CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. BOBEK
van 20 december 2017 ( 1 )
Zaak C‑571/17 PPU
Openbaar Ministerie
tegen
Samet Ardic
[verzoek van de rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf – Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging – Artikel 4 bis van het kaderbesluit – Begrip ‚proces dat tot de beslissing heeft geleid’ – Strekking – Persoon die onherroepelijk tot een vrijheidsstraf is veroordeeld na een proces dat in zijn aanwezigheid is gevoerd – Voorwaardelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van een gedeeltelijk uitgezeten vrijheidsstraf – Niet-naleving van de gestelde voorwaarden – Later proces dat tot de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf heeft geleid – Proces dat in afwezigheid van de betrokkene is gevoerd”
I. Inleiding
1.
Tegen Samet Ardic, Duits staatsburger, is door een Duitse rechterlijke autoriteit een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd. Deze autoriteit verzoekt om overlevering van Ardic, die zich thans in Nederland in detentie bevindt, met het oog op de tenuitvoerlegging van het restant van de vrijheidsstraf die is bepaald bij twee vonnissen waarbij bij elk vonnis een vrijheidsstraf is opgelegd. Na een gedeelte van deze straffen te hebben uitgezeten, heeft Ardic een opschorting van de tenuitvoerlegging ervan gekregen. Deze opschorting is vervolgens ingetrokken, omdat Ardic de voorwaarden voor zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling niet had nageleefd.
2.
Hoewel Ardic in persoon was verschenen op het proces dat heeft geleid tot de twee onherroepelijk geworden vonnissen, is hij niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissingen tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van die straffen.
3.
Deze zaak betreft de werkingssfeer van artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584/JBZ ( 2 ). De verwijzende rechter wenst te vernemen of het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in dat artikel betrekking heeft op een procedure die heeft geleid tot beslissingen waarbij de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van de vrijheidsstraffen wordt herroepen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. EVRM
4.
Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( 3 ) (hierna: „EVRM”) bepaalt:
„Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. […]”
B. Unierecht
1. Handvest
5.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) luidt als volgt:
„Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
[…]”
6.
Volgens artikel 48, lid 2, van het Handvest wordt „[a]an eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, […] de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd”.
2. Kaderbesluit
7.
Artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit bepaalt dat „de lidstaten […] zich ertoe [verbinden] om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk [EAB] ten uitvoer te leggen”.
8.
Artikel 1, lid 3, bepaalt dat dat kaderbesluit „niet tot gevolg [kan] hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast”.
9.
Artikel 4 bis van het kaderbesluit is bij kaderbesluit 2009/299/JBZ ( 4 ) ingevoegd om de facultatieve gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB wanneer de betrokkene niet in persoon op zijn proces is verschenen, nader te omschrijven:
„1. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:
a)
de betrokkene tijdig
i)
persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
ii)
ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
of dat
b)
de betrokkene op de hoogte was van de voorgenomen procedure, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging bij de procedure te voeren, en bij de procedure ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;
of dat
c)
de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:
i)
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;
of
ii)
niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;
of dat
d)
de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:
i)
hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;
en
ii)
dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
[…]”
III. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vraag
10.
Op 13 juni 2017 is bij de rechtbank Amsterdam (Nederland) door de officier van justitie bij die rechtbank een vordering ingediend aangaande de behandeling van een EAB, dat op 9 mei 2017 door de Staatsanwaltschaft Stuttgart (parket van Stuttgart, Duitsland) is uitgevaardigd.
11.
Dit EAB strekt tot de aanhouding en overlevering van Ardic, Duits staatsburger, met het oog op de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen in Duitsland. De grondslag van dit EAB wordt gevormd door twee onherroepelijk geworden rechterlijke beslissingen die zien op negen strafbare feiten. In de eerste plaats is Ardic bij vonnis van 4 maart 2009 van het Amtsgericht Böblingen (rechter in eerste aanleg Böblingen, Duitsland) veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden. In de tweede plaats is Ardic bij vonnis van 10 november 2010 van het Amtsgericht Stuttgart‑Bad Cannstatt (rechter in eerste aanleg Stuttgart‑Bad Cannstatt, Duitsland) veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden.
12.
In onderdeel d) van het betrokken EAB wordt bevestigd dat Ardic in persoon is verschenen op het proces dat tot deze twee vonnissen heeft geleid.
13.
Bij twee beslissingen (van respectievelijk 4 januari 2010 en 31 mei 2011) hebben de rechterlijke instanties die de (in punt 11 van deze conclusie genoemde) vonnissen hebben uitgesproken de tenuitvoerlegging van het restant van de bij die vonnissen voorziene straffen opgeschort. ( 5 )
14.
Deze opschortingen zijn herroepen bij twee beslissingen van het Amtsgericht Stuttgart‑Bad Cannstatt van respectievelijk 18 en 4 april 2013 (hierna: „beslissingen tot herroeping” of „herroepingsbeslissingen”). De tenuitvoerlegging van het restant van de vrijheidsstraffen is gelast, omdat de betrokkene de voorwaarden voor zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling niet had nageleefd en zich, ondanks de aanmaningen, heeft onttrokken aan het toezicht en de leiding van zijn reclasseringsambtenaar alsmede aan het toezicht van de rechter. Deze herroepingsbeslissingen zijn onherroepelijk geworden. Bijgevolg dient Ardic nog 338 dagen uit te zitten van de vrijheidsstraf die hem was opgelegd in de zaak waarover op 4 maart 2009 was geoordeeld door het Amtsgericht Böblingen en 340 dagen van de vrijheidsstraf die hem was opgelegd in de zaak waarover op 10 november 2010 was geoordeeld door het Amtsgericht Stuttgart‑Bad Cannstatt.
15.
De verwijzende rechter maakt uit het EAB in kwestie op dat Ardic niet in persoon in verschenen op het proces dat heeft geleid tot de herroepingsbeslissingen, hetgeen Ardic heeft bevestigd. Deze heeft tevens verklaard dat hij, indien hij van de datum en de plaats van dat proces had geweten, zou zijn verschenen om de bevoegde rechter te overreden van de herroeping af te zien.
16.
Onderdeel f) van het EAB [„Andere voor de zaak relevante omstandigheden (facultatieve informatie)”] vermeldt dat de herroepingsbeslissingen openbaar zijn betekend aan de opgeëiste persoon, die dus achteraf het recht moet worden verleend om ten aanzien van die beslissingen te worden gehoord, zonder dat dit rechtstreekse gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid ervan.
17.
Volgens de verwijzende rechter schrijft het Duitse recht de rechter voor de beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het strafrestant te herroepen wanneer de veroordeelde volhardt in het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van de reclasseringsambtenaar en/of volhardt in het niet naleven van de voorwaarden voor die opschorting. De Duitse rechter moet daarentegen afzien van een dergelijke herroeping wanneer het volstaat om nadere voorwaarden of instructies op te leggen of de proeftijd te verlengen. Uit de herroepingsbeslissingen blijkt dat het Amtsgericht Stuttgart‑Bad Cannstatt heeft geconstateerd dat het stellen van nadere voorwaarden of het verlengen van de proeftijd niet volstond en dat de herroeping in overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel. De verwijzende rechter merkt op dat de Duitse rechter bij het geven van een herroepingsbeslissing over een beoordelingsmarge beschikt, die hem in staat stelt de situatie of de persoon van de betrokkene in aanmerking te nemen.
