CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 21 november 2018 ( 1 )
Zaak C‑558/17 P
OZ
tegen
Europese Investeringsbank (EIB)
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Personeel van de EIB – Seksuele intimidatie – Klacht – Onderzoek in het kader van het ,Dignity at work’-programma – Afwijzing van de klacht – Verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de president van de EIB om geen gevolg te geven aan de klacht – Vordering tot vergoeding van de schade veroorzaakt door het gedrag van de EIB”
I. Inleiding
1.
De instellingen, organen en instanties van de Europese Unie dienen hun personeel te beschermen tegen elke vorm van intimidatie en pesten op het werk. Hiertoe heeft de Europese Investeringsbank (hierna: „EIB”) een interne regeling met de naam „Beleid inzake waardigheid op het werk” vastgesteld.
2.
In het onderhavige geval heeft rekwirante krachtens deze regeling een „klacht” bij de EIB ingediend wegens seksuele intimidatie, waaraan haar hiërarchieke meerdere zich vanaf 2011 tot de wijziging van haar functie in 2012 jegens haar schuldig zou hebben gemaakt. Volgens rekwirante waren tijdens de interne onderzoeksprocedure die was ingeleid naar aanleiding van haar klacht verschillende fouten gemaakt die uiteindelijk hebben geleid tot afwijzing van haar klacht.
3.
Naast schending van haar procedurele rechten voert rekwirante met name aan dat het onwettig was informatie betreffende haar privéleven in aanmerking te nemen, met als enige doel haar geloofwaardigheid in twijfel te trekken.
4.
De moeilijkheid om intimidatie te bewijzen is inherent aan de aard van dit soort gedrag en de wijze waarop het plaatsvindt. Een na een onderzoeksprocedure genomen besluit van het bestuur dat het waarheidsgehalte van de beweerde intimidatie beoogt vast te stellen, berust dus tot op zekere hoogte steeds op meningen of waardeoordelen over aspecten van het privéleven van de betrokken personen. In die omstandigheden is de eerbiediging van de procedureregels inzake de besluitvorming van groot belang.
5.
De onderhavige hogere voorziening biedt het Hof de gelegenheid zich voor het eerst te buigen over de vraag aan welke procedurele eisen een administratief onderzoek naar intimidatie moet voldoen. Daarbij rijst de vraag naar de gegrondheid van vaste rechtspraak van het Gerecht voor ambtenarenzaken en van het Gerecht volgens welke, in het kader van een klacht wegens intimidatie, de procedurele rechten die aan de van intimidatie beschuldigde persoon moeten worden toegekend, verschillen van de rechten van de klager die zich slachtoffer van intimidatie acht, die beperkter zijn. ( 2 )
II. Toepasselijke bepalingen
A. Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie
6.
Artikel 24, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) ( 3 ) bepaalt:
„De Unie verleent bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaan.”
B. Personeelsreglement van de EIB
7.
Artikel 41 van het personeelsreglement van de EIB, goedgekeurd op 20 april 1960 door de raad van bestuur van de EIB, zoals gewijzigd bij besluit van de raad van bestuur van de EIB van 4 juni 2013, in werking getreden op 1 juli 2013, luidt:
„Alle individuele geschillen tussen de Bank en de leden van haar personeel worden beslecht door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Elke vordering van een personeelslid tegen een voor hem mogelijk nadelige maatregel van de EIB moet binnen drie maanden worden ingesteld.
Naast de vordering bij het Hof van Justitie [...] en vóór de instelling ervan, zijn alle geschillen, voor zover zij niet voortvloeien uit de toepassing van de in artikel 38 bedoelde maatregelen, het voorwerp van een procedure van minnelijke schikking voor de verzoeningscommissie van de Bank.
Het verzoek tot een minnelijke schikking moet worden ingediend binnen drie maanden [na] de feiten of de kennisgeving van de maatregelen die het voorwerp van het geschil vormen. [...]”
C. Beleid van de EIB inzake eerbiediging van de waardigheid van de persoon op het werk
8.
De regeling van de EIB betreffende het beleid inzake eerbiediging van de waardigheid van de persoon op het werk (hierna: „beleid inzake waardigheid op het werk”), vastgesteld door de EIB op 18 november 2003 ( 4 ), bepaalt het volgende:
„Onderzoeksprocedure
[...]
De onderzoeksprocedure voorziet in het navolgende:
[...]
–
er wordt een uit drie onafhankelijke leden bestaand onderzoekscomité ingesteld [...];
–
het onderzoekscomité houdt een aantal hoorzittingen om beide partijen afzonderlijk en hun mogelijke getuigen, alsmede andere door het comité aangewezen personen, te horen;
–
beide partijen hebben het recht om door het onderzoekscomité te worden gehoord;
–
beide partijen hebben het recht om vertegenwoordigd of vergezeld te worden;
–
de hoorzittingen en beraadslagingen van het onderzoekscomité resulteren in een advies aan de president;
–
de president neemt een besluit neemt over de te nemen maatregelen.
Taken en samenstelling van het onderzoekscomité
Het comité dient een structuur in het leven te roepen die een objectief en onafhankelijk onderzoek naar een of meer incidenten garandeert dat resulteert in een ter besluitvorming aan de president voorgelegd advies.
[...]
Procedure
[...]
2.
De directeur-generaal van het directoraat Personeelszaken geeft, in overeenstemming met de personeelsvertegenwoordigers en uiterlijk 30 kalenderdagen nadat de klacht is ontvangen, aan de president de samenstelling van het comité in overweging en stelt een datum vast voor de aanvang van het onderzoek.
3.
De directeur-generaal van het directoraat Personeelszaken bevestigt onverwijld de ontvangst van de klacht van het personeelslid en geeft tegelijkertijd kennis van de inleiding van een onderzoeksprocedure [...].
4.
Zodra de klacht is ontvangen, geeft de directeur-generaal van de directie Personeelszaken aan
[...]
d.
dat het onderzoek aanvangt binnen 30 kalenderdagen na de officiële indiening van de klacht bij de directeur-generaal van het directoraat Personeelszaken en dat beide partijen in kennis worden gesteld van de datum, het tijdstip en de locatie van hun individuele hoorzitting, hun recht te worden vertegenwoordigd of zich te doen vergezellen en de samenstelling van het comité.
[...]
De hoorzitting
De hoorzitting is bedoeld om precies vast te stellen wat er is gebeurd en feiten te verzamelen die het mogelijk maken een met redenen omkleed advies op te stellen. De partijen hebben niet het recht elkaar onderling te horen, aangezien zij afzonderlijk worden gehoord. Ze zijn niet verplicht voor hen onaangename of gênante details mee te delen, voor zover dit niet absoluut noodzakelijk is. Alle bij het onderzoek en de hoorzittingen betrokken partijen, inclusief assistenten en getuigen, worden aan hun geheimhoudingsplicht herinnerd.
[...] Het comité kan optreden op de wijze die het passend acht. In de regel heeft de hoorzitting plaats in de vorm van afzonderlijke gesprekken die in de onderstaande volgorde worden gehouden:
–
om te beginnen de klager;
–
de getuigen die door de klager mogelijk zijn genoemd;
–
de van intimidatie beschuldigde persoon;
–
de getuigen die door de van intimidatie beschuldigde persoon mogelijk zijn genoemd;
–
de twee partijen voor nieuwe afzonderlijke hoorzittingen, voor zover het comité zulks nodig acht.
Desgewenst kan het comité de betrokken personen ook opnieuw ondervragen en eventueel andere personeelsleden oproepen of informatie of kopieën van documenten opvragen, wanneer het comité in zijn geheel dit gerechtvaardigd en nuttig acht. In geval van twijfel heeft de president het laatste woord over kwesties betreffende de toegang tot bestanden en gegevens of het gebruik van andere onderzoeksmethoden, indien nodig na raadpleging van de functionaris voor gegevensbescherming. Het comité stelt de klager op de hoogte van het aanvullend onderzoek.
Resultaat van het onderzoek
Zodra alle partijen zijn gehoord en alle andere passende onderzoeken zijn uitgevoerd, moet het comité in staat worden geacht te beraadslagen en een met redenen omkleed advies te geven. Het comité is niet bevoegd om besluiten te nemen.
Het comité kan adviseren:
–
de behandeling van de zaak niet voort te zetten omdat de twee partijen erin zijn geslaagd de situatie op te helderen en een voor beiden aanvaardbare oplossing voor de toekomst is gevonden;
–
de zaak niet aan te merken als intimidatie of pesten, maar als een werkgerelateerd geschil dat uitgebreider onderzoek of toezicht vergt;
–
de klacht af te wijzen;
–
de vereiste maatregelen te nemen ingeval het comité de klacht als ongegrond of kwaadwillig aanmerkt;
–
de tuchtprocedure in te leiden.
Het schriftelijke advies van het comité moet binnen vijf dagen na het einde van het onderzoek worden opgesteld en toegezonden aan de president, die zal beslissen welke maatregelen moeten worden genomen.
Besluit van de president
[...]
Uiterlijk binnen vijf werkdagen nadat het advies aan de president is toegezonden, worden beide partijen schriftelijk in kennis gesteld van diens met redenen omkleed besluit. Het advies van het comité wordt bij dit besluit gevoegd.”
III. Voorgeschiedenis van het geding en procedure bij het Gerecht
9.
