CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 4 oktober 2018 ( 1 )
Zaak C‑322/17
Eugen Bogatu
tegen
Minister for Social Protection
[verzoek van de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verzoek om gezinsbijslagen van een onderdaan van een lidstaat die zijn werk heeft verloren en gezinsleden heeft die in een andere lidstaat wonen dan de lidstaat van tewerkstelling – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 68 – Prioriteitsregels bij samenloop – Begrip ‚werkzaamheden in loondienst’”
1.
Eugen Bogatu is een Roemeens onderdaan die sinds 2003 in Ierland woont. Nadat hij in februari 2009 zijn baan was kwijtgeraakt, heeft hij diverse sociale voorzieningen ontvangen. Zo heeft hij van 25 mei 2010 tot en met 4 januari 2013 een niet op bijdragebetaling berustende werkloosheidsuitkering (jobseeker’s allowance) ontvangen. In januari 2015 is zijn aanvraag voor gezinsbijslag voor zijn in Roemenië woonachtige kinderen afgewezen voor de periode waarin hij voornoemde werkloosheidsuitkering heeft ontvangen. Volgens de Minister for Social Protection (minister van sociale bescherming; hierna: „minister”) kon Bogatu namelijk niet worden beschouwd als werkzaam in loondienst in de zin van artikel 67 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels ( 2 ). In zijn beroep bij de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) heeft Bogatu een dergelijke uitlegging van de draagwijdte van het begrip „werkzaamheden in loondienst” aangevochten.
2.
Aangezien uit het dossier naar voren lijkt te komen dat de kinderen van Bogatu ook op grond van Roemeense wetgeving recht hebben op gezinsbijslagen, heeft de vraag van de afbakening van het begrip „werkzaamheden in loondienst” echter veeleer betrekking op de toepassing van de prioriteitsregels bij samenloop van rechten op gezinsbijslagen zoals bedoeld in artikel 68 van verordening nr. 883/2004.
3.
Voor zover ik weet wordt het Hof voor het eerst verzocht om uitlegging van deze bepaling. Het antwoord van het Hof zal niet onbelangrijk zijn. Gelet op de werking van die prioriteitsregels zal hierdoor immers noodzakelijkerwijs de reikwijdte van de prioritaire bevoegdheid van de lidstaat van tewerkstelling, enerzijds, en van de lidstaat waar de gezinsleden van de betrokken persoon wonen, anderzijds, worden afgebakend wat de uitkering van gezinsbijslagen betreft.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Verordening nr. 1408/71
4.
Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie ervan die is gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van 2 december 1996 (hierna: „verordening nr. 1408/71”) ( 3 ), is met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken.
5.
In artikel 1 van die verordening, met als opschrift „Definities”, was het volgende bepaald:
„a)
wordt onder ‚werknemer’ [...] verstaan ieder:
i)
die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers [...] van toepassing is”.
6.
Artikel 73 van deze verordening, met als opschrift „Werknemers in loondienst of zelfstandigen wier gezinsleden in een andere lidstaat dan de bevoegde staat wonen”, luidde:
„[...] [D]e werknemer [...] op wie de wettelijke regeling van een lidstaat van toepassing is, [heeft] voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze staat woonden.”
7.
Artikel 76 van verordening nr. 1408/71, met het opschrift „Prioriteitsregels bij cumulatie van rechten op gezinsbijslagen krachtens de wetgeving van de bevoegde staat en krachtens de wetgeving van de lidstaat waar de gezinsleden wonen”, bepaalde het volgende in lid 1 ervan:
„Wanneer gezinsbijslagen in hetzelfde tijdvak, voor hetzelfde gezinslid en wegens het uitoefenen van een beroepsactiviteit worden toegekend krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen, wordt het recht op de gezinsbijslagen die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat, in voorkomend geval uit hoofde van de artikelen 73 of 74, verschuldigd zijn, geschorst ten belope van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerstgenoemde lidstaat is vastgesteld.”
2. Verordening nr. 883/2004
8.
Artikel 1 van verordening nr. 883/2004, met als opschrift „Definities”, luidt:
„a)
worden onder ‚werkzaamheden in loondienst’ verstaan werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar die werkzaamheden worden verricht, of waar die gelijkgestelde situaties zich voordoen;
[...]”
9.
Artikel 2 van deze verordening, met als opschrift „Personele werkingssfeer”, bepaalt in lid 1 ervan:
„Deze verordening is van toepassing op onderdanen van een lidstaat, [...] alsmede op hun gezinsleden [...]”.
10.
Artikel 11 van deze verordening, met als opschrift „Algemene regels”, luidt:
„1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.
2. Voor de toepassing van deze titel worden de personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst [...], beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten [...]
3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:
a)
geldt voor degene die werkzaamheden [...] in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
[...]
e)
geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten.”
11.
In artikel 67 van deze verordening, „Gezinsleden die in een andere lidstaat wonen”, is bepaald:
„Een persoon heeft recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen [...]”.
12.
Artikel 68, met als opschrift „Prioriteitsregels bij samenloop”, bepaalt in lid 1:
„Indien gedurende hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden in uitkeringen is voorzien op grond van de wetgeving van meer dan een lidstaat, zijn de volgende prioriteitsregels van toepassing:
a)
indien door meer dan een lidstaat uitkeringen verschuldigd zijn op verschillende gronden, is de volgorde van prioriteit de volgende: eerst de rechten verkregen op grond van werkzaamheden [...] in loondienst, vervolgens de rechten verkregen op grond van een pensioen, en ten slotte de rechten op grond van de woonplaats;
b)
indien door meer dan een lidstaat uitkeringen verschuldigd zijn op dezelfde grond, wordt de volgorde van prioriteit vastgesteld op basis van de volgende subsidiaire criteria:
[...]
iii)
indien het gaat om rechten die verkregen zijn op grond van de woonplaats: de woonplaats van de kinderen.”
II. Feitelijk kader, hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
13.
Bogatu is een Roemeens onderdaan die sinds 2003 in Ierland woont. Hij heeft twee kinderen, die in Roemenië wonen.
