, de Russische Federatie, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) en het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO)”.
( 70 ) Aangezien bepaalde staten die naar verluidt stichtend of effectief lid zijn van IMG betwist hebben dat zij die hoedanigheid hebben en voorts twijfels hebben geuit in verband met de delegatiebevoegdheid van de personen die hen bij de oprichting vertegenwoordigden (zie met name punten 8, 85 en 105 van het arrest in zaak T‑29/15 en punten 4, 85 en 98 in zaak T‑381/15). Ter terechtzitting voor het Hof heeft de Commissie aangevoerd dat uit het eindverslag van OLAF blijkt dat in werkelijkheid alle ondervraagde staten en niet enkel vijf, zich sceptisch hebben uitgelaten.
( 71 ) Meer bepaald op grond van de brief van 25 april 2014, waarin de Commissie heeft toegelicht dat „een aantal landen (Spanje, Portugal, Noorwegen, Italië en België) die volgens IMG lid of stichtend lid waren, zich niet als lid noch als stichtend lid hiervan beschouwt” en voorts dat „het secretariaat-generaal van de VN heeft verklaard dat IMG geen gespecialiseerd agentschap is”, en tot slot dat „er twijfel bestaat over de bevoegdheden van de personen die hun land vertegenwoordigden bij het opstellen van de oprichtingsakte van IMG”. Mijns inziens volstonden de gegevens die IMG in antwoord aan de Commissie heeft verstrekt niet om deze fundamentele betwistingen te weerleggen.
( 72 ) IMG voegt hieraan toe dat zelfs de Commissie vóór 15 december 2014 geen toegang had tot het eindverslag van OLAF, maar ontleent hieraan – zo lijkt mij – geen duidelijke punten van bezwaar tegen de bestreden arresten.
( 73 ) Met name het vierde middel van de hogere voorziening in zaak C‑183/17 P en het derde middel in zaak C‑184/17 P, die in de punten 78 e.v. van de onderhavige conclusie worden onderzocht.
( 74 ) Dienaangaande laakt IMG uitdrukkelijk punten 103, 105, 106, 109 en 110 van het arrest in zaak T‑29/15 en punten 98 en 99 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 75 ) Met name een uittreksel uit punt 89 van het arrest in zaak T‑29/15 en uit punt 98 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 76 ) Uit de formulering van de door IMG aangehaalde passages blijkt inderdaad dat het Gerecht uitdrukkelijk verwijst naar voorgaande punten van de bestreden arresten (met name punten 85‑88 van het arrest in zaak T‑29/15 en punt 85 van het arrest in zaak T‑381/15), waar de rechter de inhoud weergeeft van de brieven die de betrokkene vóór de vaststelling van de bestreden handelingen had ontvangen, inzonderheid de brief van 25 april 2014, waarin de Commissie de redenen van haar twijfels vermeldt.
( 77 ) Verzoekster verwijst hier in het bijzonder naar de punten 102 en 106 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 78 ) Namelijk „Spanje, Portugal, Noorwegen, Italië en België” volgens de punten 85 en 98 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 79 ) IMG betoogt eveneens dat zij „weliswaar geen attest van de vijf betrokken staten heeft overgelegd, maar dat niets verplichtte tot een loutere vorm met bewijskracht”. Dienaangaande blijkt trouwens dat het Gerecht, zoals IMG meteen daarna toegeeft, enkel bij wijze van voorbeeld naar dergelijk attest heeft verwezen.
( 80 ) In de passage van haar memorie van antwoord in verband met het eerste middel van de hogere voorziening in zaak C‑184/17 P, waarnaar zij echter verwijst in verband met dit tweede middel, werpt de Commissie tegen dat IMG „voorbijgaat aan […] het feit dat het Gerecht alle elementen in hun geheel beoordeelt” en „elk stuk apart gaat analyseren, waardoor de redenering in het arrest een andere wending krijgt”. Met betrekking tot het tweede middel voert zij aan dat „de in punt 51 van [het verzoekschrift] in de hogere voorziening bedoelde stukken niet het bewijs van de hoedanigheid van internationale organisatie kunnen leveren noch die twijfel kunnen wegnemen”.