Rekwirante, OZ, is op 1 december 2008 door de EIB aangesteld. Vanaf eind 2009 was zij daar werkzaam binnen een directie, waarin F. de functie van personeelscoördinator bekleedde. In september 2012 kreeg rekwirante een andere functie. In januari 2014 liet rekwirante haar afdelingshoofd weten dat deze verandering van functie verband hield met seksuele intimidatie waaraan F. zich sinds 2011 jegens haar schuldig zou hebben gemaakt.
10.
Op 20 mei 2015 heeft rekwirante een klacht ingediend bij de directeur-generaal van het directoraat Personeelszaken van de EIB, waarin zij stelde slachtoffer te zijn van seksuele intimidatie door F.
11.
Op 18 juni 2015 heeft de directeur-generaal van het directoraat Personeelszaken rekwirante meegedeeld dat naar aanleiding van haar klacht een formele onderzoeksprocedure (hierna: „onderzoeksprocedure”) was ingeleid uit hoofde van de interne regeling betreffende het beleid inzake waardigheid op het werk.
12.
Op 26 juni 2015 is het onderzoekscomité officieel benoemd en is aan rekwirante meegedeeld dat de hoorzittingen op 20 juli daaraanvolgend zouden plaatsvinden.
13.
Op 17 september 2015 heeft het onderzoekscomité zijn rapport (hierna: „rapport van het onderzoekscomité”) ingediend bij de president van de EIB.
14.
In zijn rapport heeft het comité de resultaten van zijn onderzoek weergegeven als volgt: de beweringen van rekwirante konden niet worden bevestigd, omdat getuigen van de vermeende handelingen ontbraken. Daarentegen waren alle getuigen het erover eens dat de gezondheid van rekwirante bezorgdheid wekte. Zij had een traumatische breuk met haar voormalige partner doorgemaakt en daarna veel gewicht verloren. Verder zou rekwirante niet kunnen wachten om verder carrière te maken en een manipulatief karakter hebben dat anderen in ernstige moeilijkheden kon brengen. Ook zou zij moeite hebben met elke vorm van kritiek. Uiteindelijk gaf het comité rekwirante het advies zich in te spannen om een betere teamgeest te ontwikkelen en opnieuw een positieve houding aan te nemen.
15.
Op 16 oktober 2015 heeft de president van de EIB op basis van het advies van het onderzoekscomité besloten om geen gevolg te geven aan de door rekwirante ingediende klacht (hierna: „besluit van de president van de EIB”). Het rapport van het onderzoekscomité was bij dit besluit gevoegd.
16.
Naar aanleiding van zijn besluit heeft de president van de EIB het onderzoekscomité nog om opheldering gevraagd met het oog op de eventuele inleiding van een tuchtprocedure en het comité heeft zijn laatste opmerkingen op 12 januari 2016 ingediend. Vervolgens heeft rekwirante een verzoek tot een minnelijke schikking ingediend krachtens artikel 41 van het personeelsreglement van de EIB.
17.
Op 29 juni 2016 heeft de president van de EIB, overeenkomstig de conclusie van de verzoeningscommissie van 22 april 2016, het falen van de verzoeningsprocedure vastgesteld.
18.
Op 22 juli 2016 heeft rekwirante bij het Gerecht een beroep ingesteld dat met name strekte tot nietigverklaring van het besluit van de president van de EIB en het rapport van het onderzoekscomité, alsmede tot veroordeling van de EIB om haar een vergoeding te betalen van 20000 EUR voor geleden immateriële schade alsook van 977 EUR (inclusief btw) en van een voorlopig bedrag van 5850 EUR voor ziektekosten als gevolg van de door haar geleden schade.
19.
Tot staving van haar beroep in eerste aanleg voerde rekwirante in wezen twee middelen aan. Het eerste middel betrof schending van de regels van de onderzoeksprocedure en van haar procedurele rechten krachtens artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), op grond dat verschillende fasen van de onderzoeksprocedure niet in acht zouden zijn genomen. Het tweede middel betrof schending van artikel 8 EVRM en artikel 7 van het Handvest, op grond dat het rapport van het onderzoekscomité en het besluit van de president van de EIB rechtvaardigingsgronden bevatten die het privéleven van rekwirante betroffen, met name haar geestelijke gezondheid, die irrelevant waren voor het voorwerp van het onderzoek. Rekwirante was van mening dat deze onregelmatigheden van dien aard waren dat zij nietigverklaring van het besluit van de president van de EIB en de niet-contractuele aansprakelijkheid van de EIB rechtvaardigden.
20.
In zijn arrest van 13 juli 2017 (hierna: „bestreden arrest”) ( 5 ) heeft het Gerecht allereerst de vordering tot schadevergoeding van rekwirante in haar geheel afgewezen op grond dat geen van de door haar aangevoerde grieven een aan de EIB toerekenbare onregelmatigheid vormde. Aangezien rekwirante stelde dat de ten behoeve van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde onregelmatigheden overeenkwamen met de ten behoeve van de vordering tot schadevergoeding aan het EIB verweten gedragingen, kwam het Gerecht vervolgens tot de slotsom dat ook de vordering tot nietigverklaring moest worden afgewezen.
IV. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
21.
Bij verzoekschrift van 22 september 2017 heeft rekwirante de onderhavige hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht ingesteld.
22.
Rekwirante verzoekt het Hof:
–
het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen;
–
het besluit van de president van de EIB van 16 oktober 2015 om geen gevolg te geven aan de door rekwirante ingediende klacht wegens seksuele intimidatie en het rapport van het onderzoekscomité van de EIB van 14 september 2015 (inclusief het kuisen van het rapport zoals hieronder nader beschreven) nietig te verklaren;
–
de EIB te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de ziektekosten die het gevolg zijn van de door haar geleden schade voor een bedrag van (i) 977 EUR tot op heden (inclusief btw) en (ii) een voorlopig bedrag van 5850 EUR voor toekomstige ziektekosten;
–
de EIB te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 20000 EUR wegens immateriële schade;
–
de EIB te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 35100 EUR (inclusief btw) voor de kosten van de onderhavige procedure;
–
de EIB te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure in hogere voorziening en van de procedure voor het Gerecht;
–
de terugverwijzing van de zaak te gelasten ter heropening door de EIB van de procedure in het kader van het beleid inzake waardigheid op het werk en/of met het oog op een nieuw besluit van de president van de EIB.
23.
De EIB verzoekt het Hof:
–
de hogere voorziening af te wijzen;
–
rekwirante te verwijzen in de kosten.
24.
Rekwirante en de EIB waren vertegenwoordigd ter terechtzitting van 26 september 2018.
V. Juridische beoordeling
25.
Rekwirante voert drie middelen aan tot staving van haar hogere voorziening: 1) schending van artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM; 2) schending van artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM, en 3) rechtsweigering.
26.
Het eerste middel betreft in wezen de beoordeling door het Gerecht van het verloop van de onderzoeksprocedure in het licht van de vereisten van het beleid inzake waardigheid op het werk en van de procedurele rechten van rekwirante krachtens artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM. Dit middel bestaat uit vier onderdelen die betrekking hebben op verschillende fouten die het Gerecht zou hebben gemaakt: de onjuiste bepaling van de omvang van de procedurele rechten van een klager; het niet verbinden van gevolgen aan de niet-inachtneming van de termijnen voor de onderzoeksprocedure; de onjuiste beoordeling van de evenwichtige samenstelling van het onderzoekscomité, en de afwijzing van de argumenten waarmee rekwirante de vertrouwelijke behandeling van haar klacht in twijfel heeft getrokken.
27.
Het tweede en het derde middel betreffen de afwijzing door het Gerecht van de argumenten waarmee rekwirante met name in het licht van artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM de onwettigheid beoogt aan te tonen van verschillende elementen in het rapport van het onderzoekscomité waarop de president van de EIB de ongegrondverklaring van de klacht zou hebben gebaseerd.
A. Ontvankelijkheid
28.
In de eerste plaats dient erop te worden gewezen dat het beroep bij het Gerecht tegen het besluit van de president van de EIB van 16 oktober 2015, ondanks dat het werd ingesteld op 22 juli 2016, dat wil zeggen meer dan negen maanden na de vaststelling van dit besluit, niet niet-ontvankelijk was. ( 6 ) Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 41, eerste alinea, van het personeelsreglement van de EIB ( 7 ) voor het instellen van beroep bij het Gerecht was gestuit gedurende de verzoeningsprocedure, die was ingeleid overeenkomstig artikel 41, derde alinea, van dit reglement. ( 8 ) Hoewel deze procedure niet verplicht is, kan de inleiding ervan niet afdoen aan het recht van de betrokkene om zich tot de Unierechter te wenden. ( 9 ) Daarom moet worden geoordeeld dat de beroepstermijn pas begint te lopen vanaf de datum van het eindbesluit waarbij het falen van de verzoeningsprocedure wordt vastgesteld, in casu 29 juni 2016.
29.
In de tweede plaats werpt de EIB twee excepties van niet-ontvankelijkheid op tegen de hogere voorziening. Om te beginnen is de EIB van mening dat de hogere voorziening nergens specifiek naar het bestreden arrest verwijst en, voorts, dat hiermee enkel de reeds in het verzoekschrift in eerste aanleg uiteengezette argumenten worden herhaald.
30.
