CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 20 september 2018 ( 1 )
Zaak C‑313/17 P
George Haswani
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht – Ontvankelijkheid – Procedure voor aanpassing van het verzoekschrift – Noodzaak om middelen en argumenten aan te passen – Beperkende maatregelen tegen Syrië – Lijst van personen van wie de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Opname van rekwirants naam op die lijst”
I. Inleiding
1.
Over welke beoordelingsmarge beschikt het Gerecht van de Europese Unie om te bepalen of een verzoeker aangepaste middelen en argumenten moet aanvoeren wanneer hij in een rechtstreeks beroep zijn aanvankelijke conclusies tot nietigverklaring heeft uitgebreid naar een handeling met hetzelfde voorwerp die in de loop van de procedure is vastgesteld?
2.
Dat is in wezen de vraag die aan de orde is in de onderhavige hogere voorziening die George Haswani heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van 22 maart 2017, Haswani/Raad (T‑231/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:200; hierna: „bestreden arrest”), voor zover het Gerecht daarbij zijn verzoek tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2016/850 ( 2 ) van de Raad van 27 mei 2016 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, en uitvoeringsverordening (EU) 2016/840 ( 3 ) van de Raad van 27 mei 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (hierna: „handelingen van 27 mei 2016”) niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.
In beginsel is het verboden nieuwe conclusies te formuleren en nieuwe middelen aan te voeren. Volgens de beginselen van rechtszekerheid en goede rechtsbedeling moet de verzoeker in een procedure bij de rechterlijke instanties van de Unie zijn vordering duidelijk en nauwkeurig formuleren. ( 4 ) In het bijzonder op het gebied van de beperkende maatregelen van de Unie komt het echter regelmatig voor dat de aanvankelijk bestreden handeling in de loop van de procedure wordt vervangen. Dat kan de partijen de mogelijkheid bieden hun verzoekschriften te wijzigen door hun conclusies en in voorkomend geval hun middelen en argumenten aan te passen.
4.
Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid om uitspraak te doen over de modus operandi van het Gerecht wanneer bij dat Gerecht een verzoek is ingediend om conclusies aan te passen zonder aanpassing van de middelen en argumenten. Artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ( 5 ), waarvan de uitlegging de kern van dit geding vormt, bepaalt dat de memorie houdende aanpassing, naast de aangepaste conclusies, met name „zo nodig, de aangepaste middelen en argumenten” bevat. Dus moet worden bepaald wat de strekking van het zinsdeel „zo nodig” is.
5.
De onderhavige zaak illustreert dat een spanningsveld kan bestaan tussen enerzijds het beginsel van parallellisme van vormvoorschriften, dat de regels voor de aanpassing van de conclusies en de middelen en argumenten afstemt op die voor de indiening van het aanvankelijke verzoekschrift, en anderzijds de vereisten van proceseconomie, die erop gericht zijn te vermijden dat de verzoeker een nieuw beroep moet instellen voor elke handeling die een jegens hem eerder genomen besluit verlengt of wijzigt.
6.
Om de in casu gerezen vraag te beantwoorden, dient het Hof aan de hand van een afweging van de verschillende beginselen die aan de orde zijn, het juiste evenwicht te vinden tussen deze regels en vereisten.
II. Litigieuze handelingen, procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
7.
Rekwirant is een zakenman met de Syrische nationaliteit. Hij is van opleiding ingenieur en oprichter van de vennootschap HESCO, die is gespecialiseerd in de olie- en gassector.
8.
Tegen rekwirant zijn beperkende maatregelen genomen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). Zijn naam is bij uitvoeringsbesluit 2015/383/GBVB van de Raad van 6 maart 2015 ( 6 ) toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij besluit 2013/255/GBVB van de Raad van 31 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië ( 7 ), alsmede, bij uitvoeringsverordening (GBVB) 2015/375 van de Raad van 6 maart 2015 ( 8 ), aan de lijst in bijlage II bij verordening nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van verordening nr. 442/2011 ( 9 ) (hierna: „handelingen van 6 maart 2015”). In het bijzonder voorziet artikel 28, lid 1, van besluit 2013/255 in de bevriezing van alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan personen en entiteiten die baat hebben bij of steun verlenen aan het regime.
9.
Bij de handelingen van 6 maart 2015 zijn de tegoeden van rekwirant bevroren om de volgende redenen:
„Bekend Syrisch zakenman, mede-eigenaar van HESCO Engineering and Construction Company, een groot techniek- en bouwbedrijf in Syrië. Hij onderhoudt nauwe banden met het Syrische regime.
George Haswani biedt steun aan en profiteert van het regime via zijn rol als tussenpersoon bij overeenkomsten voor de aankoop van olie van ISIL door het Syrische regime.
Hij profiteert ook van het regime dankzij een voorkeursbehandeling, onder meer de toekenning van een contract (als onderaannemer) met Stroytransgaz, een belangrijk Russisch oliebedrijf.”
10.
Op 5 mei 2015 heeft rekwirant bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van de handelingen van 6 maart 2015.
11.
Op 28 mei 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/837 houdende wijziging van besluit 2013/255 ( 10 ) vastgesteld, dat besluit 2013/255 tot 1 juni 2016 verlengt en bijlage I ervan wijzigt. Dezelfde dag heeft de Raad ook uitvoeringsverordening (EU) 2015/828 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 ( 11 ) vastgesteld, die bijlage II van die verordening wijzigt (hierna: „handelingen van 28 mei 2015”).
12.
Bij een op 23 juni 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie heeft rekwirant het verzoekschrift aangepast om ook nietigverklaring van de handelingen van 28 mei 2015 te vorderen (hierna: „eerste memorie houdende aanpassing”).
13.
