CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 6 september 2018 ( 1 )
Zaak C‑514/17
Openbaar Ministerie
tegen
Marin-Simion Sut
[verzoek van de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België)
om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Beginsel van wederzijdse erkenning – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel en procedures van overlevering tussen de lidstaten – Artikel 4, punt 6 – Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Toepassing – Strafbaar feit dat in de uitvaardigende lidstaat aan de veroordeling tot een vrijheidsstraf ten grondslag ligt in de uitvoerende lidstaat slechts bestraft met een geldboete – Artikel 2, lid 4 – Strekking van de voorwaarde van dubbele strafbaarheid – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Artikel 8, lid 3 – Aanpassing van de sanctie”
I. Inleiding
1.
Kan de rechter die zich moet uitspreken over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, een beroep doen op de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ ( 2 ) genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, wanneer het strafbare feit waarvoor dat bevel in de uitvaardigende lidstaat is afgegeven is bestraft met een vrijheidsstraf, terwijl het overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat slechts wordt bestraft met een geldboete?
2.
Dat is in wezen de vraag die de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België) heeft voorgelegd over een Europees aanhoudingsbevel dat de Roemeense autoriteiten meer dan zeven jaar geleden, namelijk op 26 augustus 2011, hebben uitgevaardigd tegen Marin-Simion Sut, een in België woonachtig Roemeens onderdaan, met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van een jaar en twee maanden wegens het besturen van een voertuig zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs.
3.
Volgens artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 kan de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat de tenuitvoerlegging weigeren van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, wanneer de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.
4.
Volgens vaste rechtspraak dient deze bepaling de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen om in het kader van de haar verleende beoordelingsmarge te beoordelen in welke mate de tenuitvoerlegging van de straf in de uitvoerende lidstaat de kansen kan verhogen op sociale re‑integratie van de gezochte persoon wanneer deze de straf waartoe hij is veroordeeld, heeft uitgezeten. ( 3 )
5.
In de onderhavige zaak staat vast dat de betrokkene niet met zijn overlevering heeft ingestemd en de wens heeft uitgesproken om zijn straf in België ten uitvoer te leggen. In haar verwijzingsbeslissing merkt de cour d’appel de Liège op dat Sut banden met België heeft, zodat de tenuitvoerlegging van de straf op Belgisch grondgebied, gelet op zijn concrete situatie, zijn kansen op sociale re‑integratie kan verhogen.
6.
De cour d’appel de Liège wordt echter geconfronteerd met het feit dat het strafbare feit waarvoor Sut in Roemenië tot een vrijheidsstraf is veroordeeld, volgens artikel 30, lid 1, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer ( 4 ) van 16 maart 1968, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, wordt bestraft met een geldboete.
7.
In zijn voor de cour d’appel de Liège gehouden requisitoir heeft het (Belgisch) Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit dus geen mogelijkheid heeft om een beroep te doen op de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging zoals bedoeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, aangezien de uitvoerende rechterlijke autoriteit krachtens artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2008/909/JBZ ( 5 ) een gevangenisstraf die door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit is opgelegd, niet mag omzetten in een geldboete. In deze omstandigheden is het Openbaar Ministerie van mening dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de straf waartoe Sut in Roemenië is veroordeeld, volgens Belgisch recht dus niet ten uitvoer kan leggen.
8.
De cour d’appel de Liège, die vraagtekens stelt bij de uitlegging van het Unierecht zoals door het Openbaar Ministerie in zijn requisitoir verdedigd, heeft derhalve besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Kan artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op feiten waarvoor door een rechterlijke instantie van een uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf is opgelegd, wanneer die feiten in de uitvoerende lidstaat slechts met een geldboete worden bestraft, waardoor de vrijheidsstraf in de uitvoerende lidstaat volgens het nationale recht van die staat niet ten uitvoer kan worden gelegd, met alle gevolgen van dien voor de sociale re‑integratie van de veroordeelde persoon en diens familiale, sociale, economische of andere banden?”
9.
In haar bij het Hof ingediende opmerkingen ondersteunt de Belgische regering het door het Openbaar Ministerie verdedigde standpunt, aangezien zij van mening is dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit inderdaad geen beroep kan doen op de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, daar zij de door de Judecătoria Carei (rechtbank van eerste aanleg van Carei, Roemenië) opgelegde gevangenisstraf ingevolge artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 niet kan omzetten in een geldboete.
10.
Zoals ik het betoog van de Belgische regering begrijp, komt het er in feite op neer dat de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning vereist dat het strafbare feit waarvoor deze wordt ingeroepen, in het recht van de uitvaardigende lidstaat en in dat van de uitvoerende lidstaat met dezelfde of althans soortgelijke straffen wordt bestraft. De Belgische rechter heeft dus twee problemen. Het eerste houdt verband met de verschillende sanctie waarin de nationale wetgevingen voor strafbare feiten in het wegverkeer voorzien, en het tweede met de onmogelijkheid om de „Roemeense” vrijheidsstraf om te zetten in een „Belgische” geldboete.
11.
Het onderhavige verzoek biedt het Hof dus de mogelijkheid om de betekenis te preciseren van het beginsel van wederzijdse erkenning zoals dat is geconcretiseerd in kaderbesluit 2002/584. Het biedt het Hof eveneens de gelegenheid om, in de lijn van de arresten van 17 juli 2008, Kozłowski ( 6 ); 6 oktober 2009, Wolzenburg ( 7 ); 11 januari 2017, Grundza ( 8 ), en 29 juni 2017, Popławski ( 9 ), nieuwe preciseringen aan te brengen bij de voorwaarden waaronder de rechter die zich moet uitspreken over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, een beroep kan doen op de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging genoemd in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, en bij de wijze waarop het bij dat kaderbesluit ingevoerde mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel moet worden ingepast in de regels en de beginselen van kaderbesluit 2008/909.
12.
In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom ik het niet eens ben met het standpunt dat de Belgische regering in deze zaak heeft ingenomen.
13.
Ik zal het Hof dus in overweging geven om voor recht te verklaren dat in een situatie als die welke hier aan de orde is, waarin het strafbare feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven in de uitvaardigende lidstaat is bestraft met een vrijheidsstraf, artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit voor de toepassing van de in die bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering, onderzoekt of en verlangt dat de feiten waarop de veroordeling betrekking heeft in de uitvoerende lidstaat eveneens worden bestraft met een vrijheidsstraf.
II. Toepasselijke bepalingen van het Unierecht
A. Kaderbesluit 2002/584
14.