Wat betreft de eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid kan worden volstaan met de vaststelling dat de grief feitelijke grondslag ontbeert, aangezien het verzoekschrift in hogere voorziening in de voetnoten wel degelijk verwijst naar specifieke punten van het bestreden arrest. Bovendien, en hoe dan ook, legt artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof geen formele verplichting op om genummerde punten van het bestreden arrest aan te halen. Het is voldoende dat de argumenten in het verzoekschrift in hogere voorziening het Hof in staat stellen om de redenering waarmee het Gerecht blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting te identificeren, zodat het zijn taken op het betrokken gebied en zijn wettigheidstoezicht kan oefenen. ( 10 )
31.
Wat betreft de tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid zij erop gewezen dat de meeste argumenten van rekwirante hoofdzakelijk de beoordeling in rechte door het Gerecht betreffen. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat wanneer een partij de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist, de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld. ( 11 )
32.
Anders is het evenwel waar het gaat om de argumenten van rekwirante betreffende de afwijzing, door het Gerecht, van de grief inzake de samenstelling van het onderzoekscomité en de vertrouwelijke behandeling van de klacht (derde en vierde onderdeel van het eerste middel). Wat dit betreft geeft rekwirante enkel opnieuw de feitelijke argumenten weer die reeds in eerste aanleg zijn uiteengezet. Zij herhaalt met name haar grief dat de aangewezen personen niet de vereiste kwalificaties en onpartijdigheid hadden, waarmee zij probeert de beoordeling van de feiten door het Gerecht in twijfel te trekken, zonder evenwel een onjuiste voorstelling van de feiten aan te voeren. Dit betoog moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58 van het Statuut van het Hof van de Europese Unie, volgens hetwelk de wettigheidstoetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen.
33.
Wat betreft, in de derde plaats, het verzoek van rekwirante met betrekking tot de zuivering van het rapport van het onderzoekscomité van onrechtmatig geachte feiten, volstaat de vaststelling dat het Gerecht in de punten 22 en 23 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat de Unierechter niet bevoegd is om de instellingen bevelen te geven. ( 12 ) Bovendien is rekwirante in haar verzoekschrift in hogere voorziening niet opgekomen tegen dit deel van het arrest. Bijgevolg moet dit deel van rekwirantes conclusies van meet af aan niet-ontvankelijk worden verklaard.
34.
De vernietiging van het arrest van het Gerecht en, in voorkomend geval, de nietigverklaring van het besluit van de president van de EIB kunnen weliswaar aanleiding geven tot een eventuele nieuwe onderzoeksprocedure binnen de EIB, maar het staat evenmin aan het Hof om de heropening van een dergelijke procedure voor te schrijven, omdat het de taak van de administratie is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een arrest van het Hof. ( 13 ) Hieruit volgt dat het laatste onderdeel van rekwirantes conclusies in hogere voorziening eveneens niet-ontvankelijk is.
B. Ten gronde
35.
Rekwirante verzoekt het Hof om het arrest van het Gerecht te vernietigen en het besluit van de president van de EIB nietig te verklaren, alsook om de niet-contractuele aansprakelijkheid van de EIB vast te stellen.
36.
Derhalve moet eerst worden onderzocht of de aan het Gerecht verweten onjuiste rechtsopvatting de vernietiging van het bestreden arrest rechtvaardigt (onder 1 en 2). Zo ja, dan moet vervolgens worden nagegaan of de zaak in staat van wijzen is en of de fouten die de EIB worden verweten in voorkomend geval de nietigverklaring van het besluit van de president van de EIB, alsook de niet-contractuele aansprakelijkheid van de EIB rechtvaardigen (onder 3).
1. Hogere voorziening
a) Eerste middel
37.
Met haar eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het na bestudering van het verloop van de onderzoeksprocedure heeft geoordeeld dat de door rekwirante aangevoerde onregelmatigheden geen schending van haar procedurele rechten uit hoofde van artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM inhielden en derhalve noch de nietigverklaring van het besluit van de president van de EIB, noch de niet-contractuele aansprakelijkheid van de EIB rechtvaardigden.
1) Eerste onderdeel van het eerste middel: onjuiste bepaling van de omvang van de procedurele rechten van rekwirante
38.
Rekwirante verwijt het Gerecht schending van haar rechten uit hoofde van artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM doordat het in punt 52 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de rechten van de klager in het kader van een onderzoeksprocedure wegens seksuele intimidatie die plaatsvindt op grond van het beleid inzake waardigheid op het werk beperkter zijn dan die van de verweerder. Op basis van deze onjuiste aanname heeft het Gerecht de door rekwirante aangevoerde procedurele onregelmatigheden ten onrechte terzijde geschoven.
39.
Meer in het bijzonder is rekwirante in de eerste plaats van mening dat het Gerecht voorbij is gegaan aan het beginsel van „equality of arms”, het beginsel van hoor en wederhoor en aan de rechten van verdediging van rekwirante door te oordelen dat het rechtmatig was dat het onderzoekscomité haar geen mededeling had gedaan van de verklaringen van de van intimidatie beschuldigde persoon en de tijdens het onderzoek gehoorde personen, welke verklaringen hadden gediend als grondslag voor het besluit tot afwijzing van de klacht.
40.
In de tweede plaats verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het onderzoekscomité ermee kon volstaan slechts twee van de elf door haar voorgestelde getuigen te horen op grond dat dat comité geenszins verplicht was om alle door een procespartij voorgestelde getuigen te horen.
41.
In de derde plaats verwijt rekwirante het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het rechtmatig te achten dat het onderzoekscomité de medische rapporten terzijde heeft geschoven die zij ter ondersteuning van haar klacht had overgelegd, op grond dat deze rapporten ná de omstreden feiten waren opgesteld. Door haar mogelijkheden om bewijzen aan te voeren aldus in te perken, heeft het Gerecht het recht van rekwirante om te worden gehoord en haar rechten van verdediging geschonden.
42.
Het antwoord van het Gerecht op de door rekwirante in eerste aanleg aangevoerde grieven betreffende niet-eerbiediging door de EIB van haar rechten tijdens de onderzoeksprocedure, is gebaseerd op de rechtspraak van het Gerecht voor ambtenarenzaken ( 14 ), die door het Gerecht is bevestigd ( 15 ) en inhoudt dat de situatie van een klager in het kader van een onderzoeksprocedure naar psychisch geweld niet kan worden gelijkgesteld met die van de persoon die het voorwerp is van de klacht, zodat de klager zich niet kan beroepen op dezelfde procedurele rechten als de beschuldigde.
43.
Aangezien deze rechtspraak tot stand is gekomen in het kader van onder het Statuut vallende zaken, moet om te beginnen worden herinnerd aan de voornaamste kenmerken van de procedure die wordt ingeleid naar aanleiding van een verzoek om bijstand krachtens dit Statuut en die van de onderzoeksprocedure waarvan in het onderhavige geval sprake is (onder i). Vervolgens zal ik hieruit conclusies trekken wat betreft de procedurele rechten die moeten worden toegekend aan de verschillende betrokkenen bij een dergelijke procedure (onder ii). Ten slotte zal ik nagaan of in casu aan deze vereisten is voldaan (onder iii).
i) Administratieve onderzoeksprocedures wegens intimidatie binnen de instellingen van de Unie
44.
De verplichting van de administratie van de Unie om op te treden ter ondersteuning van een personeelslid dat meent slachtoffer te zijn geworden van psychisch geweld of enige andere vorm van intimidatie vloeit voort uit de bijstandsplicht die, wat de onder het Ambtenarenstatuut vallende arbeidsverhoudingen betreft, op deze administratie rust krachtens artikel 24 van het Statuut. De indiening van een verzoek om bijstand krachtens het Statuut wordt gevolgd door een administratief onderzoek dat tot doel heeft duidelijkheid te scheppen over de feiten en hieraan met kennis van zaken de passende consequenties te verbinden. Hieruit volgt dat het administratieve onderzoek niet tot doel heeft een gedraging te bestraffen, maar allereerst om na te gaan of de administratie moet optreden ter ondersteuning van een ambtenaar. ( 16 ) Daartoe volstaat het dat een begin van bewijs van de juistheid van de verklaringen wordt aangedragen, zonder dat evenwel wordt vooruitgelopen op de uitkomst van een eventuele tuchtprocedure die daarna wordt ingeleid. ( 17 )
45.
Evenzo voorziet het beleid van de EIB inzake waardigheid op het werk, wat betreft de arbeidsverhoudingen die door het personeelsreglement van de EIB worden beheerst, in een formele procedure in het kader waarvan het vermeende slachtoffer formeel een klacht kan indienen die de onderzoeksprocedure in gang zet. Er zij evenwel op gewezen dat deze procedure verschilt van de onderzoeksprocedure die wordt ingeleid naar aanleiding van een verzoek om bijstand krachtens het Statuut. ( 18 ) De procedure waar het in de onderhavige zaak om gaat, kent namelijk als mogelijke uitkomst niet alleen de afwijzing van de klacht of de inleiding van een tuchtprocedure tegen de van intimidatie beschuldigde persoon, maar ook de inleiding van een dergelijke procedure tegen het vermeende slachtoffer indien zijn klacht ongegrond of kwaadwillig is bevonden. In zoverre gaat deze procedure dus verder dan die naar aanleiding van een verzoek om bijstand krachtens het Statuut.
ii) Procedurele rechten van de betrokkenen bij een onderzoeksprocedure wegens intimidatie
46.
Het Gerecht is onlangs in de gelegenheid geweest om de context in herinnering te brengen waarin de in punt 42 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak betreffende de verzoeken om bijstand krachtens het Statuut zich heeft ontwikkeld, en om de strekking ervan te preciseren. ( 19 )
47.
