CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. WATHELET
van 4 oktober 2018 ( 1 )
Zaak C‑389/17
„Paysera LT” UAB, voorheen „EVP International” UAB
in tegenwoordigheid van
Lietuvos Bankas
[verzoek van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter van Litouwen) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Instellingen voor elektronisch geld – Richtlijn 2009/110/EG – Regels inzake het eigen vermogen – Vereist vermogen voor de uitoefening van werkzaamheden die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld – Begrip ‚werkzaamheden die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld’ – Uitgifte van elektronisch geld ten behoeve van de verkoper tegen de nominale waarde van de ontvangen geldmiddelen”
1.
Is elektronisch geld vals geld of zelfs nepgeld ( 2 )?
2.
Deze prejudiciële verwijzing, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter van Litouwen), betreft de uitlegging van artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2009/110/EG ( 3 ). Zij is ingediend in het kader van een geding tussen „Paysera LT” UAB, voorheen „EVP International” UAB (hierna: „Paysera”), en de Lietuvos Bankas [(centrale) bank van Litouwen] over op bepaalde betalingstransacties toe te passen berekeningsmethoden voor het eigen vermogen en de kwalificatie van bepaalde transacties als betalingsdiensten „die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld”.
I. Toepasselijke bepalingen
A. REG II-richtlijn
3.
Overweging 11 van de REG II-richtlijn luidt als volgt:
„Er is behoefte aan een regeling voor aanvangskapitaal gecombineerd met een regeling voor lopend kapitaal teneinde een passende consumentenbescherming en een gezonde en prudente bedrijfsvoering van instellingen voor elektronisch geld te garanderen. Gezien het specifieke karakter van elektronisch geld dient te worden voorzien in een extra methode voor de berekening van het lopend kapitaal. Er moet voor worden gezorgd dat de volledige beleidsvrijheid op toezichtgebied wordt bewaard teneinde te garanderen dat alle betalingsdienstaanbieders ten aanzien van dezelfde risico’s dezelfde behandeling genieten en dat bij de berekeningsmethode rekening wordt gehouden met de specifieke bedrijfssituatie van elke instelling voor elektronisch geld. Voorts dienen regelingen te worden getroffen om instellingen voor elektronisch geld op te leggen geldmiddelen van houders van elektronisch geld gescheiden te houden van de geldmiddelen die de instelling voor elektronisch geld voor het verrichten van andere bedrijfsactiviteiten gebruikt. Instellingen voor elektronisch geld dienen tevens onderworpen te zijn aan effectieve voorschriften ter bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.”
4.
Volgens artikel 2, punt 2, van de REG II-richtlijn, met het opschrift „Definities”, is elektronisch geld: „[een] elektronisch, met inbegrip van magnetisch, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever, welke is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties als gedefinieerd in artikel 4, punt 5), van richtlijn 2007/64/EG te verrichten, en welke wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elektronisch geld”.
5.
Artikel 5, leden 2 en 3, van de REG II-richtlijn, met het opschrift „Eigen vermogen”, bepaalt:
„2. Met betrekking tot de werkzaamheden bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, wordt het vereiste eigen vermogen van een instelling voor elektronisch geld berekend aan de hand van een van de drie methoden (A, B of C) van artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 2007/64/EG. De bevoegde autoriteiten bepalen in overeenstemming met de nationale wetgeving welke methode wenselijk is.
Met betrekking tot de uitgifte van elektronisch geld, wordt het vereiste eigen vermogen van een instelling voor elektronisch geld berekend overeenkomstig methode D van lid 3.
Instellingen voor elektronisch geld moeten op elk moment beschikken over een eigen vermogen dat ten minste gelijk is aan de som van de vereisten uit de eerste en de tweede alinea.
3. Methode D: het eigen vermogen van instellingen voor elektronisch geld is voor de uitgifte van elektronisch geld ten minste gelijk aan 2 % van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.”
6.
Artikel 6 van de REG II-richtlijn, met het opschrift „Werkzaamheden”, bepaalt in lid 1, onder a):
„Naast de uitgifte van elektronisch geld mogen instellingen voor elektronisch geld de volgende werkzaamheden uitoefenen:
a)
het aanbieden van de in de bijlage bij richtlijn 2007/64/EG vermelde betalingsdiensten”.
7.
Artikel 11 van de REG II-richtlijn, met het opschrift „Uitgifte en terugbetaalbaarheid”, bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat uitgevers van elektronisch geld elektronisch geld uitgeven tegen de nominale waarde, in ruil voor ontvangen geld.
2. De lidstaten zien erop toe dat uitgevers van elektronisch geld de nominale monetaire waarde van het aangehouden elektronisch geld op elk ogenblik terugbetalen wanneer de houder van het elektronisch geld daarom verzoekt.”
B. Richtlijn 2007/64
8.
Artikel 4, punten 3 en 5, van richtlijn 2007/64/EG ( 4 ), met het opschrift „Definities”, heeft betrekking op de begrippen „betalingsdienst” en „betalingstransactie”:
„3)
‚betalingsdienst’: elke bedrijfswerkzaamheid als vermeld in de bijlage;
[...]
5)
‚betalingstransactie’: een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn”.
9.
Artikel 8 van de RBD-richtlijn, met het opschrift „Berekening van eigen vermogen”, bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. Onverminderd de vereisten voor het aanvangskapitaal neergelegd in artikel 6, verplichten de lidstaten de betalingsinstellingen ertoe te allen tijde een eigen vermogen aan te houden dat berekend wordt conform een van de volgende drie methoden, als bepaald door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de nationale wetgeving:
Methode A
Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag van ten minste 10 % van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De bevoegde autoriteiten mogen dit vereiste aanpassen in geval van een materiële wijziging in de werkzaamheden van de betalingsinstelling sinds het voorgaande jaar. Wanneer de betalingsinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, bedraagt het vereiste inzake eigen vermogen [ten minste] 10 % van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de bevoegde autoriteiten een aanpassing van dit plan verlangen.