18.
In het licht van het arrest in de zaak Zdziaszek merkt de verwijzende rechter op dat het Hof bij de toepassing van artikel 4 bis van het kaderbesluit onderscheid heeft gemaakt tussen maatregelen die de maat van de opgelegde straf wijzigen en maatregelen inzake de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. ( 6 ) De verwijzende rechter stelt vast dat de herroepingsbeslissingen in het hoofdgeding de strafmaat niet wijzigen. Dat zou evenwel niet noodzakelijkerwijs betekenen dat artikel 4 bis van het kaderbesluit niet van toepassing is op herroepingsbeslissingen, gelet op het door het Handvest gewaarborgde hogere beschermingsniveau. De verwijzende rechter merkt namelijk op dat het mogelijk is dat, wanneer de rechter over een beoordelingsmarge beschikt, een beslissing tot herroeping voor de betrokkene van evenveel betekenis is als een verzamelvonnis (zoals in de zaak Zdziaszek).
19.
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Indien de opgeëiste persoon onherroepelijk in een in zijn aanwezigheid gevoerde procedure schuldig is bevonden en is veroordeeld tot een vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging onder voorwaarden is opgeschort, is de latere procedure waarin de rechter buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon de herroeping van die opschorting gelast wegens het niet naleven van voorwaarden en het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van een reclasseringsambtenaar een ‚proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584/JBZ?”
IV. Spoedprocedure bij het Hof
20.
De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter motivering van dit verzoek heeft hij betoogd dat de voorgelegde prejudiciële vraag betrekking heeft op de uitlegging van het kaderbesluit dat valt onder titel V van het derde deel van het VWEU. Ook heeft hij opgemerkt dat de betrokkene zich in afwachting van zijn overlevering in Nederland in detentie bevindt. Het spoedige antwoord van het Hof is dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de detentie van betrokkene.
21.
De Vijfde kamer van het Hof heeft op 12 oktober 2017 beslist om aan dit verzoek gevolg te geven.
22.
Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door het Openbaar Ministerie (Nederland), Ardic, de Duitse en de Nederlandse regering en de Europese Commissie. Deze, alsmede de Ierse regering, hebben mondelinge opmerkingen gemaakt ter terechtzitting van 22 november 2017.
V. Beoordeling
23.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van artikel 4 bis, lid 1, inleidende zin, van het kaderbesluit de procedure omvat die heeft geleid tot de beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. Deze zaak ziet derhalve op de werkingssfeer van artikel 4 bis van het kaderbesluit.
24.
Deze conclusie is als volgt opgebouwd. Na enkele inleidende opmerkingen over de relevante Duitse bepalingen van procesrecht en over de rechtspraak van het EHRM (A), stel ik allereerst een uitlegging van artikel 4 bis van het kaderbesluit voor (B). Vervolgens zal ik de specifieke kwestie van de herroeping van de beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van een vrijheidsstraf in het kader van artikel 4 bis van het kaderbesluit onderzoeken (C). Ik eindig met enkele opmerkingen over de grondrechten in het bij het kaderbesluit ingevoerde stelsel (D).
A. Voorafgaande verduidelijkingen
25.
De in deze zaak voorgelegde prejudiciële vraag hangt nauw samen met de kwesties die het Hof heeft aangesneden in de zaken Tupikas (C‑270/17 PPU) en Zdziaszek (C‑271/17 PPU). In de eerste van die zaken heeft het Hof met name verduidelijkt dat indien de procedure meerdere instanties heeft omvat, het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 als de beroepsinstantie moet worden begrepen, voor zover die heeft geleid tot de beslissing waarbij definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en over zijn straf. ( 7 ) In de zaak Zdziaszek heeft het Hof geoordeeld dat het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” ook ziet op latere procedures (zoals die waarin een verzamelvonnis wordt gewezen) waarin een beslissing wordt gegeven waarbij de hoogte van de aanvankelijk opgelegde straffen onherroepelijk wordt gewijzigd, voor zover de autoriteit welke die beslissingen heeft vastgesteld over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikt. ( 8 )
26.
In laatstgenoemd arrest heeft het Hof onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak Boulois ( 9 ) ook verklaard dat „[onderscheid] moet […] worden gemaakt tussen […] maatregelen [die de maat van de opgelegde straf of straffen wijzigen] en maatregelen met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Overigens blijkt uit de rechtspraak van het EHRM dat artikel 6, lid 1, van het EVRM niet van toepassing is op kwesties betreffende de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, met name die betreffende de voorlopige invrijheidsstelling”. ( 10 )
27.
Binnen die context houdt de door de verwijzende rechter in deze zaak voorgelegde prejudiciële vraag verband met het onderscheid tussen enerzijds de beslissingen over de schuldvraag en de straf en anderzijds de beslissingen over de „wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf”. Overeenkomstig het arrest Zdziaszek vallen laatstgenoemde buiten de werkingssfeer van artikel 6, lid 1, van het EVRM ( 11 ), hetgeen bijgevolg zo zou kunnen worden uitgelegd dat een dergelijke „wijze van tenuitvoerlegging” buiten de werkingssfeer van artikel 4 bis van het kaderbesluit valt.
28.
Twee voorafgaande verduidelijkingen zijn nodig om de verwijzende rechter in deze zaak een bruikbaar antwoord te geven. In de eerste plaats dient te worden opgehelderd wat in het Duitse recht de precieze aard is van de procedure die leidt tot de beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van een vrijheidsstraf (1). In de tweede plaats blijkt het ook noodzakelijk ons te buigen over het begrip „wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf” in de rechtspraak van het EHRM (2).
1. Procedure tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van een vrijheidsstraf in het Duitse recht
29.
Het Hof heeft de Duitse regering verzocht om te verduidelijken hoe de procedure tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van een vrijheidsstraf in het Duitse recht is geregeld. Deze regering heeft de volgende uitleg gegeven.
30.
In de eerste plaats kan het restant van een gedeeltelijk uitgezeten vrijheidsstraf op grond van § 57 van het Strafgesetzbuch (Duits wetboek van strafrecht; hierna: „StGB”) met oplegging van een proeftijd worden opgeschort. ( 12 ) Wanneer twee derde van de opgelegde straf is uitgezeten met een minimum van twee maanden, schort de rechtbank de tenuitvoerlegging van het restant van de vrijheidsstraf met instemming van de veroordeelde persoon op, na te hebben vastgesteld of de belangen op het gebied van de openbare veiligheid zich daar niet tegen verzetten. ( 13 ) Indien de helft van een vrijheidsstraf is uitgezeten – met evenwel een minimum van zes maanden – kan de rechtbank de tenuitvoerlegging van het restant onder striktere voorwaarden opschorten. ( 14 )
31.