Kaderbesluit 2002/584 heeft tot doel de formele uitleveringsprocedure tussen de lidstaten die is geregeld in de uiteenlopende verdragen waarbij die lidstaten partij zijn, af te schaffen en te vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. ( 10 ) Het kaderbesluit berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen, welk beginsel de „hoeksteen” van de gerechtelijke samenwerking vormt ( 11 ), en op een „hoge mate van vertrouwen” tussen de lidstaten. ( 12 )
15.
Artikel 1 van kaderbesluit 2002/584 is getiteld „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel” en bepaalt:
„1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
2. De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
[…]”
16.
Wanneer een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, moet het overeenkomstig artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 gaan om een veroordeling voor de duur van ten minste vier maanden.
17.
Artikel 2, lid 2, bevat een lijst van 32 strafbare feiten waarvoor, indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf staat met een maximum van ten minste drie jaar, het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd, zelfs indien die feiten in de uitvoerende lidstaat niet strafbaar zijn gesteld.
18.
Voor andere strafbare feiten kan aan overlevering van degene tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, door de uitvoerende lidstaat de voorwaarde van dubbele strafbaarheid worden gesteld. Daartoe bepaalt artikel 2, lid 4, van het kaderbesluit:
„Ten aanzien van andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat het Europees aanhoudingsbevel berust op een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.”
19.
In de artikelen 3 en 4 van kaderbesluit 2002/584 zijn de gronden tot verplichte respectievelijk facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel neergelegd.
20.
Artikel 4, punt 6, van dit kaderbesluit bepaalt:
„De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:
[…]
6) het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.”
B. Kaderbesluit 2008/909
21.
Kaderbesluit 2008/909, dat is vastgesteld na kaderbesluit 2002/584, beoogt de tenuitvoerlegging van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen in strafzaken, neergelegd in artikel 82, lid 1, VWEU, dat in de plaats is gekomen van artikel 31 VEU, op grond waarvan dit kaderbesluit is vastgesteld. ( 13 ) Overeenkomstig artikel 3 ervan beoogt het de erkenning en de tenuitvoerlegging te verzekeren, in een andere lidstaat dan de uitvaardigende lidstaat, van beslissingen waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, en wel teneinde de sociale re‑integratie van de veroordeelde te vergemakkelijken. ( 14 )
22.
Artikel 7 van kaderbesluit 2008/909, „Dubbele strafbaarheid”, bevat in lid 1 ervan een lijst van 32 strafbare feiten ten aanzien waarvan de uitvoerende lidstaat, indien zij in de uitvaardigende lidstaat worden bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar, het vonnis erkent en de veroordeling ten uitvoer legt zonder de dubbele strafbaarheid te toetsen.
23.
Voor de andere strafbare feiten bepaalt artikel 7, lid 3, van dit kaderbesluit:
„Ten aanzien van andere dan de in lid 1 genoemde strafbare feiten kan de tenuitvoerleggingsstaat de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de daaraan ten grondslag liggende feiten ook naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat een strafbaar feit vormen, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.”
24.
Artikel 8 van kaderbesluit 2008/909, „Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie”, luidt:
„1. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een […] toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.
[…]
3. Indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zo veel mogelijk overeen met de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde sanctie, die dan ook niet in een geldboete kan worden gewijzigd.”
25.
Ten slotte bepaalt artikel 25 van kaderbesluit 2008/909:
„Onverminderd [kaderbesluit 2002/584] zijn de bepalingen van het onderhavige kaderbesluit, voor zover verenigbaar met kaderbesluit 2002/584[…], van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit 2002/584[…] ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen […]”.
III. Opmerkingen vooraf
26.
Alvorens de prejudiciële vraag van de cour d’appel de Liège te onderzoeken, moest eerst een opmerking worden gemaakt over de wijziging die de Belgische wetgever zeer recentelijk heeft ingevoerd in de bepalingen die overtredingen van de wegverkeerswet bestraffen.
27.
De wet ter verbetering van de verkeersveiligheid ( 15 ) van 6 maart 2018 heeft de bepalingen van de wet op het wegverkeer immers ingrijpend veranderd, door de sancties voor die overtredingen te verzwaren. Krachtens artikel 7 van de wet ter verbetering van de verkeersveiligheid bepaalt artikel 30, lid 1, van de wegverkeerswet thans dat eenieder die een motorvoertuig bestuurt zonder in het bezit te zijn van het vereiste rijbewijs, wordt bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en een geldboete van 200 tot 2000 euro of met een van deze straffen alleen.
28.
Het strafbare feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven, wordt vandaag de dag in de uitvaardigende en in de uitvoerende lidstaat dus met eenzelfde soort straf bestraft, namelijk een vrijheidsstraf, hetgeen inhoudt dat de juridische belemmering die de Belgische autoriteiten aanvoeren tegen de tenuitvoerlegging, in België, van de straf waartoe Sut in Roemenië is veroordeeld, thans geheel verdwenen lijkt.
29.
Dit gezegd zijnde en aangezien de cour d’appel de Liège haar verzoek om een prejudiciële beslissing na de betrokken wetswijziging niet heeft ingetrokken, stel ik voor dat het Hof dit verzoek toch beantwoordt.
IV. Mijn analyse
30.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 in een situatie als hier aan de orde is, waarin de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de uitvoerende lidstaat de kansen op sociale re‑integratie van de veroordeelde kan vergroten, aldus moet worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit geen beroep kan doen op de in die bepaling bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging en dus verplicht is om het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren, wanneer de feiten waarvoor die straf in de uitvaardigende lidstaat is opgelegd in de uitvoerende lidstaat alleen worden bestraft met een geldboete.
31.
Alvorens deze vraag te onderzoeken, moet worden herinnerd aan een essentieel punt betreffende de samenhang van de twee kaderbesluiten die de cour d’appel de Liège in haar verwijzingsbeslissing noemt, namelijk ten eerste kaderbesluit 2002/584, waarbij het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel wordt ingevoerd, en ten tweede kaderbesluit 2008/909, dat de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen beoogt te bevorderen in de lidstaat waarin die tenuitvoerlegging de kansen op sociale re‑integratie van de veroordeelde kan verhogen.
32.
Het is juist dat de bepalingen van kaderbesluit 2008/909 volgens artikel 25 ervan van overeenkomstige toepassing zijn op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, punt 6 van kaderbesluit 2002/584 ertoe verbindt het vonnis ten uitvoer te leggen en voor zover ze verenigbaar zijn met de bepalingen van dat laatste besluit.