Methode B
Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met een schaalfactor k, als omschreven in lid 2, waarbij het betalingsvolume een twaalfde is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betalingsinstelling het voorgaande jaar heeft verricht:
a)
4,0 % van het deel van het betalingsvolume tot 5 miljoen EUR,
plus
b)
2,5 % van het deel van het betalingsvolume boven 5 miljoen EUR tot 10 miljoen EUR,
plus
c)
1 % van het deel van het betalingsvolume boven 10 miljoen EUR tot 100 miljoen EUR,
plus
d)
0,5 % van het deel van het betalingsvolume boven 100 miljoen EUR tot 250 miljoen EUR,
plus
e)
0,25 % van het deel van het betalingsvolume boven 250 miljoen EUR.
Methode C
Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator als omschreven onder a), vermenigvuldigd met een multiplicator als omschreven onder b), nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k, als omschreven in lid 2.
a)
De relevante indicator is de som van het volgende:
–
rente-inkomsten;
–
rente-uitgaven;
–
ontvangen provisies en vergoedingen, en
–
overige bedrijfsopbrengsten.
Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht, kunnen de relevante indicator verlagen als de uitgaven voor rekening komen van een onderneming die onder het toezicht krachtens deze richtlijn valt. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80 % van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
b)
De multiplicator is:
i)
10 % van het deel van de relevante indicator tot 2,5 miljoen EUR,
ii)
8 % van het deel van de relevante indicator boven 2,5 miljoen EUR tot 5 miljoen EUR,
iii)
6 % van het deel van de relevante indicator boven 5 miljoen EUR tot 25 miljoen EUR,
iv)
3 % van het deel van de relevante indicator boven 25 miljoen EUR tot 50 miljoen EUR,
v)
1,5 % boven 50 miljoen EUR.
2. De schaalfactor k die in methode B en methode C wordt gebruikt, is:
a)
0,5 wanneer de betalingsinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht;
b)
0,8 wanneer de betalingsinstelling een in punt 7 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht;
c)
1,0 wanneer de betalingsinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht.”
10.
De bijlage bij de RBD-richtlijn, met het opschrift „Betalingsdiensten (artikel 4, punt 3)”, bevat de lijst van werkzaamheden die als betalingsdiensten worden beschouwd:
„1. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten op een betaalrekening te plaatsen alsook alle verrichtingen die voor het exploiteren van een betaalrekening vereist zijn.
2. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn.
3. Uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van geldovermakingen, op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder:
–
uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;
–
uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;
–
uitvoering van overmakingen, met inbegrip van automatische betalingsopdrachten.
4. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de geldmiddelen zijn gedekt door een kredietlijn die aan de betalingsdienstgebruiker wordt verstrekt:
–
uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;
–
uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;
–
uitvoering van overmakingen, met inbegrip van doorlopende opdrachten.
5. Uitgifte en/of aanvaarding van betaalinstrumenten.
6. Geldtransfers.
7. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de instemming van de betaler met een betalingstransactie wordt doorgegeven met behulp van een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument en de betaling rechtstreeks geschiedt aan de exploitant van de telecommunicatiediensten, het IT-systeem of het netwerk, die louter optreedt als intermediair tussen de betalingsdienstgebruiker en de persoon die de goederen levert of de diensten verricht.”
II. Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11.
Paysera is een Litouwse vennootschap waaraan door de Bank van Litouwen vergunningen zijn verleend om werkzaam te zijn als instelling voor elektronisch geld en als betalingsinstelling, welke haar het recht geven om elektronisch geld uit te geven en om diensten die verband houden met de uitgifte van dit geld en andere betalingsdiensten aan te bieden.
12.
Naar aanleiding van een controle van de werkzaamheden van verzoekster in het hoofdgeding door de Dienst Toezicht van de Bank van Litouwen, is bij het bestreden besluit vastgesteld dat verzoekster in het hoofdgeding de methoden voor de berekening van het vereiste eigen vermogen niet in acht had genomen, aangezien de betrokken diensten, volgens de Bank van Litouwen, geen verband hielden met de uitgifte van elektronisch geld.
13.
Het verplichte eigen vermogen voor diensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld moet immers worden berekend volgens methode D als omschreven in artikel 5, lid 3, van de REG II-richtlijn, die voor die instellingen een lager permanent aanwezig kapitaal vereist dan wanneer zij betalingsdiensten zouden aanbieden die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, en waarvoor de eigenvermogensbehoefte wordt berekend volgens de methoden A, B en C als omschreven in artikel 8, leden 1 en 2, van de RBD-richtlijn.
14.
De Dienst Toezicht heeft met name geweigerd de volgende door verzoekster in het hoofdgeding uitgeoefende werkzaamheden als betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld aan te merken:
–
betalingen (overmakingen) die worden verricht door een houder van elektronisch geld vanaf een rekening voor elektronisch geld bij zijn instelling voor elektronisch geld naar rekeningen van derden bij kredietinstellingen (hierna: „dienst I”), en
–
inning van betalingen voor goederen en/of diensten die worden geleverd of aangeboden door klanten van een instelling voor elektronisch geld (handelaren) met bankrekeningen voor elektronisch geld, bij kopers van deze goederen en/of diensten die niet deelnemen aan het systeem van elektronisch geld (hierna: „dienst II”).
15.
De verwijzende rechter vraagt zich bijgevolg af of deze twee diensten al dan niet als diensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld moeten worden aangemerkt.
16.
Tegen deze achtergrond heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter van Litouwen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 5, lid 2, juncto artikel 6, lid 1, onder a), van [de REG II-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat, in de omstandigheden van het onderhavige geval, als betalingsdiensten die (geen) verband houden met de uitgifte van elektronisch geld worden aangemerkt:
a)
een betalingstransactie waarbij elektronisch geld (terug te betalen geldmiddelen), op verzoek (in opdracht) van de houder van elektronisch geld aan de instelling voor elektronisch geld (de uitgever), tegen de nominale waarde ervan wordt overgemaakt naar de bankrekening van een derde, en
b)
een betalingstransactie waarbij de koper (betaler) van goederen en/of diensten, in opdracht van de verkoper, geldmiddelen voor die goederen en/of diensten overmaakt naar (betaalt aan) de instelling voor elektronisch geld (uitgever van elektronisch geld) die, na ontvangst van die geldmiddelen, ten behoeve van de verkoper (houder van elektronisch geld) elektronisch geld uitgeeft tegen de nominale waarde van de ontvangen geldmiddelen?”