Op 12 oktober 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/1836 tot wijziging van besluit 2013/255 ( 12 ) vastgesteld alsook uitvoeringsverordening (EU) 2015/1828 tot wijziging van verordening nr. 36/2012 ( 13 ) (hierna: „handelingen van 12 oktober 2015”). In het bijzonder voegt besluit 2015/1836 een lid 2 toe aan artikel 28 van besluit 2013/255, dat bepaalt dat alle tegoeden en economische middelen worden bevroren die toebehoren aan „vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn”.
14.
Bij brief van 29 april 2016 heeft de Raad rekwirant op de hoogte gebracht van zijn voornemen om hem op de betrokken lijsten te handhaven alsook van de wijziging van de tegen hem in aanmerking genomen motivering. Rekwirant heeft via zijn advocaat de Raad geantwoord bij brief van 12 mei 2016.
15.
Bij de handelingen van 27 mei 2016 heeft de Raad rekwirants naam in de bijlagen bij de betrokken handelingen opgenomen om de volgende redenen:
„Belangrijk zakenman in Syrië met belangen en/of activiteiten in de sectoren engineering, bouw en olie en gas. Hij heeft belangen en/of grote invloed in een aantal ondernemingen en entiteiten in Syrië, met name HESCO Engineering and Construction Company, een grote onderneming voor engineering en bouw.
George Haswani heeft nauwe banden met het Syrische regime. Hij biedt steun aan en profiteert van het regime via zijn rol als tussenpersoon bij overeenkomsten voor de aankoop van olie van ISIL door het Syrische regime. Hij profiteert ook van het regime dankzij een voorkeursbehandeling, onder meer de toekenning van een contract (als onderaannemer) met Stroytransgaz, een belangrijk Russisch oliebedrijf.”
16.
Bij een op 7 juli 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie heeft rekwirant het verzoekschrift in eerste aanleg aangepast om ook nietigverklaring van de handelingen van 27 mei 2016 te vorderen (hierna: „tweede memorie houdende aanpassing”, „tweede verzoek tot aanpassing” of „tweede aanpassingsverzoek”).
17.
Bij brief van 22 juli 2016 heeft de Raad zijn opmerkingen over deze memorie ingediend.
18.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht in eerste instantie het tweede verzoek tot aanpassing van het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat de tweede memorie houdende aanpassing de aangepaste middelen en argumenten ter ondersteuning van de conclusies tot nietigverklaring had moeten bevatten overeenkomstig artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
19.
Meer bepaald heeft het Gerecht in de punten 41 tot en met 47 van het bestreden arrest in wezen geoordeeld dat, aangezien de toepasselijke bepalingen betreffende de beperkende maatregelen en/of de criteria voor opname op de lijsten waren gewijzigd, rekwirant zijn middelen en argumenten moest aanpassen om ermee rekening te houden. Volgens het Gerecht was aan dat vereiste niet voldaan, aangezien rekwirant in zijn tweede aanpassingsverzoek alleen de conclusies van het verzoekschrift had uitgebreid, zonder toelichting of enig nieuw feitelijk en juridisch gegeven om rekening te houden met de gewijzigde toepasselijke bepalingen, met name de nieuwe criteria voor opname op de lijsten.
20.
Het Gerecht heeft ook rekwirants verzoek tot schadevergoeding ongegrond verklaard, aangezien niet was aangetoond dat er schade bestaat.
21.
In tweede instantie heeft het Gerecht het derde middel van het beroep betreffende de onjuiste beoordeling van de Raad aanvaard en de handelingen van 6 maart 2015 en die van 28 mei 2015 nietig verklaard. Volgens het Gerecht vormden de in casu door de Raad voorgedragen elementen geen geheel van voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen om de gegrondheid van de tegen rekwirant in aanmerking genomen redenen rechtens genoegzaam te kunnen bewijzen en heeft de Raad geen bewijzen geleverd dat er tussen rekwirant en het Syrische regime banden bestaan.
III. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
22.
In hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof:
–
het bestreden arrest te vernietigen, voor zover daarbij het verzoek tot nietigverklaring van de handelingen van 27 mei 2016 niet-ontvankelijk is verklaard, het verzoek tot schadevergoeding is afgewezen en rekwirant, behalve in de kosten van zijn eigen verzoeken, ook in twee derde van de kosten van de Raad is verwezen;
–
de zaak aan zich te houden en uitspraak over de grond van de zaak te doen, de schrapping van rekwirants naam van de bijlagen bij de betrokken handelingen te bevelen en de handelingen van 12 oktober 2015 nietig te verklaren;
–
de Raad te veroordelen tot betaling van het bedrag van 700000 EUR tot vergoeding van alle schade;
–
de Raad te verwijzen in de kosten voor het Hof en alle kosten voor het Gerecht.
23.
De Raad verzoekt het Hof:
–
de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en/of kennelijk ongegrond te verklaren;
–
rekwirant te verwijzen in de kosten.
24.
Overeenkomstig artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof heeft de Europese Commissie, interveniënte in eerste aanleg, een memorie van antwoord ingediend, waarin zij zich aansluit bij de conclusies van de Raad en het Hof verzoekt de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen en rekwirant in de kosten te verwijzen.
IV. Analyse
25.
Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening, die betrekking heeft op de punten 39 tot en met 47 van het bestreden arrest, voert rekwirant vijf middelen aan. In wezen hebben drie van die middelen betrekking op het eerste punt van het dictum van het bestreden arrest. Hiermee betoogt rekwirant dat het Gerecht artikel 86, leden 4 en 5, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft geschonden, omdat het zijn tweede aanpassingsverzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met het vierde middel verzoekt rekwirant om nietigverklaring van de handelingen van 12 oktober 2015 en toekenning van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding, terwijl het vijfde middel betrekking heeft op de punten 4 en 5 van het dictum van het bestreden arrest, voor zover het Gerecht rekwirant heeft verwezen in een deel van zijn eigen kosten en een deel van de kosten van de Raad.