De bevoegde rechtbank herroept de opschorting wanneer de veroordeelde persoon de instructies of de voorwaarden zwaar of aanhoudend overtreedt of volhardt in het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van zijn reclasseringsambtenaar, en aldus doet vrezen voor recidive. ( 15 ) De rechtbank herroept de opschorting daarentegen niet, indien het volstaat om nadere voorwaarden of instructies op te leggen, in het bijzonder dat de veroordeelde onder toezicht van een reclasseringsambtenaar wordt geplaatst of de proeftijd of de toezichtperiode wordt verlengd. ( 16 ) Wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd, is de rechtbank verplicht de opschorting van de tenuitvoerlegging van het strafrestant te herroepen.
32.
In de tweede plaats worden de latere beslissingen aangaande de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van een vrijheidsstraf met oplegging van een proeftijd geregeld in § 453 van de Strafprozessordnung (Duits wetboek van strafvordering; hierna: „StPO”). Indien het voornemen tot herroeping bestaat, stelt de rechtbank de veroordeelde persoon in de gelegenheid om te worden gehoord. ( 17 ) Zodra de beslissing tot herroeping is vastgesteld, kan de veroordeelde daartegen opkomen door onmiddellijk bezwaar te maken binnen een week nadat de herroepingsbeschikking aan de veroordeelde is bekendgemaakt. ( 18 ) Indien de verblijfplaats van de veroordeelde persoon niet bekend is en de betekening niet in de vereiste vorm kan plaatsvinden, is het toegestaan de herroepingsbeschikking openbaar te betekenen door aanplakking op het aankondigingenbord van de rechtbank. De betekening wordt geacht te hebben plaatsgevonden nadat de aankondiging een maand op het bord heeft gehangen. Bovengenoemde termijn van een week voor het instellen van onmiddellijk bezwaar begint vanaf dat moment te lopen. Bij het verstrijken ervan krijgt de herroepingsbeschikking kracht van gewijsde. ( 19 )
33.
De Duitse regering heeft ter terechtzitting uitgelegd dat de veroordeelde verplicht in de gelegenheid moet worden gesteld om te worden gehoord, zelfs wanneer hij pas na het verstrijken van de termijn van een week daadwerkelijk kennisneemt van de openbaar betekende herroepingsbeslissing. Uit de nationale rechtspraak met betrekking tot § 33a StPO blijkt dat de veroordeelde in een dergelijke situatie moet worden gehoord om de gelegenheid te hebben zijn bezwaren tegen de herroeping aan te voeren en nieuwe feiten naar voren te brengen. Na dat gehoor kan de procedure, ambtshalve of op verzoek, worden hersteld in de toestand waarin deze zich bevond voor het vaststellen van de herroepingsbeslissing in kwestie.
2. „Wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf” in de rechtspraak van het EHRM
34.
Zoals het Hof heeft opgemerkt in de zaak Zdziaszek ( 20 ), blijkt uit de rechtspraak van het EHRM dat de waarborgen van artikel 6, lid 1, van het EVRM niet alleen van toepassing zijn op de schuldigverklaring maar tevens op de bepaling van de strafmaat. ( 21 )
35.
Volgens de rechtspraak van het EHRM vallen kwesties betreffende de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf evenwel niet binnen de werkingssfeer van artikel 6, lid 1, van het EVRM. ( 22 ) Meer in het bijzonder heeft het EHRM geoordeeld dat de strafrechtelijke component van artikel 6, lid 1, van het EVRM niet van toepassing is op het geschil over de straf, dat in beginsel niet de gegrondheid van een „strafrechtelijke vervolging” betreft. ( 23 )
36.
Aldus hebben het EHRM en de voormalige ECRM geoordeeld dat de bescherming van artikel 6, lid 1, van het EVRM, niet van toepassing is op procedures over het verlof van een veroordeelde ( 24 ), amnestie ( 25 ), voorwaardelijke invrijheidsstelling ( 26 ), voorlopige invrijheidsstelling in het kader van een voorlopige hechtenis ( 27 ) of overbrenging van veroordeelde personen ( 28 ). Hetzelfde geldt voor procedures tot herroeping van de strafopschorting, ten minste volgens de rechtspraak van de voormalige ECRM. ( 29 )
37.
Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, komt deze benadering overeen met de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot het begrip „straf” in de zin van artikel 7 van het EVRM. ( 30 )
38.
Het EHRM heeft echter tevens erkend – met name in het kader van artikel 7 van het EVRM – dat het onderscheid tussen een „straf” en een maatregel met betrekking tot de „tenuitvoerlegging” van een straf in de praktijk niet altijd duidelijk is. ( 31 ) Het EHRM heeft ook de toepasselijkheid erkend van artikel 6, lid 1, van het EVRM, op maatregelen die nauw verband houden met de strafrechtelijke procedure en de definitieve bepaling van de strafmaat. ( 32 )
39.
Bovendien blijven er twijfels bestaan met betrekking tot de vraag of maatregelen die verband houden met de tenuitvoerlegging van straffen, onder bepaalde voorwaarden onder de civielrechtelijke component van artikel 6, lid 1, van het EVRM ( 33 ) kunnen vallen. Hoewel de grote kamer van het EHRM de civielrechtelijke component van artikel 6, lid 1, van het EVRM in de zaak Boulois niet van toepassing heeft geacht, houdt dit antwoord echter verband met het feit dat het „strafverlof” niet een recht is, aangezien de vaststelling van dat wat een „recht” is, sterk samenhangt met de vorm ervan in het nationale rechtssysteem. ( 34 )
40.
Ten slotte staan de waarborgen van het meer specifieke recht van de verdachte om op zijn proces te verschijnen niet uitdrukkelijk vermeld in artikel 6, lid 1, van het EVRM. Aanvankelijk zijn zij door het EHRM uit de specifieke context van de strafrechtelijke component van die bepaling gehaald ( 35 ) alvorens recentelijk te zijn uitgebreid tot de civielrechtelijke component ( 36 ).
B. Uitlegging van artikel 4 bis van het kaderbesluit
41.
Met betrekking tot de vraag of de procedure die leidt tot de herroepingsbeslissing onder de werkingssfeer van artikel 4 bis van het kaderbesluit valt en of een dergelijke beslissing lijkt op een wijze van tenuitvoerlegging van een straf, loopt de uitlegging door partijen uiteen.
42.
Ardic betoogt dat artikel 4 bis ziet op een herroepingsprocedure zoals die in het hoofdgeding. Hij voert allereerst het argument aan dat artikel 6 van het EVRM van toepassing is op herroepingsbeslissingen. Wat de „strafrechtelijke component” van artikel 6 van het EVRM betreft, stelt Ardic dat herroepingsprocedures kunnen leiden tot een wijziging van de straf en dat de rechter die over de herroeping oordeelt over een beoordelingsmarge beschikt. Vervolgens zou artikel 6 ook wat de civielrechtelijke component betreft van toepassing kunnen zijn, aangezien de procedure tot herroeping het „recht op vrijheid” in het geding brengt. Zelfs wanneer zou moeten worden erkend dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op de herroepingsprocedure, bieden de artikelen 47 en 48 van het Handvest in ieder geval een ruimere bescherming. De werkingssfeer van met name artikel 47 van het Handvest is veel ruimer, zodat een herroepingsprocedure zoals in het hoofdgeding eronder kan vallen. Artikel 4 bis van het kaderbesluit moet in het licht van die bepalingen worden uitgelegd.