( 81 ) Zie met name arrest van 9 juni 2011, Comitato Venezia vuole vivere e.a./Commissie (C‑71/09 P, C‑73/09 P en C‑76/09 P, EU:C:2011:368, punten 152, 153 en 159); beschikking van 30 juni 2016, Slovenská pošta/Commissie (C‑293/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:511, punten 29 en 39), en arresten van 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a. (C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punten 26‑27 en 37‑39), en 16 november 2017, Ludwig-Bölkow-Systemtechnik/Commissie (C‑250/16 P, EU:C:2017:871, punten 38 en 39).
( 82 ) Dienaangaande bekritiseert IMG respectievelijk punt 105 en de punten 102 en 108 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 83 ) Zie met name arresten van 25 oktober 2017, Slowakije/Commissie (C‑593/15 P en C‑594/15 P, EU:C:2017:800, punten 73 en 74); 7 maart 2018, SNCF Mobilités/Commissie (C‑127/16 P, EU:C:2018:165, punt 34), en 7 juni 2018, Equipolymers e.a./Raad (C‑363/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:402, punten 44‑46).
( 84 ) Punten 103 en 104 van dit arrest luiden respectievelijk als volgt: „Gelet op de omstandigheden heeft de Commissie geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting noch van een kennelijke beoordelingsfout wanneer zij vaststelde dat er twijfel bestond over de hoedanigheid van internationale organisatie van verzoekster, rekening houdend met de verklaringen van deze staten” en „op grond van de argumenten van verzoekster kan deze conclusie niet opnieuw aan de orde worden gesteld”.
( 85 ) In dezelfde zin betoogt de Commissie dat het arrest in zaak T‑381/15 met betrekking tot het gewijzigde standpunt van deze instelling ten opzichte van IMG, gebrekkig is gemotiveerd.
( 86 ) Als verweer werpt de Commissie op dat de financiële steun van de betrokken staten terecht aan de orde kon worden gesteld, gelet op de twijfel in verband met de rechtsvorm van IMG.
( 87 ) In punt 102 respectievelijk punt 108 staat in hoofdzaak dat „[IMG] de Commissie noch het Gerecht enig bewijs heeft verstrekt, zoals een attest van de betrokken staten waaruit zou blijken dat die er nog steeds van uitgingen dat zij hierbij aangesloten waren, ondanks hun verklaringen aan OLAF. Het bestaan van een eventueel vermoeden dat de staten die lid zijn van een internationale organisatie hieraan financiële steun zouden moeten verlenen, is in dit opzicht niet relevant” en dat „voor zover [IMG] aanvoert dat zij voldoet aan de gestelde voorwaarden om een internationale organisatie te zijn […] en de Commissie het begrip internationale organisatie verkeerd heeft uitgelegd […], in elk geval dient te worden vastgesteld dat die argumenten geen afbreuk doen aan de vaststelling dat de Commissie de hoedanigheid van internationale organisatie van [IMG] terecht kon betwijfelen, gelet op het feit dat de staten waarvan beweerd werd dat zij hiervan lid waren, dit ontkenden” (zie ook voetnoot 71 van de onderhavige conclusie).
( 88 ) In het kader van dit vierde middel bekritiseert IMG uitdrukkelijk punten 134‑143 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 89 ) Volledigheidshalve wijs ik erop dat IMG, volgens het verzoekschrift van haar hogere voorziening, een uitdrukkelijk verband legt tussen dit middel en bepaalde argumenten die zij in het eerste middel in dezelfde zaak aanvoert, welk middel op zich evenwel buiten het bestek van de onderhavige conclusie valt.
( 90 ) Waarbij wordt opgemerkt dat dit vierde middel niet voorkomt in de repliek van IMG, dus evenmin in de dupliek van de Commissie in verband met zaak C‑183/17 P en dat hierover ter terechtzitting beknopte opmerkingen werden geformuleerd.