26.
Ik zal mij hierna concentreren op het onderzoek van de eerste drie middelen in hogere voorziening, die mijns inziens moeten worden aanvaard. Het vierde middel, waarmee rekwirant verzoekt om nietigverklaring van de handelingen van 12 oktober 2015, lijkt mij daarentegen kennelijk niet-ontvankelijk, aangezien die twee handelingen in eerste aanleg niet zijn bestreden. Het lot van het vijfde middel hangt vooral af van het antwoord op de vraag of het Hof het beroep voor het Gerecht al dan niet zelf kan afdoen. Ik wens al meteen op te merken dat de zaak mijns inziens niet in staat van wijzen is. Bijgevolg meen ik dat de zaak naar het Gerecht moet worden terugverwezen en dat de beslissing omtrent de kosten moet worden aangehouden. ( 14 )
A. Eerste drie middelen in hogere voorziening: schending van artikel 86, leden 4 en 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
27.
Rekwirant zet uiteen dat het Gerecht op grond van artikel 86, lid 4, van zijn Reglement voor de procesvoering het tweede aanpassingsverzoek niet niet-ontvankelijk kon verklaren. Anders dan artikel 86, lid 5, van dat Reglement bepaalt lid 4 van dat artikel niet dat de gegevens die een memorie houdende aanpassing moet bevatten, op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn voorgeschreven. Rekwirant betoogt dat het Gerecht de conclusies van een memorie houdende aanpassing niet kon afwijzen zonder te onderzoeken of rekwirant al dan niet een verzoek van de griffier had ontvangen om het verzuim te herstellen. Rekwirant fundeert zijn standpunt door de uitdrukkelijke verplichting van artikel 86, lid 5, uit te breiden naar lid 4 van dat artikel. Bij niet-overlegging van de handeling die de aanpassing rechtvaardigt, moet de griffier volgens dat lid 5 de verzoeker verzoeken dat verzuim te herstellen, voordat het Gerecht in voorkomend geval de memorie houdende aanpassing niet-ontvankelijk kan verklaren. Bovendien voert rekwirant aan dat het zinsdeel „zo nodig” in artikel 86, lid 4, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht betekent dat de memorie houdende aanpassing alleen aangepaste middelen en argumenten hoeft te bevatten wanneer die nodig zijn, dat wil zeggen uitsluitend wanneer er tussen de bestreden besluiten wezenlijke verschillen bestaan en niet louter verschillen in de formulering. In casu zijn er geen wezenlijke verschillen. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, maakte de in de handelingen van 27 mei 2016 aangebrachte wijziging van de redenen voor opname op de lijsten het volgens rekwirant niet noodzakelijk om de middelen en argumenten in het verzoekschrift in eerste aanleg aan te passen.
28.
Om te beginnen stelt de Raad, ondersteund door de Commissie, dat rekwirant niet rechtens genoegzaam specificeert welke bepalingen van het Unierecht het Gerecht zou hebben geschonden, zodat de eerste drie middelen in hogere voorziening niet-ontvankelijk zijn. De Commissie voegt eraan toe dat de redenen voor opname op de lijsten niet zijn veranderd en rekwirant de beoordeling van de feiten door het Gerecht ter discussie wil stellen, wat niet-ontvankelijk is in het stadium van de hogere voorziening.
29.
Ten gronde is volgens de Raad de problematiek van het herstel van artikel 86, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet aan de orde aangezien de tweede memorie houdende aanpassing wel vergezeld ging van de handelingen die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigen, en dus een eventueel herstel niet nodig was. Voorts blijkt uit artikel 86, lid 4, van dat Reglement dat op de betrokkene een verplichting rust om „zo nodig” de aangepaste middelen en argumenten voor te dragen. Deze verplichting moet geval per geval worden toegepast, wat veronderstelt dat het Gerecht ten gronde beoordeelt of het nodig is aangepaste middelen en argumenten voor te dragen. Aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat de op rekwirant toepasselijke criteria en redenen voor opname op de lijsten waren gewijzigd bij de in rekwirants tweede memorie houdende aanpassing bedoelde handelingen, meent de Raad dat rekwirant de aan de gewijzigde toepasselijke bepalingen aangepaste middelen en argumenten moest aandragen. Bijgevolg diende rekwirant in de tweede memorie houdende aanpassing argumenten uiteen te zetten die konden leiden tot een debat ten gronde over de rechtmatigheid van de handelingen van 27 mei 2016, en het de Raad mogelijk te maken zijn verdediging voor te bereiden.
30.
De Commissie, die zich aansluit bij de Raad, voegt eraan toe dat rekwirant in zijn tweede memorie houdende aanpassing zijn zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen, omdat hij een bijzonder gebrekkige memorie heeft ingediend, die geenszins aan de vereisten voldeed.
2. Beoordeling
31.
Om te beginnen moeten de door de Raad en de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening prompt worden afgewezen. Wat het door de Raad uiteengezette middel betreft, lijdt het geen twijfel dat rekwirant met de eerste drie middelen in hogere voorziening het Gerecht verwijt artikel 86, leden 4 en 5, van zijn eigen Reglement voor de procesvoering te hebben geschonden door in de punten 39 tot en met 47 van het bestreden arrest het tweede aanpassingsverzoek niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van aangepaste middelen en argumenten.
32.