III. Procedure bij het Hof
17.
Geen van de partijen in het hoofdgeding heeft het nodig geacht om in deze procedure opmerkingen in te dienen. De Litouwse en de Poolse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De Litouwse regering en de Commissie hebben de terechtzitting van 27 juni 2018 bijgewoond.
IV. Analyse
A. Samenvatting van de opmerkingen van partijen
18.
De Litouwse regering is in de eerste plaats, anders dan de verwijzende rechter, van mening dat het begrip „uitgifte van elektronisch geld” niet de daadwerkelijke uitgifte en terugbetaling van elektronisch geld kan omvatten.
19.
De uitgifte van elektronisch geld moet enkel worden beschouwd als de ruil van een nominale monetaire waarde door deze waarde over te brengen op een elektronische gegevensdrager, zodat personen, door het elektronische geld dat door de instelling voor elektronisch geld is uitgegeven als betalingsvorm te aanvaarden, met deze waarde onderling betalingstransacties kunnen verrichten. Bovendien kan de houder van elektronisch geld, nadat hij het elektronische geld dat hij tegen de nominale monetaire waarde ervan bezit, heeft terugbetaald, met deze monetaire waarde geen betalingstransacties in elektronisch geld meer verrichten.
20.
De Litouwse regering betoogt in de tweede plaats, met betrekking tot het begrip „betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld”, dat de toepassing van verschillende methoden voor de berekening van het eigen vermogen tot gevolg heeft dat de behoefte aan permanent aanwezig kapitaal van instellingen voor elektronisch geld die betalingsdiensten die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld aanbieden, groter is dan van instellingen voor elektronisch geld die geen betalingsdiensten die geen verband houden met de uitgifte van dergelijk geld aanbieden.
21.
Het belangrijkste criterium voor de beoordeling of specifieke betalingsdiensten al dan niet als verband houdend met de uitgifte van elektronisch geld moeten worden aangemerkt, is de omvang van het potentiële risico in elk individueel geval. Dit wordt bevestigd door het voorstel van de Commissie van 9 oktober 2008 ( 5 ), dat onder meer een wijziging van de permanentekapitaalvereisten in het voorstel voor een nieuwe richtlijn bevat, met nieuwe berekeningsmethoden op basis van de aard van de instellingen voor elektronisch geld en de aard van het risico.
22.
De strengere eisen voor de berekening van het kapitaal worden derhalve opgelegd aan instellingen die betalingsdiensten aanbieden die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, aangezien deze een breder spectrum van betalingsdiensten met zich brengen.
23.
De Litouwse regering wijst er ten eerste op dat de vaststelling van de REG II-richtlijn het voor instellingen voor elektronische handel mogelijk heeft gemaakt om, naast diensten die nauw verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, de in de bijlage bij de RBD-richtlijn vermelde betalingsdiensten aan te bieden, en met name bepaalde kredieten te verlenen.
24.
Ten tweede omvat het potentiële risico, indien betalingsdiensten worden aangeboden die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, niet alleen de houders van elektronisch geld, maar ook derden die niet aan het systeem deelnemen (de kring van derden kan zeer omvangrijk en onbepaald zijn) en dus geen overeenkomst met een instelling voor elektronisch geld hebben gesloten, waardoor hun belangen minder goed worden beschermd.
25.
Volgens de Litouwse regering moet aan twee cumulatieve voorwaarden worden voldaan, wil een dienst worden geacht verband te houden met de uitgifte van elektronisch geld: i) het elektronisch geld moet worden uitgegeven op het moment van de dienst, en ii) de dienst moet worden verricht tussen deelnemers aan het systeem van elektronisch geld.
26.
Met betrekking tot het verband tussen dienst I en de uitgifte van elektronisch geld, stelt de Litouwse regering dat er geen twijfel bestaat over het feit dat het elektronisch geld al moet zijn uitgegeven voordat met het verrichten van deze dienst een aanvang wordt gemaakt, en zij is van mening dat dienst I een overmaking als bedoeld in punt 3, derde streepje, van de bijlage bij de RBD-richtlijn is.
27.
Voor het verrichten van overmakingen naar bankrekeningen aanvaarden de klanten van kredietinstellingen geen elektronisch geld, maar geldmiddelen, die worden ontvangen nadat het elektronisch geld in de nominale monetaire waarde ervan is omgezet. Dienst I is derhalve de handeling waarbij de instelling voor elektronisch geld (de uitgever), op verzoek van de houder van elektronisch geld, elektronisch geld overmaakt naar de rekening van de derde bij een kredietinstelling, na het in de nominale monetaire waarde ervan te hebben omgezet.
28.
De betalingstransactie heeft bijgevolg plaatsgevonden tussen de houder van elektronisch geld en een derde. Het betreft dus een „uitgaande” betaling. Een dergelijke betaling kan alleen worden geacht verband te houden met de uitgifte van elektronisch geld indien zij werd verricht tussen twee deelnemers aan het systeem van elektronisch geld.
29.
De Litouwse regering wijst er tevens op dat dienst I geen verband houdt met en niet wordt geacht identiek te zijn aan een terugbetaling van elektronisch geld. Volgens artikel 11, lid 2, van de REG II-richtlijn is een terugbetaling van elektronisch geld immers alleen de terugbetaling van monetaire middelen aan de houder van elektronisch geld tegen de nominale waarde ervan.
30.
Deze definitie strookt overigens met de doelstellingen van de REG II-richtlijn als vermeld in de preambule ervan, die betrekking hebben op het garanderen en versterken van het vertrouwen van de houders van elektronisch geld, die dit elektronische geld op elk moment kunnen terugkrijgen tegen de nominale waarde ervan.
31.