Uit die toelichtingen volgt dat de rechtspraak van het Gerecht niet ertoe strekt de procedurele rechten van een klager in een onderzoeksprocedure wegens intimidatie als zodanig te beknotten of hem, bij voorbaat, een minder gunstige positie toe te kennen dan die van de verweerder, dat wil zeggen degene die zich aan intimidatie schuldig zou hebben gemaakt. ( 20 ) Veeleer gaat het erom een onderscheid te maken tussen, enerzijds, de administratieve onderzoeksprocedure ingeleid door het verzoek om bijstand krachtens het Statuut en, anderzijds, de tuchtprocedure, die eventueel in vervolg daarop wordt geopend. ( 21 ) Terwijl de administratieve procedure volgens het Gerecht in beginsel wordt beheerst door de rechten die voortvloeien uit artikel 41 van het Handvest, zouden de rechten van de verdediging in eigenlijke zin enkel in de fase van de tuchtprocedure van toepassing zijn. ( 22 )
48.
Het is juist dat het Gerecht erkent dat volgens vaste rechtspraak de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden, te beschouwen is als een grondbeginsel van het Unierecht, dat zelfs bij gebreke van enig voorschrift omtrent de betrokken procedure in acht moet worden genomen. ( 23 ) Aangezien de rol van de indiener van het verzoek om bijstand hoofdzakelijk erin bestaat mee te werken aan het goede verloop van het administratieve onderzoek om de feiten vast te stellen, trekt het Gerecht daaruit de conclusie dat deze procedure niet kan worden beschouwd als een onderzoeksprocedure die tegen die persoon is ingeleid. ( 24 ) Het Gerecht erkent daarentegen dat de van intimidatie beschuldigde persoon vanaf het begin van de procedure in staat moet worden gesteld zich tegen jegens hem geuite beschuldigingen te verdedigen. ( 25 ) Bijgevolg heeft het Gerecht in meerdere arresten geoordeeld dat de procedurele rechten van de betrokkenen bij een onderzoeksprocedure van elkaar verschillen wegens hun respectieve rol in het kader daarvan.
49.
Dienaangaande moet echter worden vastgesteld dat artikel 41 van het Handvest hoe dan ook van toepassing is op elke administratieve procedure, ongeacht of deze inquisitoir of accusatoir van aard is, en met name het recht van eenieder verankert om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat het beginsel van hoor en wederhoor ook van toepassing is op elke procedure die kan leiden tot een beslissing die de belangen van een persoon aanmerkelijk raakt. ( 26 ) Het is derhalve niet nodig om definitief uitspraak te doen over de vraag of een administratieve onderzoeksprocedure, ongeacht of zij wordt beheerst door de bepalingen van het Statuut of die van het beleid van de EIB inzake waardigheid op het werk, binnen de werkingssfeer van de artikelen 47 en 48 van het Handvest valt. ( 27 )
50.
Hoewel het klopt dat degene die van intimidatie wordt beschuldigd vanaf het begin van de procedure het risico loopt dat jegens hem een voor hem nadelige maatregel wordt genomen in de zin van artikel 41, lid 2, van het Handvest, namelijk het besluit om gevolg te geven aan het verzoek om bijstand, zij er eveneens op gewezen dat de onderzoeksprocedure ook voor de indiener van dit verzoek bezwarend kan zijn. Dit is met name het geval wanneer in de loop van de procedure blijkt dat het verzoek om bijstand moet worden afgewezen. ( 28 ) Net als de van intimidatie beschuldigde persoon zich moet kunnen verdedigen tegen de hem betreffende beschuldigingen – wat rechtvaardigt dat hij in het kader van het onderzoek eventueel meermaals kan worden gehoord – moet dus de indiener van de klacht evenzo worden gehoord over de gronden die de administratie wil aanvoeren tot staving van de eventuele afwijzing van zijn aanvraag. ( 29 ) Overigens is dit ook in de rechtspraak van het Gerecht erkend. ( 30 )
51.
Dat de administratie alle betrokkenen in staat moet stellen om hun standpunt naar behoren kenbaar te maken ( 31 ), betekent mijns inziens dat de klager moet kunnen opkomen tegen elk element waarop de bevoegde autoriteit haar afwijzingsbesluit wil baseren, ongeacht of het gaat om verklaringen van getuigen of van andere bronnen, en elk bewijs ter zake moet kunnen leveren. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Gerecht dienaangaande kan met name niet worden aangenomen dat de enkele inaanmerkingneming van de oorspronkelijke klacht of van eerdere opmerkingen reeds volstaat om tot de slotsom te komen dat het recht van de klager om te worden gehoord is geëerbiedigd. Het kan met name nodig blijken de klager in staat te stellen om opmerkingen te maken over een ontwerp van het onderzoeksrapport. ( 32 )
52.
Deze overwegingen – die van toepassing zijn op elk administratief onderzoek wegens intimidatie – gelden a fortiori voor de onderzoeksprocedure die wordt ingeleid krachtens de interne regeling van de EIB, aangezien die immers voorziet in de mogelijkheid om verschillende besluiten vast te stellen die voor de klager nadelig zijn in de zin van artikel 41, lid 2, van het Handvest, waaronder een procedure tegen hem zelf.
iii) Eerbiediging van de procedurele rechten van rekwirante in het onderhavige geval
– Recht van rekwirante om te worden gehoord over de verklaringen van verweerder en de getuigen
53.
Uit het voorgaande volgt dat uiterlijk vanaf het moment dat blijkt dat de klacht moet worden afgewezen, de klager overeenkomstig artikel 41 van het Handvest moet beschikken over dezelfde procedurele rechten als de van intimidatie beschuldigde persoon. ( 33 ) De klager kan daarom, net als degene die van intimidatie wordt beschuldigd, eisen – eventueel meermaals – te worden gehoord over de hem betreffende feiten, met name voor zover de bevoegde autoriteit haar eigen optreden beoordeelt.
54.
Bijgevolg kan de situatie van de klager in het kader van een onderzoeksprocedure, anders dan het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, naargelang van de omstandigheden van de zaak zonder meer worden gelijkgesteld met die van de van intimidatie beschuldigde persoon. Niettemin heeft het Gerecht geoordeeld dat het onderzoekscomité geen onrechtmatigheid heeft begaan met zijn weigering om rekwirante de inhoud van de verklaringen van de van intimidatie beschuldigde persoon en de getuigen mee te delen, zodat zij opmerkingen kon indienen. Dienaangaande heeft het Gerecht zich met name gebaseerd op het feit dat het beleid inzake waardigheid op het werk niet voorziet in de mededeling van de verklaringen van de van intimidatie beschuldigde persoon aan de klager. ( 34 ) Het beleid inzake waardigheid op het werk kan evenwel niet derogeren aan de Unierechtelijke beginselen waaraan in punt 48 van deze conclusie is herinnerd. Door in die zin te oordelen is het Gerecht dus voorbijgegaan aan de inhoud van het recht van rekwirante om in het kader van de onderzoeksprocedure te worden gehoord alsook aan het beginsel van hoor en wederhoor.
55.
Het Gerecht heeft er duidelijk geen rekening mee gehouden dat de afwijzing van de klacht op zichzelf een bezwarende handeling voor rekwirante is, waaruit het had moeten afleiden dat het noodzakelijk was haar mededeling te doen van de verklaringen van de van intimidatie beschuldigde persoon en de getuigen, waarop de president van de EIB zijn besluit wilde baseren. Deze niet-inaanmerkingneming is des te verbazender aangezien het Gerecht voor ambtenarenzaken eerder al herhaaldelijk had benadrukt dat de eventuele erkenning door de administratie van het bestaan van intimidatie reeds een gunstige invloed kan hebben op het genezingsproces van het slachtoffer van intimidatie, zodat de administratie de betrokken persoon naar behoren moet horen vóór zij zijn klacht afwijst. ( 35 ) Dit geldt nog meer in het geval van rekwirante, waarin de afwijzing van de klacht bovendien vergezeld ging van aanbevelingen waarin haar werd verweten dat zij, door gebrek aan een positieve houding, zelf aan de oorsprong van de geconstateerde problemen lag.
56.
In dit verband blijkt uit de punten 48 en 49 alsook uit de punten 69 en 71 van het bestreden arrest dat het Gerecht heeft erkend dat de verklaringen van de van intimidatie beschuldigde persoon en de getuigen met betrekking tot rekwirantes arbeidsprestaties, haar (psychische) gezondheid en haar privéproblemen van doorslaggevende aard waren en haar geloofwaardigheid hebben ondermijnd en uiteindelijk tot de afwijzing van de klacht door de president van de EIB hebben geleid. Aangezien rekwirante deze elementen ten tijde van de indiening van haar klacht en de hoorzitting uiteraard niet kon kennen en hiervan evenmin later kennis heeft kunnen nemen, kan niet worden geoordeeld dat zij vóór afwijzing van haar klacht naar behoren is gehoord.
57.
Hieruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in dergelijke omstandigheden het recht van rekwirante te miskennen om kennis te nemen van de opmerkingen van verweerder en de inhoud van de getuigenissen, teneinde haar opmerkingen in te dienen of nieuwe elementen tot staving van haar beweringen aan te voeren. Dit geldt des te meer daar het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest heeft opgemerkt dat het voorwerp van het onderzoek in de loop van de procedure een daadwerkelijke wijziging onderging, omdat de president van de EIB overwoog om ten aanzien van rekwirante disciplinaire maatregelen te nemen, zonder dat zij is gehoord over de feiten die deze ommekeer rechtvaardigden.