33.
De door de wetgever van de Unie voorziene samenhang tussen kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 moet bijdragen tot de verzekering van de toepassing van een fundamenteel beginsel van het strafrecht, namelijk de sociale re‑integratie van de veroordeelde door middel van een individualisering van de straf, hetgeen hier een fundamenteel aspect van die beide kaderbesluiten vormt.
34.
De Belgische regering begaat echter een vergissing bij haar uitlegging, en wel door een beroep te doen op de bepalingen van artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 teneinde de werking van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 te beperken.
35.
De Belgische regering houdt immers geen rekening met het feit dat de toepassing van kaderbesluit 2002/584 voorrang heeft op die van kaderbesluit 2008/909, en wel volgens de uitdrukkelijk bewoordingen van artikel 25 daarvan.
36.
De wetgever van de Unie heeft dus duidelijk zijn wens kenbaar gemaakt om geen afbreuk te doen aan de strekking en de kracht van het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel zoals ingevoerd bij kaderbesluit 2002/584 door in artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 te preciseren dat „[o]nverminderd [kaderbesluit 2002/584], de bepalingen van [kaderbesluit 2008/909], voor zover verenigbaar met [kaderbesluit 2002/584], van overeenkomstige toepassing zijn […]”. ( 16 )
37.
Bovendien houdt de Belgische regering geen rekening met de zeer verschillende werkingssferen van deze twee instrumenten.
38.
Kaderbesluit 2002/584 beoogt de gedwongen overlevering van de ene aan de andere lidstaat van een vervolgd of veroordeeld persoon die op de vlucht is of waarvan men niet weet waar hij zich bevindt, en waarvan gevreesd wordt dat hij de gevolgen van zijn handelingen wil ontlopen. Kaderbesluit 2002/584 beoogt dus te vermijden dat die persoon wegens een geografische afstand ongestraft blijft.
39.
Kaderbesluit 2008/909 gaat daarentegen niet uit van het idee dat de dader of verdachte gevlucht is en dat dus voor zijn gedwongen overlevering moet worden gezorgd. Het beoogt een geharmoniseerd systeem van tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tot stand te brengen binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, teneinde een klassieke wijze van tenuitvoerlegging van vonnissen te verzekeren zoals die in elke lidstaat plaatsvindt, en zodoende de sociale re‑integratie van de veroordeelde te bevorderen. Kaderbesluit 2008/909 vormt in feite de uitbreiding binnen die enkele ruimte van de dagelijkse praktijken van de nationale rechters. In elke lidstaat houdt de met de tenuitvoerlegging van de straf belaste rechter rekening met de persoonlijkheid van de veroordeelde, met zijn gezins- en beroepssituatie en met zijn woonplaats, teneinde de plaats van zijn gevangenhouding te bepalen en te vermijden dat zijn desocialisatie alleen als gevolg van die opsluiting wordt verergerd. Zo zal de persoon die door de rechterlijke autoriteiten van de stad Brest (Frankrijk) is veroordeeld, maar in Straatsburg (Frankrijk) woont, zijn straf ondergaan in een gevangenis dicht bij die laatste stad. Met de vaststelling van kaderbesluit 2008/909 zorgt de wetgever van de Unie ervoor dat dit ook het geval kan zijn wanneer die persoon in Frankfurt-am-Main (Duitsland) woont.
40.
Kaderbesluit 2008/909 beoogt dus de sociale re‑integratie te bevorderen van een persoon die in een lidstaat tot een vrijheidsstraf is veroordeeld, door hem de mogelijkheid te bieden om zijn straf of de rest van zijn straf uit te zitten in zijn sociale milieu van herkomst, dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat. Het gaat er dus om dat de uitvoerende lidstaat gevolg geeft aan een vonnis gewezen door de rechterlijke instantie van de uitvaardigende lidstaat, op dezelfde wijze als hij gewoonlijk met zijn eigen veroordelingen doet, namelijk door ervoor te zorgen dat alle maatregelen voor de tenuitvoerlegging en de inrichting van die straf worden geïndividualiseerd. ( 17 )
41.
Dit gezegd zijnde moet thans de vraag worden onderzocht of, gelet op de fundamentele beginselen waarop de bij de verdragen tot stand gebrachte rechterlijke samenwerking in strafzaken berust, maar eveneens op de relevante bepalingen van kaderbesluit 2002/584, de bevoegde Belgische rechterlijke autoriteit al dan niet de vrijheidsstraf ten uitvoer kan leggen die de Judecătoria Carei Sut heeft opgelegd.
42.
Om de hieronder uiteengezette redenen ben ik van mening dat het door de Belgische regering ingenomen standpunt in strijd is met kaderbesluit 2002/584, aangezien het niet de definitie van het begrip „wederzijdse erkenning” eerbiedigt en leidt tot de herinvoering van een systeem dat vergelijkbaar is met dat van de uitlevering tussen de lidstaten, dat de wetgever van de Unie nu juist terecht en uitdrukkelijk heeft willen afschaffen.
A. Wederzijdse erkenning
43.
Zoals duidelijk blijkt uit artikel 82, lid 1, VWEU, berust de justitiële samenwerking binnen de Europese strafrechtelijke ruimte op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dit beginsel vormt de „hoeksteen” van die samenwerking ( 18 ) en is volgens het Hof „van fundamenteel belang” in het Unierecht, aangezien het de mogelijkheid biedt om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden, samen met het beginsel van wederzijds vertrouwen waarop het berust. ( 19 )
44.
Op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning heeft een beslissing, zodra zij door een rechterlijke autoriteit in overeenstemming met het recht van de lidstaat waartoe zij behoort is genomen, volledige en rechtstreekse rechtskracht in de gehele Unie, zodat de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten aan de tenuitvoerlegging daarvan hun medewerking moeten verlenen alsof zij uitging van een rechterlijke autoriteit van hun eigen staat. ( 20 )
45.
Hieruit volgt dat wanneer de rechterlijke autoriteit van een lidstaat zich ertoe verbindt de tenuitvoerlegging te verzekeren van een veroordeling die door de rechter van een andere lidstaat is uitgesproken, zij overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning moet zorgen voor de tenuitvoerlegging van die veroordeling zoals die door die rechter is uitgesproken en op dezelfde wijze als ging het om haar eigen beslissing.
46.
Uit het arrest van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge ( 21 ), betreffende het beginsel ne bis in idem, volgt immers dat het beginsel van wederzijdse erkenning noodzakelijkerwijs impliceert dat de lidstaten, ongeacht langs welke weg de straf wordt opgelegd, wederzijds vertrouwen hebben in hun respectieve strafrechtssystemen en dat elke lidstaat de toepassing van het in de andere lidstaten geldende strafrecht aanvaardt, ook indien zijn eigen strafrecht tot een andere uitkomst zou leiden. ( 22 )
47.
De werkingssfeer van een rechterlijke beslissing is dus niet langer beperkt tot het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, maar beslaat thans de gehele Unie.
48.
In deze omstandigheden moet het beginsel van wederzijdse erkenning op zich kunnen garanderen dat het vonnis van de Judecătoria Carei van 8 juni 2011 wordt erkend en dat de vrijheidsstraf van een jaar en twee maanden waartoe Sut is veroordeeld, door de tribunal de première instance de Liège (rechtbank van eerste aanleg Luik, België) op dezelfde wijze ten uitvoer wordt gelegd als wanneer de tribunal de première instance d’Arlon (rechtbank van eerste aanleg Aarlen, België) dat vonnis had uitgesproken en de veroordeling had opgelegd.
49.
Nu dit vaststaat, moet thans worden onderzocht in welke mate de Belgische rechterlijke autoriteiten in het kader van het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel zoals ingevoerd bij kaderbesluit 2002/584, en meer bepaald in het kader van de toepassing van de in artikel 4, punt 6, daarvan genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, dit beginsel buiten toepassing kunnen laten wegens de ongelijkheid van de bestanddelen van het strafbare feit en, meer bepaald, van de straf in het recht van de uitvaardigende en het recht van de uitvoerende lidstaat.
B. Bewoordingen, opzet en doelstellingen van kaderbesluit 2002/584
50.
Kaderbesluit 2002/584 berust op het beginsel van wederzijdse erkenning en op een „hoge mate van vertrouwen” tussen de lidstaten. ( 23 ) Zoals in overweging 6 ervan is uiteengezet, vormt het de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad, die op 15 en 16 oktober 1999 te Tampere is bijeengekomen, als „hoeksteen” van de gerechtelijke samenwerking heeft aangemerkt.
51.
Zoals met name uit overweging 5 en uit artikel 31 ervan volgt, heeft kaderbesluit 2002/584 expliciet tot doel de uitleveringsprocedure tussen de lidstaten af te schaffen en deze te vervangen door een regeling van overlevering, in het kader waarvan de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich alleen tegen die overlevering kan verzetten bij een beslissing die met name wordt gemotiveerd door een van de gronden tot verplichte of facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging die limitatief worden opgesomd in de artikelen 3 en 4 van dat besluit.
52.
Volgens artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 kan de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat dus de tenuitvoerlegging weigeren van een Europees aanhoudingsbevel dat is afgegeven voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, wanneer de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.
53.
Ik herinner eraan dat deze bepaling de rechterlijke autoriteit in het kader van de hem verleende beoordelingsmarge de mogelijkheid moet bieden om te beoordelen in welke mate de tenuitvoerlegging van de straf in de uitvoerende lidstaat de kansen op sociale re‑integratie van de gezochte persoon kan verhogen, wanneer hij de straf waartoe hij is veroordeeld, heeft uitgezeten. ( 24 ) Deze bepaling illustreert dus perfect de wijze waarop de rechter het beginsel van wederzijdse erkenning, dat in principe de overlevering van de gezochte persoon meebrengt, moet koppelen aan het beginsel van de individualisering van de straf, dat juist verlangt dat hij onder bepaalde omstandigheden een uitzondering maakt op het beginsel van overlevering van die persoon zodat zijn sociale re‑integratie is verzekerd. ( 25 ) Ik wil preciseren dat het hier gaat om een uitzondering op het beginsel van overlevering van een veroordeelde persoon, en niet om een uitzondering op het beginsel van wederzijdse erkenning. Door toepassing van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging zoals bedoeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 erkent de uitvoerende rechterlijke autoriteit immers volledig de beslissing van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, aangezien hij voorstelt om deze beslissing in zijn plaats ten uitvoer te leggen.
54.
Ingegeven door de zorg om de functie van re‑integratie van de straf te verzekeren, getuigt deze handelwijze van de realiteit van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht waarbinnen, daaronder begrepen in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel en wanneer de straffeloosheid is weggenomen door de aanhouding van de veroordeelde persoon, de fundamentele beginselen van het strafrecht worden toegepast.
55.
Zoals elke uitzondering op het beginsel van overlevering moet de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 eng worden uitgelegd ( 26 ), hetgeen impliceert dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, teneinde elk risico van straffeloosheid te vermijden, moet nagaan of hij de straf daadwerkelijk ten uitvoer kan leggen overeenkomstig zijn nationale recht, alvorens de overlevering van de betrokkene te weigeren. ( 27 )
56.
In het hoofdgeding vraagt de rechter die zich moet uitspreken over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel zich af of hij werkelijk de tenuitvoerlegging van de straf overeenkomstig zijn nationale recht kan verzekeren, aangezien het strafbare feit waarvoor dat bevel is afgegeven in de uitvaardigende lidstaat is bestraft met een gevangenisstraf, terwijl het volgens zijn nationale recht slechts wordt bestraft met een geldboete. De betrokken rechter vraagt zich af of de ongelijkheid tussen de aard van de overeenkomstig het recht van de uitvaardigende lidstaat uitgesproken straf en die van de in het recht van de uitvoerende lidstaat voorziene straf, zich in dit geval niet verzet tegen de toepassing van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging zoals bedoeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584.
57.
Uit het onderzoek van de bewoordingen van die bepalingen en de analyse van de opzet en het doel van dat besluit blijkt dat in een situatie zoals die welke hier aan de orde is, waarin het strafbare feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven in de uitvaardigende lidstaat is bestraft met een vrijheidsstraf, de wetgever van de Unie de toepassing van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging zoals genoemd in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, niet afhankelijk heeft willen stellen van de voorwaarde dat de feiten waarop de veroordeling betrekking heeft, in de uitvoerende lidstaat eveneens worden bestraft met eenzelfde of althans een soortgelijke straf.
58.
Ten eerste herinner ik eraan dat uit de bewoordingen van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 volgt dat dit artikel voorziet in een grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, indien de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt „die straf” overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.
59.