43.
De Ierse regering voert aan dat in omstandigheden waarin de herroeping niet automatisch plaatsvindt en de rechter over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikt, ervan moet worden uitgegaan dat tijdens de terechtzitting over de herroeping van de opschorting van het strafrestant nog steeds een strafrechtelijke procedure tegen die persoon loopt. In dergelijke omstandigheden gaat het om een procedure die leidt tot een rechterlijke beslissing waarbij de persoon om wiens overlevering wordt verzocht, onherroepelijk is veroordeeld (om de terminologie over te nemen die het Hof heeft gebruikt in punt 74 van het arrest van 10 augustus 2017, Tupikas,C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628). Onder verwijzing naar punt 91 van het arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629), stelt de Ierse regering dat het gaat om een beslissing waarbij de strafmaat wordt bepaald. De overwegingen van het Hof in punt 84 van het arrest Tupikas moeten in die omstandigheden dus naar analogie worden toegepast, aangezien de terechtzitting over de herroeping van de opschorting kan leiden tot een vrijheidsontneming. Gelet op de mogelijke gevolgen voor het individu betreft een dergelijke procedure de gegrondheid van een strafrechtelijke vervolging in de zin van artikel 6, lid 1, van het EVRM. In elk geval kan krachtens artikel 47 van het Handvest een hogere graad van bescherming worden toegekend, overeenkomstig artikel 53, lid 2, ervan.
44.
Daarentegen delen het Nederlandse Openbaar Ministerie, de Nederlandse en de Duitse regering en de Commissie in wezen het standpunt dat de herroepingsbeslissingen in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis van het kaderbesluit vallen. Ten eerste volgt dit met name uit punt 85 van het arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629). Volgens deze belanghebbende partijen heeft het onderzoek in het kader van artikel 4 bis enkel betrekking op vragen met betrekking tot de schuld en de straf. Men zou de bepaling van de schuld/straf dus moeten onderscheiden van de latere procedures die betrekking hebben op de wijze van tenuitvoerlegging van de opgelegde straf. Aangezien de beslissingen tot herroeping een wijze van tenuitvoerlegging zijn, vallen zij niet onder artikel 4 bis van het kaderbesluit. Ten tweede is in casu de straf zeker en onherroepelijk, in tegenstelling tot de zaak Zdziaszek waarin de hoogte van de straf niet vaststond. De latere beslissingen met betrekking tot de herroeping van de opschorting hebben in geen enkel opzicht de twee onherroepelijke veroordelingen tot twee vrijheidsstraffen voor de duur van één jaar en acht maanden gewijzigd. In de herroepingsbeslissingen is uiteengezet wat ten uitvoer moet worden gelegd: het restant van de oorspronkelijk opgelegde straffen. Ten derde speelt de discretionaire bevoegdheid van de rechter slechts in de context van het bepalen van de straf. Het feit dat de rechter in de procedure in het hoofdgeding over een beoordelingsmarge beschikt om de opschorting te herroepen, heeft geen gevolgen voor de strafmaat.
45.
De zojuist uiteengezette argumenten tonen aan dat de kwestie van de reikwijdte van de waarborgen van artikel 6 van het EVRM en de afbakening van dat wat een wijze van tenuitvoerlegging van straffen vormt, complexe vragen opwerpt. Tegen de achtergrond van de rechtspraak van het EHRM zijn het begrip „wijze van tenuitvoerlegging” en de gevolgen ervan, gelet op de toepasselijkheid van de straf‑ en civielrechtelijke componenten van artikel 6 van het EVRM, niet geheel duidelijk, in het bijzonder wat betreft de herroepingsbeslissingen in het hoofdgeding, zoals voorzien in het Duitse recht.
46.
Toch is deze discussie naar mijn mening in deze zaak van beperkt belang. De identificatie van hetgeen een wijze van tenuitvoerlegging vormt in de zin van artikel 6 van het EVRM is niet bepalend voor het antwoord op de prejudiciële vraag die door de verwijzende rechter is voorgelegd, daar deze in het bijzonder ziet op de uitlegging van artikel 4 bis van het kaderbesluit. Om de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te geven, is het bijgevolg van belang artikel 4 bis van het kaderbesluit uit te leggen. Daartoe dient te worden teruggekeerd naar de tekst en het systeem (1), de totstandkoming (2) en het doel van deze bepaling (3).
1. Tekst en systeem
47.
Het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” dat in de tekst van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit voorkomt, moet worden opgevat als een autonoom begrip van het Unierecht. ( 37 ) De specifieke inhoud van het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” kan evenwel niet louter aan de hand van de bewoordingen van die bepaling worden verduidelijkt. Hetzelfde geldt voor het begrip in het opschrift van artikel 4 bis van het kaderbesluit, dat alleen verwijst naar „[b]eslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen”. ( 38 )
48.
In deze omstandigheden dienen de tekst en het systeem van heel artikel 4 bis en andere bepalingen van het kaderbesluit te worden gebruikt.
49.
In de eerste plaats is artikel 4 bis van toepassing op Europese aanhoudingsbevelen die zien op de tenuitvoerlegging van een straf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. Het is dus duidelijk dat deze bepaling slechts in aanmerking komt bij een beslissing tot strafoplegging. ( 39 ) Er bestaat aldus een uitdrukkelijk verband tussen de werkingssfeer van deze bepaling en de beslissing die ten uitvoer moet worden gelegd.
50.
In dit verband verduidelijken meerdere bepalingen van het kaderbesluit het begrip „beslissing” waartoe het proces in de zin van artikel 4 bis van het kaderbesluit moet leiden. Zo verwijst artikel 8, lid 1, onder c) en f), van het kaderbesluit naar het „voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis” en naar „een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing”, alsmede naar de „opgelegde straf” in het „onherroepelijke vonnis”, als informatie die in het EAB moet worden vermeld. Ook punt b), onder 2, van de bijlage bij het kaderbesluit noemt het „voor uitvoerlegging vatbaar vonnis”. Deze elementen onderstrepen het feit dat artikel 4 bis uitdrukkelijk ziet op het proces dat aanleiding geeft tot de beslissing tot strafoplegging, die volgens het Hof overigens onherroepelijk moet zijn. ( 40 )
51.
In de tweede plaats getuigen de verschillende in artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit genoemde gevallen als uitzondering op de mogelijkheid tot weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB van het feit dat het betrokken proces het proces is dat leidt tot een beslissing over de schuld en/of de straf, met andere woorden tot een beslissing die de onderdelen een strafrechtelijke veroordeling in zich draagt.
52.
Meer in het bijzonder verwijst artikel 4 bis, lid 1, onder b), van het kaderbesluit naar de daadwerkelijke verdediging op het proces door een raadsman. Artikel 4 bis, lid 1, onder c), van het kaderbesluit verwijst naar de situatie waarin de betrokkene, nadat hij is geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep waarin de zaak opnieuw ten gronde kan worden behandeld, de beslissing niet bestrijdt of geen verzet aantekent. Artikel 4 bis, lid 1, onder d), van het kaderbesluit ziet op de situatie waarin de beslissing na overlevering persoonlijk aan de betrokkene zal worden betekend en de betrokkene zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep waarbij de zaak opnieuw ten gronde kan worden behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die zal kunnen leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing.
53.
Hieruit volgt dat, in de zin van artikel 4 bis, de beslissing waartoe het proces moet leiden „de rechterlijke beslissing [is] waarbij de persoon om wiens overlevering wordt verzocht in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, onherroepelijk is veroordeeld”. ( 41 ) Het Hof heeft er in dit verband aan herinnerd dat de term „veroordeling” zowel op de schuldigverklaring als op de oplegging van een straf of een andere vrijheidsbeperkende maatregel doelt. ( 42 )
54.
In de zaak Zdziaszek heeft het Hof nader aangegeven dat het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” tevens een latere procedure omvat waarin een verzamelvonnis wordt gewezen. In dat geval is juist bepalend dat een dergelijke procedure leidt tot een beslissing waarbij de maat van de aanvankelijk opgelegde straf wordt gewijzigd, aangezien degene die deze beslissing geeft in dit verband over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikt. ( 43 ) Uitgelegd in de specifieke context van artikel 4 bis van het kaderbesluit spitst het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” zich dus toe op de procedurele fase die betrekking heeft op de behandeling van de zaak ten gronde, die bepalend is voor de veroordeling van de betrokken persoon. ( 44 )
55.
Op grond van de eerder geanalyseerde elementen kan worden geconcludeerd dat het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” niet de procedures omvat die volgen op het proces dat heeft geleid tot een onherroepelijke beslissing over de veroordeling, aangezien die procedures geen gevolgen hebben voor de bepaling van de schuld en de strafmaat.
2. Totstandkoming van artikel 4 bis
56.
De totstandkomingsgeschiedenis van kaderbesluit 2009/299 bevestigt dat artikel 4 bis van het kaderbesluit geen betrekking heeft op het specifieke recht om te verschijnen op het strafproces, opgevat als de procedure waarbij het onherroepelijk tot een veroordeling (schuld en straf) komt.
57.
In de eerste plaats stelt kaderbesluit 2009/299, waarbij artikel 4 bis is ingevoerd, de gemeenschappelijke bepalingen vast voor de erkenning en/of tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen „na een proces waarop de betrokkene niet aanwezig was”. ( 45 ) Dit instrument zorgt ervoor dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door het EVRM, dat in het bijzonder „het recht van de betrokkene om in persoon tijdens het proces te verschijnen” ( 46 ) omvat, wordt versterkt. Kaderbesluit 2009/299 en meer in het bijzonder artikel 4 bis zien aldus specifiek op één van de elementen die het in artikel 6 van het EVRM voorziene recht op een eerlijk proces omvat, zoals voortvloeit uit het doel en het voorwerp van heel deze bepaling: het recht van de verdachte om in persoon tijdens zijn proces te verschijnen, zoals uitgelegd door het EHRM. ( 47 ) De in artikel 4 bis bedoelde gevallen weerspiegelen deze rechtspraak. ( 48 )
58.
Aldus ziet artikel 4 bis van het kaderbesluit, als facultatieve grond om een EAB – dat zelf strekt tot de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar vonnis – niet ten uitvoer te leggen, rekening houdend met het doel en de inhoud van kaderbesluit 2009/299, specifiek op de waarborgen die zijn verbonden aan het specifieke recht van de betrokkene om tijdens zijn strafproces te verschijnen. Artikel 4 bis beoogt namelijk niet alle procedurele waarborgen die voortvloeien uit artikel 6 van het EVRM in zich op te nemen (en naar analogie ook niet de in potentie ruimere waarborgen die voortvloeien uit de artikelen 47 en 48 van het Handvest) als elementen die de weigering om het EAB uit te voeren kunnen rechtvaardigen. Artikel 4 bis ziet uitsluitend op de waarborgen met betrekking tot het recht om tijdens het strafproces te verschijnen.
59.
In de tweede plaats wordt het feit dat artikel 4 bis uitsluitend ziet op de gerechtelijke procedure waarbij ten gronde over de strafrechtelijke veroordeling wordt beslist, bevestigd door de totstandkomingsgeschiedenis. De oorspronkelijke tekst van deze bepaling, zoals voortvloeiend uit het initiatief van de lidstaten dat heeft geleid tot de vaststelling van kaderbesluit 2009/299, verwees immers naar de ruimere term „procedure”, waarna uiteindelijk de voorkeur is gegeven aan het preciezere „proces”. ( 49 )
60.
Bijgevolg zorgt het feit dat men niet is gehoord in het kader van een procedure na het proces, zoals een procedure tot herroeping van een beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een straf, er niet voor dat het uitvoerbare vonnis dat tijdens het strafproces is gewezen een verstekvonnis wordt in de zin van artikel 4 bis van het kaderbesluit.
3. Teleologische uitlegging
61.
Wat de teleologische uitlegging betreft, dient artikel 4 bis van het kaderbesluit te worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene doeleinden ervan alsmede die van kaderbesluit 2009/299.
62.
Het doel van de bij kaderbesluit 2009/299 ingevoerde wijzigingen was tweeledig. Het ging erom de procedurele rechten te versterken van personen tegen wie een strafprocedure loopt en de justitiële samenwerking in strafzaken te faciliteren, in het bijzonder de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen te bevorderen. ( 50 )
63.
Wat het faciliteren van de justitiële samenwerking betreft, blijkt uit overweging 3 van kaderbesluit 2009/299 dat de Uniewetgever een einde heeft willen maken aan de situatie die was voorzien in artikel 5 van de oorspronkelijke versie van het kaderbesluit, volgens welke het aan de uitvoerende autoriteit stond om te beoordelen of de garanties die waren gegeven met betrekking tot de mogelijkheid om om heropening van de procedure te verzoeken, voldoende waren. ( 51 )
64.
Het evenwicht tussen dit doel en dat van de versterking van de procedurele rechten van personen wordt in het bijzonder gewaarborgd door toepassing van de vereisten van artikel 4 bis met betrekking tot de enige elementen die in het strafproces als zodanig centraal staan, namelijk de schuld en de straf. Het is met betrekking tot die elementen dat de ruimere bescherming in geval van veroordelingen bij verstek van toepassing is.
65.
Bij een extensieve uitlegging van die vereisten, in die zin dat die verder gaat dan het eigenlijke strafproces in de zin van artikel 4 bis van het kaderbesluit, zou het gevaar bestaan dat dit met het kaderbesluit als geheel en de wijzigingen van 2009 nagestreefde delicate evenwicht wordt verstoord. Bij een dergelijke benadering zou namelijk het risico bestaan dat aan de voor de tenuitvoerlegging bevoegde rechter ook alle aan het strafproces nevengeschikte procedurele aspecten worden voorgelegd – ook wanneer die elementen van na het onherroepelijk vonnis dateren, of zelfs van voor het begin van het proces zelf.
66.
Zoals de verwijzende rechter opmerkt, kan zeker staande worden gehouden dat een beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van de vrijheidsstraffen belangrijke gevolgen met zich meebrengt voor de betrokkene. Vanuit praktisch oogpunt zou het ondergeschikt maken van de overlevering aan het recht om te worden gehoord in het kader van een procedure die leidt tot herroepingsbeslissingen zoals die in het hoofdgeding, evenwel tot gevolg hebben dat het functioneren van de regeling van het kaderbesluit wordt belemmerd in alle gevallen waarin een veroordeelde persoon die zich niet meer op het grondgebied van de lidstaat van veroordeling bevindt (en die de autoriteiten niet van de wijziging van zijn woonplaats op de hoogte heeft gesteld), niet de proeftijdvoorwaarden in acht neemt.
67.
Overigens kan ten overvloede worden opgemerkt dat in het Unierecht is voorzien in een specifiek middel om te verzekeren dat personen voor wie proeftijdvoorwaarden gelden, zich met inachtneming van die voorwaarden naar andere lidstaten kunnen begeven. ( 52 )
C. Procedure tot herroeping van de beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging
68.
Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van artikel 4 bis van het kaderbesluit ziet op het proces (in eerste aanleg of in hoger beroep) dat heeft geleid tot het uitvoerbare vonnis waarbij de veroordeling (schuld en straf) is uitgesproken, welk vonnis de grondslag vormt voor de vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging met het EAB wordt beoogd. Een dergelijke uitlegging brengt ons tot de conclusie dat artikel 4 bis van het kaderbesluit niet van toepassing is op een procedure na het proces dat leidt tot een onherroepelijke beslissing over de veroordeling, wanneer een dergelijke procedure geen invloed kan hebben op het bepalen van de schuld of de strafmaat.
69.
Tegen deze achtergrond lijkt de herroeping van een beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het restant van vrijheidsstraffen, zoals uiteengezet door de verwijzende rechter en toegelicht door de Duitse regering, derhalve niet onder artikel 4 bis van het kaderbesluit te vallen.
70.
Ten eerste volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de betrokken herroepingsbeslissingen de maat van de straffen die zijn opgelegd bij de onherroepelijke vonnissen die de grondslag vormen van het EAB in kwestie, niet hebben gewijzigd. Alleen het uitvoerbare vonnis dat aan het EAB ten grondslag ligt, blijft immers het vonnis waarbij de veroordeling is uitgesproken. De herroepingsbeslissingen brengen geen nieuwe, inhoudelijke beslissing die de grondslag van het EAB kan vormen met zich mee. De herroepingsbeslissingen kunnen niet in aanmerking worden genomen zonder tegelijk ook rekening te houden met de vonnissen waarbij onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, waarvan de tenuitvoerlegging nog steeds gaande is. ( 53 )
71.
Ten tweede zetten herroepingsbeslissingen weer straffen in gang die onherroepelijk zijn vastgesteld op het moment van de veroordeling, zelfs wanneer zij vervolgens onder voorwaarden zouden worden opgeschort. Er wordt dan overgegaan tot een wiskundige berekening van de dagen die, vergeleken met de reeds ondergane straf, nog moeten worden uitgezeten. De discretionaire bevoegdheid waarover de gerechtelijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in dit opzicht beschikken, heeft geen betrekking op de bestanddelen van de veroordeling, namelijk de schuld en de straf.
72.
Ten derde verschilt het voorwerp van een dergelijke herroepingsprocedure van het strafproces dat heeft geleid tot het vonnis over de schuld en de straf. De herroepingsprocedure en de beoordelingsmarge waarover de rechter in dit specifieke kader beschikt, betreffen de beoordeling van de naleving van de voorwaarden voor de opschorting van de tenuitvoerlegging en de gegrondheid van het opleggen van nadere aanvullende voorwaarden. Zij raken niet aan de schuld en de straf waarover in het strafproces onherroepelijk uitspraak is gedaan. ( 54 )
D. Naleving van de grondrechten die verder gaat dan artikel 4 bis
73.
Het feit dat de herroepingsprocedures in het hoofdgeding, als procedures na het strafproces in de zin van het kaderbesluit, niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis van dat kaderbesluit vallen, brengt evenwel niet met zich mee dat procedurele waarborgen in dit stadium ontbreken.
74.
Hoewel de regeling van het kaderbesluit is gegrond op wederzijds vertrouwen, is het steeds duidelijker geworden dat het niet gaat om blind vertrouwen. Het vertrouwen waarop het beginsel van wederzijdse erkenning berust, steunt op een stevige constructie, gegrond op vergelijkbare standaarden en gedeelde verantwoordelijkheden.
75.
In dat verband, en meer in het bijzonder in de zaken die voor dit Hof zijn aangebracht, richt de discussie zich op de rol van de uitvoerende rechter, en met name op de mogelijkheden die hij heeft om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren gelet op het risico van schending van de grondrechten in de uitvaardigende lidstaat. Het cruciale belang van diens verplichtingen mag evenwel niet worden onderschat.
76.
Enerzijds berust het vermoeden van gelijkwaardige (doch niet gelijke) bescherming waarop het beginsel van wederzijds vertrouwen is gebaseerd, op robuuste juridische grondslagen. Alle lidstaten zijn partij bij het EVRM en dienen daadwerkelijk te garanderen dat alle waarborgen die eruit voortvloeien worden nageleefd, ongeacht het feit of een bepaalde procedure al dan niet betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een EAB.
77.
Hoewel het feit dat men niet vooraf is gehoord in het kader van een procedure tot herroeping van een opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, geen grond is om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren overeenkomstig artikel 4 bis van het kaderbesluit, betekent dit in deze omstandigheden geenszins dat het recht om te worden gehoord niet moet worden nageleefd. Deze verplichting behoort immers tot de verplichtingen van de uitvaardigende lidstaat. Het is in het kader van diens verplichtingen dat de procedurele grondrechten, waaronder het recht om te worden gehoord, moeten worden gewaarborgd bij de toepassing van de interne procedures en beroepsmogelijkheden.
78.
De hoofdrol van de uitvaardigende lidstaat op het gebied van de procedurele rechten komt binnen de regeling van het EAB tot uiting in artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2009/299, op grond waarvan dit kaderbesluit „niet tot gevolg [kan] hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag, inclusief de rechten van de verdediging van personen tegen wie een strafprocedure loopt, en alle verplichtingen die in dat verband op de gerechtelijke autoriteiten rusten, worden aangetast”. Deze bepaling, waarvan de strekking gelijkwaardig is aan die van artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit, ziet op de verplichtingen van zowel de uitvaardigende lidstaat als de lidstaat van de tenuitvoerlegging. ( 55 ) Ofschoon de aangehaalde bepalingen niet betekenen dat ieder risico op niet-naleving van een grondrecht reden moet zijn om de tenuitvoerlegging te weigeren, waken zij er niettemin voor dat het beschermingsniveau van de grondrechten niet wordt aangetast door het feit dat er tegen betrokkene een EAB is uitgevaardigd.
79.
Zo waarborgt het Duitse recht, zoals uitgelegd door de Duitse regering, in het kader van de herroepingsprocedure die hier aan de orde is, ook na de overlevering nog het recht om te worden gehoord, indien de betrokkene niet tijdens die procedure is gehoord.
80.
Anderzijds moet worden benadrukt dat het wederzijdse vertrouwen weliswaar impliceert dat de lidstaten moeten vermoeden dat de andere lidstaten de grondrechten naleven ( 56 ), maar het gaat daarbij niet om een onweerlegbaar vermoeden. Het kaderbesluit past in de rechtsorde van de Unie als rechtsunie die de grondrechten naleeft en waarvan de hoeksteen wordt gevormd door de rechtspraak van het Hof, zoals die in het bijzonder voortvloeit uit de zaken Aranyosi en Căldăraru ( 57 ). In deze rechtspraak wordt erkend dat op de uitvoerende lidstaat de verplichting rust om de beslissing over de overlevering uit te stellen – zelfs de overleveringsprocedure te beëindigen – na een concrete en nauwkeurige beoordeling van de zwaarwegende gronden die aantonen dat er een reëel risico bestaat op ernstige schendingen van de grondrechten. ( 58 ) Rekening houdende met het feiten‑ en rechtskader van de onderhavige zaak is een dergelijke situatie hier evenwel zuiver hypothetisch. ( 59 )
81.
Ten slotte is het absoluut noodzakelijk om te herinneren aan het belang van de communicatie tussen de uitvoerende autoriteiten en de uitvaardigende autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit. Zoals het Hof meermaals heeft benadrukt, vormt deze bepaling, op grond waarvan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om aanvullende gegevens kan verzoeken, een wezenlijk element van de rechterlijke samenwerking die ten grondslag ligt aan het stelsel van wederzijdse erkenning. ( 60 ) In deze omstandigheden wordt de rechter van de uitvoerende lidstaat geacht zich op de door die bepaling geboden manieren te informeren alvorens de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren. ( 61 )
VI. Conclusie
82.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de rechtbank Amsterdam (Nederland) te beantwoorden als volgt:
„Het begrip ‚proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, inleidende volzin, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet uitstrekt tot een procedure tot herroeping van een beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf wegens niet-naleving van de opschortingsvoorwaarden, voor zover een dergelijke herroeping geen gevolgen heeft voor de beslissing over de schuld of over de straf die aan het uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit”).
( 3 ) Ondertekend te Rome op 4 november 1950.
( 4 ) Kaderbesluit van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PB 2009, L 81, blz. 24).
( 5 ) Overeenkomstig het Duitse recht gaat het om de maatregel genoemd „Aussetzung des Strafrestes bei zeitiger Freiheitsstrafe” (opschorting van het strafrestant in geval van in de tijd begrensde gevangenisstraffen). Deze maatregel brengt de voorwaardelijke invrijheidsstelling met zich mee, zodra een deel van de vrijheidsstraf reeds is uitgezeten. Zie tevens punt 30 van deze conclusie.
( 6 ) Arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 85).
( 7 ) Arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punten 81, 90 en 98).
( 8 ) Arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punten 90 en 96).
( 9 ) EHRM, 3 april 2012, Boulois tegen Luxemburg (CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, punt 87).
( 10 ) Arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 85).
( 11 ) Arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 85).
( 12 ) „Aussetzung des Strafrestes bei zeitiger Freiheitsstrafe”.
( 13 ) § 57, lid 1, StGB.
( 14 ) § 57, lid 2, StGB.
( 15 ) § 56f, lid 1, StGB.
( 16 ) § 56f, lid 2, StGB.
( 17 ) § 453, lid 1, vierde volzin, StPO.
( 18 ) § 453, lid 2, derde volzin, en § 311, lid 2, StPO.
( 19 ) § 40, lid 1, en § 37, leden 1 en 2, StPO en §§ 186 en 188 van de Zivilprozessordnung (Duits wetboek van burgerlijk procesrecht).
( 20 ) Zaak van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 87).
( 21 ) Deze waarborgen omvatten „de gehele procedure, met inbegrip van de beroepsinstanties en de bepaling van de straf”. Zie in die zin EHRM, 28 november 2013, Aleksandr Dementyev tegen Rusland (CE:ECHR:2013:1128JUD004309505, § 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 22 ) EHRM, 3 april 2012, Boulois tegen Luxemburg (CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, § 87).
( 23 ) EHRM, 3 april 2012, Boulois tegen Luxemburg (CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, § 85), en EHRM, 17 september 2009, Enea tegen Italië (CE:ECHR:2009:0917JUD007491201, § 97).
( 24 ) EHRM, 3 april 2012, Boulois tegen Luxemburg (CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, § 104).
( 25 ) EHRM, 13 mei 2003, Montcornet de Caumont tegen Frankrijk (CE:ECHR:2003:0513DEC005929000).
( 26 ) ECRM, 7 mei 1990, A. tegen Oostenrijk (CE:ECHR:1990:0507DEC001626690, § 2 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 27 ) EHRM, 27 juni 1968, Neumeister tegen Oostenrijk (CE:ECHR:1968:0627JUD000193663, §§ 22 en 23).
( 28 ) EHRM, 6 juni 2006, Szabó tegen Zweden (CE:ECHR:2006:0627DEC002857803).
( 29 ) ECRM, 5 oktober 1967, X tegen Bondsrepubliek Duitsland (CE:ECHR:1967:1005DEC000242865).
( 30 ) EHRM, 29 november 2005, Uttley tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2005:1129DEC003694603); EHRM, 10 juli 2003, Grava tegen Italië (CE:ECHR:2003:0710JUD004352298, § 51); EHRM, 23 oktober 2012, Ciok tegen Polen (CE:ECHR:2012:1023DEC000049810, § 33), en EHRM, 12 februari 2008, Kafkaris tegen Cyprus (CE:ECHR:2008:0212JUD002190604, §§ 142 e.v.). Zie in het bijzonder met betrekking tot de verschillende voorwaarden in de lidstaten voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling die van toepassing zijn in het kader van het kaderbesluit, EHRM, 23 oktober 2012, Giza tegen Polen (CE:ECHR:2012:1023DEC000199711, §§ 31‑33).
( 31 ) Zie EHRM, 21 oktober 2013, Del Río Prada tegen Spanje (CE:ECHR:2013:1021JUD004275009, §§ 85 e.v.), onder aanhaling van onder meer EHRM, 12 februari 2008, Kafkaris tegen Cyprus (CE:ECHR:2008:0212JUD002190604, § 142).
( 32 ) EHRM, 1 april 2010, Buijen tegen Duitsland (CE:ECHR:2010:0401JUD002780405, § 42) (betreffende de overbrenging van veroordeelde personen). Zie tevens EHRM, 15 december 2009, Gurguchiani tegen Spanje (CE:ECHR:2009:1215JUD001601206, §§ 40, 47 en 48) (betreffende de inwisseling van een gevangenisstraf voor verwijdering van het grondgebied van een staat). Het EHRM heeft artikel 6, lid 1, van het EVRM eveneens van toepassing geacht op procedures die moesten worden gevoerd wegens overtredingen begaan tijdens de tenuitvoerlegging van de straf en die tot gevolg hadden dat de duur van de detentie werd verlengd (EHRM, 9 oktober 2003, Ezeh en Connors tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2003:1009JUD003966598).
( 33 ) Op grond waarvan „[b]ij het bepalen van zijn burgerlijke rechten en verplichten […] eenieder recht [heeft] op een […] behandeling van zijn zaak […] door een […] gerecht”.
( 34 ) EHRM, 3 april 2012, Boulois tegen Luxemburg (CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, §§ 89 en 101).
( 35 ) Het EHRM heeft benadrukt dat dit recht voortvloeit uit het voorwerp en het doel van artikel 6 in zijn geheel, onder verwijzing naar de punten c), d) en e) van lid 3, waarbij is erkend dat „eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld” het recht heeft om „zichzelf te verdedigen”, „de getuigen […] te ondervragen of te doen ondervragen” en „zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt”„hetgeen zonder zijn aanwezigheid nauwelijks voorstelbaar is”. Zie onder meer EHRM, 12 februari 1985, Colozza tegen Italië (CE:ECHR:1985:0212JUD000902480, § 27), en EHRM, 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië (CE:ECHR:2006:0301JUD005658100, §§ 81 e.v.).
( 36 ) Zie EHRM, 14 maart 2014, Dılıpak en Karakaya tegen Turkije (CE:ECHR:2014:0304JUD000794205, §§ 76‑80), en EHRM, 8 oktober 2015, Aždajić tegen Slovenië (CE:ECHR:2015:1008JUD007187212, § 50).
( 37 ) Arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punten 66 en 67).
( 38 ) Arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 69).
( 39 ) Bijgevolg zouden deze waarborgen niet van toepassing zijn in het kader van een EAB voor strafrechtelijke vervolgingen. Zie in deze zin arrest van 29 januari 2013, Radu (C‑396/11, EU:C:2013:39, punten 39 en 40).
( 40 ) Arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punten 71 en 72).
( 41 ) Arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 74).
( 42 ) Arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 78, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM, 21 oktober 2013, Del Río Prada tegen Spanje, CE:ECHR:2013:1021JUD004275009, § 123).
( 43 ) Arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 96).
( 44 ) Zie in die zin arresten van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punten 87 en 89), en van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 98).
( 45 ) Artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2009/299.
( 46 ) Overweging 8 van kaderbesluit 2009/299.
( 47 ) Dat volgt eveneens uit de titel van kaderbesluit 2009/299 „tot wijziging van [de kaderbesluiten] en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces”.
( 48 ) Zie mijn conclusie in de zaak Dworzecki (C‑108/16 PPU, EU:C:2016:333, punten 69e.v. alsmede de aangehaalde rechtspraak van het EHRM).
( 49 ) De termen „proceedings” (Engels), „procédure” (Frans), „proceso” (Spaans), „Verfahren” (Duits) en „procedimento” (Italiaans) […] komen voor in de tekst van het initiatief van de Republiek Slovenië, de Franse Republiek, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Zweden, de Slowaakse Republiek, het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland met het oog op de aanneming van een kaderbesluit 2008/.../JBZ van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van verstekvonnissen en tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, kaderbesluit 2005/214/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, kaderbesluit 2006/783/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie, en kaderbesluit 2008/.../JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, C 52, blz. 1). Na de reacties van de lidstaten (zie Raadsdocument 6501/08, noot 21) is deze terminologie vervangen door een duidelijk enger begrip (respectievelijk door de termen „trial”, „procès”, „juicio”, „Verhandlung”, „processo” enzovoorts die voorkomen in de tekst van kaderbesluit 2009/299).
( 50 ) Overweging 15 en artikel 1 van kaderbesluit 2009/299. Zie met name arrest van 16 juli 2015, Lanigan (C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 51 ) Zie in die zin arrest van 26 februari 2013, Melloni (C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 41).
( 52 ) Kaderbesluit 2008/947/JBZ van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB 2008, L 337, blz. 102), in het bijzonder overweging 14 en artikel 5, lid 2.
( 53 ) Zie in de andere context van de toepassing van het ne-bis-in-idembeginsel arrest van 18 juli 2007, Kretzinger (C‑288/05, EU:C:2007:441, punt 42), op grond waarvan „een voorwaardelijke gevangenisstraf […], zodra de veroordeling uitvoerbaar wordt en tijdens de proefperiode, ‚als daadwerkelijk ten uitvoer […] gelegd’ [moet] worden beschouwd […]”.
( 54 ) Zie mijn conclusie in de zaak Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:612, punten 53, 67 en 68).
( 55 ) Arresten van 16 juli 2015, Lanigan (C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 53), en van 30 mei 2013, F (C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 40).
( 56 ) Zie in die zin advies 2/13 van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454, punt 191).
( 57 ) Arrest van 5 april 2016 (C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198). Zie naar analogie, in verband met het recht op asiel, arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865), en meer recentelijk arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127).
( 58 ) Een dergelijke mogelijkheid is momenteel slechts erkend met betrekking tot het (absolute) recht vervat in artikel 4 van het Handvest. Zie tevens EHRM, 23 mei 2016, Avotiņš tegen Letland (CE:ECHR:2016:0523JUD001750207, § 116). Zie met betrekking tot de vraag naar de toepassing van een dergelijke benadering op de rechten die zijn gewaarborgd in artikel 6 van het EVRM de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Radu (C‑396/11, EU:C:2012:648).
( 59 ) In herinnering moet worden geroepen dat het EHRM met betrekking tot artikel 6, lid 1, van het EVRM „niet uitsluit dat in uitzonderlijke gevallen een probleem op het gebied van dat artikel rijst door een beslissing om uit te leveren, onder omstandigheden waarin de vluchteling overduidelijk het recht op een eerlijk proces in het verzoekende land is onthouden of het risico daarvan loopt” (7 juli 1989, Soering tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:1989:0707JUD001403888, § 113) (mijn cursivering). Het EHRM heeft deze benadering met betrekking tot het kaderbesluit bevestigd in zijn beslissing van 4 mei 2010, Stapleton tegen Ierland (CE:ECHR:2010:0504DEC005658807, § 25), en heeft rekening gehouden met het feit dat in dit verband de uitvaardigende lidstaat zich ertoe heeft verbonden de verplichtingen van artikel 6 van het EVRM na te leven.
( 60 ) Arresten van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 95‑98); van 24 mei 2016, Dworzecki (C‑108/16 PPU, EU:C:2016:346, punt 53); van 1 juni 2016, Bob-Dogi (C‑241/15, EU:C:2016:385, punten 65 en 66) en van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 91).
( 61 ) Zie voor nadere details mijn conclusie in de zaak Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:612, punten 88‑113).
Full & Egal Universal Law Academy