Bij dienst I wordt het elektronische geld niet aan de houder van elektronisch geld terugbetaald tegen de nominale waarde ervan. Het doel van de houder van elektronisch geld is het verrichten van betalingen voor goederen en diensten. De wijze waarop en de vorm waarin het geld wordt terugbetaald, zijn overigens bepalend voor de vaststelling of een concrete dienst als een terugbetaling van elektronisch geld of als een niet met de uitgifte van elektronisch geld verband houdende betalingsdienst moet worden aangemerkt.
32.
Met betrekking tot het verband tussen dienst II en de uitgifte van elektronisch geld, herinnert de Litouwse regering eraan dat deze dienst op de volgende wijze wordt geleverd: 1) de koper maakt, op verzoek van de verkoper, geldmiddelen voor de gekochte goederen of diensten over naar de bankrekening van de verzoeker, en 2) nadat de geldmiddelen zijn ontvangen, geeft de instelling voor elektronisch geld onmiddellijk elektronisch geld uit dat zij aan de rekening voor elektronisch geld van de handelaar toewijst.
33.
In de eerste plaats lijdt het derhalve geen twijfel dat bij dienst II de van de opdrachtgever ontvangen geldmiddelen worden omgezet in elektronisch geld en worden bijgeschreven op de rekening van de houder van elektronisch geld. De betaling zelf wordt echter eerst tegen de nominale waarde verricht en niet in elektronisch geld. De betalingstransactie wordt geacht te zijn voltooid op het moment waarop de instelling voor elektronisch geld de geldmiddelen op haar rekening bij een kredietinstelling ontvangt. Het elektronische geld wordt pas in tweede instantie uitgegeven. Deze uitgifte achteraf van elektronisch geld is enkel het gevolg van het feit dat de leverancier van goederen en/of de aanbieder van diensten enerzijds, en de instelling voor elektronisch geld anderzijds, daartoe een overeenkomst hebben gesloten. Dienst II voldoet evenmin aan het tweede criterium van de Litouwse regering, doordat deze wordt verricht tussen een derde en een houder van elektronisch geld.
34.
In de tweede plaats is er in dit geval sprake van een „inkomende” betaling in het systeem van elektronisch geld, en niet van een betaling die binnen dit systeem, tussen deelnemers eraan, wordt „verricht”.
35.
Bijgevolg kan dienst II evenmin als dienst die verband houdt met de uitgifte van elektronisch geld worden aangemerkt.
36.
De Poolse regering is allereerst van mening dat de uitdrukking „betalingsdiensten die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld” moet worden opgevat als verwijzing naar de in de RBD-richtlijn genoemde betalingsdiensten, die door een bepaalde instelling worden verricht zonder dat voor de uitvoering ervan elektronisch geld wordt uitgegeven. A contrario zijn betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, betalingsdiensten die gepaard gaan met een uitgifte van elektronisch geld door een bepaalde instelling voor elektronisch geld.
37.
Derhalve is een instelling voor elektronisch geld die elektronisch geld uitgeeft en met die uitgifte verband houdende betalingsdiensten aanbiedt, verplicht haar eigen vermogen ten minste op het overeenkomstig methode D van de REG II-richtlijn berekende niveau te houden.
38.
Indien deze instelling echter ook andere betalingsdiensten aanbiedt, met name betalingen in giraal geld, moeten de minimumniveaus voor het vereiste eigen vermogen worden berekend overeenkomstig methode A, B of C als omschreven in artikel 8, leden 1 en 2, van de RBD-richtlijn.
39.
Deze uitlegging wordt gestaafd door artikel 2, lid 2, van de REG II-richtlijn, waarin elektronisch geld wordt gedefinieerd.
40.
Ten eerste is elektronisch geld niet vergelijkbaar met giraal geld en kan het niet daarmee worden vereenzelvigd. Giraal geld is immers een boeking in de boekhouding van de betalingsinstelling of de bank op de bankrekening van de klant, die aangeeft dat de betalingsinstelling verplicht is om een bepaalde som geld te betalen (terug te betalen). De betaling in giraal geld, en dus door tussenkomst van betalingsinstellingen of banken, is dus niet de jure de verrichting van een monetaire dienst die bestaat in de overgang van de controle over het geld, maar alleen een overdracht van de vordering betreffende de betaling van een bepaald bedrag en de daarmee verband houdende voldoening daarvan, in combinatie met een wijziging van schuldenaar indien de betaler en de ontvanger van de betaling met andere betalingsinstellingen of banken werken.
41.
Ten tweede is elektronisch geld, anders dan giraal geld, geen boekhoudkundige boeking die uitdrukking geeft aan de verplichting om geld te betalen, maar een in elektronische, daaronder begrepen magnetische, vorm uitgegeven en opgeslagen monetaire waarde die verband houdt met de verplichting van de uitgever om deze waarde stelselmatig terug te kopen bij de houder ervan. Er is derhalve sprake van een overgang van de controle over monetaire waarden tussen de betaler en de ontvanger van de betaling.
42.
Elektronisch geld is dus vergelijkbaar met contant geld, dat ook werkt door overgang van de controle. Het verschil is gelegen in de immateriële aard van dit geld en de afwezigheid van de algemene verplichting om het te aanvaarden.
43.
De monetaire waarde wordt uitgegeven in ruil voor contant of giraal geld en brengt een verplichting tot terugkoop van de monetaire waarde met zich. De terugkoop geschiedt door betaling, in contant of giraal geld, van de waarde van het elektronische geld dat wordt uitgegeven in ruil voor de terugbetaling van de uitgegeven monetaire waarde. Na de uitgifte van elektronisch geld verkoopt de uitgever (instelling voor elektronisch geld) als het ware de monetaire waarde – dat wil zeggen dat hij deze in ruil voor de betaling van een bepaalde som geld ter beschikking van de koper stelt – en zegt hij tegelijkertijd toe die monetaire waarde te kopen van elk van de rechthebbenden erop.
44.