14.
Bogatu heeft van 26 mei 2003 tot en met 13 februari 2009 in loondienst gewerkt in Ierland, waarna hij zijn baan kwijtraakte. Sindsdien heeft hij achtereenvolgens van 20 februari 2009 tot en met 24 maart 2010 een op bijdragebetaling berustende werkloosheidsuitkering (jobseeker’s benefit) ontvangen, van 25 maart 2010 tot en met 4 januari 2013 een niet op bijdragebetaling berustende werkloosheidsuitkering (jobseeker’s allowance), en ten slotte van 15 januari 2013 tot en met 30 januari 2015 een ziekte-uitkering (illness benefit).
15.
Op 27 januari 2009 heeft hij een aanvraag voor gezinsbijslag ingediend. Bij brief van 12 januari 2011 heeft de minister Bogatu meegedeeld dat hij had besloten zijn verzoek in te willigen, maar hem over een deel van de desbetreffende periode geen gezinsbijslag toe te kennen, namelijk de periode tussen 1 april 2010 en 31 januari 2013 (hierna: „relevante periode”). De minister heeft in deze brief als reden voor de afwijzing voor laatstgenoemde periode aangevoerd dat Bogatu aan geen enkele van de alternatieve voorwaarden voldeed om in aanmerking te kunnen komen voor gezinsbijslag voor zijn in Roemenië woonachtige kinderen, aangezien hij niet meer in loondienst werkte in Ierland en evenmin een op bijdragebetaling berustende uitkering van het ministerie ontving.
16.
In het kader van zijn beroep bij de High Court komt Bogatu niet op tegen de feiten waarop de minister zijn besluit heeft gebaseerd. Hij voert echter aan dat de afwijzing door de minister van zijn verzoek om gezinsbijslag voor de relevante periode is gestoeld op een onjuiste uitlegging van het Unierecht.
17.
In dit verband merkt hij op dat de periode waarvoor zijn aanvraag werd afgewezen, voor het gedeelte van 1 tot en met 30 april 2010 onder verordening nr. 1408/71 valt, en voor het gedeelte van 1 mei 2010 tot en met 31 januari 2013, onder verordening nr. 883/2004. Voorts betoogt Bogatu dat uit artikel 73 van verordening nr. 1408/71, gelezen in samenhang met artikel 1, sub a), i), van deze verordening blijkt dat eenieder die op grond van de socialezekerheidsregeling voor werknemers is verzekerd in een lidstaat, recht heeft op gezinsbijslag voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof deze in eerstbedoelde lidstaat woonden. Hij verduidelijkt ook dat dit recht in het licht van de arresten van het Hof in de zaken Dodl en Oberhollenzer (arrest van 7 juni 2005, C‑543/03, EU:C:2005:364) en Borger (arrest van 10 maart 2011, C‑516/09, EU:C:2011:136) reeds voortvloeit uit het feit dat de persoon in kwestie is verzekerd en dit recht dus bestaat, ook al verricht hij op het moment waarop de gezinsbijslag wordt aangevraagd, geen werkzaamheden in loondienst meer en ook al ontvangt hij op dat moment geen uitkering uit hoofde van zijn verzekering.
18.
Aangezien artikel 67 van verordening nr. 883/2004 gelijkwaardig is aan artikel 73 van verordening nr. 1408/71, moet het op dezelfde wijze worden uitgelegd.
19.
Als verweer voert de minister aan dat artikel 67 van verordening nr. 883/2004 moet worden uitgelegd in samenhang met artikel 11, lid 2, van deze verordening, waarvoor geen equivalent bestond in verordening nr. 1408/71.
20.
In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Vereist verordening nr. 883/2004, in het bijzonder artikel 67 juncto artikel 11, lid 2, dat een persoon, om in aanmerking te komen voor ‚gezinsbijslag’ in de zin van artikel 1, onder z), ofwel in de bevoegde lidstaat [...] werknemer of zelfstandige is, ofwel daar een uitkering ontvangt [...]?
2)
Moet de verwijzing naar ‚een uitkering’ in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 883/2004 aldus worden uitgelegd dat deze verwijzing alleen betrekking heeft op een periode waarin een verzoeker daadwerkelijk een uitkering ontvangt, of betreft deze verwijzing elke periode waarin de verzoeker verzekerd is voor een toekomstige uitkering, ongeacht of op die uitkering aanspraak is gemaakt op het moment waarop de gezinsbijslag werd aangevraagd?”
21.
Bogatu, de minister, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen over deze vragen ingediend. Deze belanghebbenden zijn ter terechtzitting van 6 juni 2018 tevens gehoord in hun pleidooien.
III. Juridische beoordeling
A. Beantwoording van de prejudiciële vragen
1. Opmerkingen vooraf
22.
Allereerst merk ik op dat de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de uitlegging van de relevante bepalingen van verordening nr. 1408/71, die van toepassing zijn op de gezinsbijslagen voor de eerste maand van de relevante periode, namelijk 1 tot en met 30 april 2010 ( 4 ), maar op de uitlegging van de relevante bepalingen van verordening nr. 883/2004, die van toepassing zijn van 1 mei 2010 tot en met 31 januari 2013.
23.
Voorts moet worden opgemerkt dat het verzoek van de verwijzende rechter zich beperkt tot de uitlegging van artikel 67 van verordening nr. 883/2004, waarin is vastgelegd dat een persoon recht heeft op gezinsbijslag van de lidstaat waar hij is verzekerd voor gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, in samenhang met artikel 11, lid 2, van deze verordening, waarin het begrip „werkzaamheid in loondienst” aan de orde is. De verklaring hiervoor bestaat in het feit dat Bogatu in het hoofdgeding heeft aangevoerd dat hij recht had op gezinsbijslag van de Ierse staat op grond dat hij moest worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst verricht.
24.
Uit het dossier van onderhavige zaak blijkt echter dat de gezinsleden voor wie Bogatu deze gezinsbijslag had aangevraagd, namelijk zijn twee kinderen, ook op grond van de Roemeense wetgeving daarop recht hebben, aangezien wettelijk is vastgelegd dat dergelijke bijslag wordt uitgekeerd aan alle kinderen jonger dan 18 jaar die legaal in Roemenië wonen, wat hier het geval lijkt te zijn.