58.
Dat uiteindelijk geen tuchtprocedure is ingeleid, doet aan deze vaststelling niet af. Anders dan de gemachtigde van de EIB ter terechtzitting heeft gesteld, is het de afwijzing van de klacht die rekwirante benadeelt in de zin van artikel 41 van het Handvest, en niet alleen de inleiding van een latere tuchtprocedure.
59.
Hoe dan ook heeft het Gerecht evenmin omstandigheden vermeld op grond waarvan kan worden aangenomen dat de EIB heeft gehandeld vanuit het streven om het gevaar van beïnvloeding van getuigen door rekwirante te voorkomen, dan wel dat er sprake was van andere redenen van vertrouwelijkheid die, in voorkomend geval, een beperking van rekwirantes toegang tot de verklaringen van de getuigen konden rechtvaardigen. ( 36 ) Zelfs wanneer dit het geval zou zijn geweest, zou het overigens voldoende zijn geweest om haar enkel de inhoud van de getuigenverklaringen of een samenvatting van de voor het onderzoeksrapport in aanmerking genomen onderdelen mee te delen, zonder de identiteit van de personen achter deze getuigenissen openbaar te maken.
60.
Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in dergelijke omstandigheden te oordelen dat het onderzoekscomité niet verplicht was om rekwirante mededeling te doen van de inhoud van de verklaringen van de van intimidatie beschuldigde persoon en van de getuigen, waarop dit comité zijn advies wilde baseren. De eerste grief van het eerste onderdeel van het eerste middel moet derhalve worden aanvaard.
– Recht van rekwirante om de oproeping van de voorgestelde getuigen te eisen
61.
Rekwirante verwijt het Gerecht tevens te hebben geoordeeld dat de eerbiediging van haar recht om te worden gehoord en het beginsel van hoor en wederhoor niet de oproeping van alle door haar voorgestelde getuigen vereisten.
62.
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, volgens de in punt 55 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak van het Gerecht voor ambtenarenzaken, een onderzoekscomité op grond van zijn beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het verloop van het onderzoek weliswaar niet verplicht is om alle door een klager voorgestelde getuigen op te roepen ( 37 ), maar dat deze beoordelingsbevoegdheid ook wordt begrensd door het beginsel van goed bestuur en de in artikel 41 van het Handvest verankerde procedurele rechten van de betrokkenen. De besluiten van het onderzoekscomité met betrekking tot het verloop van het onderzoek zijn derhalve niet zonder meer aan elke rechterlijke toetsing onttrokken. Dit betekent dat het onderzoekscomité met name niet zonder motivering en rechtvaardiging kan afzien van het horen van voorgestelde getuigen, maar zodanig dient op te treden dat de partijen naar behoren worden gehoord, teneinde hun recht om te worden gehoord te waarborgen.
63.
Vanuit dit oogpunt heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken erkend dat het gerechtvaardigd was om geen extra getuigen op te roepen in een zaak waarin het onderzoekscomité reeds vijftien van de achttien door de betrokkene voorgestelde getuigen en twintig andere had opgeroepen. ( 38 ) Hieruit kan worden afgeleid dat er geen sprake kan zijn van een verplichting om alle door een partij voorgestelde getuigen op te roepen wanneer het onderzoekscomité zich voldoende geïnformeerd acht over de feiten en wanneer de betrokkenen reeds naar behoren zijn gehoord. Evenzo heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken zich in een andere zaak gebaseerd op het feit dat de onderzoeker over voldoende informatie in het dossier beschikte om zijn besluit, slechts twaalf van de tweeënvijftig door de verzoekster voorgestelde getuigen op te roepen, te bevestigen. ( 39 )
64.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht zich evenwel niet over de vraag gebogen of het onderzoekscomité al voldoende geïnformeerd was, dan wel of rekwirante reeds naar behoren was gehoord. Uit het verzoekschrift in hogere voorziening blijkt echter dat slechts een minderheid van de door rekwirante voorgestelde getuigen is opgeroepen en dat rekwirante hiervan bovendien niet op de hoogte is gebracht. Door in die omstandigheden enkel vast te stellen dat het onderzoekscomité niet verplicht was om alle getuigen van rekwirante op te roepen, heeft het Gerecht dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
65.
Hieruit volgt dat de tweede grief van het eerste onderdeel van het eerste middel eveneens moet worden aanvaard.
– Afwijzing van de medische attesten
66.
Het Gerecht is in punt 58 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat de EIB de door rekwirante ten bewijze van de intimiderende handelingen overgelegde medische attesten terecht terzijde heeft kunnen schuiven op grond dat de personen die deze attesten hebben opgesteld niet bij de handelingen in kwestie aanwezig waren.
67.
In dit verband zij erop gewezen dat dergelijke medische attesten, afhankelijk van de inhoud en het tijdstip van de opstelling ervan, zeker opheldering kunnen verschaffen met betrekking tot het bestaan, of zelfs de aard, van de benadeling die het vermeende slachtoffer van intimidatie heeft geleden. Dit wordt in punt 58 van het bestreden arrest ook erkend door het Gerecht. Aan een medisch attest kan evenwel niet dezelfde bewijskracht worden toegekend als aan een rechtstreekse getuigenverklaring van iemand die bij de betrokken handeling aanwezig was. Aangezien het onderzoek tot doel had om na te gaan of de door de klager aangevoerde specifieke handelingen daadwerkelijk hadden plaatsgevonden en om deze in het licht van de definitie van seksuele intimidatie te beoordelen, heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de door rekwirante aangevoerde medische attesten niet konden worden gebruikt om te bepalen of deze gebeurtenissen hadden plaatsgevonden. ( 40 )
iv) Voorlopige conclusie
68.
Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de rechten waarop rekwirante zich in het kader van het onderzoek kon beroepen minder uitgebreid waren dan die van de van intimidatie beschuldigde persoon en dat zij derhalve niet het recht had om mededeling te krijgen van de inhoud van de verklaringen van de beschuldigde persoon en van de getuigen, daarover haar opmerkingen in te dienen of de oproeping van verdere getuigen te eisen, voor zover dit noodzakelijk zou zijn geweest voor de eerbiediging van haar recht om te worden gehoord.
2) Tweede onderdeel van het eerste middel: het niet verbinden van gevolgen aan de niet-inachtneming van de termijnen voor de onderzoeksprocedure
69.
Het tweede onderdeel van het eerste middel heeft betrekking op de beoordeling door het Gerecht van de gevolgen van de niet-naleving van bepaalde termijnen die in het kader van het beleid inzake waardigheid op het werk zijn voorgeschreven. Het Gerecht heeft in de punten 47 tot en met 49 van het bestreden arrest geoordeeld dat ondanks de niet-inachtneming van die termijnen de EIB geen onrechtmatigheid kan worden verweten, aangezien rekwirante zowel de oproeping voor de hoorzitting als het besluit binnen een redelijke termijn heeft ontvangen en de EIB met de vereiste spoed heeft gehandeld. Rekwirante is daarentegen van mening dat het Gerecht had moeten oordelen dat de betrokken termijnen absoluut bindend zijn.
70.
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het beleid inzake waardigheid op het werk als interne regeling van de EIB juridisch bindend van aard is, wat overigens in punt 33 van het bestreden arrest door het Gerecht wordt erkend. ( 41 ) Anders dan het Gerecht in punt 47 van het bestreden arrest lijkt te betogen, mogen de door deze regeling vastgestelde termijnen bijgevolg niet worden begrepen als louter indicatieve doelstellingen van goed bestuur om de procedure zoveel mogelijk binnen een redelijke termijn te laten verlopen. ( 42 )
71.
Het is evenwel vaste rechtspraak dat zelfs de schending van een bindende termijn als zodanig niet in alle gevallen nietigverklaring van het aan het einde van de betrokken procedure genomen besluit rechtvaardigt. ( 43 ) In die omstandigheden is het Gerecht in punt 47 van het bestreden arrest terecht uitgegaan van de premisse dat de gevolgen van de niet-inachtneming van een termijn enkel kunnen worden beoordeeld aan de hand van de bijzondere omstandigheden van de zaak.
72.
In dit verband moet worden opgemerkt dat het beleid inzake waardigheid op het werk aan de verschillende fasen van de onderzoeksprocedure zeer korte termijnen verbindt, soms maar vijf werkdagen. Gelet op de mogelijk ernstige gevolgen van het onderzoek voor de verhoudingen binnen het team en de kwetsbare positie van de klager, evenals het belang van de van intimidatie beschuldigde persoon om zich zo snel mogelijk te kunnen vrijpleiten van alle tegen hem gerichte beschuldigingen, strekken deze termijnen ertoe elk voortduren van een situatie van onzekerheid te voorkomen. Hieruit volgt dat het doel van de voor de onderzoeksprocedure geldende termijnen niet enkel is gelegen in de temporele afbakening van deze procedure, maar zeer wel ook in de bescherming van de belangen van de betrokken personen.
73.
Dit doel rechtvaardigt evenwel niet de nietigverklaring van een na het verstrijken van de termijn genomen besluit. De nietigverklaring van het besluit om de enkele reden dat het buiten de termijn is genomen, zou juist neerkomen op een bestendiging van de onzekerheid die de termijnen trachten te voorkomen.
74.