Elektronisch geld wordt derhalve uitgegeven met het doel om betalingstransacties te verrichten. Monetaire waarden die voor andere doeleinden zijn uitgegeven of monetaire waarden waarmee geen betalingstransacties kunnen worden verricht, kunnen dus niet als elektronisch geld worden aangemerkt. Van elektronisch geld kan ook alleen worden gesproken wanneer het wordt aanvaard door ten minste twee personen en geen van beide de uitgever ervan is.
45.
Indien derhalve de totstandbrenging van een bepaalde betalingsdienst zou veronderstellen dat alle betalingstransacties worden verricht met giraal geld dat naar aanleiding van de aankoop van elektronisch geld is gecreëerd, betekent dit dat de betrokken dienst niet als dienst die verband houdt met de uitgifte van elektronisch geld kan worden aangemerkt.
46.
Diensten waarbij gebruik wordt gemaakt van giraal geld dat is gegenereerd nadat eerst elektronisch geld in bancair geld is omgezet, met het doel om het girale geld daarna te doen verschijnen op een bankrekening van de ontvanger van de betaling, kunnen derhalve niet als diensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld worden aangemerkt. Om vergelijkbare redenen kunnen betalingsdiensten die bestaan in het aanvaarden van betalingen in giraal geld en het vervolgens omzetten van de ontvangen geldmiddelen in elektronisch geld, evenmin als diensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld worden aangemerkt.
47.
Bijgevolg zijn de diensten die verzoekster in het hoofdgeding aanbiedt geen betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, omdat zij met gebruikmaking van giraal geld worden verricht.
48.
De Commissie betoogt in essentie dat per geval moet worden beoordeeld of de betrokken betalingsdiensten zelfstandige of ondersteunende diensten zijn.
49.
Dienst I betreft een betalingstransactie waarbij de instelling voor elektronisch geld, in opdracht van de houder van elektronisch geld, geldmiddelen terugbetaalt tegen de nominale waarde ervan en deze overmaakt naar de bankrekening van een derde, hetgeen wordt bevestigd door artikel 5, lid 2, van de REG II-richtlijn.
50.
Dienst II betreft een betalingsdienst waarbij de koper van goederen en/of diensten, in opdracht van de verkoper, geldmiddelen voor deze goederen en/of diensten overmaakt naar de instelling voor elektronisch geld die, na ontvangst van deze geldmiddelen, ten behoeve van de verkoper elektronisch geld uitgeeft tegen de nominale waarde van de ontvangen geldmiddelen.
51.
De Commissie is van mening dat het aanbieden van betalingsdiensten, ongeacht of deze al dan niet verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, moet worden beoordeeld vanuit het gezichtspunt van de instelling voor elektronisch geld. In het kader van dienst II ontvangt de instelling voor elektronisch geld van de koper van goederen en/of diensten geldmiddelen ten behoeve van de houder van elektronisch geld en geeft zij opnieuw elektronisch geld uit. Deze dienst is dus noodzakelijk om de uitgifte van elektronisch geld mogelijk te maken. Het betreft geen zelfstandige dienst.
52.
De diensten I en II moeten bijgevolg als betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld worden aangemerkt.
B. Beoordeling
1. Inleidende opmerkingen
53.
Bij wijze van inleiding zal ik enkele bekende voorbeelden van elektronisch geld geven: Proton in België, miniCASH in Luxemburg, Moneo in Frankrijk en Geldkarte in Duitsland (allemaal op een drager in de vorm van een kaart), maar ook PayPal op mondiaal niveau (het geld is uitsluitend op een netwerk opgeslagen, de drager is „elektronisch” of virtueel), terwijl bitcoin geen elektronisch geld is ( 6 ).
54.
De prejudiciële vraag betreft de uitlegging van de uitdrukking „werkzaamheden bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), [van de REG II-richtlijn] die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld”, die in artikel 5, lid 2, van die richtlijn wordt gebruikt.
55.
De onderhavige zaak werpt derhalve de vraag op of op basis van deze bepaling: i) een betalingstransactie waarbij, op verzoek van de houder van elektronisch geld aan de instelling voor elektronisch geld, elektronisch geld (terug te betalen geldmiddelen) tegen de nominale waarde ervan wordt overgemaakt naar de bankrekening van een derde, en ii) een betalingstransactie waarbij de koper van goederen en/of diensten, in opdracht van de verkoper, geldmiddelen voor de gekochte goederen en/of diensten overmaakt naar de instelling voor elektronisch geld (uitgever van elektronisch geld) die, na ontvangst van deze geldmiddelen, ten behoeve van de verkoper (houder van dit geld) elektronisch geld uitgeeft tegen de nominale waarde van de ontvangen geldmiddelen, al dan niet als werkzaamheden „die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld” moeten worden aangemerkt.
56.
De inzet is hoog, want de eigenvermogensvereisten variëren, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de REG II-richtlijn, naargelang van de omstandigheid of de betrokken instelling al dan niet diensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld aanbiedt.
57.
Zo moeten instellingen voor elektronisch geld die diensten aanbieden die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld hun eigen vermogen berekenen overeenkomstig methode D ( 7 ), terwijl de eigenvermogensvereisten van instellingen voor elektronisch geld die diensten aanbieden die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld worden berekend overeenkomstig methode A, B of C ( 8 ), waarbij strengere eigenvermogensvereisten gelden dan bij methode D.
2. Tekst van de REG II-richtlijn
58.
De vragen van de verwijzende rechter hangen samen met het feit dat artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 1, onder a), van de REG II-richtlijn geen definitie geven van ( 9 )„werkzaamheden [...] die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld” (artikel 5, lid 2), noch van wel daarmee „verband houdende werkzaamheden”, en evenmin van „betalingsdiensten” [artikel 6, lid 1, onder a),] die instellingen voor elektronisch geld kunnen verrichten, aangezien laatstgenoemde bepaling enkel verwijst naar een lijst in de bijlage bij de RBD-richtlijn ( 10 ).
59.
Ik wijs er alleen op dat de tekst spreekt van werkzaamheden die al dan niet „verband houden”, hetgeen mijns inziens het argument van de Litouwse regering dat de aan de orde zijnde transacties – willen zij onder artikel 5, lid 2, van de REG II-richtlijn vallen – volledig in het systeem van elektronisch geld moeten zijn „geïntegreerd”, uitsluit.