25.
In deze omstandigheden schaar ik mij achter de opmerkingen van de minister, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie dat het voorwerp van de uitlegging waarom de verwijzende rechter verzoekt, moet worden uitgebreid.
26.
Meer bepaald ben ik van mening dat het Hof in het antwoord aan de verwijzende rechter rekening moet houden met artikel 68 van verordening nr. 883/2004 ( 5 ), waarin de criteria zijn vastgelegd om te bepalen welke lidstaat prioritair de gezinsbijslagen dient te betalen. In casu komen de gezinsleden immers in beginsel voor dezelfde periode op grond van de wetgeving van meer dan één lidstaat in aanmerking voor deze uitkeringen.
27.
Deze bepaling bevat prioriteitsregels die van toepassing zijn bij samenloop van rechten op gezinsbijslagen in meerdere lidstaten. Bij de toepassing ervan moet worden onderzocht of de persoon die deze rechten heeft verkregen, hierop „op dezelfde grond” (namelijk op grond van „werkzaamheden in loondienst”, „pensioen” of „woonplaats”) of „op verschillende gronden” aanspraak kan maken in de verschillende lidstaten. Aan de hand van het antwoord op deze vraag kan worden vastgesteld welke staat prioritair de gezinsbijslagen aan de persoon in kwestie dient te betalen.
28.
In de onderhavige zaak hangt de vraag of Ierland dan wel Roemenië Bogatu dergelijke uitkeringen moet verstrekken, dus af van de vaststelling van de grond waarop deze verzoeker aanspraak kon maken op de uitkering van gezinsbijslagen door de Ierse staat, en in het bijzonder van de draagwijdte van de formulering „rechten verkregen op grond van werkzaamheden in loondienst” in artikel 68, lid 1, van verordening nr. 883/2004.
29.
Gelet op het voorgaande ben ik in navolging van de Commissie van oordeel dat beide prejudiciële vragen van de High Court aldus moeten worden opgevat dat zij betrekking hebben op de uitlegging van de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” in het kader van de tenuitvoerlegging van de prioriteitsregels die zijn vastgelegd in artikel 68 van verordening nr. 883/2004.
30.
Mitsdien moeten beide vragen worden geherformuleerd. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 68, lid 1, van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die na een tewerkstelling in het gastland enkel niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen ontvangt van dat land, terwijl hij verzekerd blijft bij het desbetreffende socialezekerheidsstelsel, recht heeft op gezinsbijslagen op grond van een dergelijke status voor de vaststelling van de lidstaat die prioritair bevoegd is voor de betaling van dergelijke uitkeringen.
31.
Aangezien het antwoord op deze vraag, zoals hierboven reeds verduidelijkt, afhangt van de draagwijdte die dient te worden toegekend aan de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” in artikel 68 van verordening nr. 883/2004, zal ik mij in deze conclusie toeleggen op de vaststelling van de uitleggingsgegevens waarop een juiste lezing van dit begrip moet zijn gebaseerd.
32.
Hiertoe zal ik allereerst het argument van de minister, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie terzijde stellen dat het begrip in kwestie, zoals bedoeld in artikel 68 van verordening nr. 883/2004, moet worden begrepen in het licht van artikel 11, lid 2, van deze verordening (onderdeel a). Vervolgens zal ik nagaan of dit begrip dan moet worden uitgelegd overeenkomstig de nationale wetgevingen waarin de voorwaarden zijn vastgelegd voor het ontstaan van een recht op gezinsbijslagen (onderdeel b). Ten slotte zal ik uitleggen dat het door Bogatu aangevoerde argument, volgens hetwelk het begrip „werknemer” dat voortvloeit uit de rechtspraak met betrekking tot verordening nr. 1408/71 kan worden gehanteerd in het kader van verordening nr. 883/2004, gelet op artikel 68 van deze verordening niet kan worden staande gehouden, en zal ik een lezing van de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” voorstellen waarmee een werking van de prioriteitsregels van artikel 68 van verordening nr. 883/2004 kan worden gewaarborgd die verenigbaar is met de wil van de Uniewetgever (onderdeel c).
2. Uitlegging van de formulering „rechten verkregen op grond van werkzaamheden in loondienst”
a) Artikel 11, lid 2, van verordening nr. 883/2004
33.
Zoals ik hierboven heb vermeld, betogen alle belanghebbenden, met uitzondering van verzoeker in het hoofdgeding, dat de grond waarop Bogatu recht zou hebben op gezinsbijslagen in Ierland voor de toepassing van de prioriteitsregels van artikel 68 van verordening nr. 883/2004 moet worden bepaald overeenkomstig de algemene regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving die zijn neergelegd in artikel 11 van deze verordening, en in het bijzonder in lid 2 ervan.
34.
In dit verband zij eraan herinnerd dat op grond van artikel 11 van verordening nr. 883/2004, dat de hoeksteen van titel II vormt ( 6 ), kan worden bepaald welke nationale wetgeving van toepassing is op personen die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen, met name doordat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die werkzaamheden in loondienst verrichten ( 7 ), voor wie de wetgeving van de lidstaat van tewerkstelling geldt, en inactieve personen, voor wie de wetgeving van de lidstaat van hun woonplaats geldt ( 8 ). Tegen deze achtergrond wordt in artikel 11, lid 2, van deze verordening duidelijk gesteld dat het begrip „werkzaamheden in loondienst” in ruime zin moet worden opgevat, aangezien de ontvangst van een uitkering „omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst” wordt gelijkgesteld met het verrichten van de werkzaamheid in loondienst als zodanig.
35.
In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie echter betoogd dat artikel 11 binnen het stelsel dat met verordening nr. 883/2004 is opgezet, dient te worden toegepast telkens wanneer moet worden vastgesteld welke nationale socialezekerheidswetgeving van toepassing is op de persoon in kwestie bij samenloop van twee wetgevingen, wat het geval zou zijn voor artikel 68 van verordening nr. 883/2004. Met andere woorden, pas na de tenuitvoerlegging van de in artikel 11 neergelegde beginselen zou in het licht van artikel 68 van verordening nr. 883/2004 kunnen worden vastgesteld op welke grond Bogatu recht heeft op gezinsbijslagen in Ierland.