Zoals het gebruik van het aanwijzend voornaamwoord „die” aangeeft, is de uitvoerende lidstaat dus wel degelijk verplicht om de door de uitvaardigende lidstaat opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen. Anders zou de vermelding van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf of de vermelding van de nog uit te zitten straf die moet worden opgenomen in punt c) van dat bevel, een deel van haar nuttige werking worden ontnomen. ( 28 )
60.
De vermelding dat de uitvoerende lidstaat zich ertoe moet verbinden om die straf ten uitvoer te leggen „overeenkomstig zijn nationale recht” vormt slechts de uitdrukking van het beginsel dat de maatregelen tot tenuitvoerlegging van de straf worden beheerst door het recht van de uitvoerende lidstaat. ( 29 ) Het gaat om maatregelen die de feitelijke tenuitvoerlegging van de straf moeten kunnen garanderen en de sociale re‑integratie van de veroordeelde moeten verzekeren. ( 30 ) Dit principe berust op het territorialiteitsbeginsel van het strafrecht, een beginsel dat alle lidstaten gemeen hebben, en op het beginsel van de individualisering van de straf als een van de functies daarvan.
61.
Deze vermelding beoogt dus wet- en bevoegdheidsconflicten te regelen die zouden kunnen voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in een andere dan de lidstaat van veroordeling, en kan dus niet aldus worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond daarvan bevoegd is om de door de uitvaardigende lidstaat uitgesproken vrijheidsstraf aan te passen of om te zetten, zodat deze overeenstemt met de straf die voor hetzelfde strafbare feit zou zijn opgelegd volgens het recht van de uitvoerende lidstaat.
62.
Ten tweede en zoals ik al heb opgemerkt, komt het door de Belgische regering verdedigde standpunt erop neer dat een op de uitleveringsprocedure geïnspireerde procedure opnieuw wordt ingevoerd.
63.
Kaderbesluit 2002/584 markeert evenwel duidelijk het afscheid van de uitleveringsprocedure tussen de lidstaten, op grond waarvan die lidstaten, wegens het gebrek aan vertrouwen dat zij in een buitenlands strafstelsel konden hebben, met het oog op uitlevering niet alleen konden verlangen dat de feiten waarvoor die uitlevering werd gevraagd een strafbaar feit volgens het recht van de verzoekende lidstaat vormde, maar eveneens dat de bestanddelen van het strafbare feit dezelfde waren.
64.
Op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning waarop kaderbesluit 2002/584 berust, heeft een beslissing, wanneer zij door een rechterlijke autoriteit is genomen overeenkomstig het recht van de lidstaat waaronder die autoriteit ressorteert, in de gehele Unie volledige en rechtstreekse werking, zodat de bevoegde autoriteiten van elke andere lidstaat hun medewerking aan de tenuitvoerlegging van de beslissing moeten verlenen alsof deze afkomstig was van een rechterlijke autoriteit van hun eigen staat. Zoals uit het arrest van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge ( 31 ), blijkt, impliceert het beginsel van wederzijdse erkenning noodzakelijkerwijs dat de lidstaten over en weer vertrouwen hebben in hun respectieve strafstelsels en dat elk van hen de toepassing van het in andere lidstaten geldende strafrecht accepteert.
65.
In het kader van het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel komt dit vertrouwen tot uitdrukking in het feit dat de lidstaten afzien van een toetsing van de dubbele strafbaarheid van de 32 strafbare feiten genoemd in artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584. ( 32 )
66.
Voor „andere strafbare feiten” bedoeld in artikel 2, lid 4, van het kaderbesluit, waaronder het strafbare feit dat hier aan de orde is, is deze toetsing bovendien uitermate beperkt. In dat geval kan de rechterlijke autoriteit uitsluitend nagaan of de strafbare feiten waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven, berusten „op een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan”.
67.
De straf is echter afhankelijk van de bestanddelen van het strafbare feit.
68.
Het strafbare feit verwijst naar een handeling die de wet definieert en verbiedt op straffe van strafsancties. Het strafbare feit bevat dus twee elementen. Ten eerste de strafbaarheid en ten tweede de sanctie. De strafbaarheid is de omschrijving van de verboden gedraging. De sanctie is de straf die verbonden is aan het begaan van de verboden handeling. Om die reden moet de bestraffende wet, voor de toepassing van de strafwetgeving en met eerbiediging van het fundamentele beginsel van legaliteit van delicten en straffen, de aard van de verboden handeling precies beschrijven, daaronder begrepen de intellectuele, dat wil zeggen de opzettelijke, dimensie ervan, alsook de aard en de zwaarte van de sanctie die aan de wetsovertreding is verbonden.
69.
Het Hof heeft de strekking van de toetsing van de dubbele strafbaarheid die in de context van kaderbesluit 2008/909 voor die „andere strafbare feiten” is voorzien, uitgelegd in het arrest van 11 januari 2017, Grundza ( 33 ), en mij lijkt dat die analyse perfect kan worden toegepast in het kader van het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel.
70.
Kaderbesluit 2008/909, dat is vastgesteld na kaderbesluit 2002/584, heeft in artikel 7, lid 3, ervan namelijk in absoluut gelijke bewoordingen de bewoordingen van artikel 2, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 overgenomen, hetgeen aantoont dat de wetgever van de Unie elke vergelijking waartoe de uitvoerende rechterlijke autoriteit zou kunnen overgaan, of dit nu in het kader van het Europees aanhoudingsbevel of in dat van kaderbesluit 2008/909 is, zoveel mogelijk en overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning duidelijk heeft willen beperken.
71.
In de punten 33 tot en met 38 van het arrest van 11 januari 2017, Grundza ( 34 ), heeft het Hof derhalve geoordeeld dat de beoordeling van de dubbele strafbaarheid door de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich ertoe moet beperken, na te gaan of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit zoals die zijn weergegeven in het door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit uitgesproken vonnis, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat, als zodanig op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft. Volgens het Hof gaat het hier om de voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid „noodzakelijke en toereikende” voorwaarde, en is dus geen exacte overeenstemming vereist noch tussen de bestanddelen van het strafbare feit – waarvan de straf deel uitmaakt – noch tussen de benaming of de classificatie van dat strafbare feit in de respectieve nationale rechtsstelsels.
72.
Onder deze omstandigheden kan de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid waarnaar artikel 2, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 verwijst, niet aldus worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond daarvan voor de toepassing van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging zoals bedoeld in artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit, kan nagaan of en eisen dat de feiten waarop de veroordeling in de uitvaardigende lidstaat berust in de uitvoerende lidstaat met dezelfde of althans een soortgelijke straf worden bestraft. De vergelijking door de uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft dus haar grenzen en kan zich niet uitstrekken tot de aard van de straf die in de uitvaardigende en de uitvoerende lidstaat wordt uitgesproken.
73.
In een situatie als hier aan de orde is, zou het dus duidelijk in strijd zijn met de bewoordingen van artikel 2, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 zoals door het Hof uitgelegd, om een dergelijke gelijkheid te verlangen.
74.
Bovendien zou de doeltreffendheid van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen die zijn gegeven in het kader van het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel duidelijk minder worden, indien een lidstaat kan verlangen dat de feiten waarop de veroordeling in de uitvaardigende lidstaat betrekking heeft, in zijn recht met eenzelfde of althans met een soortgelijke straf worden bestraft, aangezien die houding erop zou neerkomen dat een op de uitleveringsprocedure geïnspireerde procedure opnieuw wordt ingevoerd. Die houding druist kennelijk in tegen de door de wetgever van de Unie duidelijk geuite wens om de tussen de lidstaten bestaande uitleveringsprocedure te vervangen door een overleveringsprocedure gebaseerd op wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten.
75.
Voorts komt een uitlegging als die welke door de Belgische regering wordt verdedigd erop neer dat elke nuttige werking wordt ontnomen aan de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, wanneer het Europees aanhoudingsbevel een strafbaar feit betreft dat in de uitvoerende lidstaat slechts met een geldboete wordt bestraft. Deze situatie kan zich vaak voordoen, met name wanneer het aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggende strafbare feit niet wordt genoemd op de lijst van de 32 ernstige strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, lid 2, van dit kaderbesluit en waarvoor de nationale wettelijke regelingen van elkaar verschillen als gevolg van het ontbreken van harmonisatie op het niveau van de Unie. De aanzienlijke beperking van de werkingssfeer van die grond heeft noodzakelijkerwijs een negatief gevolg voor het doel van sociale re‑integratie dat de wetgever in het kader van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit nastreeft.
76.
Ten slotte zou de harmonisatie van de gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, dat de consensus weergeeft die alle lidstaten hebben bereikt over de strekking die aan het doel van sociale re‑integratie van de veroordeelde moet worden gegeven, opnieuw ter discussie worden gesteld wanneer een lidstaat de toepassing van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging zoals genoemd in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, afhankelijk kan stellen van de voorwaarde dat het strafbare feit in de uitvaardigende en de uitvoerende lidstaat met dezelfde of althans een soortgelijke straf worden bestraft. Dit is een situatie die het Hof formeel heeft verboden in het arrest van 26 februari 2013, Melloni ( 35 ), ten aanzien van de grond tot niet-erkenning van beslissingen gewezen in een procedure waarin de betrokkene niet in persoon is verschenen in de zin van artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584.
77.
In feite gaat het hier om een situatie waarin aan de buitenlandse beslissing dezelfde werking moet worden gegeven als aan een nationale beslissing, ook al zou het nationale recht tot een andere oplossing hebben geleid, en wel op grond van de kracht van het beginsel van wederzijdse erkenning en de formulering die het Hof daaraan heeft gegeven door middel van zijn formulering van het beginsel ne bis in idem in het arrest van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge. ( 36 )
78.
Gelet op een en ander ben ik derhalve van mening dat in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin het strafbare feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven in de uitvaardigende lidstaat is bestraft met een vrijheidsstraf, artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit voor de toepassing van de in die bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, nagaat of en verlangt dat de feiten waarop de veroordeling betrekking heeft in de uitvoerende lidstaat eveneens worden bestraft met een vrijheidsstraf.
79.
In deze omstandigheden en aangezien de tenuitvoerlegging van de veroordeling door de Roemeense rechterlijke autoriteit betrekking heeft op feiten die volgens Belgisch recht een strafbaar feit vormen, verzet niets zich ertegen dat de Belgische rechterlijke autoriteit zich ertoe verplicht de tenuitvoerlegging van die veroordeling te verzekeren door een beroep te doen op de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging genoemd in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, indien zij van oordeel is dat, gelet op de banden die Sut met België heeft, de tenuitvoerlegging van de straf op het grondgebied van die staat zijn kansen op sociale re‑integratie kan vergroten.
C. Strekking en grenzen van de toepassing van de bepalingen van kaderbesluit 2008/909
80.
De bepalingen van kaderbesluit 2008/909 kunnen mijns inziens geen wijziging brengen in deze uitlegging van de bewoordingen van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584.
81.
Ten eerste herinner ik eraan dat de wetgever van de Unie met de vaststelling van kaderbesluit 2008/909 duidelijk zijn wens kenbaar heeft gemaakt om geen afbreuk te doen aan de strekking of de kracht van het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel.
82.
De bepalingen van kaderbesluit 2008/909 zijn volgens artikel 25 ervan weliswaar van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen wanneer een lidstaat zich op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 ertoe verbindt een vonnis ten uitvoer te leggen, doch de wetgever van de Unie heeft uitdrukkelijk bepaald dat deze bepalingen slechts gelden „voor zover verenigbaar met kaderbesluit 2002/584”.
83.
Geen enkele bepaling van kaderbesluit 2008/909 kan derhalve afbreuk doen aan de strekking of aan de toepassingswijze van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging zoals genoemd in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, en geen enkele bepaling van eerstgenoemd besluit kan worden uitgelegd in een zin die indruist tegen kaderbesluit 2002/584.
84.
Voorts heeft de wetgever van de Unie in kaderbesluit 2008/909 soortgelijke bepalingen opgenomen als in kaderbesluit 2002/584, hetgeen aangeeft dat hij wilde garanderen dat het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel noch wordt tegengewerkt noch wordt afgezwakt.
85.
Ten tweede en voor het geval het Hof mocht oordelen dat artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 in deze zaak een relevante bepaling is, moet de door de Belgische regering voorgestelde uitlegging van de strekking daarvan worden afgewezen.
86.
In artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 is, zoals de titel ervan al aangeeft, het beginsel neergelegd van erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opgelegde sanctie, overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning.
87.
Artikel 8, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 sluit dus elke aanpassing van de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opgelegde sanctie principieel uit. ( 37 ) In het arrest van 8 november 2016, Ognyanov ( 38 ), heeft het Hof de bewoordingen van deze bepaling aldus uitgelegd dat deze voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit in beginsel de verplichting inhouden om het haar toegezonden vonnis te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen waarvan de duur en aard zijn vastgelegd in het in die uitvaardigende lidstaat gewezen vonnis. ( 39 ) Het beginsel van wederzijdse erkenning verzet zich er dus tegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit uitgesproken sanctie aanpast, en dit zelfs al zou de toepassing van het recht van de uitvoerende lidstaat tot gevolg hebben gehad dat een straf wordt opgelegd waarvan de duur of de aard verschilt.
88.
Zoals de Commissie heeft opgemerkt in het verslag betreffende de uitvoering van kaderbesluit 2008/909 „moet de beslissing van de rechter in de uitvaardigende lidstaat, [a]angezien de kaderbesluiten gebaseerd zijn op het vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsstelsels, […] worden geëerbiedigd en wordt die in principe niet herzien of aangepast”. ( 40 )
89.
In deze omstandigheden lijkt mij dus duidelijk dat het beroep op artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 in casu niet relevant is.
90.
Ter verdere overtuiging zou ik hieraan kunnen toevoegen dat de Belgische regering zich eveneens vergist ten aanzien van de strekking en de zin van de beperking die de wetgever van de Unie in artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 heeft gesteld aan de bevoegdheid tot aanpassing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
91.
Ik herinner eraan dat de Belgische regering zich op de bewoordingen van die bepaling baseert ter onderbouwing van de stelling dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, gelet op de bepalingen van de wegverkeerswet die het besturen van een voertuig zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs bestraffen met een geldboete, de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opgelegde vrijheidsstraf niet kan aanpassen, zodat zij zich niet ertoe kan verbinden de straf waartoe Sut is veroordeeld, feitelijk ten uitvoer te leggen.
92.
In artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 verbiedt de wetgever uitdrukkelijk dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opgelegde vrijheidsstraf omzet in een geldboete, zodat wordt gegarandeerd dat de straf globaal de samenhang behoudt die zij op de dag van de uitspraak had en, met name, dat zij evenredig blijft en een adequate oplossing vormt voor de verstoring van de openbare orde in de uitvaardigende lidstaat, waardoor zij het wederzijdse vertrouwen verzekert waarvoor de nationale rechterlijke autoriteiten moeten instaan.
93.
De bepalingen die in artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 voor de aanpassing van de veroordeling zijn voorzien, gelden echter alleen voor zover de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opgelegde sanctie wegens de aard ervan „onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat”. Zoals het Hof in het arrest van 8 november 2016, Ognyanov ( 41 ), heeft opgemerkt, zijn de voorwaarden die de wetgever van de Unie voor de aanpassing van de straf heeft gesteld dus bijzonder „strikt”. ( 42 )
94.
Vastgesteld moet worden dat de Belgische regering de aard van de door de Judecătoria Carei opgelegde straf hier niet vergelijkt met haar eigen rechtsstelsel als geheel bezien, maar met artikel 30 van de wegverkeerswet, dat wil zeggen haar eigen wettelijke regeling die het betrokken strafbare feit specifiek bestraft. Door een dergelijke vergelijking en door de Roemeense openbare orde dus te beoordelen aan de hand van haar eigen orde die, zoals ik heb beklemtoond, is gewijzigd en dichter bij die van Roemenië is gekomen, redeneert de Belgische regering dus weer door middel van assimilatie met het recht van uitlevering en treedt zij daarmee buiten de werkingssfeer van zowel kaderbesluit 2008/909 als kaderbesluit 2002/584.
95.
Het Belgisch recht kent de vrijheidsstraf – zodat de aard van de sanctie die de Roemeense autoriteiten Sut hebben opgelegd niet als onverenigbaar met het Belgische recht kan worden aangemerkt – en de Belgische rechterlijke autoriteiten kennen het beginsel van sociale re‑integratie, hetgeen juist aanleiding was voor de vraag van de verwijzende rechter.
96.
In deze omstandigheden en aangezien de rechterlijke autoriteit die zich moet uitspreken over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dat jegens Sut is afgegeven ervan mocht uitgaan dat hij voldoende nauwe banden met België heeft, zodat de tenuitvoerlegging van de straf op Belgische grondgebied zijn kansen op sociale re‑integratie kan verhogen, zie ik er geen probleem in dat zij zich ertoe verbindt om de straf waartoe hij in Roemenië is veroordeeld ten uitvoer te leggen.
97.
Gelet op een en ander ben ik van mening dat in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin het strafbare feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven in de uitvaardigende lidstaat is bestraft met een vrijheidsstraf, artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit voor de toepassing van de in die bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, nagaat of en verlangt dat de feiten waarop de veroordeling betrekking heeft, in de uitvoerende lidstaat eveneens worden bestraft met een vrijheidsstraf.
V. Conclusie
98.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de cour d’appel de Liège (België) gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„In een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin het strafbare feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is afgegeven in de uitvaardigende lidstaat is bestraft met een vrijheidsstraf, moet artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit voor de toepassing van de in die bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, nagaat of en verlangt dat de feiten waarop de veroordeling betrekking heeft, in de uitvoerende lidstaat eveneens worden bestraft met een vrijheidsstraf.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”).
( 3 ) Zie arresten van 17 juli 2008, Kozłowski (C‑66/08, EU:C:2008:437, punt 45); 6 oktober 2009, Wolzenburg (C‑123/08, EU:C:2009:616, punten 62 en 67); 21 oktober 2010, B. (C‑306/09, EU:C:2010:626, punt 52); 5 september 2012, Lopes Da Silva Jorge (C‑42/11, EU:C:2012:517, punt 32), en 29 juni 2017, Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:503, punt 21).
( 4 ) Belgisch Staatsblad van 27 maart 1968, blz. 3146, hierna: „wegverkeerswet”.
( 5 ) Kaderbesluit van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299 (hierna: „kaderbesluit 2008/909”).
( 6 ) C‑66/08, EU:C:2008:437.
( 7 ) C‑123/08, EU:C:2009:616.
( 8 ) C‑289/15, EU:C:2017:4.
( 9 ) C‑579/15, EU:C:2017:503.
( 10 ) Zie overwegingen 1 en 5 van dat kaderbesluit.
( 11 ) Zie overweging 6 van dat kaderbesluit.
( 12 ) Zie overweging 10 van kaderbesluit 2002/584.
( 13 ) Zie overwegingen 1, 2 en 5 van kaderbesluit 2008/909.
( 14 ) Zie overweging 9 en artikel 3, lid 1, van dat kaderbesluit.