60.
Andere artikelen van de REG II-richtlijn behoeven onderzoek.
61.
Artikel 1, lid 1, van de REG II-richtlijn, dat het toepassingsgebied (evenals de normatieve strekking) ervan definieert, bepaalt dat bij deze Uniehandeling „de voorschriften [...] voor de [...] uitgifte van elektronisch geld” worden vastgesteld. Artikel 11, lid 1, van diezelfde richtlijn, opgenomen in titel III, met het opschrift „Uitgifte en terugbetaalbaarheid”, schrijft voor dat elektronisch geld tegen de nominale waarde in ruil voor ontvangen geld wordt uitgegeven. Artikel 11, lid 2, van die richtlijn bepaalt op zijn beurt dat elektronisch geld tegen de nominale waarde en op elk ogenblik wordt terugbetaald wanneer de houder van dit geld daarom verzoekt.
62.
Om deze bepalingen van artikel 11 binnen het kader van de andere bepalingen van de REG II-richtlijn te plaatsen, denkt de verwijzende rechter mijns inziens terecht dat „de uitgifte van elektronisch geld” in de zin van deze richtlijn, onder meer, de uitgifte van dit geld en de terugbetaling ervan omvat.
63.
Men kan immers evenzo van mening zijn dat het doel van elektronisch geld (dat kan worden afgeleid uit de definitie ervan in artikel 2, lid 2, van de REG II-richtlijn, te weten het verrichten van betalingstransacties) niet inhoudt dat betalingsdiensten die verband houden met de betrokken uitgifte van elektronisch geld, alleen betalingstransacties met elektronisch geld omvatten. Het behoeft geen betoog dat de uitgifte van dat geld en de terugbetaling ervan gewoonlijk plaatsvinden via betalingstransacties met andere geldmiddelen. ( 11 )
64.
Ik denk (net als de Commissie) dat uit het begrip elektronisch geld als gedefinieerd in artikel 2, lid 2, van de REG II-richtlijn, dat verwijst naar betalingstransacties als gedefinieerd in artikel 4, punt 5, van de RBD-richtlijn ( 12 ), ook blijkt dat betalingsdiensten die verband houden met elektronisch geld, diensten omvatten die niet alleen verband houden met de uitgifte, maar ook met de terugbetaling van elektronisch geld.
65.
De Litouwse regering betoogt dat artikel 11, leden 1 en 2, van de REG II-richtlijn een duidelijk onderscheid maakt tussen de uitgifte en de terugbetaling, die dus niet kunnen worden geacht met elkaar samen te hangen.
66.
Dit argument kan niet worden aanvaard.
67.
Benadrukt moet immers worden dat de uitgifte en de terugbetaling weliswaar twee onderscheiden handelingen zijn die respectievelijk worden geregeld in artikel 11, leden 1 en 2, van de REG II-richtlijn, maar dat het duidelijk is dat het de wens van de Uniewetgever was dat zij niettemin nauw met elkaar verbonden zijn.
68.
Artikel 11, lid 2, van de REG II-richtlijn bepaalt dat „[d]e lidstaten [...] erop [toezien] dat uitgevers van elektronisch geld de nominale monetaire waarde van het aangehouden elektronisch geld op elk ogenblik terugbetalen [...]”. Bijgevolg ontstaat het recht op terugbetaling automatisch en is het onvoorwaardelijk. Er is dus geen sprake meer van een zelfstandige handeling.
69.
Hieruit volgt dat de betrokken betalingsdienst, om „verband te houden”, noodzakelijk moet zijn voor de uitgifte of de terugbetaling van elektronisch geld.
70.
Ik ben het met de Commissie eens dat uit de REG II-richtlijn blijkt dat de betalingsdiensten – ongeacht of zij verband houden – buiten het systeem van elektronisch geld kunnen worden verricht.
71.
Natuurlijk houdt zowel de uitgifte als de terugbetaling van elektronisch geld altijd een zeker verband met een klassieke bankrekening. Anders dan de Litouwse regering betoogt, is het in dit verband bijgevolg irrelevant dat de betrokkene de mogelijkheid verliest om met elektronisch geld te betalen.
72.
De uitgifte van elektronisch geld en de terugbetaling ervan zijn derhalve afzonderlijke, maar geen zelfstandige handelingen.
73.
Het begrip „terugbetaalbaarheid” wordt immers opgevat als de mogelijkheid voor de consument om zijn elektronisch geld steeds terug te krijgen via een overmaking of in contanten. ( 13 )
74.
Met andere woorden, de uitgifte van elektronisch geld is slechts een deel van het proces, het andere deel is de terugbetaling van dit geld. ( 14 )
75.
Deze dualiteit wordt goed uitgelegd door P. Storrer die (met name over de omzetting van de REG II-richtlijn in Frans recht) schrijft: „Eenheden van elektronisch geld zijn zogeheten waarde-eenheden, die elk een bewijs van vordering vormen [...] het begrip vordering op de uitgever is kenmerkend voor elektronisch geld en maakt het mogelijk het te onderscheiden van giraal geld dat onlosmakelijk verbonden is met het omhulsel ervan, de rekening [...] [Het betreft enkel] twee aspecten van eenzelfde bewijs van vordering – De vordering in elektronisch geld heeft twee aspecten, naargelang men zich aan de kant van de houder plaatst: vordering tot terugbetaling [...], of aan de kant van degene die het aanvaardt: vordering tot omzetting [...] Elektronisch geld is mijns inziens naar de aard ervan terugbetaalbaar, op welke terugbetaling overigens een gedetailleerde regeling van toepassing is die de kern van het contractuele recht inzake elektronisch geld vormt [...] [E]lektronisch geld is, lijkt mij, veeleer naar de aard ervan terugbetaalbaar dan dat het dit op grond van de erop van toepassing zijnde regeling is. Deze terugbetaalbaarheid voegt namelijk veeleer een extra criterium toe aan de identificatie van elektronisch geld dan dat het een gevolg is van de kwalificatie ervan.” ( 15 )
76.
Om terug te komen op artikel 11, lid 2, van de REG II-richtlijn, deze bepaling verplicht de lidstaten erop toe te zien dat de uitgevers van elektronisch geld de monetaire waarde van het aangehouden elektronisch geld op elk ogenblik en tegen de nominale waarde ervan terugbetalen wanneer de houder van elektronisch geld daarom verzoekt (een vergelijkbare regel wordt door lid 1 van dit artikel opgelegd aan de uitgifte van dat geld). Bovendien worden voor zowel de uitgifte van elektronisch geld als de terugbetaling ervan betalingstransacties met andere geldmiddelen gebruikt (bijvoorbeeld een transactie met een betaalkaart of een periodieke overmaking).
77.
Derhalve moeten de betalingsdiensten „die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld” als bedoeld in artikel 5, lid 2, van de REG II-richtlijn, tevens de betalingsdiensten omvatten die geen verband houden met de terugbetaling van elektronisch geld.
78.
Aangezien betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte (of de terugbetaling) van elektronisch geld niet anders worden gedefinieerd in de REG II-richtlijn, denk ik (net als de Commissie) dat alle betalingsdiensten die noodzakelijk zijn om de uitgifte of de terugbetaling van elektronisch geld mogelijk te maken, als betalingsdiensten „die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld” (artikel 5, lid 2, van de REG II-richtlijn) moeten worden aangemerkt. Met andere woorden, deze diensten moeten bij de uitgifte van elektronisch geld van ondersteunende aard zijn.
79.
Bijgevolg dient per geval te worden beoordeeld of de in aanmerking genomen betalingsdiensten zelfstandige of ondersteunende diensten zijn. Indien de betalingsdienst wordt verricht met het doel om de uitgifte of de terugbetaling van elektronisch geld mogelijk te maken, moet die dienst als een daarmee verband houdende dienst worden aangemerkt.
3. Toepassing op de twee transacties waarop de onderhavige zaak betrekking heeft
80.
Het eerste in de prejudiciële vraag genoemde geval betreft een betalingstransactie waarbij de instelling voor elektronisch geld, in opdracht van de houder van elektronisch geld, geldmiddelen terugbetaalt tegen de nominale waarde ervan, en deze tegen die waarde overmaakt naar de bankrekening van een derde.
81.
De overmaking van geldmiddelen die voortvloeien uit een terugbetaling door een instelling voor elektronisch geld, is nauw verbonden met de uitgifte van elektronisch geld die, zoals ik reeds heb aangegeven, ook de terugbetaling ervan moet omvatten.
82.
De overmaking van deze terugbetaalde geldmiddelen moet echter deel uitmaken van één en dezelfde transactie van de instelling voor elektronisch geld. Indien de overmaking van de terugbetaalde geldmiddelen naar een andere bankrekening geen deel uitmaakt van één en dezelfde transactie, moet die overmaking als een zelfstandige betalingsdienst worden aangemerkt.
83.
Volgens artikel 7, lid 1, van de REG II-richtlijn dient de instelling voor elektronisch geld de geldmiddelen die zij in ruil voor het elektronisch geld dat is uitgegeven, heeft ontvangen, veilig te stellen overeenkomstig artikel 9, leden 1 en 2, van de RBD-richtlijn.
84.
Ik deel het standpunt van de Commissie dat dit betekent dat de instelling voor elektronisch geld verplicht is ( 16 ) deze geldmiddelen veilig te stellen ter hoogte van de bedragen aan elektronisch geld die op de rekeningen van de instelling zijn gedeponeerd. Daarentegen bestaat er geen vergelijkbare verplichting om geldmiddelen veilig te stellen nadat het elektronische geld is terugbetaald. Deze regeling kan gebaseerd zijn op het feit dat de overmaking van geldmiddelen dient te geschieden onmiddellijk nadat de instelling voor elektronisch geld de geldmiddelen aan de houder van elektronisch geld heeft terugbetaald. Indien de instelling voor elektronisch geld de terugbetaalde middelen langer vasthoudt, bepaalt artikel 7, lid 3, van de REG II-richtlijn dat de beschermingsvereisten van artikel 9 van de RBD-richtlijn van toepassing zijn. Hieruit volgt dat de geldmiddelen moeten worden veiliggesteld opdat een zelfstandige betalingsdienst kan worden verricht overeenkomstig de bepalingen van de RBD-richtlijn.
85.
De verwijzende rechter heeft derhalve gelijk wanneer hij in de verwijzingsbeslissing concludeert dat, aangezien de uitgifte van elektronisch geld ook de terugbetaling van het geld als voorzien in artikel 11, lid 2, van de REG II-richtlijn omvat, de betrokken betalingsdienst (dienst I) als betalingstransactie die verband houdt met de uitgifte van elektronisch geld in de zin van de artikelen 5 en 6 van deze richtlijn moet worden aangemerkt, wanneer de terugbetaalde geldmiddelen op verzoek van de houder van elektronisch geld worden overgemaakt naar een bankrekening van een derde.
86.
Het tweede geval dat de verwijzende rechter noemt, betreft de betalingsdienst waarbij de koper (betaler) van goederen en/of diensten, in opdracht van de verkoper, geldmiddelen voor die goederen en/of diensten overmaakt naar de instelling voor elektronisch geld (uitgever van elektronisch geld) die, na ontvangst van deze geldmiddelen, ten behoeve van de verkoper (houder van elektronisch geld) elektronisch geld uitgeeft tegen de nominale waarde van de ontvangen geldmiddelen.
87.
Zoals de Commissie terecht opmerkt, moet de verrichting van betalingsdiensten, ongeacht of deze al dan niet verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, worden bezien vanuit het gezichtspunt van de instelling voor elektronisch geld.
88.
In het aan de orde zijnde geval ontvangt de instelling voor elektronisch geld geldmiddelen van de koper van goederen en/of diensten en maakt zij deze over naar de verkoper door elektronisch geld uit te geven. De betalingsdienst waarbij de instelling voor elektronisch geld geldmiddelen ontvangt en elektronisch geld uitgeeft, is in dit geval noodzakelijk om de uitgifte van elektronisch geld mogelijk te maken; het betreft dus geen zelfstandige dienst.
89.
Ik deel derhalve ook de mening van de verwijzende rechter over het feit dat de omstandigheid dat kopers (betalers) van goederen en/of diensten met de overmaking (betaling) van geldmiddelen naar verzoekster in het hoofdgeding (de instelling voor elektronisch geld) niet de uitgifte van elektronisch geld beogen, maar de betaling van goederen en/of diensten, niet relevant is. Deze kopers (betalers) verrichten de betrokken betalingen voor gekochte goederen en/of diensten aan verzoekster in het hoofdgeding in opdracht van de handelaar (klant van verzoekster in het hoofdgeding), en deze laatste heeft een overeenkomst gesloten met verzoekster in het hoofdgeding die, na ontvangst van de desbetreffende geldmiddelen van de kopers, onverwijld elektronisch geld uitgeeft tegen de nominale waarde van de ontvangen geldmiddelen. Het doel van de kopers staat derhalve niet in de weg aan het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de betalingstransactie en de uitgifte van elektronisch geld.
90.
Ik ben dan ook van mening dat de tweede betrokken betalingsdienst (dienst II) eveneens als werkzaamheid die verband houdt met de uitgifte van elektronisch geld moet worden aangemerkt.
V. Conclusie
91.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter van Litouwen) te beantwoorden als volgt:
„Artikel 5, lid 2, van richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG moet aldus worden uitgelegd dat in de omstandigheden van het onderhavige geval als betalingsdiensten die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld worden aangemerkt:
a)
betalingsdiensten waarbij de houder van elektronisch geld de instelling voor elektronisch geld die het elektronisch geld uitgeeft, verzoekt om één transactie te verrichten, die zowel de terugbetaling van het elektronisch geld als de overmaking van geldmiddelen naar de bankrekening van een derde omvat, en
b)
betalingsdiensten waarbij de koper (betaler) van goederen en/of diensten, in opdracht van de verkoper, geldmiddelen voor die goederen en/of diensten overmaakt naar de instelling voor elektronisch geld (uitgever van elektronisch geld) die, na ontvangst van deze geldmiddelen, ten behoeve van de verkoper (houder van elektronisch geld) elektronisch geld uitgeeft tegen de nominale waarde van de ontvangen geldmiddelen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Ook al wordt deze laatste uitdrukking veeleer in verband gebracht met bitcoin (Storrer, P., Droit de la monnaie électronique, RB Édition, Parijs, 2014, blz. 23). Zie voetnoot 6 van deze conclusie.
( 3 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG (PB 2009, L 263, blz. 7; hierna: „REG II-richtlijn”).
( 4 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1; hierna: „RBD-richtlijn”).
( 5 ) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG [COM(2008) 627 def.].
( 6 ) Hoewel velen (ten onrechte) menen dat dit het geval is. Het betreft veeleer virtueel geld dat „evenmin beantwoordt aan de definitie van betaalmiddel in de zin van de Code monétaire et financier (Frans monetair en financieel wetboek), en meer in het bijzonder aan de definitie van elektronisch geld, aangezien bitcoin niet wordt uitgegeven in ruil voor [...] ontvangen geld. Bovendien geldt er voor bitcoin, anders dan voor elektronisch geld, geen wettelijke garantie van terugbetaling op elk ogenblik en tegen de nominale waarde” (Banque de France, Les dangers liés au développement des monnaies virtuelles: l’exemple du bitcoin, Focus, nr. 10, 5 december 2013).
( 7 ) Uiteengezet in artikel 5, lid 3, van de REG II-richtlijn.
( 8 ) Vermeld in artikel 8, leden 1 en 2, van de RBD-richtlijn.
( 9 ) Dit was evenmin het geval met de eraan voorafgaande richtlijn [richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PB 2000, L 275, blz. 39)]. Zie bijvoorbeeld Vereecken, M., „Monnaie électronique: commentaire des directives européennes”, Euredia, nr. 1, blz. 43‑79, 2004. De daarin gegeven uiteenzetting blijft vaak ook relevant voor de (nieuwe) REG II-richtlijn.
( 10 ) Benadrukt moet worden dat deze bijlage weliswaar de werkzaamheden specificeert die uitgevers van elektronisch geld mogen uitoefenen, maar niets zegt over de vraag of deze werkzaamheden al dan niet verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
( 11 ) Zie artikel 11, leden 1 en 2, van de REG II-richtlijn.
( 12 ) Betalingstransacties worden in artikel 4, punt 5, van de RBD-richtlijn gedefinieerd als „een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn”.
( 13 ) Zie artikel 5 van het voorstel van de Commissie [COM(2008) 627 def.] dat is aangehaald in voetnoot 5 van deze conclusie.
( 14 ) Zie over het principe van terugbetaalbaarheid met name Poullet, C., en Vuitton, R., „La remboursabilité de la monnaie électronique”, Bulletin du Cercle François Laurent, nr. 3, 2004, blz. 93‑147.
( 15 ) Zie Storrer, P., Droit de la monnaie électronique, RB Édition, Parijs, 2014, blz. 61‑65. Zie ook Lasserre Capdeville, J., „Le droit régissant le paiement par monnaie électronique en France”, Revue Lamy Droit des affaires, nr. 73, juli-augustus 2012, blz. 93‑97. Zie voor Oostenrijk Gerhartinger, H., Elektronisches Geld im österreichischen Bank- und Privatrecht, Bank Verlag Wien, Keulen, 2010. Zie ook Bulearcă, A., „Electronic Money, Means of Payment in Domestic and International Economic Exchanges. Statutory Changes at EU and EEA Level”, in Sararu, C.‑S., (red.), Studies of Business Law: Recent Developments and Perspectives, Peter Lang, Frankfurt am Main, 2013, blz. 195‑210, waarin ook wordt ingegaan op de omzetting van de REG II-richtlijn in Roemenië.
( 16 ) Wanneer zij de methoden van artikel 9, lid 1, onder a), b) of c), van de RBD-richtlijn toepast.