Hoe dan ook volgt tevens uit vaste rechtspraak dat de niet-inachtneming van een termijn recht kan geven op schadevergoeding. In deze context moet de Unierechter met inachtneming van alle specifieke omstandigheden van de zaak beoordelen of de duur van een procedure redelijk was. ( 44 ) In casu moet worden vastgesteld dat het Gerecht, door zich te buigen over de vraag of, rekening houdend met de omstandigheden, de oproeping voor de hoorzitting en de mededeling van het besluit van de president van de EIB binnen een redelijke termijn hebben plaatsgevonden, deze rechtspraak op de juiste wijze heeft toegepast. Het Gerecht heeft er met name rekening mee gehouden, wat enerzijds de termijn voor de start van het onderzoek betreft, dat rekwirante meermaals op de hoogte is gesteld van de stand van zaken met betrekking tot haar klacht (punt 36 van het bestreden arrest) en, wat anderzijds de termijn voor mededeling van het besluit van de president van de EIB betreft, dat het voorwerp van het onderzoek in de loop van de procedure was gewijzigd, wat aanvullende inlichtingen noodzakelijk maakte (punten 48 en 49 van het bestreden arrest).
75.
Afgezien van deze bevindingen valt de conclusie van het Gerecht dat de periode tussen het indienen van de klacht op 20 mei 2015 en het besluit van de president van de EIB van 16 oktober 2015 niet onredelijk lang was onder zijn soevereine bevoegdheid tot beoordeling van de feiten. Daarom kan deze conclusie in het stadium van de hogere voorziening niet ter discussie worden gesteld.
76.
Hieruit volgt dat het betoog van rekwirante dat de niet-inachtneming van de termijnen in de onderzoeksprocedure had moeten leiden tot de nietigverklaring van het besluit van de president van de EIB en tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de EIB, moet worden afgewezen.
b) Tweede en derde middel: onjuiste beoordeling van de wettigheid van bepaalde rechtvaardigingsgronden in het rapport van het onderzoekscomité in het licht van artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM
77.
Met haar tweede en haar derde middel verwijt rekwirante het Gerecht in wezen niet de onwettigheid te hebben uitgesproken van het feit dat de president van de EIB zijn besluit heeft gebaseerd op getuigenissen van hiervoor ongekwalificeerde personen, welke rekwirante hebben afgeschilderd als iemand met psychische problemen die de breuk met haar vroegere levenspartner moeilijk heeft kunnen verwerken en als gevolg daarvan veel gewicht heeft verloren, die moeite heeft met elke vorm van kritiek en manipulatief is, en welke tevens te verstaan hebben gegeven dat haar klacht door andere redenen was ingegeven dan de seksuele intimidatie die zij zou hebben ondergaan.
78.
In deze context verwijt rekwirante het Gerecht tevens een onjuiste motivering, voor zover het zichzelf tegenspreekt door in punt 76 van het bestreden arrest te oordelen dat hoewel de vermelding van deze gegevens „zowel overbodig als betreurenswaardig” was, zij geen onrechtmatigheid vormde die aan de EIB kon worden verweten.
79.
Ter weerlegging van de argumenten van rekwirante heeft het Gerecht zich in punt 71 van het bestreden arrest gebaseerd op het feit dat het onderzoekscomité en de president van de EIB zelf geen uitspraken hebben gedaan over het privéleven of de psychische gezondheid van rekwirante, maar enkel de verklaringen van getuigen dienaangaande hebben weergegeven. Het Gerecht lijkt hieruit de conclusie te trekken dat deze verklaringen niet aan de EIB kunnen worden toegerekend.
80.
Niettemin heeft het Gerecht in de punten 71 en 81 van het bestreden arrest beklemtoond dat het onderzoekscomité zich wel degelijk heeft gebaseerd op deze verklaringen ter rechtvaardiging van zijn advies om de klacht af te wijzen. In dit verband moet worden opgemerkt dat dit advies eerder de geloofwaardigheid van rekwirante als persoon in twijfel trok dan de geloofwaardigheid van haar beweringen. Zodoende heeft het onderzoekscomité de beoordeling van de persoonlijkheid van rekwirante, die zou zijn opgesteld door de getuigen, tot grondslag van de afwijzing van de klacht gemaakt. Het kan evenwel niet zo zijn dat het onderzoekscomité en, vervolgens, de president van de EIB hun voor rekwirante nadelige besluit baseren op een beoordeling die niet door hen wordt onderschreven. Het is immers juist de taak van het onderzoekscomité om de feiten vast te stellen die het uiteindelijke besluit rechtvaardigen. Ter terechtzitting is wat dit betreft gepreciseerd dat het niet aan de president van de EIB staat om aanvullende feitelijke verificaties te doen. In die omstandigheden had het Gerecht tot de slotsom moeten komen dat de opmerkingen over de persoonlijkheid en het gedrag van rekwirante in het rapport van het onderzoekscomité voor rekening van de EIB kwamen. Zou het Gerecht daarentegen tot de conclusie zijn gekomen dat het onderzoekscomité de door de getuigen gegeven waardeoordelen enkel had gereproduceerd – maar niet had gedeeld –, dan had het Gerecht de onjuiste motivering moeten vaststellen van het besluit van de president van de EIB dat op niets anders was gebaseerd dan het rapport van het onderzoekscomité en de hierin door dit comité gereproduceerde getuigenissen. De redenering van het Gerecht met betrekking tot de toerekenbaarheid aan de EIB van de waardeoordelen in de verklaringen van de getuigen geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
81.
Bovendien heeft het Gerecht de argumenten van rekwirante ten bewijze van een schending van artikel 7 van het Handvest terzijde geschoven door in de punten 74 en 75 van het bestreden arrest te verklaren dat het rapport van het onderzoekscomité en het besluit van de president van de EIB niet zijn verspreid en dat de elementen in dit rapport uiteindelijk geen gevolgen hebben gehad – met name geen tuchtrechtelijke gevolgen – voor de arbeidssituatie van rekwirante.
82.
Wat het laatste van deze twee argumenten betreft, is het feit dat de beoordeling van het gedrag en de persoonlijkheid van rekwirante niet hebben geleid tot disciplinaire maatregelen niet relevant voor de beantwoording van de vraag of de aldus afgelegde verklaringen een schending van artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM vormen.
83.
Bijgevolg moet nog worden nagegaan of het Gerecht terecht tot de slotsom is gekomen dat een schending van artikel 7 van het Handvest kon worden uitgesloten, aangezien het rapport enkel aan de van intimidatie beschuldigde persoon en de president van de EIB openbaar is gemaakt.
84.
In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in een arrest inzake een onderzoek wegens psychisch geweld heeft geoordeeld dat de toezending aan enkel de van intimidatie beschuldigde persoon van informatie die negatieve geruchten over de verzoekster kan veroorzaken en afbreuk kan doen aan haar reputatie en geloofwaardigheid, volstaat om een recht op schadevergoeding te doen ontstaan. ( 45 )
85.
Daarentegen heeft het Hof in een zaak betreffende de afwijzing door de Europese Commissie van een sollicitatie voor een bevordering die vergezeld ging van kwetsende opmerkingen, ook rekening gehouden met het verzwarende feit dat het betrokken document binnen de hele afdeling bekend was geworden. ( 46 )
86.
Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) kan de vraag of een commentaar dat kwetsend is bevonden of waarmee de betrokkene in een kwaad daglicht wordt gesteld, is verspreid, zeker in aanmerking worden genomen ter vaststelling van een schending van het recht op eerbiediging van het privéleven krachtens artikel 8 EVRM, waaronder niet alleen iemands goede naam maar ook diens eer valt. ( 47 ) Bovendien heeft het EHRM herhaaldelijk geoordeeld dat geestelijke integriteit eveneens deel uitmaakt van het in artikel 8 EVRM verankerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. ( 48 ) Ter vaststelling van een schending van artikel 8 EVRM moeten evenwel ook de ernst van de verklaring ( 49 ) en haar doel ( 50 ), evenals mogelijke rechtvaardigingen in aanmerking worden genomen. De vaststelling van een schending van artikel 8 EVRM kan dus niet enkel plaatsenvinden aan de hand van de vraag of de betrokken verklaringen zijn verspreid.
87.
Het Gerecht is evenwel niet overgegaan tot een beoordeling van de ernst van de verklaringen en de gevolgen daarvan voor de psychische integriteit van rekwirante, zoals zij die heeft trachten aan te tonen aan de hand van medische attesten. Het is evenmin nagegaan of de verklaringen doeltreffend en objectief konden bijdragen aan de beantwoording van de vraag of de klacht al dan niet kwaadwillig van aard was. Tot slot had het Gerecht, wat een eventuele rechtvaardiging betreft, zich moeten buigen over de vraag of het onderzoek naar aspecten van het privéleven van rekwirante en de vermelding daarvan in het rapport van het onderzoekscomité en het besluit van de president van de EIB relevant waren gelet op het voorwerp van het onderzoek, namelijk de vaststelling van het waarheidsgehalte van de handelingen van de van intimidatie beschuldigde persoon.
88.
Uit het voorgaande volgt dat de redenering van het Gerecht dat een schending van artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM kan worden uitgesloten op de enkele grond dat de verklaringen met betrekking tot de persoonlijkheid en het gedrag van rekwirante zonder tuchtrechtelijke gevolgen zijn gebleven en het rapport niet binnen haar eenheid is verspreid, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
2. Gevolgen van de gegrondheid van het eerste onderdeel van het eerste middel en van het tweede middel
89.