Het bezwaar van de Commissie dat rekwirant louter de feitelijke vaststelling van het Gerecht in twijfel trekt dat de toepasselijke bepalingen en individuele redenen voor de opname van rekwirant op de lijsten zijn „gewijzigd”, is evenmin overtuigend. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat rekwirant in wezen opkomt tegen de rechtsgevolgen die het Gerecht uit de nieuwe criteria en gewijzigde redenen voor opname op de lijsten heeft getrokken om artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uit te leggen. Met andere woorden, rekwirant meent dat de vaststelling van een wijziging van de relevante toepasselijke bepalingen en individuele redenen voor opname op de lijsten niet volstaat om een memorie houdende aanpassing van een verzoekschrift af te wijzen wanneer die geen aangepaste middelen en argumenten bevat overeenkomstig artikel 86, lid 4, van dat Reglement. Deze kwestie is ontegenzeglijk een rechtsvraag waarvoor het Hof in het kader van de hogere voorziening bevoegd is.
33.
Na deze voorafgaande opmerkingen kom ik bij de kern van het aan het Hof voorgelegde geschil.
34.
In herinnering moet worden gebracht dat volgens de rechtspraak de conclusies van partijen in beginsel erdoor worden gekenmerkt dat zij onveranderbaar zijn. ( 15 )
35.
Het Hof heeft echter minstens een uitzondering op dat beginsel aanvaard, namelijk de mogelijkheid voor de partijen hun vorderingen en middelen aan te passen wanneer de bestreden handeling in de loop van de procedure wordt vervangen of gewijzigd door een nieuwe handeling met dezelfde inhoud. ( 16 )
36.
Deze uitzondering is gerechtvaardigd op grond van de beginselen van goede rechtsbedeling en proceseconomie, omdat wordt voorkomen dat de verzoekende partij een nieuw beroep moet instellen. Bovendien is zij ook gebaseerd op het feit dat het onbillijk zou zijn dat de betrokken instelling in reactie op de grieven welke besloten liggen in een bij de rechter van de Unie ingediend en tegen een bepaalde handeling gericht verzoekschrift, de bestreden handeling zou kunnen aanpassen of vervangen en, hangende het geding, van die wijziging of vervanging zou kunnen gebruikmaken om de wederpartij de mogelijkheid te ontnemen haar aanvankelijke middelen en conclusies ook te doen gelden voor de latere handeling of nadere, tegen de latere handeling gerichte conclusies en middelen voor te dragen. ( 17 )
37.
Zoals het Hof al heeft vastgesteld, vormt artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de codificatie van de hierboven gememoreerde rechtspraak over deze uitzondering op het beginsel van onveranderbaarheid. ( 18 )
38.
Artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt immers dat, wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling of vóór de beslissing van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, het verzoekschrift kan aanpassen om met dit nieuwe gegeven rekening te houden.
39.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat de memorie houdende aanpassing niet alleen de aangepaste conclusies bevat, maar ook „zo nodig, de aangepaste middelen en argumenten” ( 19 ).
40.
Overeenkomstig artikel 86, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gaat de memorie houdende aanpassing bovendien vergezeld van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt. Indien deze handeling niet is overgelegd, stelt de griffier de verzoeker een redelijke termijn om deze over te leggen. Indien dit verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, beslist het Gerecht of het niet in acht nemen van dit vereiste leidt tot de formele niet-ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift.
41.
Volgens lid 6 van dat artikel ten slotte bepaalt de president voor de verweerder een termijn waarbinnen hij op de memorie houdende aanpassing kan antwoorden onverminderd de door het Gerecht te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift.
42.
In zijn eerste en tweede middel in hogere voorziening betoogt rekwirant, met verwijzing naar artikel 86, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat het Gerecht het tweede verzoek tot aanpassing van het verzoekschrift niet niet-ontvankelijk kon verklaren, want op het verzuim om aangepaste middelen en argumenten aan te dragen staat niet uitdrukkelijk niet-ontvankelijkheid als sanctie. Subsidiair voert rekwirant aan dat, zelfs indien het Gerecht het tweede aanpassingsverzoek niet-ontvankelijk kon verklaren wegens het verzuim om aangepaste middelen en argumenten aan te dragen, het rekwirant hoe dan ook vooraf had moeten verzoeken dit verzuim te herstellen overeenkomstig artikel 86, lid 5, van zijn Reglement voor de procesvoering.
43.
Deze opvatting overtuigt mij niet.
44.
In de eerste plaats meen ik met betrekking tot het primair aangevoerde betoog dat rekwirant artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht partieel leest. Lid 6 van dat artikel verleent het Gerecht immers de mogelijkheid om de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift, zelfs al is die memorie ter kennis gebracht van de verweerder, niet-ontvankelijk te verklaren om een andere reden dan niet-overlegging van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt, waarin artikel 86, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziet. Met andere woorden, omdat artikel 86, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat het Gerecht de verweerder verzoekt op de memorie houdende aanpassing te antwoorden „[o]nverminderd de door het Gerecht te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift”, heeft het noodzakelijkerwijs betrekking op alle andere gevallen dan het bij lid 5 van dat artikel specifiek geregelde geval.
45.
Wanneer de bevoegdheid van het Gerecht om de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren zou worden beperkt tot het in artikel 86, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde geval, zoals rekwirant stelt, zou dit bijvoorbeeld betekenen dat het Gerecht een dergelijke memorie niet niet-ontvankelijk kan verklaren wanneer die is ingediend buiten de bij artikel 263, zesde alinea, VWEU voorgeschreven termijn, zoals die is bepaald in artikel 86, lid 2, van dat Reglement voor de procesvoering.
46.
Mij lijkt het onaannemelijk dat dit de bedoeling van de Raad is geweest bij de vaststelling van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. ( 20 )
47.
Artikel 86, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet mijns inziens dus worden gelezen in de zin dat het het Gerecht de bevoegdheid verleent uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift wanneer de bij dat artikel voorgeschreven vereisten niet in acht zijn genomen.
48.
In de tweede plaats denk ik met betrekking tot het subsidiair aangevoerde betoog van rekwirant niet – anders dan rekwirant stelt – dat op grond van artikel 86, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan worden aangevoerd dat het Gerecht, alvorens een memorie houdende aanpassing van een verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren, de verzoeker moet verzoeken zijn memorie te herstellen of te rectificeren.
49.
Een dergelijk van het Gerecht uitgaande verzoek is weliswaar niet beperkt tot het bij artikel 86, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitdrukkelijk bepaalde geval van niet-overlegging van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt.
50.
In het arrest van 9 november 2017, HX/Raad (C‑423/16 P, EU:C:2017:848, punten 22‑27), heeft het Hof immers een arrest van het Gerecht vernietigd waarbij dat een verzoek om aanpassing van het verzoekschrift niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het niet bij afzonderlijke akte was ingediend overeenkomstig artikel 86, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Zo heeft het Hof geoordeeld dat, indien het Gerecht meende dat het verzoek om aanpassing van het verzoekschrift, dat mondeling tijdens de terechtzitting bij het Gerecht was ingediend, niet voldeed aan de vormvoorschriften die in zijn Reglement voor de procesvoering zijn gesteld, het „op zijn minst rekwirant op zijn fout [had] moeten wijzen en hem in staat moeten stellen deze te herstellen”.
51.
Hoewel het Hof het Gerecht niet de mogelijkheid heeft ontnomen om als sanctie voor niet-naleving van een dergelijk vormvoorschrift van zijn Reglement voor de procesvoering de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren, heeft het wel als voorwaarde voor deze mogelijkheid voor het Gerecht gesteld dat de verzoeker vooraf wordt verzocht zijn verzoek te herstellen of te rectificeren.
52.
Wat geldt voor een uitbreiding naar andere vormvoorschriften dan dat van artikel 86, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, kan mijns inziens echter niet worden toegepast op de inhoud van de memorie houdende aanpassing.
53.
Net zoals het Gerecht een verzoeker niet kan verzoeken de strekking van zijn conclusies uit te breiden naar een nieuwe handeling wanneer die verzoeker ze niet heeft aangepast ( 21 ) en dus die handeling niet heeft bestreden, kan het immers evenmin een dergelijke rekwirant verzoeken zijn middelen en argumenten aan te passen, terwijl hij al dan niet opzettelijk heeft nagelaten die aan te passen.
54.
Deze benadering volgt uit de taak van de Unierechter in het kader van de rechtmatigheidstoetsing van de handelingen van de Unie. Ik breng in herinnering dat die toetsing wordt gekenmerkt door het lijdelijkheidsbeginsel. Op grond van dat beginsel ligt het initiatief voor de procedure bij de partijen en zijn het de partijen die het voorwerp van het geschil bepalen, waarbij de rechter zich derhalve slechts mag uitspreken over precies datgene wat hem door de partijen wordt gevraagd. ( 22 )
55.
Het lijdelijkheidsbeginsel komt juist tot uitdrukking in verschillende regels betreffende de procedures voor de rechterlijke instanties van de Unie, met name in artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in artikel 120, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en in artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, op grond waarvan een zaak bij de rechterlijke instanties van de Unie aanhangig wordt gemaakt door middel van een verzoekschrift, dat onder meer moet bevatten het voorwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen. ( 23 )
56.
Het is mijns inziens vanzelfsprekend dat dat beginsel ook tot uitdrukking komt in artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat de gegevens opsomt die de memorie houdende aanpassing bevat, net zoals artikel 76 van dat Reglement de gegevens van het verzoekschrift opsomt. Dat betekent dat het Gerecht een verzoeker niet mag verzoeken zijn memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift te herstellen, opdat hij zijn middelen en argumenten aanpast, terwijl die verzoeker dat aanvankelijk niet nodig heeft geacht, want dat zou de autonomie van de partijen en het beginsel van institutioneel evenwicht schenden. Uiteindelijk hangt het antwoord op de vraag of en in hoeverre een verzoeker voor de rechter zijn rechten doet gelden, in grote mate af van zijn eigen wil en is het niet aan de Unierechter om zich in de plaats van die verzoeker te stellen.
57.
Bijgevolg is de bevoegdheid van het Gerecht om een memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift zonder aangepaste middelen en argumenten niet-ontvankelijk te verklaren, niet afhankelijk van een voorafgaand verzoek aan de verzoeker om die memorie te herstellen.
58.
Die bevoegdheid betekent daarentegen niet dat het Gerecht een memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift zonder aangepaste middelen en argumenten meteen kan afwijzen.
59.
Overeenkomstig artikel 86, lid 4, onder b), van zijn Reglement voor de procesvoering beschikt het Gerecht immers alleen over die bevoegdheid als het toetst of dergelijke aangepaste middelen en argumenten wel degelijk nodig waren.
60.
Zoals zowel rekwirant in zijn derde middel in hogere voorziening als de Raad heeft aangevoerd, betekent „zo nodig” in de zin van artikel 86, lid 4, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dat in elk concreet geval wordt onderzocht of het voor de verzoeker nodig is tot die aanpassing over te gaan. ( 24 )
61.
Dat „noodzakelijkheidsvereiste” moet worden begrepen in het licht van de doelstellingen van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Het zou immers in strijd zijn met de goede rechtsbedeling en proceseconomie dat een verzoeker, die zijn conclusies heeft aangepast, in zijn memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift dezelfde middelen en argumenten moet herhalen als die welke tegen de aanvankelijk bestreden handeling zijn aangevoerd.
62.
Vanuit dat oogpunt is het noodzakelijk om aangepaste middelen en argumenten aan te voeren wanneer de handeling die hetzelfde voorwerp heeft ( 25 ) en die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt, wezenlijke verschillen vertoont met de aanvankelijk bestreden handeling en niet louter vormelijke verschillen. ( 26 ) Indien de latere handeling louter vormelijke verschillen met de aanvankelijk bestreden handeling vertoont, volstaat immers de impliciete uitbreiding van de tegen die handeling aangevoerde middelen en argumenten, die volgt uit de expliciete aanpassing van de conclusies.
63.
In de eerste plaats hebben alle aan de orde zijnde handelingen onbetwistbaar hetzelfde voorwerp, maar blijkt uit het bestreden arrest dat het Gerecht alleen heeft opgemerkt of vastgesteld dat de redenen voor de opname van rekwirant op de lijsten waren gewijzigd, zonder uit te leggen waarin de handelingen van 6 maart 2015 (de aanvankelijk bestreden handelingen) en die van 28 mei 2015 (de handelingen waarvoor het eerste aanpassingsverzoek is ingediend) wezenlijk verschilden van de handelingen van 27 mei 2016 (waarvoor het tweede aanpassingsverzoek is ingediend), zodat aangepaste middelen en argumenten dienden te worden aangevoerd.
64.
In punt 42 van datzelfde arrest heeft het Gerecht immers „opgemerkt” dat „de redenen voor de opname en handhaving van verzoekers naam op de betrokken lijsten zijn gewijzigd”, waarbij het alleen de twee versies van de tegen rekwirant in aanmerking genomen individuele redenen ter rechtvaardiging van zijn opname op de lijsten in extenso citeert in de punten 42 en 43 van het bestreden arrest.
65.
Het Gerecht heeft geen enkel wezenlijk verschil vastgesteld tussen de tegen rekwirant in aanmerking genomen individuele redenen in de handelingen van 6 maart 2015 en 28 mei 2015, en die in de handelingen van 27 mei 2016. Overigens kan bij eenvoudige lezing van die citaten, die in de punten 9 en 15 van de onderhavige conclusie zijn weergegeven, geen enkel wezenlijk verschil tussen die redenen worden vastgesteld.
66.
De vaststelling van een dergelijk wezenlijk verschil van de individuele redenen voor de opname van rekwirant op de lijsten was mijns inziens des te belangrijker omdat het Gerecht heeft geoordeeld dat de Raad noch de rol van rekwirant als tussenpersoon bij overeenkomsten voor de aankoop van olie, noch het bestaan van banden tussen rekwirant en het Syrische regime had aangetoond, noch voldoende toelichting had gegeven over de toekenning van een contract met het bedrijf Stroytransgaz, redenen waarvan vaststaat dat zij zijn vermeld in zowel de handelingen van 6 maart 2015 en 28 mei 2015, die het Gerecht nietig heeft verklaard, als die van 27 mei 2016, die het tweede aanpassingsverzoek hebben gerechtvaardigd.
67.
In de tweede plaats kan, als ik de redenering van het Gerecht goed begrijp, een eenvoudige wijziging van de toepasselijke bepalingen na de indiening van het verzoekschrift blijkbaar volstaan om van de verzoeker te eisen dat hij zijn middelen en argumenten aanpast.
68.
In punt 41 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers eerst „vastgesteld dat de toepasselijke bepalingen betreffende de beperkende maatregelen zijn gewijzigd” bij de handelingen van 12 oktober 2015. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest opnieuw opgemerkt en herhaald dat „de aanvankelijk in aanmerking genomen redenen [...] zijn gewijzigd en vervangen door de redenen in de bijlagen” bij de handelingen van 27 mei 2016, waarbij het vermeldt dat die handelingen „met name rekening houden met de [bij de handelingen van 12 oktober 2015] toegevoegde criteria voor opname op de lijsten, met name het criterium [...] dat alle tegoeden en economische middelen worden bevroren die toebehoren aan vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn [...]”. Daaruit besluit het in punt 45 van het bestreden arrest dat „[aangezien de handelingen van 12 oktober 2015] zijn vastgesteld [...] na de indiening van het verzoekschrift, verzoeker in dat verzoekschrift geen rekening kon houden met de bij die handelingen ingevoerde criteria voor opname op de lijsten om de tegen hem in aanmerking genomen redenen in [de handelingen van 27 mei 2016] te betwisten. Om aan de voorschriften van artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering te voldoen, moest verzoeker bijgevolg zijn middelen en argumenten aanpassen om met die criteria rekening te houden.”
69.
Nergens in het bestreden arrest wordt door het Gerecht uitgelegd, a fortiori aangetoond dat de wijziging van de criteria voor opname op de lijsten tot een wezenlijk verschil heeft geleid in de motivering van de opname en handhaving van rekwirants naam op die lijsten.
70.
In het bijzonder legt het Gerecht geenszins de samenhang uit tussen artikel 28, lid 1, van besluit 2013/255, dat bepaalt dat alle tegoeden en economische middelen worden bevroren die toebehoren aan „personen [...] die baat hebben bij of steun verlenen aan het regime”, en artikel 28, lid 2, van dat besluit, dat bij besluit 2015/1836 van 12 oktober 2015 is toegevoegd en dat bepaalt dat met name alle tegoeden en economische middelen worden bevroren die toebehoren aan „vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn”.
71.
Een dergelijke uitleg was mijns inziens bijzonder noodzakelijk, aangezien ten eerste het Gerecht de handelingen van 6 maart 2015 en 28 mei 2015 nietig heeft verklaard omdat de Raad geen enkel bewijs had geleverd van het bestaan van banden tussen rekwirant en het Syrische regime, namelijk dus wegens schending van artikel 28, lid 1, van besluit 2013/255, en ten tweede de omschrijving van de in artikel 28, lid 2, van dat besluit bedoelde zakenlieden als „vooraanstaand” hooguit een eenvoudige toelichting zou kunnen vormen van de in lid 1 van dat artikel vereiste banden tussen de betrokkene en het Syrische regime.
72.
Dus hoefde rekwirant zijn middelen en argumenten niet aan te passen louter omdat de criteria voor opname op de lijsten na de indiening van het verzoekschrift waren gewijzigd. Een andersluidend oordeel, zoals dat van het Gerecht, zou betekenen dat elke memorie houdende aanpassing, die per definitie wordt ingediend als gevolg van de vaststelling van een handeling na de indiening van het verzoekschrift, aangepaste middelen en argumenten moet bevatten, wat uiteraard in strijd is met de tekst („zo nodig”) en doelen van artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
73.
Bijgevolg heeft het Gerecht mijns inziens zonder toereikende motivering in punt 46 van het bestreden arrest verlangd dat rekwirant, met betrekking tot de middelen tot nietigverklaring ter ondersteuning van het beroep, uitleg en nieuwe feitelijke en juridische gegevens verschafte „om rekening te houden met de gewijzigde toepasselijke bepalingen, met name de nieuwe criteria voor opname op de lijsten en de gewijzigde tegen hem in aanmerking genomen redenen”.
74.
In deze omstandigheden geef ik het Hof in overweging punt 1 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij het tweede verzoek tot aanpassing van het door rekwirant in eerste aanleg ingediende verzoekschrift is afgewezen.
B. Vierde middel in hogere voorziening
75.
Met zijn vierde middel in hogere voorziening concludeert rekwirant in de eerste plaats tot vaststelling dat de handelingen van 12 oktober 2015, volgens welke de tegoeden en economische middelen worden bevroren die toebehoren aan „vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn”, onrechtmatig zijn op grond dat een zo ruime en vage kwalificatie, die zoveel personen omvat, kennelijk in strijd is met hoofdstuk VI van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In de tweede plaats verzoekt hij om een schadevergoeding van 700000 EUR tot vergoeding van alle schade.
76.
Deze verzoeken zijn mijns inziens duidelijk niet-ontvankelijk.
77.
Betreffende het eerste verzoek dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof het voorwerp van het geschil voor het Gerecht in hogere voorziening niet mag worden gewijzigd.
78.
Volgens vaste rechtspraak is het Hof aldus in hogere voorziening enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing van de rechters in eerste aanleg op de middelen die voor hen zijn aangevoerd. Indien een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. ( 27 )
79.
Zoals de Raad terecht heeft betoogd, moet worden vastgesteld dat in eerste aanleg niet om nietigverklaring van de handelingen van 12 oktober 2015 is verzocht. Bijgevolg is deze grief van het vierde middel in hogere voorziening niet-ontvankelijk.
80.
Het verzoek tot schadevergoeding is mijns inziens eenzelfde lot beschoren. Rekwirant heeft immers geenszins de redenen betwist waarom het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest zijn in eerste aanleg ingediende verzoek tot vergoeding van de beweerdelijk geleden schade heeft afgewezen. Bovendien voert rekwirant geen enkel argument aan ter ondersteuning van zijn verzoek tot toekenning van die vergoeding door het Hof.
C. Beroep bij het Gerecht
81.
Zoals ik in de punten 73 en 74 van deze conclusie heb vermeld, geef ik het Hof in overweging punt 1 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht ontoereikend heeft gemotiveerd waarom het het tweede verzoek tot aanpassing van het verzoekschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard.
82.
Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
83.
Dit is mijns inziens in casu niet het geval. Het Gerecht heeft immers de tweede memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaard, zonder de partijen te hebben gehoord over het wezenlijke karakter van de verschillen tussen ten eerste de (aanvankelijk bestreden) handelingen van 6 maart 2015 en die van 28 mei 2015 (waarvoor het eerste aanpassingsverzoek is ingediend), en ten tweede de handelingen van 27 mei 2016 (waarvoor het tweede aanpassingsverzoek is ingediend), in het licht van de handelingen van 12 oktober 2015 (die de criteria voor opname op de lijsten hebben gewijzigd). Het Gerecht moet dus de partijen over deze kwestie horen en daaruit alle rechtsgevolgen trekken. Bijgevolg dient de zaak naar het Gerecht te worden terugverwezen.
V. Conclusie
84.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1)
Punt 1 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 22 maart 2017, Haswani/Raad (T‑231/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:200), wordt vernietigd;
2)
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor zover zij de ontvankelijkheid en in voorkomend geval de gegrondheid betreft van het tweede verzoek tot aanpassing van het door rekwirant in eerste aanleg ingediende verzoekschrift;
3)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 2016, L 141, blz. 125.
( 3 ) PB 2016, L 141, blz. 30.
( 4 ) Artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt met name dat het verzoekschrift „de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen” moet bevatten.
( 5 ) Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 4 maart 2015 (PB 2015, L 105, blz. 1). Ingevolge artikel 1, punt 7, van de op 1 september 2016 in werking getreden wijzigingen van dit Reglement van 13 juli 2016 (PB 2016, L 217, blz. 73) zijn de leden 3 tot en met 6 van artikel 86 vernummerd tot de leden 4 tot en met 7. Hoewel in het bestreden arrest naar de nieuwe nummering van artikel 86 is verwezen, is in de memories van de partijen in hogere voorziening soms ten onrechte naar de oude nummering verwezen, wat tot verwarring kan leiden.
( 6 ) PB 2015, L 64, blz. 41.
( 7 ) PB 2013, L 147, blz. 14.
( 8 ) PB 2015, L 64, blz. 10.
( 9 ) PB 2011, L 16, blz. 1.
( 10 ) PB 2015, L 132, blz. 82.
( 11 ) PB 2015, L 132, blz. 3.
( 12 ) PB 2015, L 266, blz. 75.
( 13 ) PB 2015, L 266, blz. 1.
( 14 ) Ik preciseer dat dit de procedurekosten van het tweede verzoek tot aanpassing van het verzoekschrift betreft, die het voorwerp uitmaken van punt 5 van het dictum van het bestreden arrest. In zijn vierde vordering verzoekt rekwirant ook om vernietiging van punt 4 van het dictum van het bestreden arrest, voor zover rekwirant wordt verwezen in twee derde van de kosten van de procedure met betrekking tot de handelingen van 6 maart 2015 en 28 mei 2015. Aangezien deze handelingen door het Gerecht nietig zijn verklaard, kan rekwirant, op straffe van niet-ontvankelijkheid, in het stadium van de hogere voorziening niet uitsluitend opkomen tegen de verwijzing in en het bedrag van de kosten van het gedeelte van de procedure betreffende de rechtmatigheid van die handelingen, overeenkomstig artikel 58, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ik kom verder in deze conclusie niet meer op dit punt terug.
( 15 ) Zie arrest van 9 november 2017, HX/Raad (C‑423/16 P, EU:C:2017:848, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 16 ) Zie in die zin arrest van 10 april 2003, Hendrickx/Cedefop (C‑217/01 P, EU:C:2003:226, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 17 ) Zie in die zin arresten van 3 maart 1982, Alpha Steel/Commissie (14/81, EU:C:1982:76, punt 8), en 14 juli 1988, Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie (103/85, EU:C:1988:398, punten 11 en 12). Zie ook arrest van 25 januari 2017, Almaz-Antey Air and Space Defence/Raad (T‑255/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:25, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 18 ) Zie in die zin arrest van 9 november 2017, HX/Raad (C‑423/16 P, EU:C:2017:848, punt 18).
( 19 ) Cursivering van mij.
( 20 ) Zelfs al zou dat de bedoeling van de Raad zijn geweest, de bepalingen betreffende de beroepstermijnen zijn van openbare orde en de partijen kunnen niet vrij erover beschikken, zodat het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dan als onverenigbaar met artikel 263, zesde alinea, VWEU zou kunnen worden beschouwd.
( 21 ) Dienaangaande deel ik niet het obiter dictum in punt 42 van het arrest van 31 mei 2017, DEI/Commissie (C‑228/16 P, EU:C:2017:409), waarin het Hof, met verwijzing naar artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft geoordeeld dat het Gerecht aan rekwirante in die zaak had „kunnen vragen” of zij, gelet op een bevestigend besluit, „[haar conclusies tot nietigverklaring van een eerder genomen besluit] wou aanpassen” en ook tegen dat bevestigende besluit wou richten. Ten eerste blijkt uit het arrest van het Hof immers duidelijk dat in de concrete context van die zaak twee verschillende beroepen bij het Gerecht waren ingesteld, het ene tegen het eerste besluit (zaak T‑639/14, waartegen hogere voorziening is ingesteld, zaak C‑228/16 P) en het andere tegen het bevestigende besluit (zaak T‑352/15). Zodra bij het Gerecht twee verschillende verzoekschriften zijn ingediend tegen handelingen met hetzelfde voorwerp, is artikel 86 van zijn Reglement voor de procesvoering niet meer van toepassing, maar is wel een eventuele voeging van twee verzoekschriften aan de orde. Ten tweede kan het Gerecht niet op eigen initiatief kennisnemen van conclusies tot nietigverklaring. Met andere woorden, het Gerecht heeft alleen weet van het bestaan van een handeling die een eerder vastgestelde handeling met hetzelfde voorwerp wijzigt of vervangt, als er vooraf bij het Gerecht ofwel conclusies tot nietigverklaring in het kader van een autonoom verzoekschrift overeenkomstig artikel 76 van zijn Reglement voor de procesvoering, ofwel conclusies houdende aanpassing overeenkomstig artikel 86 van dat Reglement zijn ingediend. Bijgevolg valt het geschil in het eerste geval, zoals hierboven uiteengezet, niet binnen de werkingssfeer van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en hoeft de verzoeker niet te worden verzocht zijn conclusies aan te passen. In het tweede geval is het evenmin nodig de verzoeker te verzoeken zijn conclusies aan te passen, aangezien het aanpassingsverzoek al is ingediend.
( 22 ) Zie punt 84 van mijn conclusie in de zaak British Airways/Commissie (C‑122/16 P, EU:C:2017:406), waarnaar het Hof verwijst in punt 87 van het arrest van 14 november 2017, British Airways/Commissie (C‑122/16 P, EU:C:2017:861).
( 23 ) Zie mijn conclusie in de zaak British Airways/Commissie (C‑122/16 P, EU:C:2017:406, voetnoot 39), en in die zin arrest van 14 november 2017, British Airways/Commissie (C‑122/16 P, EU:C:2017:861, punt 86).
( 24 ) Zie in die zin ook conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak HX/Raad (C‑423/16 P, EU:C:2017:493, punt 34).
( 25 ) Indien de latere handeling niet hetzelfde voorwerp heeft als de aanvankelijk bestreden handeling, moet natuurlijk een nieuw inleidend verzoekschrift worden ingediend onder de voorwaarden van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
( 26 ) Zie in die zin de redenering van het Gerecht in de punten 61‑73 van het arrest van 28 januari 2016, Klyuyev/Raad (T‑341/14, EU:T:2016:47).
( 27 ) Arrest van 13 juli 2017, Saint-Gobain Glass Deutschland/Commissie (C‑60/15 P, EU:C:2017:540, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).