36.
Zo zou volgens de Commissie eerst moeten worden nagegaan of Bogatu voor de relevante periode kan worden aangemerkt als een „persoon die werkzaamheden in loondienst verricht” in de zin van artikel 11, in het bijzonder in de ruime zin van dit begrip gelet op lid 2 van dat artikel. In dit verband is de Commissie in navolging van de minister en het Verenigd Koninkrijk van mening dat Bogatu niet kon worden aangemerkt als een persoon die werkzaamheden in loondienst verricht in de zin van artikel 11 van verordening nr. 883/2004, aangezien de uitkering die hij tijdens de relevante periode ontving, niet op bijdragebetaling berustte en derhalve niet werd ontvangen „omdat of als gevolg van het feit dat” hij daarvóór een werkzaamheid in loondienst had verricht. Als het aanknopingspunt op grond waarvan Bogatu in Ierland aanspraak op gezinsbijslag kon maken, niet de status was van „persoon die werkzaamheden in loondienst verricht”, volgt daaruit volgens de Commissie dat de woonplaats het aanknopingspunt moest zijn.
37.
Dit argument overtuigt mij niet.
38.
Mijns inziens stoelt dat argument namelijk op een onjuiste beoordeling van de opzet van verordening nr. 883/2004. In dit verband zij er eerst en vooral op gewezen dat ik de centrale rol die artikel 11 in het kader van deze verordening speelt wat de vaststelling van de toepasselijke nationale wetgeving betreft, niet in twijfel wil trekken. Volgens mij lijkt uit deze opzet echter voort te vloeien dat de werkingssfeer van deze bepaling in veel beperktere zin moet worden opgevat dan wat de Commissie voor ogen heeft. In de verordening lijkt immers een onderscheid te worden gemaakt tussen de algemene conflictregels („Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”), die in titel II worden uiteengezet, en de bijzondere aanknopingsregels, die zijn opgenomen in titel III („Bijzondere bepalingen voor verschillende categorieën uitkeringen”) ( 9 ). Dit onderscheid impliceert naar mijn oordeel dat artikel 11 niet van toepassing is wanneer een van de bijzondere aanknopingsregels geldt voor de situatie in kwestie ( 10 ), overeenkomstig het beginsel „lex specialis derogat legi generali” ( 11 ).
39.
Aangezien voor de situatie van Bogatu in het hoofdgeding kennelijk bijzondere aanknopingsregels gelden, namelijk de bepalingen inzake gezinsuitkeringen (artikelen 67 en 68 van verordening nr. 883/2004), hoef ik enkel deze uit te leggen ter vaststelling van de in casu toepasselijke wetgeving.
40.
In elk geval wordt in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 883/2004, aan de hand waarvan alle belanghebbenden, behalve Bogatu, de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” uitleggen, zelf gepreciseerd dat de inhoud ervan enkel dient „[v]oor de toepassing van deze titel”. Dit tekstelement is zo helder dat het mijns inziens geen twijfel lijdt dat artikel 11, lid 2, niet als leidraad kan dienen voor de uitlegging van bepalingen buiten titel II van de verordening. Deze regel kan daarom nooit inwerken op de uitlegging van artikel 68 van verordening nr. 883/2004, aangezien dit artikel deel uitmaakt van titel III van deze verordening ( 12 ).
41.
Gelet op al het voorgaande ben ik van mening dat het Hof in zijn te wijzen arrest het argument moet afwijzen dat door alle belanghebbenden behalve Bogatu is aangevoerd en volgens hetwelk de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” als bedoeld in artikel 68 van verordening nr. 883/2004 moet worden begrepen in het licht van artikel 11 van die verordening, en in het bijzonder van lid 2 ervan.
b) Wetgevingen van de lidstaten inzake rechten op gezinsbijslagen
42.
Hoewel geen van de belanghebbenden deze hypothese heeft aangedragen, ben ik in dit stadium niettemin de mening toegedaan dat het zinvol is om na te gaan of de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” een verwijzing naar nationale wetgevingen inzake het recht op gezinsbijslagen inhoudt.
43.
Een dergelijke lezing lijkt op het eerste gezicht te stroken met de beginselen die ten grondslag liggen aan de Uniewetgeving ter zake en volgens welke de Unieregels strekken tot coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels ( 13 ), terwijl de voorwaarden voor het recht op socialezekerheidsuitkeringen onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen ( 14 ). De formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” zou namelijk in die zin kunnen worden opgevat dat de lidstaten bevoegd zijn om te bepalen op welke „grond” de persoon in kwestie recht heeft op gezinsbijslagen (werkzaamheden in loondienst, pensioen of woonplaats), terwijl het Unierecht zich zou beperken tot de vaststelling van de toepasselijke wetgeving bij samenloop van rechten op dergelijke uitkeringen, aan de hand van de in deze bepaling vastgelegde criteria.
44.
Mijns inziens pleiten twee overwegingen echter tegen een dergelijke lezing.
45.
In de eerste plaats blijkt louter uit een beoordeling van de bewoordingen van artikel 68, lid 1, van verordening nr. 883/2004 dat deze bepaling geen enkele uitdrukkelijke verwijzing naar de wetgevingen van de lidstaten bevat.
46.
In de tweede plaats lijken de gevolgen die deze uitlegging met zich meebrengt voor de bescherming van onderdanen die gebruikmaken van hun recht op vrij verkeer, enigszins problematisch.
47.
Dit blijkt duidelijk wanneer we de uitkomst van de toepassing van een dergelijke uitlegging op de situatie in de onderhavige zaak in ogenschouw nemen.
48.
Hiertoe moet worden nagegaan op welke grond het recht op gezinsbijslagen voor de kinderen van Bogatu ontstaat volgens de Ierse wetgeving, enerzijds, en de Roemeense wetgeving, anderzijds.