De gegrondheid van het eerste onderdeel van het eerste middel betreffende de omvang van de procedurele rechten van rekwirante rechtvaardigt, op zichzelf, de vernietiging van het bestreden arrest. Het Gerecht heeft het betoog waarmee rekwirante de onrechtmatigheden in het verloop van de onderzoeksprocedure trachtte aan te tonen immers terzijde geschoven door zich te baseren op het onjuiste uitgangspunt dat de aan rekwirante toe te kennen procedurele rechten in beginsel beperkter waren dan die van de van intimidatie beschuldigde persoon. Aangezien de afwijzing van het verzoek tot nietigverklaring en van de schadevordering volledig was gebaseerd op het ontbreken van enige onregelmatigheid in deze procedure moet het bestreden arrest worden vernietigd.
90.
Bijgevolg behoeft niet meer te worden ingegaan op de vraag of de gegrondheid van het tweede middel inzake de onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht bij de beoordeling van de schending van artikel 7 van het Handvest eveneens de vernietiging van het bestreden arrest rechtvaardigt. Na de vernietiging van het bestreden arrest blijven die overwegingen evenwel relevant voor de beoordeling van de schadevordering in eerste aanleg.
3. Beroep voor het Gerecht
91.
Krachtens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, kan het Hof, wanneer het arrest van het Gerecht wordt vernietigd, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
92.
Dat is in casu het geval wat betreft de door rekwirante in eerste aanleg gevorderde nietigverklaring van het besluit van de president van de EIB, aangezien een juiste opvatting van de omvang van de procedurele rechten van rekwirante door het Gerecht tot de nietigverklaring van dat besluit had moeten leiden.
93.
Het is een feit dat volgens vaste rechtspraak een schending van procedurele rechten, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, slechts tot de nietigverklaring van een aan het einde van een procedure vastgesteld besluit leidt, indien deze procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. ( 51 ) Dat is met name niet het geval wanneer de administratie over geen enkele beoordelingsmarge beschikt wat betreft het aan het einde van de procedure vast te stellen besluit.
94.
In casu kan niet worden uitgesloten dat het besluit van de president van de EIB anders was geweest indien rekwirante het recht zou hebben gehad om op te komen tegen de verklaringen van de van intimidatie beschuldigde persoon en van de getuigen of om nieuwe elementen ter staving van haar klacht aan te brengen. Dit geldt des te meer nu het voorwerp van het onderzoek ten opzichte van dat op het tijdstip van indiening van de klacht was gewijzigd en zich vanaf toen toespitste op het gedrag en de persoonlijkheid van rekwirante, zijnde aspecten waarover rekwirante nog geen opmerkingen had kunnen indienen.
95.
Derhalve moet het in eerste aanleg gedane verzoek tot nietigverklaring worden toegewezen en het besluit van de president van de EIB tot afwijzing van de klacht van rekwirante nietig worden verklaard. Indien het Hof met dit voorstel instemt en het besluit nietig verklaart, dan staat het overigens aan de EIB om de passende maatregelen ter uitvoering van deze nietigverklaring vast te stellen.
96.
De onderhavige zaak is daarentegen niet in staat van wijzen wat betreft de schadevordering. ( 52 )
97.
Uit de overwegingen ( 53 ) in het kader van het tweede middel blijkt namelijk dat het Gerecht zich opnieuw moet buigen over het argument inzake schending van artikel 7 van het Handvest en daarbij in het bijzonder rekening dient te houden met de ernst en het doel van de commentaren in het rapport van het onderzoekscomité en de eventuele rechtvaardiging ervan. Bovendien is het Gerecht nog niet ingegaan op de vraag of het gerechtvaardigd is de EIB niet-contractueel aansprakelijk te stellen wegens de schade die rekwirante stelt te hebben geleden en de samenhang ervan met de beweerde onregelmatigheden.
98.
Bijgevolg dient de zaak naar het Gerecht te worden terugverwezen voor een uitspraak over de schadevordering.
C. Kosten
99.
Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.
VI. Conclusie
100.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging als volgt te oordelen:
„1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Zesde kamer) van 13 juli 2017, OZ/EIB (T‑607/16), wordt vernietigd.
2)
Het besluit van de president van de Europese Investeringsbank (EIB) van 16 oktober 2015 tot afwijzing van de door rekwirante uit hoofde van het ‚beleid inzake eerbiediging van de waardigheid van de persoon op het werk’ ingediende klacht wegens seksuele intimidatie wordt nietig verklaard.
3)
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over de schadevordering.
4)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Zie met name arresten van 16 mei 2012, Skareby/Commissie (F‑42/10, EU:F:2012:64, punten 46‑48); 23 oktober 2013, BQ/Rekenkamer (F‑39/12, EU:F:2013:158, punt 72), en 16 december 2015, De Loecker/EDEO (F‑34/15, EU:F:2015:153, punt 43), alsmede arrest van 23 september 2015, Cerafogli/ECB (T‑114/13 P, EU:T:2015:678, punt 40).
( 3 ) PB 2013, L 287, blz. 15.
( 4 ) Als ik mij niet vergis, is dit document, dat door de EIB op verzoek van de griffie van het Hof in de Franse taal is overgelegd, niet gepubliceerd en alleen intern beschikbaar.
( 5 ) Arrest van 13 juli 2017, OZ/EIB (T‑607/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:495).
( 6 ) Zie, met betrekking tot de bevoegdheid van het Hof om ambtshalve voor het eerst in het stadium van de hogere voorziening de niet-ontvankelijkheid van het beroep voor het Gerecht op te werpen, arrest van 23 april 2009, Sahlstedt e.a./Commissie (C‑362/06 P, EU:C:2009:243, punt 22).
( 7 ) Deze termijn werd ingevoerd in het personeelsreglement van de EIB naar aanleiding van het arrest van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134). Het Gerecht is echter van oordeel dat deze nieuwe versie alleen van toepassing is wanneer de werknemer na 2013 aangeworven is; zie met name arrest van 4 oktober 2018, PD/EIB (T‑615/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:642, punt 48). In elk geval blijkt uit het aangehaalde arrest van het Hof met betrekking tot de situatie vóór 2013 dat ook een beroep tegen een aan de EIB toe te rekenen handeling binnen een termijn van meer dan drie maanden niet meteen al kan worden geacht binnen een onredelijke termijn te zijn ingesteld.
( 8 ) Zie in die zin de standpuntbepaling van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2012:733, punt 51) en arresten van 6 maart 2001, Dunnett e.a./EIB (T‑192/99, EU:T:2001:72, punt 56), en 10 juli 2014, CG/EIB (F‑95/11 en F‑36/12, EU:F:2014:188, punt 80).
( 9 ) Vóór de herziening van het personeelsreglement van de EIB in 2013 naar aanleiding van het arrest van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134), was de verzoeningsprocedure niet verplicht.
( 10 ) Zie in die zin beschikking van 19 juni 2014, Cartoon Network/BHIM (C‑670/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2024, punten 42‑46), en arrest van 7 november 2013, Wam Industriale/Commissie (C‑560/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:726, punt 44). Deze uitlegging van artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt overigens bevestigd door de bewoordingen van de bepaling in andere taalversies dan de Franse, zoals de Duitse, de Engelse en de Poolse taalversie.
( 11 ) Zie arrest van 26 oktober 2006, Koninklijke Coöperatie Cosun/Commissie (C‑68/05 P, EU:C:2006:674, punt 55), en meer bepaald wat de beoordeling van het verloop van een administratieve procedure betreft mijn conclusie in de zaak Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, EU:C:2007:104, punt 77) alsmede het arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 92).
( 12 ) Arrest van 23 april 2002, Campogrande/Commissie (C‑62/01 P, EU:C:2002:248, punt 43).
( 13 ) Artikel 113, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat in het kader van een hogere voorziening de conclusies van de rekwirant moeten strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht en, in voorkomend geval, tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg; zie arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie (C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 205).
( 14 ) Arrest van 16 december 2015, De Loecker/EDEO (F‑34/15, EU:F:2015:153, punt 43).
( 15 ) Arrest van 23 september 2015, Cerafogli/ECB (T‑114/13 P, EU:T:2015:678, punt 40).
( 16 ) Zie arresten van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punten 68, 71 en 72); 16 mei 2012, Skareby/Commissie (F‑42/10, EU:F:2012:64, punt 46); 23 oktober 2013, BQ/Rekenkamer (F‑39/12, EU:F:2013:158, punt 72), en 10 juli 2014, CG/EIB (F‑103/11, EU:F:2014:185, punt 148). Een dergelijke interventiemaatregel kan de vorm aannemen van een tuchtprocedure tegen de vermeende pleger van intimidatie maar ook van een verwijderingsmaatregel; zie arrest van 9 december 2008, Q/Commissie (F‑52/05, EU:F:2008:161, punten 207‑213).
( 17 ) Zie arrest van 16 december 2015, De Loecker/EDEO (F‑34/15, EU:F:2015:153, punt 41).
( 18 ) Het Gerecht heeft recentelijk, in zijn arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punten 77 en 78), het terminologische verschil benadrukt tussen een „klacht”, zoals bedoeld in de regels die van toepassing zijn op het personeel van de Europese Centrale Bank (ECB) (die op dit punt lijken op het interne reglement van de EIB), en een „verzoek om bijstand” krachtens het Statuut.
( 19 ) Zie arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393).