( 91 ) IMG beroept zich op het arrest van 5 oktober 2016, ECDC/CJ (T‑395/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:598), ter staving van haar argument dat zij haar standpunt had moeten kunnen uiteenzetten in verband met de elementen op grond waarvan de Commissie voornemens was haar besluit te steunen, enerzijds, en in verband met het ontwerpbesluit zelf dat de Commissie voornemens was te nemen, wat niet zou zijn gebeurd.
( 92 ) Zie met name arresten van 11 december 2014, Boudjlida (C‑249/13, EU:C:2014:2431, punten 31 en 36‑38); 20 december 2017, Prequ’ Italia (C‑276/16, EU:C:2017:1010, punten 45 en 46); 5 oktober 2016, ECDC/CJ (T‑395/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:598, punten 54, 55, 57, 60, 62 en 73); 15 december 2016, Spanje/Commissie (T‑466/14, EU:T:2016:742, punten 40 en 41), en 8 februari 2018, Institute for Direct Democracy in Europe/Parlement (T‑118/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:76, punten 36 en 37).
( 93 ) Zie inzonderheid punten 135‑138, 141 en 142 van het arrest in zaak T‑29/15, alsook punten 85‑89 van dat arrest in verband met het eerste middel van de hogere voorziening, waarin deze briefwisseling uitvoeriger wordt toegelicht.
( 94 ) De Commissie heeft dit verslag op 15 december 2014 ontvangen, één dag voor de vaststelling van het bestreden besluit.
( 95 ) Zie punt 81 van de onderhavige conclusie.
( 96 ) Volgens overweging 24 van verordening nr. 883/2013 worden echter de rechten van onderzochte personen in die zin beschermd, dat zij in de gelegenheid worden gesteld om in de loop van het onderzoek opmerkingen te maken over de feiten die op hen betrekking hebben. Krachtens artikel 9, lid 2, zesde alinea, heeft de betrokken persoon recht op het verslag over zijn onderhoud met OLAF, zodat hij het kan goedkeuren dan wel er opmerkingen over kan maken.
( 97 ) Zie in die zin in verband met het vrijgeven van stukken van OLAF in het kader van de activiteit van een instelling van de Unie, met name arresten van 26 mei 2016, International Management Group/Commissie (T‑110/15, EU:T:2016:322, punten 22, 24 en 32‑37); 18 mei 2017, Panzeri/Parlement (T‑166/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:347, punt 98), en 19 juni 2018, Le Pen/Parlement (T‑86/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:357, punten 81‑84).
( 98 ) Zie in verband met het feit dat dit besluit bezwarend is voor IMG, de uiteenzetting met betrekking tot de vraag of deze handeling vatbaar is voor beroep in de punten 41 e.v. van de onderhavige conclusie.
( 99 ) Waarbij ik wil opmerken dat mij dit in casu niet bewezen lijkt.
( 100 ) Zie naar analogie de in voetnoot 97 van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak.
( 101 ) Zie inzonderheid punt 142 van het arrest in zaak T‑29/15 (in verband met het tweede onderdeel van het derde middel dat voor het Gerecht is aangevoerd, welk onderdeel ook voorkomt in het hier onderzochte vierde middel in de zaak C‑183/17 P), alsook punten 85 en 92 van dat arrest (in verband met het zesde voor het Gerecht aangevoerde middel).
( 102 ) Zie het feitenrelaas in de punten 6‑8 van het arrest in zaak T‑29/15.
( 103 ) Zie punt 92 in fine en punt 138 in fine van het arrest in zaak T‑29/15.
( 104 ) Zie punten 85‑89 van het arrest in zaak T‑29/15 (zie ook voetnoot 71 van de onderhavige conclusie).
( 105 ) Zie ook naar analogie arresten van 18 mei 2017, Panzeri/Parlement (T‑166/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:347, punten 99 en 100), en 19 juni 2018, Le Pen/Parlement (T‑86/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:357, punten 85 en 86).
( 106 ) Zie conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak C.A.S./Commissie (C‑204/07 P, EU:C:2008:175, punten 100 e.v.), alsook de hierin vermelde eerdere conclusies.
( 107 ) Volgens vaste rechtspraak levert een beoordeling van feiten geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting, met dien verstande dat die onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de dossierstukken zonder dat daarom een nieuwe beoordeling van de feiten noodzakelijk is. Zie met name arresten van 16 november 2017, Ludwig-Bölkow-Systemtechnik/Commissie (C‑250/16 P, EU:C:2017:871, punt 39), en 28 juni 2018, Andres (faillissement Heitkamp BauHolding)/Commissie (C‑203/16 P, EU:C:2018:505, punt 77).
( 108 ) Met name, volgens IMG, de voorzorgsmaatregelen van 26 februari 2014 en de brief van 25 april 2014 waarin de Commissie de betrokkene op de hoogte bracht van de vaststelling van die maatregelen.
( 109 ) Zoals blijkt uit de punten 8 en 135 van het arrest in zaak T‑29/15, heeft de Commissie vóór de brief van 25 april 2014, tussen 16 december 2013 en 4 april 2014, herhaaldelijk met IMG gecorrespondeerd over haar hoedanigheid van internationale organisatie.
( 110 ) Zie punten 80 e.v. van de onderhavige conclusie.
( 111 ) IMG beroept zich op de in punt 139 van het arrest in zaak T‑29/15 bedoelde rechtspraak, waarin naar het arrest van 8 oktober 2015, Secolux/Commissie (T‑90/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:772, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak) wordt verwezen.
( 112 ) Zie met name arresten van 16 juni 2016, SKW Stahl-Metallurgie en SKW Stahl-Metallurgie Holding/Commissie (C‑154/14 P, EU:C:2016:445, punten 69‑75); 20 december 2017, Prequ’ Italia (C‑276/16, EU:C:2017:1010, punt 62); 14 juni 2018, Makhlouf/Raad (C‑458/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:441, punten 42‑46); 13 december 2013, Hongarije/Commissie (T‑240/10, EU:T:2013:645, punten 84 en 85), en 19 juni 2018, Le Pen/Parlement (T‑86/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:357, punten 87‑91).
( 113 ) In deze bewoordingen: „Zelfs al had de Commissie haar moeten laten weten dat zij het bestreden besluit had genomen, neemt dit niet weg dat [IMG] geen enkel argument heeft aangevoerd op grond waarvan kon worden geoordeeld – en uit het dossier bij het Gerecht blijkt dit evenmin – dat indien de Commissie haar had laten weten dat zij voornemens was het bestreden besluit te nemen, de procedure anders zou zijn afgelopen” (punt 143 in fine van het arrest in zaak T‑29/15; zie ook punt 139 in fine van dat arrest). De laatste woorden hiervan zijn enigszins ambigu, want de voornoemde rechtspraak gebruikt doorgaans de uitdrukking „had kunnen”. Niettemin blijkt uit de niet zo geslaagde formulering van de motivering duidelijk dat het Gerecht wel degelijk een afdoende toetsing heeft toegepast en er geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting.
( 114 ) In dit derde middel bekritiseert IMG uitdrukkelijk punten 117‑122 van het arrest in zaak T‑381/15.
( 115 ) In verband met dit derde middel voert IMG zowel in het verzoekschrift van haar hogere voorziening als in haar memorie van repliek een aantal punten van bezwaar aan.
( 116 ) Met dien verstande echter dat ik de argumenten weerleg die de Commissie in de eerste plaats in haar memorie van antwoord tegen dit middel aanvoert, namelijk dat er van schending van de rechten van de verdediging geen sprake kon zijn, omdat de brief van 8 mei 2015 geen voor IMG bezwarende handeling was (zie in dit laatste verband punten 43 e.v. van de onderhavige conclusie).
( 117 ) Zie naar analogie, in verband met het in zaak C‑183/17 P bestreden besluit van 16 december 2014, punten 83 e.v. van de onderhavige conclusie en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 118 ) Volgens de in voetnoot 107 van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak.
( 119 ) Mijns inziens kon deze procedurele onregelmatigheid niet worden hersteld door de ongeoorloofde toegang van IMG tot dit verslag als gevolg van een lek (zie punten 174 en 177 van het arrest in zaak T‑381/15), welke omstandigheid de Commissie in haar memorie van antwoord inroept, wetende dat de betrokkene in elk geval pas toegang kreeg na de bestreden brief, namelijk op 12 december 2015, zoals uit de ter terechtzitting door de Commissie verstrekte informatie blijkt.
( 120 ) Zie de analyse in de punten 117 e.v. van het arrest in zaak T‑381/15. Meer specifiek in verband met de argumenten in de hogere voorziening, volgens welke IMG „het voorbehoud van de lidstaten niet kon kennen” en het Gerecht de elementen in het dossier verkeerd zou hebben opgevat door te oordelen (in punt 122) dat niets de betrokkene belette om „zich rechtstreeks tot [die staten] te richten en hen om een attest te vragen waaruit zou blijken dat zij bij haar waren aangesloten”, herinner ik eraan dat uit de in het dossier aanwezige en door het Gerecht onderzochte elementen blijkt dat de Commissie haar hierover een aantal gegevens had verstrekt (zie punt 85), zodat de beweerde onjuiste opvatting volgens mij niet is bewezen.
( 121 ) Dienaangaande steunt IMG op dezelfde rechtspraak als die waarnaar zij in het kader van de zaak C‑183/17 P verwees (zie voetnoot 91 van de onderhavige conclusie).
( 122 ) Zie met name de in voetnoot 92 van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak. Mijns inziens kan het arrest van het Gerecht van 5 oktober 2016ECDC/CJ (T‑395/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:598) dat IMG aanvoert (en volgens mij inzonderheid punten 55 e.v.) niet leiden tot een andere benadering dan die welke uit die heersende rechtspraak voortvloeit.
( 123 ) In die zin beroept IMG zich op het arrest van het Gerecht van 5 oktober 2016, ECDC/CJ (T‑395/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:598, punt 72), en het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 oktober 2015, DD/FRA,F‑106/13 en F‑25/14 (EU:F:2015:118, punten 65 en 93).
( 124 ) Zie naast het arrest van 8 oktober 2015Secolux/Commissie (T‑90/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:772, punt 34), waarnaar in punt 114 van het arrest in zaak T‑381/15 wordt verwezen, de in voetnoot 112 van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak.
( 125 ) Zie in dit verband met name arresten van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma (C‑659/13 et C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 140); 16 juni 2016, SKW Stahl-Metallurgie en SKW Stahl-Metallurgie Holding/Commissie (C‑154/14 P, EU:C:2016:445, punt 69), en 19 juni 2018, Le Pen/Parlement (T‑86/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:357, punten 88 e.v.).
( 126 ) Zie naar analogie, over de reikwijdte en correctheid van de analyse van het Gerecht in verband met de mogelijke invloed van een procedurele onregelmatigheid, de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak C.A.S./Commissie (C‑204/07 P, EU:C:2008:175, punten 107‑109).
( 127 ) Met andere woorden, indien IMG nog vóór de bestreden brief kennis had genomen van het eindverslag van OLAF.
( 128 ) Zie punten 119‑123 van het arrest in zaak T‑381/15, waarin het Gerecht onder meer opmerkt dat IMG betreurt niet de gelegenheid te hebben gekregen om de twijfel omtrent haar financiële soliditeit weg te nemen, terwijl de Commissie haar brief van 8 mei 2015 niet op dergelijke gronden heeft gebaseerd; dat IMG het eindverslag van OLAF weliswaar niet vooraf heeft ontvangen, maar dat de Commissie daarvan in de bestreden brief afstand heeft genomen, in de overweging dat er twijfel en geen zekerheid bestond over de juridische status van de betrokkene, en dat IMG, ongeacht het onderwerp van de vragen die OLAF en de Commissie aan de aangesloten staten hadden gesteld, de mogelijkheid had om zich zinvol te verdedigen door rechtstreeks de staten te bevragen die door hun verklaringen twijfels over haar status van internationale organisatie hadden doen rijzen.