49.
Zoals hierboven vermeld en zoals blijkt uit het dossier geldt dit recht krachtens de Roemeense wetgeving voor alle kinderen die jonger zijn dan 18 jaar, op voorwaarde dat zij legaal in Roemenië wonen. De grond waarvan het ontstaan van dit recht in de eerste onderzochte nationale wetgeving afhankelijk is gesteld, is derhalve de woonplaats.
50.
Voor wat betreft de Ierse wetgeving blijkt uit section 220, lid 3, van hoofdstuk IV van de Social Welfare Consolidation Act van 2005 (geconsolideerde wet op de sociale bescherming van 2005) dat een persoon recht heeft op gezinsbijslag als hij zijn gewone verblijfplaats op het moment van indiening van zijn aanvraag in Ierland heeft ( 15 ). De grond waarvan het ontstaan van het desbetreffende recht in de tweede onderzochte nationale wetgeving afhankelijk is gesteld, is dus eveneens de woonplaats.
51.
Bijgevolg zou de situatie die in de onderhavige zaak aan de orde is, onder artikel 68, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004 vallen, aangezien zowel Ierland als Roemenië op dezelfde grond gezinsbijslagen verschuldigd zou zijn voor de kinderen van Bogatu. De wetgeving van de woonplaats van de kinderen zou aldus van toepassing zijn, aangezien Roemenië de prioritair bevoegde lidstaat voor de betaling van gezinsbijslag aan Bogatu zou zijn.
52.
Voor zover de in de Ierse wetgeving vastgelegde bedragen van gezinsbijslagen hoger zijn dan het bedrag dat krachtens de Roemeense wetgeving wordt gegarandeerd, wat mij niet onwaarschijnlijk lijkt, zou Ierland overeenkomstig artikel 68, lid 2, van verordening nr. 883/2004 in beginsel het verschil moeten uitkeren in de vorm van een aanvullende toeslag. Aangezien in casu sprake is van een recht op gezinsbijslag dat alleen gebaseerd is op de woonplaats, zou deze toeslag overeenkomstig artikel 68, lid 2, laatste zin, evenwel niet eens hoeven te worden uitgekeerd door de Ierse staat. Dientengevolge zou Bogatu enkel de bij de Roemeense wetgeving vastgestelde gezinsbijslag ontvangen, die waarschijnlijk lager uitvalt.
53.
Gezien het grote aantal nationale wetgevingen die voorzien in een recht op gezinsbijslag op grond van de woonplaats ( 16 ), zou deze uitkomst zich volgens mij in een breed scala van situaties kunnen voordoen.
54.
Dat lijkt mij niet te stroken met de logica die ten grondslag ligt aan artikel 68 van verordening nr. 883/2004, zoals deze blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van deze verordening.
55.
Ik ben mij ervan bewust dat de Raad tijdens de procedure ter herziening van verordening nr. 1408/71 de formulering heeft gewijzigd van het door de Commissie voorgestelde artikel 68 van verordening nr. 883/2004, op grond waarvan migrerende onderdanen in alle gevallen van samenloop van rechten op dergelijke uitkeringen het hoogste bedrag konden ontvangen ( 17 ), en die formulering heeft vervangen door de huidige formulering ( 18 ). Niettemin moet worden vastgesteld, zoals de Commissie overigens aangeeft in haar mededeling over het gemeenschappelijke standpunt van de Raad, dat de door de Raad aangebrachte wijzigingen niet van dien aard zijn dat zij het in het Commissievoorstel vastgelegde beginsel aantasten, namelijk dat de begunstigde betaling van het hoogste uitkeringsbedrag wordt gewaarborgd ( 19 ), maar enkel betrekking hebben op de verdeling van de verantwoordelijkheden voor deze betaling tussen de desbetreffende lidstaten.
56.
In deze omstandigheden moet artikel 68, lid 2, laatste zin, van verordening nr. 883/2004 mijns inziens worden gelezen als een uitzondering op voornoemd beginsel, wat inhoudt dat situaties waarin de aanvullende toeslag niet aan een migrant is verschuldigd, residueel zouden moeten zijn. Als ervan zou worden uitgegaan dat de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” een verwijzing naar nationale wetgevingen bevat, zou – zoals ik reeds heb aangegeven – in een groot aantal gevallen zijn voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 68, lid 2, laatste zin, zodat situaties die onder deze bepaling vallen, geen residuele gevallen meer zouden zijn.
57.
In dit verband zij er overigens op gewezen dat bij een dergelijke uitlegging deze bepaling, zonder afbreuk te doen aan de beoordeling van de situatie van Bogatu, ook van toepassing zou zijn op de situatie van personen die werkzaamheden in loondienst verrichten in het gastland. Een dergelijk gevolg kan niet worden aanvaard, zoals ik uitvoerig zal toelichten in onderdeel c) van deze conclusie.
58.
Voorgaande overwegingen vormen een bevestiging van mijn stelling dat een uitlegging van de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” zoals bedoeld in artikel 68, lid 2, die verwijst naar de wetgevingen van de lidstaten inzake het recht op gezinsbijslagen, geen instemming kan vinden.
c) Voorgestane uitlegging
59.
Gelet op mijn conclusie in bovenstaande onderdelen a) en b) is naar mijn oordeel een andere lezing van de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” geboden. Alvorens dit nader toe te lichten, dient eerst de stelling van Bogatu in zijn schriftelijke opmerkingen te worden afgewezen.
60.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, betoogt Bogatu – anders dan de andere belanghebbenden – dat de grond waarop hij in Ierland recht zou hebben op gezinsbijslagen, moet worden vastgesteld op basis van de rechtspraak inzake verordening nr. 1408/71, in het bijzonder de rechtspraak waarin artikel 73 van deze verordening is uitgelegd en is erkend dat „werknemers” recht hebben op gezinsbijslagen voor gezinsleden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen.
61.
In dit verband merkt Bogatu op dat het Hof heeft vastgesteld dat het begrip „werknemer” aldus moet worden opgevat dat hiermee iedere persoon wordt bedoeld die onder de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, zoals omschreven in artikel 1, onder a), te weten personen die zijn verzekerd bij een socialezekerheidsregeling die in een lidstaat van toepassing is, los van het bestaan van een arbeidsverhouding.
62.
Bogatu voert aan dat de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 overeenkomt met die van verordening nr. 883/2004 en concludeert daaruit dat het recht op gezinsbijslagen als bedoeld in artikel 67 van deze verordening ook moet worden beschouwd als een recht voor alle onderdanen van een lidstaat die zijn verzekerd op grond van een socialezekerheidsregeling die van toepassing is in een andere lidstaat, ook wanneer hun arbeidsverhouding in de tweede lidstaat is beëindigd.
63.
Tegen deze achtergrond meent Bogatu aanspraak te kunnen maken op gezinsbijslagen voor de relevante periode vanwege het feit dat hij tijdens die periode verzekerd bleef voor bepaalde uitkeringen, zoals bij ziekte.
64.
In dit verband merk ik vooraf op dat Bogatu in zijn betoog verwijst naar de uitlegging van artikel 67 van verordening nr. 883/2004. Gelet op de in deze conclusie voorgestelde herformulering van de prejudiciële vragen spreekt het echter voor zich dat de door Bogatu bepleite lezing moet worden beoordeeld in het licht van artikel 68 in plaats van artikel 67 van verordening nr. 883/2004.
65.
Een dergelijke beoordeling houdt volgens mij in dat allereerst moet worden nagegaan of de rechtspraak inzake verordening nr. 1408/71, die overvloedig wordt aangehaald in de schriftelijke opmerkingen van Bogatu, relevant blijft in de context van verordening nr. 883/2004.
66.
Hiertoe lijken mij enkele inleidende overwegingen geboden over de strekking van de herziening van de voorschriften betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels die verordening nr. 883/2004 met zich meebrengt.
67.
Uit overweging 3 van verordening nr. 883/2004 blijkt dat deze verordening ertoe strekt de coördinatievoorschriften van verordening nr. 1408/71 te vervangen die complex en lang geworden waren omdat deze verordening diverse keren was gewijzigd en bijgewerkt om rekening te houden met de ontwikkelingen op Unieniveau alsmede met de wijzigingen in nationale wetgevingen, door middel van vereenvoudiging ( 20 ) en modernisering ( 21 ).
68.
In dit kader had de belangrijkste wijziging ten opzichte van de vorige verordening zeker betrekking op de personele werkingssfeer van deze voorschriften.
69.
Ik herinner eraan dat in artikel 2 van verordening nr. 1408/71 („Personele werkingssfeer”) ondubbelzinnig was vastgelegd dat deze verordening van toepassing was op werknemers of zelfstandigen ( 22 ). Zoals blijkt uit de tweede overweging van de verordening, is de verklaring daarvoor te vinden in het feit dat het vrije verkeer van personen destijds enkel betrekking had op werknemers, in het kader van het vrije verkeer van werknemers, en zelfstandigen, in het kader van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten. Om te voorkomen dat de verschillen die bestaan tussen de nationale wetgevingen met betrekking tot de definitie van een arbeidsverhouding zouden leiden tot een beperking van de personele werkingssfeer ervan, was in verordening nr. 1408/71 gekozen voor een uitbreiding van de begrippen „werknemer” en „zelfstandige”, zodat deze alle verzekerde personen omvatten in het kader van de socialezekerheidsregeling van een lidstaat die van toepassing is op werknemers of zelfstandigen ( 23 ).
70.
Deze personele werkingssfeer werd uitgebreid door verordening nr. 883/2004, met als drijvende kracht de voortschrijding van het recht op vrij verkeer en vrij verblijf in de Unie door de invoering van het Europees burgerschap. Meer bepaald is deze verandering tot stand gebracht door middel van de vervanging van de begrippen „werknemers” en „zelfstandigen” door het begrip „onderdanen van een lidstaat” in artikel 2, lid 1, van die verordening („Personele werkingssfeer”). Dit betekent dat het coördinatiestelsel, zoals herzien bij verordening nr. 883/2004, ook personen dekt die niet als zodanig deel uitmaken van de „beroepsbevolking”, onafhankelijk van het risico waarvoor zij zijn verzekerd ( 24 ).
71.
Ik ben van oordeel dat een ruime uitlegging van het begrip „werkzaamheden in loondienst” in het kader van verordening nr. 883/2004 niet meer gerechtvaardigd is zoals dat het geval was voor het begrip „werknemer” in het kader van verordening nr. 1408/71, aangezien verordening nr. 883/2004 voortaan van toepassing is op alle onderdanen van een lidstaat.
72.
Het begrip „werkzaamheden in loondienst” wordt in combinatie met andere begrippen immers in een groot aantal bepalingen van de nieuwe verordening gehanteerd om een onderscheid te maken tussen de juridische regeling die van toepassing is op actieve personen en die welke de situatie van inactieve personen regelt.
73.
Als de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” zoals bedoeld in artikel 68 van verordening nr. 883/2004 op dezelfde wijze zou worden uitgelegd als het begrip „werknemer” in het kader van verordening nr. 1408/71, namelijk in die zin dat hiervoor enkel is vereist dat de persoon in kwestie is verzekerd bij een socialezekerheidsstelsel van een lidstaat dat van toepassing is op werknemers, zou het onderscheid tussen de regelingen voor actieve en inactieve personen, dat mij essentieel lijkt voor de toepassing van artikel 68 van verordening nr. 883/2004, teniet worden gedaan.
74.
In het licht van het voorgaande ben ik van mening dat voor een juiste uitlegging van de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” een andere benadering moet worden gevolgd, die stevig is verankerd in de begrippen die worden gehanteerd in artikel 68 van verordening nr. 883/2004.
75.
Voor de vaststelling van de lidstaat die prioritair bevoegd is voor de uitkering van gezinsbijslagen aan de persoon in kwestie wordt in artikel 68 van verordening nr. 883/2004 verwezen naar drie begrippen, namelijk „werkzaamheden in loondienst”, „pensioen” en „woonplaats”, waarvan de combinatie tot verschillende uitkomsten leidt, afhankelijk van de vraag of de gezinsbijslagen in kwestie „op verschillende gronden” of „op dezelfde grond” zijn verschuldigd.
76.
Met name wanneer er verschillende gronden zijn voor de rechten op gezinsbijslagen, wordt in de betrokken bepaling is een rangorde aangebracht in deze begrippen op volgorde van prioriteit, met bovenaan de werkzaamheden in loondienst, gevolgd door pensioen, en onderaan de woonplaats. De prioritair bevoegde lidstaat voor de uitkering van gezinsbijslagen is bijgevolg de lidstaat van tewerkstelling, terwijl de lidstaat waar een pensioen wordt ontvangen enkel prioritair bevoegd is wanneer de tweede grond die van de woonplaats is.
77.
De enige plausibele reden voor het vaststellen van een dergelijke prioriteitsvolgorde lijkt mij te zijn dat het verrichten van werkzaamheden in loondienst, vanwege het feit dat daarmee een grotere bijdrage wordt geleverd aan het economische leven van de lidstaat in kwestie, een sterkere band met deze lidstaat inhoudt dan de ontvangst van een pensioen of de woonplaats, en dat de band door de ontvangst van een pensioen ook sterker is dan die vanwege de woonplaats.
78.
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat, wanneer de grond waarvan de rechten op gezinsbijslagen afhankelijk worden gesteld dezelfde is, artikel 68, lid 1, van verordening nr. 883/2004 bepaalt dat de lidstaat waar de kinderen wonen, prioritair bevoegd is. Als de gronden, en dus de aanknopingscriteria, niet verschillend zijn, kan de woonplaats van de kinderen immers terecht worden beschouwd als de belangrijkste band.
79.
Willen we het nuttige effect behouden van de hiërarchie tussen de begrippen „werkzaamheden in loondienst”, „pensioen” en „woonplaats” zoals bedoeld in artikel 68 van verordening nr. 883/2004, en de functie als aanknopingscriteria die deze begrippen in het kader van dit artikel vervullen, dient mijns inziens voor de uitlegging van „op grond van” te worden gekeken naar de definities in artikel 1 van verordening nr. 883/2004 ( 25 ).
80.
Onder het begrip „werkzaamheden in loondienst”, dat aan de orde is in de door mij geherformuleerde prejudiciële vraag van de High Court, worden verstaan „werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar die werkzaamheden worden verricht, of waar die gelijkgestelde situaties zich voordoen” ( 26 ).
81.
Hieruit volgt dat op basis van het verrichten van dergelijke werkzaamheden of het zich voordoen van een dergelijke gelijkgestelde situatie kan worden vastgesteld dat de lidstaat van tewerkstelling prioritair bevoegd is voor de uitkering van gezinsbijslagen.
82.
Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van dit aanknopingspunt.
83.
Meer bepaald staat het aan de verwijzende rechter om te bepalen of Bogatu voor de toepassing van de Ierse socialezekerheidswetgeving moet worden beschouwd als een persoon die werkzaamheden in loondienst heeft verricht of zich in een gelijkgestelde situatie bevond in de relevante periode. Zo ja, zal hij moeten oordelen dat Ierland prioritair bevoegd is voor de betaling van de gezinsbijslagen die aan verzoeker in het hoofdgeding zijn verschuldigd, wat inhoudt dat Bogatu tijdens de relevante periode recht heeft op gezinsbijslagen, in tegenstelling tot wat de minister in zijn antwoord op het verzoek van Bogatu heeft betoogd.
84.
In het kader van een dergelijke beoordeling kan de omstandigheid dat Bogatu tijdens de relevante periode in Ierland verzekerd bleef, relevant blijken te zijn, op voorwaarde dat hieruit voortvloeit dat Bogatu wordt aangemerkt als een persoon die „werkzaamheden in loondienst” verricht of zich in een gelijkgestelde situatie bevindt in de zin van artikel 1, onder a), van verordening nr. 883/2004.
IV. Conclusie
85.
Gelet op voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de High Court, zoals geherformuleerd in de onderhavige conclusie, als volgt te beantwoorden:
„Artikel 68, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels moet aldus worden uitgelegd dat een persoon die na een tewerkstelling in het gastland enkel niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen ontvangt van dat land, terwijl hij verzekerd blijft bij het desbetreffende socialezekerheidsstelsel, recht heeft op gezinsbijslagen op grond van een dergelijke status voor de vaststelling van de lidstaat die prioritair bevoegd is voor de betaling van dergelijke uitkeringen, op voorwaarde dat zijn situatie valt onder het begrip ‚werkzaamheden in loondienst’ of het begrip ‚gelijkgestelde situatie’ zoals omschreven in artikel 1, onder a), van verordening nr. 883/2004. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit het geval is.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 2004, L 166, blz. 1.
( 3 ) PB 1997, L 28, blz. 1.
( 4 ) Er zij op gewezen dat verordening nr. 883/2004 op 1 mei 2010 in werking is getreden.
( 5 ) In dit verband herinner ik eraan dat volgens vaste rechtspraak het Hof bij de behandeling van vragen die hem uit hoofde van artikel 267 VWEU worden voorgelegd, indien nodig bepalingen in aanmerking kan nemen die de verwijzende rechter niet heeft genoemd, zodat het een nuttig antwoord kan geven. Zie in die zin arrest van 9 juni 2016, Balogh (C‑25/15, EU:C:2016:423, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 6 ) In zijn rechtspraak over verordening nr. 1408/71, die dezelfde opzet had als verordening nr. 883/2004, heeft het Hof meermalen verduidelijkt dat de bepalingen van titel II van deze verordening een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels vormen, die niet alleen tot doel hebben, de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat onder de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten. Zie onder meer arresten van 12 juni 1986, Ten Holder (302/84, EU:C:1986:242, punt 21), 11 juni 1998, Kuusijärvi (C‑275/96, EU:C:1998:279, punt 28), en 13 september 2017, X (C‑570/15, EU:C:2017:674, punt 14).
( 7 ) Artikel 11, lid 3, onder a).
( 8 ) Artikel 11, lid 3, onder e).
( 9 ) Zie in die zin overwegingen 17 („[...] dient als algemene regel de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokkene zijn werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verricht als toepasselijke wetgeving te worden aangewezen”) en 18 („[i]n specifieke situaties die een ander toepassingscriterium rechtvaardigen, is het nodig van deze algemene regel af te wijken”) van verordening nr. 883/2004.
( 10 ) Daarentegen lijkt artikel 11 met name van toepassing op ouderdomsuitkeringen. Aangezien de op deze uitkeringen toepasselijke bepalingen (de artikelen 50 tot en met 60 van verordening nr. 883/2004) geen bijzondere aanknopingspunten bevatten die afwijken van de algemene conflictregels, moet voor elke situatie op grond van artikel 11 worden vastgesteld welke nationale wetgeving van toepassing is.
( 11 ) Zie in die zin met name conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Van Delft e.a. (C‑345/09, EU:C:2010:438, punt 45). Volgens de advocaat-generaal blijkt deze verhouding tussen titel II en titel III van verordening nr. 1408/71 duidelijk uit de arresten van 27 mei 1982, Aubin (227/81, EU:C:1982:209, punt 11), en 11 november 2004, Adanez-Vega (C‑372/02, EU:C:2004:705).
( 12 ) Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument van de minister dat het gebruik van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 883/2004 voor de uitlegging van de formulering „op grond van werkzaamheden in loondienst” als bedoeld in artikel 68 van deze verordening wordt geschraagd door de lezing die aan deze formulering wordt gegeven door de administratieve commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels in besluit nr. F1 van 12 juni 2009 (PB 2010, C 106, blz. 11). Het volstaat immers vast te stellen dat het Hof in het arrest Van der Vecht (19/67, EU:C:1967:49, blz. 457) reeds heeft geoordeeld dat de tekst van de verordening „de rechtsmacht van de bevoegde rechter om de rechtmatigheid en de inhoud der bepalingen van de verordening te beoordelen, onverlet laat en te dien aanzien aan de beslissingen van [deze commissie] slechts de waarde toekent van een advies” (cursivering van mij). Hieruit volgt dat het besluit in kwestie geen bindende kracht heeft en het Hof daaraan dus niet is gebonden.
( 13 ) Zie arrest van 1 februari 2017, Tolley (C‑430/15, EU:C:2017:74, punt 57).
( 14 ) Zie arrest van 3 maart 2011, Tomaszewska (C‑440/09, EU:C:2011:114, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 15 ) Op grond van de Ierse wetgeving moet het kind voor wie de bijslag wordt gevraagd, jonger dan 16 jaar zijn, zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat [section 219, lid 1, onder c), van de wet op de sociale bescherming] en gewoonlijk verblijven bij de persoon die de gezinsbijslag heeft aangevraagd (section 220, lid 1, van die wet). Zoals de verwijzende rechter aangeeft, kunnen deze voorwaarden echter niet worden toegepast omdat zij onverenigbaar zijn met artikel 67 van verordening nr. 883/2004.
( 16 ) Zie in dit verband het overzicht van nationale wetgevingen inzake gezinsbijslagen dat de Commissie heeft opgesteld en te raadplegen is op het volgende internetadres: .
( 17 ) Zie voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, door de Commissie bij de Raad ingediend op 21 december 1998, COM(1998) 779 def., artikel 53, waarin het volgende wordt uiteengezet: „[w]anneer voor hetzelfde tijdvak en voor hetzelfde gezinslid door meerdere lidstaten krachtens hun wetgeving of deze verordening gezinsbijslagen [...] verschuldigd zijn, betaalt het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving de hoogste uitkering biedt het gehele bedrag uit.” Het is interessant vast te stellen dat dit criterium is gehanteerd in de eindversie van de prioriteitsregels, maar enkel als subsidiair criterium, in het geval waarin rechten op de gezinsbijslagen in kwestie alle zijn verkregen op grond van werkzaamheden in loondienst. Zie artikel 68, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004.
( 18 ) Zie gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 18/2004 van 26 januari 2004, vastgesteld door de Raad volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, C 79 E, blz. 15).
( 19 ) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (COM(2004) 44 definitief, blz. 11).
( 20 ) Zie voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, door de Commissie bij de Raad ingediend op 21 december 1998, COM(1998) 779 def., blz. 2, waarin het volgende wordt uiteengezet: de drijvende kracht achter de herziening van de in verordening nr. 1408/71 vastgelegde coördinatievoorschriften was de wens om de wetgeving minder complex te maken en gemakkelijker te hanteren. Het was derhalve niet de bedoeling om een regeling volledig te herschrijven die meer dan 25 jaar vrij goed had gewerkt. Vereenvoudiging was veeleer het doel.
( 21 ) Zie in dit verband arrest van 27 februari 2014, Verenigd Koninkrijk/Raad (C‑656/11, EU:C:2014:97, punten 61‑66).
( 22 ) Volledigheidshalve merk ik op dat verordening nr. 1408/71 overeenkomstig artikel 2 ook van toepassing was „op studenten op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen”.
( 23 ) Zie overweging 3 van verordening nr. 1408/71.
( 24 ) Hiertoe bevat verordening nr. 883/2004 naast artikel 42 EG (thans artikel 48 VWEU) een tweede rechtsgrondslag, namelijk artikel 308 EG (thans artikel 352 VWEU). Zie overweging 2 van verordening nr. 883/2004.
( 25 ) Voor wat betreft de begrippen „pensioen” en „woonplaats”, die in deze beoordeling niet aan de orde zijn, „omvat de term ‚pensioen’ tevens renten, als afkoopsom uitgekeerde bedragen die in de plaats daarvan kunnen treden en terugstortingen van premies of bijdragen, alsmede, behoudens het bepaalde in titel III, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of aanvullende uitkeringen” [artikel 1, onder w)], terwijl „woonplaats” als volgt wordt omschreven: „de plaats waar een persoon pleegt te wonen” [artikel 1, onder j)].
( 26 ) Artikel 1, onder a), van verordening nr. 883/2004.