( 20 ) Zie arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punten 69 en 70).
( 21 ) Zie arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punten 71 en 72).
( 22 ) De gelijkenissen tussen de tuchtprocedure en de strafprocedure zijn uiteengezet door advocaat-generaal Roemer in zijn conclusie in de zaak Van Eick/Commissie (35/67, niet gepubliceerd, EU:C:1968:32, blz. 510), alsmede in de conclusie van advocaat-generaal Alber in de zaak Tzoanos/Commissie (C‑191/98 P, EU:C:1999:127, punt 27).
( 23 ) Arresten van 9 november 2006, Commissie/De Bry (C‑344/05 P, EU:C:2006:710, punt 37), en 14 juni 2016, Marchiani/Parlement (C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 51). Een besluit tot beëindiging van een detachering kan niet worden beschouwd als een tegen de betrokkene ingeleide procedure in de zin van deze rechtspraak; zie arrest van 29 april 2004, Parlement/Reynolds (C‑111/02 P, EU:C:2004:265, punt 57). De tuchtprocedure moet echter worden geacht te zijn ingeleid tegen de betrokkene in de zin van deze rechtspraak, hetgeen de toepasselijkheid van de rechten van de verdediging zoals bedoeld in bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut rechtvaardigt.
( 24 ) Arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punt 66), waarin dezelfde aanpak is gevolgd als in de arresten van 16 mei 2012, Skareby/Commissie (F‑42/10, EU:F:2012:64, punten 46‑48); 6 oktober 2015, CH/Parlement (F‑132/14, EU:F:2015:115, punt 57), en 23 oktober 2013, BQ/Rekenkamer (F‑39/12, EU:F:2013:158, punt 72).
( 25 ) Arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punt 69).
( 26 ) Zie arresten van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a. (C‑89/08, EU:C:2009:742, punt 50), en 9 maart 2010, ERG e.a. (C‑379/08 en C‑380/08, EU:C:2010:127, punt 54), alsook op het gebied van het openbare ambt arresten van 6 oktober 1982, Alvarez/Parlement (206/81, EU:C:1982:333, punt 6), en 17 november 1983, Tréfois/Hof van Justitie (290/82, EU:C:1983:334, punt 19). Zie, meer in het bijzonder met betrekking tot de afwijzing van een klacht wegens intimidatie, arrest van 23 september 2015, Cerafogli/ECB (T‑114/13 P, EU:T:2015:678, punten 35 en 41).
( 27 ) Voor zover rekwirante het Gerecht in wezen schending verwijt van haar recht om te worden gehoord en het beginsel van hoor en wederhoor – beginselen die ook in artikel 41 van het Handvest verankerd zijn – is het voor de beslechting van het onderhavige geschil zonder belang dat zij dit formeel aan artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM koppelt.
( 28 ) Arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punt 73).
( 29 ) Zie in die zin arrest van 9 november 2006, Commissie/De Bry (C‑344/05 P, EU:C:2006:710, punten 37 en 38).
( 30 ) Arresten van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a. (C‑32/95 P, EU:C:1996:402, punt 21); 22 oktober 2013, Sabou (C‑276/12, EU:C:2013:678, punt 38); 14 juni 2016, Marchiani/Parlement (C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 51); 23 september 2015, Cerafogli/ECB (T‑114/13 P, EU:T:2015:678, punt 34), en 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punten 69 en 74).
( 31 ) Arresten van 8 december 2005, Reynolds/Parlement (T‑237/00, EU:T:2005:437, punt 101); 8 maart 2005, Vlachaki/Commissie (T‑277/03, EU:T:2005:83, punt 64), en 20 december 2017, Prequ’Italia (C‑276/16, EU:C:2017:1010, punt 46). Zie met betrekking tot de reikwijdte van iemands recht om zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken de conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Commissie/De Bry (C‑344/05 P, EU:C:2006:483, punten 44 e.v.).
( 32 ) Dit is ook door het Gerecht als eis geformuleerd in het arrest van 23 september 2015, Cerafogli/ECB (T‑114/13 P, EU:T:2015:678, punt 50), en door het Gerecht voor ambtenarenzaken in het arrest van 23 oktober 2013, BQ/Rekenkamer (F‑39/12, EU:F:2013:158, punten 73 en 74). In het arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393), heeft het Gerecht zelfs verklaard dat het onvoldoende was dat de administratie de verzoekster had gehoord omtrent de redenen voor de verwerping van het verzoek zonder haar toegang te hebben gegeven tot het rapport van het adviescomité intimidatie en voorkoming van intimidatie op het werk.
( 33 ) Zie ook in die zin arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punt 69).
( 34 ) Zie punt 54 van het bestreden arrest.
( 35 ) Zie arresten van 23 oktober 2013, BQ/Rekenkamer (F‑39/12, EU:F:2013:158, punt 72), en 16 december 2015, De Loecker/EDEO (F‑34/15, EU:F:2015:153, punt 43). Zie thans eveneens het arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punt 64).
( 36 ) Arrest van 23 september 2015, Cerafogli/ECB (T‑114/13 P, EU:T:2015:678, punt 45). In die zaak had de verzoekster echter wel toegang gehad tot het ontwerp van het rapport van het onderzoekscomité waarin de verklaringen van de getuigen waren samengevat.
( 37 ) Arresten van 13 december 2012, Donati/ECB (F‑63/09, EU:F:2012:193, punt 187), en 10 juli 2014, CG/EIB (F‑103/11, EU:F:2014:185, punt 157); zie thans ook arrest van 29 juni 2018, HF/Parlement (T‑218/17, EU:T:2018:393, punten 97‑101).
( 38 ) Arrest van 13 december 2012, Donati/ECB (F‑63/09, EU:F:2012:193, punt 187).
( 39 ) Arrest van 11 juli 2013, Tzirani/Commissie (F‑46/11, EU:F:2013:115, punt 125).
( 40 ) In dezelfde lijn heeft het Hof een arrest bevestigd waarin het Gerecht had geoordeeld dat het gerechtvaardigd was voor een onderzoekscomité om af te zien van de oproeping van getuigen die noch volledig noch gedeeltelijk aanwezig waren bij het betrokken incident; zie beschikking van 16 oktober 1997, Dimitriadis/Rekenkamer (C‑140/96 P, EU:C:1997:493, punt 38).
( 41 ) Zie ook arrest van 11 november 2014, De Nicola/EIB (F‑52/11, EU:F:2014:243, punt 143).
( 42 ) Zie in die zin arrest van 10 mei 2005, Piro/Commissie (T‑193/03, EU:T:2005:164, punt 78).
( 43 ) Arrest van 20 mei 2010, Gogos/Commissie (C‑583/08 P, EU:C:2010:287, punt 56).
( 44 ) De redelijkheid moet in elk concreet geval worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval; zie arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punten 229‑235), en 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punten 28 en 29).
( 45 ) Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft deze onwettigheid niet uitdrukkelijk vanuit het oogpunt van schending van artikel 7 van het Handvest onderzocht, maar heeft erkend dat zij immateriële schade had toegebracht aan verzoekster; zie arrest van 10 juli 2014, CG/EIB (F‑103/11, EU:F:2014:185, punt 151).
( 46 ) Zie arrest van 7 februari 1990, Culin/Commissie (C‑343/87, EU:C:1990:49, punten 27‑29).
( 47 ) EHRM, 29 juni 2004, Chauvy e.a. tegen Frankrijk (CE:ECHR:2004:0629JUD006491501, § 70), en 15 november 2007, Pfeifer tegen Oostenrijk (CE:ECHR:2007:1115JUD001255603, § 35).
( 48 ) EHRM, 9 april 2009, A. tegen Noorwegen (CE:ECHR:2009:0409JUD002807006, § 64).
( 49 ) De verklaring moet overlast veroorzaken voor de privacy van de betrokkene; zie EHRM, 9 april 2009, A. tegen Noorwegen (CE:ECHR:2009:0409JUD002807006, § 64); 10 juli 2014, Axel Springer AG tegen Duitsland (CE:ECHR:2012:0207JUD003995408, § 83), en 16 juli 2015, Delphi AS tegen Estland (CE:ECHR:2015:0616JUD006456909, § 137).
( 50 ) In een arrest van 4 oktober 2007, Sanchez Cardenas tegen Noorwegen (CE:ECHR:2007:1004JUD001214803, § 37), heeft het EHRM in aanmerking genomen dat de betrokken verklaring – in casu van een rechter in het kader van een arrest – irrelevant was voor de beslechting van het geschil.
( 51 ) Zie in die zin arresten van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie (C‑301/87, EU:C:1990:67, punt 31); 1 oktober 2009, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad (C‑141/08 P, EU:C:2009:598, punt 94); 6 september 2012, Storck/BHIM (C‑96/11 P, EU:C:2012:537, punt 80); 10 september 2013, G. en R. (C‑383/13 PPU, EU:C:2013:533, punt 38), en 3 juli 2014, Kamino International Logistics en Datema Hellmann Worldwide Logistics (C‑129/13 en C‑130/13, EU:C:2014:2041, punt 79).
( 52 ) Zie met betrekking tot de mogelijkheid voor het Hof om zelf definitief uitspraak te doen over bepaalde delen van de zaak en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor het overige, arrest van 14 mei 1998, Raad/de Nil en Impens (C‑259/96 P, EU:C:1998:224).
( 53 ) Zie punten 83 e.v. van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy