CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 7 maart 2018 ( 1 )
Zaak C‑246/17
Ibrahima Diallo
tegen
Belgische Staat
[verzoek van de Raad van State (België) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Rechten van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van een lidstaat voor de burgers van de Unie – Aanvraag voor een verblijfskaart als familielid – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 10, lid 1 – Termijn van zes maanden – Vaststelling en betekening van de beslissing – Gevolgen van de niet-naleving van de termijn – Stuiting en schorsing van de termijn”
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing biedt het Hof de gelegenheid om zich uit te spreken over de draagwijdte van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG ( 2 ).
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Ibrahima Diallo, Guinees staatsburger en bloedverwant in opgaande lijn van een kind met de Nederlandse nationaliteit dat in België woont, en de Belgische Staat over een beslissing waarbij de Belgische Staat weigert Diallo een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Europese Unie af te geven en hem het bevel geeft om het grondgebied te verlaten.
3.
Het Hof wordt in het bijzonder verzocht belangrijke toelichtingen te verstrekken over de termijn waarin de beslissingen krachtens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 moeten worden genomen en betekend en over de eventuele gevolgen van het feit dat die beslissingen niet genomen of betekend worden. Daarnaast wordt het Hof verzocht te bepalen of na nietigverklaring door de rechter van een krachtens die bepaling genomen beslissing de termijn van zes maanden waarover de bevoegde nationale overheid op grond van diezelfde bepaling beschikt, wordt gestuit of geschorst.
4.
In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom naar mijn mening artikel 10, lid 1, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie binnen de in die bepaling voorgeschreven termijn van zes maanden moet worden afgegeven en dat de krachtens die bepaling te nemen beslissingen binnen die termijn moeten worden vastgesteld, maar dat een beslissing tot weigering van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie na die termijn kan worden betekend. Ook zal ik aangeven waarom mijns inziens het uitblijven van een beslissing ex artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 of het verzuim om een dergelijke beslissing ter kennis van de betrokkene te brengen, niet automatisch tot gevolg kan hebben dat de verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie wordt afgegeven en ten slotte dat nietigverklaring door de rechter van een dergelijke beslissing ertoe leidt dat de termijn van zes maanden waarover de administratie beschikt, wordt gestuit, zodat die termijn van zes maanden opnieuw begint te lopen.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Artikel 2 van richtlijn 2004/38 bepaalt het volgende:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1.
‚burger van de Unie’: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit;
2.
‚familielid’:
[…]
d)
de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn […] die [ten] […] laste zijn;
[…]”
6.
Artikel 3, lid 1, daarvan bepaalt:
„Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen.”
7.
Artikel 10, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:
„Het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wordt binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag ter zake vastgesteld door de afgifte van een document, ‚verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie’‚ genoemd. Een verklaring dat de aanvraag om een verblijfskaart is ingediend, wordt onmiddellijk afgegeven.”
8.
Artikel 15 van richtlijn 2004/38, met het opschrift „Procedurele waarborgen”, bepaalt in lid 1:
„De procedures van de artikelen 30 en 31 zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten ter beperking van het vrij verkeer van burgers van de Unie of hun familieleden die worden genomen om andere redenen dan openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.”
9.
Artikel 30 van deze richtlijn, met als opschrift „Kennisgeving van besluiten”, bepaalt:
„1. Elk uit hoofde van artikel 27, lid 1, genomen besluit moet de betrokkene op zodanige wijze schriftelijk ter kennis worden gebracht dat deze in staat is de inhoud en de gevolgen ervan te begrijpen.
[…]
3. De kennisgeving vermeldt bij welke gerechtelijke of administratieve instantie […] de betrokkene beroep kan instellen, alsmede de termijn daarvoor en, in voorkomend geval, de termijn waarbinnen hij het grondgebied van de lidstaat moet verlaten. Behalve in naar behoren aangetoonde dringende gevallen mag deze termijn niet korter zijn dan een maand na de datum van kennisgeving.”
B. Belgisch recht
10.
Artikel 42, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ( 3 ) bepaalt:
„Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.”
11.
Artikel 52, § 4, tweede alinea, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ( 4 ) luidt:
„Indien de minister of zijn gemachtigde het verblijfsrecht toekent of als er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald bij artikel 42 van de wet [van 15 december 1980], geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling een ‚verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie’ overeenkomstig het model van bijlage 9 af.”
II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
12.
Diallo is een Guinees staatsburger en vader van een kind met de Nederlandse nationaliteit dat in België woont.
13.
In die hoedanigheid heeft hij op 25 november 2014 in die lidstaat een aanvraag voor een verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie ingediend.
14.
Op 22 mei 2015 hebben de Belgische autoriteiten die aanvraag afgewezen en Diallo het bevel gegeven om het grondgebied te verlaten. Op 3 juni 2015 hebben zij hem die beslissing betekend, dat wil zeggen zes maanden en negen dagen na indiening van zijn aanvraag.
15.
Daarop heeft Diallo beroep tot nietigverklaring van die beslissing ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België), die bij arrest van 29 september 2015 de weigeringsbeslissing met het bevel om het grondgebied te verlaten nietig heeft verklaard op grond dat zij onvoldoende was gemotiveerd.
16.
Vervolgens hebben de Belgische autoriteiten op 9 november 2015 een nieuwe weigeringsbeslissing genomen met het bevel om het grondgebied te verlaten. Die beslissing is op 26 november 2015 aan Diallo betekend.
17.
Volgens die beslissing kwam Diallo niet in aanmerking voor een verblijfsrecht van meer dan drie maanden als familielid van een burger van de Unie, omdat hij niet het bewijs had geleverd dat hij over toereikende bestaansmiddelen beschikte en niet had aangetoond dat zijn kind met de Nederlandse nationaliteit te zijnen laste was of dat hij daadwerkelijk het hoederecht over dat kind had.
18.
Op 11 december 2015 heeft Diallo zich opnieuw tot de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gewend, deze keer om laatstbedoelde beslissing nietig te laten verklaren, maar dat beroep is verworpen bij arrest van 23 februari 2016.
19.
Op 25 maart 2016 heeft Diallo tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, namelijk de Raad van State (België).
20.
Ter ondersteuning van dat beroep voert hij in wezen aan dat volgens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 de beslissing over de aanvraag voor een verblijfskaart aan de betrokkene moet worden betekend binnen een termijn van zes maanden na indiening van de aanvraag en dat het nationale recht overeenkomstig dat vereiste moet worden uitgelegd. Hij voegt daaraan toe dat de toekenning aan de bevoegde nationale overheid van een nieuwe termijn van zes maanden na de nietigverklaring van een eerste beslissing artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 zijn nuttige werking ontneemt.
21.
De Belgische autoriteiten menen daarentegen dat de bevoegde overheid binnen de termijn van zes maanden enkel een beslissing over de aanvraag voor een verblijfskaart moet nemen, aangezien geen enkele bepaling een termijn voor betekening van een dergelijke beslissing voorschrijft. Voorts is de termijn waarover die overheid na nietigverklaring door de rechter van een eerste beslissing beschikt, volgens hen een vraag van nationaal recht en is niet aangetoond dat het onredelijk zou zijn dat een nieuwe termijn van zes maanden ingaat.
22.
De verwijzende rechter zet ten eerste uiteen dat artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 moet worden uitgelegd omdat het nationale recht niet preciseert of de beslissing over de toekenning van het verblijfsrecht binnen de termijn van zes maanden moet worden genomen én betekend.
23.
Ten tweede heeft hij twijfels over de termijn waarover de nationale overheid beschikt om een nieuwe beslissing te nemen na de nietigverklaring van een beslissing tot weigering van afgifte van een verblijfskaart en preciseert hij dat moet worden bepaald of het doeltreffendheidsbeginsel eraan in de weg staat dat die overheid opnieuw de volledige termijn van zes maanden krijgt waarin artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 voorziet.
24.
Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af welke gevolgen verbonden zijn aan de overschrijding van de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 bedoelde termijn van zes maanden. Meer in het bijzonder wenst hij te vernemen of die bepaling eraan in de weg staat dat een verblijfskaart automatisch wordt afgegeven omdat de termijn van zes maanden is overschreden, ook al voldoet de aanvrager niet aan de gestelde voorwaarden.
25.
Daarop heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 aldus worden uitgelegd dat het vereist dat de beslissing betreffende de vaststelling van het verblijfsrecht binnen de termijn van zes maanden wordt genomen en betekend of dat het toestaat dat de beslissing binnen die termijn wordt genomen, maar pas achteraf wordt betekend? Als die beslissing achteraf mag worden betekend, binnen welke termijn moet dat dan gebeuren?
2)
Moet artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 4, van richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging[ ( 5 )] en met de artikelen 7, 20, 21 en 41 van het Handvest van de grondrechten van de [Europese] Unie, aldus worden uitgelegd en toegepast dat de op die grondslag te nemen beslissing binnen de erin gestelde termijn van zes maanden enkel moet worden genomen, zonder dat er een termijn geldt voor de betekening van de beslissing en zonder dat betekening buiten die termijn gevolgen heeft voor het verblijfsrecht?
3)
Gelet op het feit dat de doeltreffendheid van het verblijfsrecht van een familielid van een burger van de Unie moet worden gewaarborgd, staat het doeltreffendheidsbeginsel eraan in de weg dat de nationale overheid na de nietigverklaring van een beslissing betreffende het voornoemde recht opnieuw de volledige termijn van zes maanden krijgt waarover zij ook eerder al beschikte krachtens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38? Zo ja, over welke termijn beschikt de nationale overheid na de nietigverklaring van haar beslissing waarbij zij heeft geweigerd het betrokken recht toe te kennen?
4)
Zijn de artikelen 5, 10 en 31 van richtlijn 2004/38, gelezen in samenhang met de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden[ ( 6 )], de artikelen 7, 24, 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten […] en artikel 21 [VWEU], verenigbaar met nationale rechtspraak en bepalingen als de artikelen 39/2, § 2, 40, 40bis, 42 en 43 van de wet van 15 december 1980 […], en artikel 52, § 4, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 […], die als gevolg hebben dat een door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gewezen arrest houdende nietigverklaring van een beslissing waarbij verblijf krachtens die bepalingen is geweigerd, de dwingende termijn van zes maanden die wordt voorgeschreven bij artikel 10 van richtlijn 2004/38, artikel 42 van de wet van 15 december 1980 en artikel 52 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, niet schorst maar stuit?
5)
Vereist richtlijn 2004/38 dat aan de overschrijding van de in artikel 10, lid 1, van die richtlijn voorgeschreven termijn van zes maanden gevolgen worden verbonden en zo ja, welke? Vereist of staat richtlijn 2004/38 toe dat het gevolg van de overschrijding van die termijn erin bestaat dat de aangevraagde verblijfskaart automatisch wordt afgegeven zonder dat is vastgesteld dat de aanvrager daadwerkelijk voldoet aan de voorwaarden om het verblijfsrecht te genieten waarop hij aanspraak maakt?”
III. Analyse
A. Bevoegdheid van het Hof
26.
Primair voert de Belgische regering aan dat het Hof onbevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden, omdat het Unierecht niet van toepassing is op de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is. Zo valt Diallo niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38 en komt hij niet in aanmerking voor toepassing van die richtlijn, omdat hij geen „familielid” is in de zin van artikel 2, punt 2, daarvan. De feiten van het hoofdgeding vallen evenmin onder richtlijn 2003/86, want de aanvraag van Diallo voor een verblijfskaart is uitsluitend gebaseerd op zijn hoedanigheid van bloedverwant in opgaande lijn van een burger van de Unie. Ten slotte meent de Belgische regering dat Diallo geen verblijfsrecht kan worden toegekend op de grondslag van de artikelen 20 en 21 VWEU.
27.
Mijns inziens moeten al die bezwaren worden afgewezen.
28.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers waarom de verwijzende rechter van oordeel is dat de gevraagde uitlegging nodig is om het hoofdgeding te beslechten. In het bijzonder preciseert hij dat die uitlegging van het recht van de Unie rechtstreeks invloed zal hebben op de beoordeling van de situatie van Diallo.
29.
Zo wijst de verwijzende rechter erop dat de aangevraagde verblijfskaart aan Diallo moet worden afgegeven indien uit het antwoord van het Hof zou blijken dat de termijn van zes maanden van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 vereist of niet eraan in de weg staat dat bij overschrijding van die termijn die verblijfskaart automatisch wordt afgegeven.
30.
Daarnaast vraagt de verwijzende rechter het Hof in wezen of het recht van de Unie zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de bevoegde nationale overheid na nietigverklaring door de rechter van een beslissing waarbij een verblijfskaart is geweigerd, opnieuw de volledige in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 bedoelde termijn van zes maanden krijgt.
31.
Gelet op de inhoud van de Belgische wetgeving en de feiten van het hoofdgeding lijdt het geen twijfel dat de gevraagde uitlegging invloed heeft op de situatie van Diallo.
32.
Vast staat dat Diallo een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie heeft aangevraagd als bloedverwant in opgaande lijn van een kind met de Nederlandse nationaliteit dat in België woont, dat de weigeringsbeslissing hem meer dan zes maanden na de datum van indiening van zijn aanvraag is betekend en dat na de nietigverklaring van die beslissing een tweede beslissing is genomen en hem is betekend.
33.
Vast staat eveneens dat op grond van het Belgische recht ambtshalve een verblijfskaart aan de aanvrager wordt afgegeven indien binnen de termijn van zes maanden geen beslissing is genomen.
34.
Bijgevolg zal de uitlegging door het Hof het de verwijzende rechter mogelijk maken te beoordelen of in casu de nationale autoriteiten Diallo een verblijfskaart hadden moeten afgeven, aangezien de eerste beslissing hem na de termijn van zes maanden is betekend en het, naargelang van de termijn waarover de bevoegde nationale overheid beschikte om na nietigverklaring van die eerste beslissing een tweede beslissing te nemen, niet uitgesloten is dat deze laatste genomen is nadat die termijn al was verstreken.
35.
Bijgevolg kan de Belgische regering niet met succes aanvoeren dat de situatie van Diallo niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38 valt.
36.
Gelet op al deze overwegingen ben ik van mening dat het Hof bevoegd is om de gevraagde uitlegging te verstrekken.
B. Beantwoording van de prejudiciële vragen
1. Eerste, tweede en vijfde prejudiciële vraag
37.
Met zijn eerste, zijn tweede en zijn vijfde prejudiciële vraag, die mijns inziens samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 aldus moet worden uitgelegd dat de beslissing over de aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie binnen de in die bepaling voorgeschreven termijn van zes maanden moet worden genomen en betekend.
38.
Ingeval die beslissing achteraf zou mogen worden betekend, vraagt de verwijzende rechter het Hof binnen welke termijn dat dan moet gebeuren.
39.
Ten slotte vraagt de verwijzende rechter het Hof wat de gevolgen zijn van de overschrijding van de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 voorgeschreven termijn van zes maanden, met name voor de afgifte van de verblijfskaart.
40.
Deze vragen werpen in mijn ogen twee onderscheiden problemen op, namelijk enerzijds dat van de termijn waarin de beslissing over een aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie moet worden genomen en betekend en anderzijds dat van de gevolgen die eventueel moeten worden verbonden aan de overschrijding van de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 voorgeschreven termijn van zes maanden.
a) Termijnen om beslissingen in de zin van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 te nemen en te betekenen
41.
Eerst zal ik aantonen dat de termijn van zes maanden van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 een dwingend karakter heeft. Vervolgens zal ik aangeven welke verplichtingen op de bevoegde nationale autoriteiten rusten op het gebied van de betekening van beslissingen tot afgifte of weigering van de verblijfskaart.
42.
Wat in de eerste plaats de aard van de termijn van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 betreft, dient eraan te worden herinnerd dat volgens die bepaling het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag in die zin wordt vastgesteld door de afgifte van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie.
43.
Vastgesteld moet dus worden dat het voornoemde artikel in zijn letterlijke bewoordingen uitdrukkelijk alleen de situatie regelt waarin de aanvraag voor een verblijfskaart gegrond is verklaard en het bestaan van het verblijfsrecht bijgevolg is vastgesteld, en dat de gebruikte bewoordingen en de tijd van de werkwoorden deze bepaling ontegenzeglijk een dwingend karakter verlenen.
44.
Zowel het gebruik van de tegenwoordige tijd als de term „binnen”, die duidelijk aangeeft dat die termijn de maximale tijdruimte voor behandeling van de aanvraag vormt ( 7 ), pleit mijns inziens voor een dergelijke conclusie. ( 8 )
45.
Bovendien heeft de wetgever met de term „afgifte” duidelijk zijn bedoeling te kennen gegeven de bevoegde nationale autoriteiten een tijdslimiet op te leggen. Door te bepalen dat de lidstaten de verblijfskaart „binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag” aan de aanvrager moeten afgeven, vereist artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 dat de bevoegde nationale autoriteiten binnen die termijn van zes maanden de aanvraag onderzoeken, een beslissing nemen en, ingeval het verblijfsrecht van de aanvrager wordt vastgesteld, een verblijfskaart afgeven. De positieve beslissing die de bevoegde nationale autoriteiten na hun onderzoek van de aanvraag hebben genomen, krijgt dus vervolgens concreet vorm in de afgifte van dat document.
46.
Zoals de Europese Commissie terecht opmerkt, impliceert het gebruik van de term „afgifte” en van soortgelijke termen in andere taalversies van richtlijn 2004/38 ( 9 ) niet alleen dat de beslissing binnen de termijn van zes maanden moet worden genomen, maar ook dat de verblijfskaart binnen die termijn aan de aanvrager ter beschikking moet worden gesteld.
47.
Voorts zou elke andere uitlegging van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het verblijfsrecht alsook, uiteindelijk, aan de nuttige werking van deze bepaling, aangezien de nuttige werking pas volledig mogelijk is wanneer de aanvrager die verblijfskaart in zijn bezit heeft.
48.
Zoals de Commissie terecht opmerkt, vergemakkelijkt een document van permanente aard ongetwijfeld de dagelijkse uitoefening van het verblijfsrecht, in vergelijking met de tijdelijke verklaring die de nationale autoriteiten bij de indiening van de aanvraag afgeven, en kunnen de familieleden door het tijdelijke karakter van die verklaring de vrijstelling van de visumplicht niet genieten, waarin artikel 5, lid 2, van richtlijn 2004/38 voorziet.
49.
Ten slotte vindt deze uitlegging steun in de rechtspraak van het Hof. In een zaak waarin het Hof zich niet over de aard van de termijn maar over de voorwaarden voor de afgifte van de verblijfskaart moest uitspreken, heeft het immers geoordeeld dat de kaart die het verblijfsrecht vaststelt, binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag moet worden „afgegeven”. ( 10 )
50.
Hieruit volgt mijns inziens dat binnen die termijn de gegrondheid van het verzoek moet worden erkend en concreet vorm moet krijgen in een verblijfstitel, omdat die officiële erkenning de begunstigde recht geeft op bepaalde voordelen.
51.
Aangezien de term „afgifte” uitsluitend betrekking heeft op de gevallen waarin de bevoegde nationale autoriteiten vaststellen dat de aanvrager aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht voldoet, rijst – gelet op het stilzwijgen van richtlijn 2004/38 dienaangaande – de vraag of het feit dat de beslissing negatief is en dat de afgifte van de verblijfskaart wordt geweigerd, een wijziging van de duur of de aard van de termijn met zich brengt.
52.
Dat is mijns inziens niet het geval. De termijn kan niet van aard veranderen en slechts een indicatieve termijn worden ingeval de nationale autoriteiten weigeren de verblijfskaart af te geven, zoals in casu in de situatie van Diallo.
53.
Het is immers duidelijk dat in de geest van richtlijn 2004/38 de situatie van personen die zich in het geval van Diallo bevinden, zo spoedig mogelijk onderzocht moet worden.
54.
Indien de autoriteiten binnen de termijn van zes maanden de verblijfskaart moeten afgeven en met het oog daarop een beslissing moeten nemen – zoals ik voorstel – wordt de aanvraag noodzakelijkerwijs binnen die termijn behandeld. Als ervan wordt uitgegaan dat die termijn van zes maanden ook dwingend is in de gevallen waarin de verblijfskaart wordt geweigerd, houdt dat voor de bevoegde nationale autoriteiten dus geen enkele extra verplichting inzake voortvarendheid in.
55.
Bijgevolg zie ik niet in waarom een beslissing tot weigering van de verblijfskaart na de termijn van zes maanden zou kunnen worden genomen, of zelfs voortdurend zou kunnen worden uitgesteld.
56.
Wat in de tweede plaats de vragen van de verwijzende rechter over de betekening van de beslissing betreft, ben ik van mening dat er voor de procedure een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gevallen waarin de verblijfskaart wordt afgegeven en die waarin zij wordt geweigerd, zoals in casu.
57.
Wanneer het verblijfsrecht wordt vastgesteld, moet mijns inziens, om de redenen die ik in de punten 44 tot en met 50 van deze conclusie heb uiteengezet, binnen de termijn van zes maanden niet alleen de beslissing worden genomen maar ook de kaart worden afgegeven.
58.
Hoewel het dwingende karakter van de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 voorgeschreven termijn vereist dat, bij weigering van de verblijfskaart, die beslissing binnen die termijn wordt genomen, meen ik dat een dergelijke beslissing na die termijn kan worden betekend.
59.
Het is juist dat overeenkomstig richtlijn 2004/38 ( 11 ) en het recht op effectieve rechterlijke bescherming ( 12 ) een beslissing waarbij een verblijfskaart wordt geweigerd, verplicht moet worden betekend. ( 13 )
60.
Net zoals de Belgische regering meen ik echter dat de betekening fundamenteel verschilt van het onderzoek of is voldaan aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht, en dat de termijn van zes maanden dus geen betrekking heeft op de betekening.
61.
De betekening heeft immers geen invloed op het verblijfsrecht, maar is een voorwaarde om controle te kunnen uitoefenen op de beslissingen waarbij het al dan niet bestaan van dat recht wordt vastgesteld.
62.
Artikel 5, lid 4, van richtlijn 2003/86 bepaalt dat de bevoegde nationale instanties uiterlijk negen maanden na de datum van indiening van een verzoek tot gezinshereniging de betrokkene schriftelijk in kennis stellen van de beslissing waarbij dat verzoek wordt ingewilligd of geweigerd. Maar gelet op het stilzwijgen van de wetgever over de betekening van beslissingen tot weigering van een verblijfskaart en de verschillende werkingssfeer van de richtlijnen 2003/86 en 2004/38, kan dat artikel niet worden aangewend om de verplichtingen uit te leggen die de nationale autoriteiten krachtens richtlijn 2004/38 moeten nakomen.
63.
Hoe het ook zij, mijns inziens moet de beslissing nadat die door de bevoegde nationale autoriteiten is genomen, zo spoedig mogelijk worden betekend om de betrokkene met name de mogelijkheid te bieden die zo spoedig mogelijk te betwisten.
64.
Zo worden volgens mijn uitlegging de rechten van de aanvragers van een verblijfskaart niet geschonden.
65.
Bij de indiening van de aanvraag wordt onmiddellijk een verklaring daarvan aan de aanvrager afgegeven, die tot de betekening van de weigeringsbeslissing geldig blijft en hem tijdelijk beschermt.
66.
Aangezien de termijn om beroep in rechte in te stellen, pas begint te lopen op het ogenblik dat de beslissing wordt betekend ( 14 ) en niet op het ogenblik dat zij wordt genomen, is de betekening van de beslissing na de termijn van zes maanden niet in strijd met het recht op effectieve rechterlijke bescherming.
b) Gevolgen van de overschrijding van de termijn van zes maanden van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38
67.
De verwijzende rechter vraagt het Hof wat de gevolgen zijn van de overschrijding van de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 voorgeschreven termijn van zes maanden. In het bijzonder wenst hij van het Hof te vernemen of die richtlijn vereist dan wel toestaat dat de overschrijding van die termijn tot gevolg heeft dat de verblijfskaart automatisch wordt afgegeven zonder dat vooraf is vastgesteld dat de aanvrager aan de voorwaarden voldoet om verblijfsrecht te genieten.
68.
Dienaangaande is het juist dat richtlijn 2004/38 geenszins preciseert welke gevolgen voortvloeien uit de overschrijding van de termijn van zes maanden, waardoor deze kwestie in beginsel onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt, mits het doeltreffendheids- en het gelijkwaardigheidsbeginsel worden nageleefd. ( 15 )
69.
Gelet op het doel van richtlijn 2004/38 en de consequenties van de automatische afgifte van de verblijfskaart ben ik echter ervan overtuigd dat krachtens artikel 10, lid 1, van die richtlijn geen dergelijk gevolg kan worden verbonden aan de overschrijding van de termijn van zes maanden.
70.
Ten eerste leidt de Belgische wetgeving tot situaties die mijns inziens in strijd zijn met het doel van richtlijn 2004/38.
71.
Naar de letter en de geest van richtlijn 2004/38 moet het antwoord op een aanvraag voor een verblijfskaart in overeenstemming zijn met de situatie van de aanvrager en op een nauwkeurig onderzoek van diens persoonlijke situatie gebaseerd zijn. ( 16 )
72.
In casu illustreert de situatie van Diallo perfect tot welke op zijn minst ongepaste situaties de Belgische wetgeving kan leiden.
73.
Zo heeft de betekening van een beslissing tot erkenning van het verblijfsrecht na de termijn van zes maanden geen gevolgen, terwijl bij een weigeringsbeslissing zoals in het hoofdgeding de niet-naleving van de termijn van zes maanden tot de automatische afgifte van een ongegronde verblijfstitel leidt, die een recht instelt dat in werkelijkheid in strijd is met de beslissing die niet tijdig is betekend.
74.
Ik drijf de redenering hier natuurlijk tot het uiterste om mijn argument kracht bij te zetten. Maar die redenering maakt mijns inziens duidelijk dat de bepalingen van de Belgische wet in ieder geval tot een resultaat leiden dat in strijd is met het doel van richtlijn 2004/38, die uiteraard beoogt dat het antwoord op de aanvraag voor een verblijfskaart aansluit bij de situatie van de aanvrager.
75.
Ten tweede ben ik van mening dat het systeem van automatische afgifte van verblijfskaarten voor rechtsonzekerheid zorgt.
76.
De Belgische regering wil uiteraard vermijden dat de administratie de aanvraag niet behandelt, wat lovenswaardig is, en de Belgische wetgeving maakt het mogelijk klaarheid te scheppen in de situatie van de aanvrager, hoewel de bevoegde nationale autoriteiten niet of traag handelen.
77.
Aangezien de ambtshalve afgegeven verblijfskaarten vervolgens ingetrokken kunnen worden, hebben zij in werkelijkheid echter slechts een voorlopig karakter. Bijgevolg creëert de Belgische wetgeving voor de houders van die kaarten grote rechtsonzekerheid en zelfs oneerlijke situaties, want verschillende jaren nadat de verblijfskaart is afgegeven zonder dat een echt onderzoek van de situatie van de aanvrager heeft plaatsgevonden, kunnen de Belgische autoriteiten de kaart intrekken op grond dat de houder – die nochtans te goeder trouw is – de voorwaarden voor een dergelijke kaart nooit heeft vervuld.
78.
Maar in tegenstelling tot de voorlopige verklaring die aan de aanvrager in afwachting van een beslissing wordt afgegeven, bezit de verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie geenszins een voorlopig karakter.
79.
Gelet op het automatische karakter van de afgifte van de kaart is het bovendien tegenstrijdig dat de Belgische regering zich probeert te beroepen op het recht om vergissingen te maken en aldus tracht te rechtvaardigen dat die kaart kan worden ingetrokken.
80.
Hoewel de administratie uiteraard het recht niet ontzegd kan worden om vergissingen recht te zetten, moet worden vastgesteld dat de automatische afgifte van de verblijfskaarten niet zozeer het gevolg is van een vergissing dan wel van het stilzitten of de trage reactie van de administratie, die binnen de gestelde termijn geen beslissing heeft genomen.
81.
Ten derde is de afgifte van een verblijfskaart aan een staatsburger van een derde staat niet te beschouwen als een rechtscheppende handeling, maar als een handeling waarbij een lidstaat de individuele positie van een dergelijke staatsburger vaststelt. ( 17 )
82.
De Belgische wetgeving vereist dat de aangevraagde verblijfskaart automatisch wordt afgegeven ten gevolge van het stilzitten of de trage reactie van de administratie. Doordat het in werkelijkheid om een voorlopige kaart gaat, die opnieuw kan worden ingetrokken, heeft dat document in de Belgische wetgeving echter geen declaratoir karakter, maar het karakter van een weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een recht.
83.
Gelet op het voorgaande ben ik ervan overtuigd dat de overschrijding van de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 voorgeschreven termijn van zes maanden niet als gevolg kan hebben dat de verblijfskaart automatisch wordt afgegeven, dat wil zeggen dat het recht van de aanvrager automatisch en mogelijk ten onrechte wordt vastgesteld.
84.
Die overschrijding mag weliswaar niet zonder gevolg blijven, maar het feit dat de aanvrager al dan niet aan de voorwaarden voor een verblijfskaart voldoet, staat los van het stilzitten van de administratie, want dergelijke omstandigheden wijzigen niets aan de objectieve situatie van de aanvrager en de vaststelling dat hij al dan niet aan de voorwaarden voor een verblijfskaart voldoet.
85.
Het beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de betrokken lidstaat voor schending van het Unierecht vormt evenwel een geschikt middel om te bepalen wat de gevolgen zijn van de overschrijding van de dwingende termijn van zes maanden in elk concreet geval. ( 18 )
86.
Indien de vertraging van de lidstaat op zich specifieke schade veroorzaakt, zou de schadevordering, ongeacht de aard ervan, de aanvrager van de verblijfskaart recht op schadevergoeding moeten verlenen. ( 19 )
87.
Gelet op al het voorgaande ben ik van mening dat de krachtens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 te nemen beslissing tot weigering van een verblijfskaart binnen de erin gestelde termijn van zes maanden moet worden genomen, maar achteraf mag worden betekend.
88.
Voorts meen ik dat die richtlijn in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling volgens welke de verblijfskaart bij uitblijven van een beslissing binnen de termijn van zes maanden automatisch wordt afgegeven, ook wanneer de aanvrager niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet.
2. Derde en vierde prejudiciële vraag
89.
Ik geef het Hof in overweging de derde en de vierde prejudiciële vraag samen te onderzoeken. Met die vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Unierecht in de weg staat aan nationale rechtspraak volgens welke de bevoegde nationale overheid na nietigverklaring door de rechter van een beslissing tot weigering van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie opnieuw de volledige in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 bedoelde termijn van zes maanden krijgt.
90.
Aangezien richtlijn 2004/38 geen regeling bevat met betrekking tot de termijn waarover de administratie beschikt om een beslissing te nemen nadat een eerste beslissing nietig is verklaard, valt die kwestie onder de procedurele autonomie van de lidstaten. ( 20 )
91.
Het staat bijgevolg aan de verwijzende rechter om na te gaan of het gelijkwaardigheidsbeginsel is nageleefd. Zoals in de verwijzingsbeslissing is gepreciseerd, is de regel dat de bevoegde nationale overheid na nietigverklaring door de rechter van een beslissing waarbij de verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie is geweigerd, opnieuw de volledige termijn krijgt, ontwikkeld in de rechtspraak. Die regel is derhalve van toepassing op procedures inzake soortgelijke situaties die onder het nationale recht vallen.
92.
Wat de naleving van het doeltreffendheidsbeginsel betreft, dient te worden nagegaan of het nationale procesrecht de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.
93.
Ik begrijp het standpunt en de draagwijdte van de argumentatie van Diallo. In zijn persoonlijke geval legt hij de administratie een bijna onmogelijke taak op als hij haar verplicht de tweede beslissing te nemen en te betekenen binnen de enkele dagen die overblijven voordat de termijn van zes maanden afloopt. Omdat bij overschrijding van die termijn automatisch een verblijfskaart wordt afgegeven, heeft hij de zekerheid een verblijfstitel te krijgen waarop hij misschien geen recht heeft.
94.
Natuurlijk vereist een effectieve rechterlijke bescherming dat een persoon wiens aanvraag voor een verblijfskaart is afgewezen bij een beslissing die vervolgens nietig is verklaard, recht heeft op een nieuwe beslissing ( 21 ) binnen een termijn die niet langer is dan de termijn waarover de administratie beschikte om de eerste beslissing te nemen, namelijk in casu zes maanden ( 22 ).
95.
Door de terugwerkende kracht van de nietigverklaring wordt de nietig verklaarde beslissing echter geacht nooit te hebben bestaan en bevindt de administratie zich in dezelfde situatie als voorheen, zodat zij over een termijn van zes maanden beschikt. Zoals de Belgische regering terecht opmerkt, heeft de nietigverklaring tot gevolg dat de procedure ab initio moet worden hervat, want zij wordt geacht nooit te hebben plaatsgevonden.
96.
De noodzakelijke bescherming van de rechten van de aanvragers van een verblijfskaart doet helemaal niet af aan dat standpunt.
97.
Het is immers duidelijk dat de administratie geen termijnen mogen worden opgelegd die zo kort zijn dat zij in de praktijk een ernstig, tegensprekelijk en zorgvuldig onderzoek van de aanvragen onmogelijk maken, terwijl een dergelijk onderzoek noodzakelijk blijkt, aangezien de eerste beslissing nietig is verklaard.
98.
Zoals de Commissie tijdens de wetgevingsprocedure heeft opgemerkt, „[lijkt de] termijn van zes maanden […] realistischer om de lidstaten in staat te stellen de nodige verificaties te verrichten en de verblijfskaart af te geven”. ( 23 ) Een dergelijke termijn is dan ook des te noodzakelijker wanneer de eerste beslissing nietig is verklaard.
99.
De benadering dat de nationale autoriteiten nog slechts over de resterende tijd van de termijn van zes maanden beschikken om een tweede beslissing te nemen – zoals verzoeker in het hoofdgeding voorstelt –, is mijns inziens dus in strijd met het recht van de aanvragers van een verblijfskaart op een ernstig en zorgvuldig onderzoek van hun aanvraag.
100.
Ook de door de Commissie naar voren geschoven uitlegging dat de nieuwe termijn per geval moet worden bepaald, is naar mijn mening problematisch, en wel in dubbel opzicht.
101.
Enerzijds hangt deze benadering af van de mate van zorgvuldigheid van de betrokken overheid en van de reden voor de nietigverklaring, zodat de nieuwe termijn waarover de bevoegde nationale overheid beschikt, niet gemakkelijk kan worden bepaald. Deze benadering kan ook tot nieuwe geschillen en langere beslissings- en proceduretermijnen leiden, aangezien de Commissie voorstelt dat de nationale overheid de nieuwe termijn moet motiveren.
102.
Anderzijds is dat standpunt wegens het grote aantal geschillen niet realistisch en zou het eveneens langere beslissingstermijnen tot gevolg hebben.
103.
Doordat de bevoegde nationale overheid na nietigverklaring door de rechter van een beslissing tot weigering van de verblijfskaart opnieuw de volledige in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 bedoelde termijn van zes maanden krijgt, kan de procedure uiteraard langer worden. De aanvrager wordt evenwel hoe dan ook tijdelijk beschermd door de verklaring die hem wordt afgegeven op het ogenblik dat hij zijn aanvraag indient.
104.
Gelet op al het voorgaande ben ik van mening dat de bevoegde nationale overheid na nietigverklaring door de rechter van een beslissing tot weigering van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie opnieuw de volledige in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 bedoelde termijn van zes maanden krijgt.
IV. Conclusie
105.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Raad van State te beantwoorden als volgt:
„1)
De beslissing tot weigering van een verblijfskaart krachtens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, moet binnen de in die bepaling voorgeschreven termijn van zes maanden worden genomen, maar mag achteraf worden betekend.
2)
Artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 staat niet toe dat overschrijding van de termijn van zes maanden tot gevolg heeft dat de verblijfskaart automatisch wordt afgegeven zonder dat is vastgesteld dat de aanvrager daadwerkelijk aan de voorwaarden voldoet om verblijfsrecht te genieten.
3)
Na nietigverklaring door de rechter van een krachtens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 genomen beslissing tot weigering van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie beschikt de bevoegde nationale overheid over de volledige in die bepaling voorgeschreven termijn van zes maanden om een nieuwe beslissing te nemen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35.
( 3 ) Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584; hierna: „wet van 15 december 1980”.
( 4 ) Belgisch Staatsblad, 27 oktober 1981, blz. 13740; hierna: „koninklijk besluit van 8 oktober 1981”.
( 5 ) PB 2003, L 251, blz. 12.
( 6 ) Ondertekend te Rome op 4 november 1950.
( 7 ) Zie naar analogie de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Housieaux (C‑186/04, EU:C:2005:70, punt 23).
( 8 ) Een parallel kan in dat verband worden getrokken met artikel 5, lid 1, van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB 1964, 56, blz. 850), met betrekking waartoe uit de rechtspraak en in het bijzonder uit het arrest van 14 april 2005, Commissie/Spanje (C‑157/03, EU:C:2005:225, punten 45 en 46), blijkt dat de daarin gestelde termijn dwingend is. Punt 2.2.2 van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38 [COM(2009) 313 definitief] geeft bovendien ondubbelzinnig aan dat „[de] verblijfskaart moet worden afgegeven binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag. Deze termijn moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 10 van het EG-Verdrag, waarbij de maximumtermijn van zes maanden alleen gerechtvaardigd is wanneer bij de behandeling van de aanvraag redenen van openbare orde een rol spelen.”
( 9 ) Zo vermelden bijvoorbeeld de Spaanse, de Engelse en de Italiaanse taalversie van deze richtlijn respectievelijk „expedición de un documento”, „issuing of a document” en „rilascio di un documento”.
( 10 ) Zie arrest van 5 september 2012, Rahman e.a. (C‑83/11, EU:C:2012:519, punt 42).
( 11 ) Zie de artikelen 15 en 30 van die richtlijn.
( 12 ) In die zin dat een effectief beroep bij de rechter veronderstelt dat de betrokkene kennis kan nemen van de redenen van de jegens hem genomen beslissing, zodat hij zijn rechten kan doen gelden en verdedigen, zie arresten van 17 november 2011, Gaydarov (C‑430/10, EU:C:2011:749, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 4 juni 2013, ZZ (C‑300/11, EU:C:2013:363, punt 53). Zie over het belang en de omvang van de motiveringsverplichting van de nationale autoriteiten de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak CO Sociedad de Gestión y Participación e.a. (C‑18/14, EU:C:2015:95, voetnoot 40).
( 13 ) Voor de goede orde breng ik in herinnering dat de betekening niet mag afhangen van een verzoek van de betrokkene, aangezien een dergelijke uitlegging indruist tegen artikel 30, lid 1, van richtlijn 2004/38, dat bepaalt dat „[elk] […] besluit […] ter kennis [moet] worden gebracht”, en het verder onlogisch is van iemand te verlangen dat hij de betekening vordert van een beslissing waarvan hij het bestaan niet kent. Dienaangaande moet een onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om een beslissing te betekenen en die om de redenen voor een beslissing mee te delen. In het tweede geval aanvaardt de rechtspraak dat de redenen pas worden meegedeeld na een hiertoe strekkend verzoek, zie arrest van 17 november 2011, Gaydarov (C‑430/10, EU:C:2011:749, punt 41).
( 14 ) Zie artikel 30, lid 3, in fine, van richtlijn 2004/38.
( 15 ) In een vrij vergelijkbaar geval, waarin een richtlijn niets bepaalde over de gevolgen van de overschrijding van de antwoordtermijn waarover de nationale autoriteiten beschikten, heeft het Hof al geoordeeld dat het aan de lidstaten stond de gevolgen van een dergelijke overschrijding van de termijn te bepalen onder eerbiediging van het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel en dat de richtlijn dus niet vereiste dat de aanvraag impliciet werd aanvaard; zie arrest van 20 januari 2005, Merck, Sharp & Dohme (C‑245/03, EU:C:2005:41, punten 25‑34). Zie meer algemeen over de problematiek van het stilzwijgen van het bestuur in het Unierecht, Bonichot, J.‑C., „Le silence de l’administration communautaire: le silence est-il d’or en droit de l’Union?”, La Cour de justice de l’Union européenne sous la présidence de Vassilios Skouris (2003‑2015): liber amicorum Vassilios Skouris, Bruylant, Brussel, 2015, blz. 117‑129.
( 16 ) Zie arrest van 5 september 2012, Rahman e.a. (C‑83/11, EU:C:2012:519, punten 22 en 26). Krachtens artikel 10, lid 2, van richtlijn 2004/38 en artikel 52, § 2, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 moet de aanvrager van een verblijfskaart de administratie een dossier overleggen dat naast het bewijs van zijn identiteit de documenten bevat waarmee op geldige wijze kan worden vastgesteld dat hij aan de voorwaarden voor die verblijfskaart voldoet. In mijn ogen is niet het eventuele impliciete karakter van de beslissing problematisch, maar het feit dat uit de bewoordingen van de Belgische wetgeving blijkt dat de verblijfskaart wordt afgegeven als er geen enkele beslissing is genomen en zonder dat is vastgesteld dat de aanvrager daadwerkelijk aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht voldoet.
( 17 ) Zie de oplossing waarvoor is geopteerd in de arresten van 21 juli 2011, Dias (C‑325/09, EU:C:2011:498, punt 48en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 14 september 2017, Petrea (C‑184/16, EU:C:2017:684, punt 32), en die door het arrest van 12 maart 2014, O. en B. (C‑456/12, EU:C:2014:135, punt 60), naar artikel 10 van richtlijn 2004/38 is uitgebreid.
( 18 ) In punt 78 van haar conclusie in de zaak Commissie/Moravia Gas Storage (C‑596/13 P, EU:C:2014:2438) is advocaat-generaal Kokott van mening dat enerzijds de overschrijding van een bepaalde termijn niet eraan in de weg staat dat de Commissie een besluit neemt en dat anderzijds de overschrijding van de termijn door de Commissie tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden als er geen gerechtvaardigde reden voor die overschrijding is.
( 19 ) Gelet op de bewoordingen van de prejudiciële vraag worden hier alleen de gevolgen beoogd die de overschrijding van de termijn van zes maanden voor de aanvrager met zich brengt. Wat de gevolgen met betrekking tot de sanctie voor de lidstaat betreft, zou een dergelijke vertraging een verzuim kunnen inhouden van de verplichting de richtlijn uit te voeren; zie naar analogie arrest van 14 april 2005, Commissie/Spanje (C‑157/03, EU:C:2005:225).
( 20 ) In een andere context heeft het Hof al geoordeeld dat de lidstaten dienen te bepalen of overschrijding van een in een richtlijn voorgeschreven termijn niet in de weg staat aan de vaststelling van een nieuw besluit door de bevoegde autoriteiten wanneer het vorige besluit door de rechter nietig is verklaard, en dat een nieuw besluit alleen kan worden genomen binnen een redelijke termijn, die de voorgeschreven termijn niet mag overschrijden; zie arrest van 20 januari 2005, Glaxosmithkline (C‑296/03, EU:C:2005:42, punt 39).
( 21 ) Zie arrest van 20 januari 2005, Glaxosmithkline (C‑296/03, EU:C:2005:42 punt 35).
( 22 ) Zie arrest van 20 januari 2005, Glaxosmithkline (C‑296/03, EU:C:2005:42 punt 37).
( 23 ) Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag ingediend) [COM(2003) 199 definitief].