( 15 ) Belgisch Staatsblad van 15 maart 2018, blz. 23236.
( 16 ) Cursivering van mij.
( 17 ) Het zou een grote vergissing zijn te veronderstellen dat voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die door de rechter van een andere lidstaat is opgelegd, in elk van die lidstaten de afgifte van een nationaal aanhoudingsbevel nodig is.
( 18 ) Zie overweging 6 van kaderbesluit 2002/584.
( 19 ) Zie arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 36), en Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) (C‑220/18 PPU, EU:C:2018:589, punt 49).
( 20 ) Zie in dit verband de Mededeling van de Europese Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 26 juli 2000 – Wederzijdse erkenning van definitieve beslissingen in strafzaken, [COM(2000) 495 def., met name blz. 8].
( 21 ) C‑187/01 en C‑385/01, EU:C:2003:87. Zie eveneens arresten van 9 maart 2006, Van Esbroeck (C‑436/04, EU:C:2006:165); 28 september 2006, Van Straaten (C‑150/05, EU:C:2006:614); 28 september 2006, Gasparini e.a. (C‑467/04, EU:C:2006:610), 18 juli 2007, Kraaijenbrink (C‑367/05, EU:C:2007:444), en 16 november 2010, Mantello (C‑261/09, EU:C:2010:683).
( 22 ) Zie punt 33 van dit arrest.
( 23 ) Zie overweging 10 van dit kaderbesluit.
( 24 ) Zie arresten van 17 juli 2008, Kozłowski (C‑66/08, EU:C:2008:437, punt 45); 6 oktober 2009, Wolzenburg (C‑123/08, EU:C:2009:616, punten 62 en 67); 21 oktober 2010, B. (C‑306/09, EU:C:2010:626, punt 52); 5 september 2012, Lopes Da Silva Jorge (C‑42/11, EU:C:2012:517, punt 32), en 29 juni 2017, Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:503, punt 21).
( 25 ) De voormelde rechtspraak van het Hof, evenals die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (zie met name EHRM, 30 juni 2015, Khoroshenko tegen Rusland, CE:EHRM:2015:0630JUD004141804, § 121), legt de nadruk op het belang van het doel van de sociale re‑integratie van de veroordeelde, niet alleen in het kader van de individuele beoordeling, door de rechter, van de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, maar eveneens van het strafrechtelijk beleid van de lidstaten, en het Hof heeft recentelijk in het arrest van 17 april 2018, B en Vomero (C‑316/16 en C‑424/16, EU:C:2018:256, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak), opgemerkt dat de herintegratie van de Unieburger in de staat waar hij daadwerkelijk is geïntegreerd niet alleen in diens belang is, maar tevens in dat van de Europese Unie in het algemeen.
( 26 ) Zie arresten van 25 juli 2018, AY (Aanhoudingsmandaat – Getuige) (C‑268/17, EU:C:2018:602, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 27 ) Zie arrest van 29 juni 2017, Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:503, punt 22).
( 28 ) Zie het standaardformulier van het Europees aanhoudingsbevel dat is opgenomen in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584.
( 29 ) Dit beginsel is eveneens opgenomen in artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909, dat het voorwerp vormde van het naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing gewezen arrest van het Hof van 8 november 2016, Ognyanov (C‑554/14, EU:C:2016:835).
( 30 ) In de punten 70 tot en met 73 van mijn conclusie in de zaak Ognyanov (C‑554/14, EU:C:2016:319) heb ik gepreciseerd dat de bevoegde rechterlijke autoriteiten in dit kader de modaliteiten van de voltrekking en de organisatie van de straf moeten vaststellen, door bijvoorbeeld te besluiten over externe plaatsing, verloven, plaatsing in een open inrichting, tenuitvoerlegging in gedeelten, opschorting van de straf, maatregelen tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidsstelling van de gedetineerde of tot plaatsing onder elektronisch toezicht. Ik heb eveneens aangegeven dat het recht betreffende de tenuitvoerlegging van straffen ook maatregelen omvat die na de invrijheidsstelling van de gevonniste persoon kunnen worden genomen, zoals plaatsing onder gerechtelijk toezicht of ook deelname aan reclasseringsprogramma’s of maatregelen tot vergoeding van de schade aan de slachtoffers.
( 31 ) C‑187/01 en C‑385/01, EU:C:2003:87.
( 32 ) In deze omstandigheden moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging verzekeren van de straf waartoe de betrokkene is veroordeeld, zelfs al worden de betrokken feiten in de uitvoerende lidstaat niet bestraft. De omschrijving van die strafbare feiten en de toepasselijke straffen zijn, aldus het Hof, die welke volgen uit het recht van de uitvaardigende lidstaat, daar kaderbesluit 2002/584 niet strekt tot harmonisatie van de betrokken strafbare feiten wat de bestanddelen ervan of de daarop gestelde straffen betreft. Zie dienaangaande arrest van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld (C‑303/05, EU:C:2007:261, punten 52 en 53).
( 33 ) C‑289/15, EU:C:2017:4.
( 34 ) C‑289/15, EU:C:2017:4.
( 35 ) C‑399/11, EU:C:2013:107.
( 36 ) C‑187/01 en C‑385/01, EU:C:2003:87.
( 37 ) De wetgever van de Unie heeft in twee uitzonderingen op die principiële verplichting voorzien. Krachtens artikel 8, leden 2 en 3, van kaderbesluit 2008/909 heeft de uitvoerende rechterlijke autoriteit de mogelijkheid om de duur of de aard van de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opgelegde sanctie aan te passen, teneinde de tenuitvoerlegging van de straf met eerbiediging van het recht van de uitvoerende lidstaat te garanderen.
( 38 ) C‑554/14, EU:C:2016:835.
( 39 ) Zie punt 36 van het arrest.
( 40 ) Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2014 betreffende de uitvoering door de lidstaten van de kaderbesluiten 2008/909/JBZ, 2008/947/JBZ en 2009/829/JBZ inzake de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen betreffende vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, inzake proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen en inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis [COM(2014) 57 final, met name punt 4.2, blz. 7 en 8].
( 41 ) C‑554/14, EU:C:2016:835, punt 36.
( 42 ) De gevallen waarin de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde sanctie van dien aard is dat deze onverenigbaar is met het recht van de uitvoerende lidstaat zijn mijns inziens zeldzaam, aangezien de strafregeling, ook al is deze in de Unie niet geharmoniseerd, grote overeenkomsten tussen de lidstaten vertoont.
Full & Egal Universal Law Academy