Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
H. SAUGMANDSGAARD ØE
van 6 december 2018 (1)
Zaak C‑596/17
Japan Tobacco International SA,
Japan Tobacco International France SAS
tegen
Premier ministre,
Ministre de l’Action et des Comptes publics,
Ministre des Solidarités et de la Santé
[verzoek van de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2011/64/EU – Accijns op tabaksfabricaten – Artikel 15, lid 1 – Vrije vaststelling van de maximumkleinhandelsprijzen – Nationale regeling die fabrikanten en importeurs verplicht om voor elk tabaksproduct een eenheidskleinhandelsprijs per 1 000 eenheden of per 1 000 gram vast te stellen zonder mogelijkheid deze prijs te doen variëren naargelang van de inhoud van de verpakkingseenheden”
I. Inleiding
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk), betreft de uitlegging van artikel 15 van richtlijn 2011/64/EU betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabricaten(2), gelezen in samenhang met de artikelen 2 tot en met 5 van deze richtlijn.
2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een aantal bepalingen van twee brieven die de Franse autoriteiten hebben gericht aan de fabrikanten en erkende leveranciers van tabaksproducten met betrekking tot de regels inzake goedkeuring van de kleinhandelsprijzen van tabaksfabricaten in Europees Frankrijk. Volgens deze brieven waarin wordt verwezen naar de bepalingen van artikel 572 van de code général des impôts (Frans algemeen belastingwetboek; hierna: „CGI”), wordt de eenheidskleinhandelsprijs voor elk tabaksproduct vrijelijk vastgesteld door deze marktdeelnemers en moet deze worden uitgedrukt per 1 000 eenheden of per 1 000 gram. Dit systeem leidt ertoe dat de eenheidsprijs per product dezelfde blijft ongeacht de inhoud van de verpakking waarin het product tot verbruik wordt uitgeslagen. De fabrikanten en importeurs kunnen de prijs van elk van hun producten derhalve niet doen variëren naargelang van de verpakkingseenheid waarin zij worden aangeboden.
3. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of een nationale regeling zoals die van artikel 572 CGI, voor zover zij een dergelijk gevolg heeft, verenigbaar is met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64. Overeenkomstig deze bepaling stellen de fabrikanten of importeurs vrijelijk de maximumkleinhandelsprijs van elk van hun producten vast, waarbij die prijs de berekeningsgrondslag vormt van de evenredige accijns op tabaksfabricaten.
4. Aan het einde van mijn analyse zal ik concluderen dat artikel 15, lid 1, van die richtlijn zich niet verzet tegen een dergelijke nationale regeling.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5. Volgens artikel 1 van richtlijn 2011/64 „worden [in deze richtlijn] algemene beginselen vastgesteld voor de harmonisatie van de structuur en de tarieven van de accijns welke de lidstaten op tabaksfabricaten heffen”.
6. Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder tabaksfabricaten:
a) sigaretten;
b) sigaren en cigarillo’s;
c) rooktabak:
i) tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten;
ii) andere soorten rooktabak.”
7. De artikelen 3, 4 en 5 van genoemde richtlijn definiëren respectievelijk sigaretten, sigaren of cigarillo’s, en rooktabak.
8. Artikel 15, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„De fabrikanten of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers of gemachtigden in de Unie, alsmede de importeurs van fabricaten uit derde landen stellen vrijelijk de maximumkleinhandelsprijs vast van elk van hun producten voor iedere lidstaat waar deze tot verbruik worden uitgeslagen.
De bepaling van de eerste alinea mag echter geen beletsel vormen voor de toepassing van de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake prijzencontrole of de inachtneming van de vastgestelde prijzen, voor zover deze verenigbaar zijn met de voorschriften van de Unie.”
B. Frans recht
9. Artikel 572 CGI, in de versie van de wet van 26 januari 2016 betreffende de modernisering van het gezondheidsstelsel, bepaalt:
„De kleinhandelsprijs van elk product, uitgedrukt per 1 000 eenheden of per 1 000 gram, geldt voor het gehele grondgebied en wordt vrijelijk vastgesteld door de fabrikanten en erkende leveranciers. Deze prijs is van toepassing na te zijn goedgekeurd bij gezamenlijk besluit van de minister van Volksgezondheid en de minister van Begroting, onder de voorwaarden vastgesteld bij decreet van de Conseil d’État. De prijs kan echter niet worden goedgekeurd indien hij lager is dan de som van de kostprijs en alle belastingen.
[...]”
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
10. Op 30 september 2016 en 20 januari 2017, hebben Japan Tobacco International SA en Japan Tobacco International France SAS (hierna samen: „vennootschappen Japan Tobacco”) bij de Conseil d’État beroepen ingesteld tot nietigverklaring, wegens bevoegdheidsoverschrijding, van een aantal bepalingen van twee brieven van 6 april 2016 en 22 november 2016, die de Franse autoriteiten hebben gericht aan de fabrikanten en erkende leveranciers van tabaksproducten. Deze brieven beschrijven de regels voor goedkeuring van de kleinhandelsprijzen van tabaksfabricaten in Europees Frankrijk als bedoeld in artikel 572 CGI.
11. Deze bepaling verplicht de fabrikanten en leveranciers om een kleinhandelsprijs voor elk van hun tabaksproducten vast te stellen, uitgedrukt per 1 000 eenheden of per 1 000 gram, ongeacht de inhoud van de verpakking. Volgens de bewoordingen van de brief van 22 november 2016 wordt elk product in dit verband gedefinieerd als de combinatie van een merk en een handelsnaam. Deze regel, hierna „regel van de prijs per 1 000” genoemd, houdt in dat de prijs van elk product dezelfde blijft ongeacht de verpakkingseenheid (de zogenaamde „referentiegrootte”) waarin het product wordt aangeboden. De regel van de prijs per 1 000 heeft tot doel te voorkomen dat de tabaksconsumptie toeneemt als gevolg van de verlaging van de prijs van bepaalde producten wanneer deze in grotere hoeveelheden zijn verpakt.
12. Ter ondersteuning van hun beroepen voeren de vennootschappen Japan Tobacco onder meer aan dat artikel 572 CGI, waarop de bestreden brieven zijn gebaseerd, in strijd is met het beginsel van de vrije vaststelling van de maximumkleinhandelsprijs van tabaksproducten als bedoeld in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64, omdat het belet dat bij het vaststellen van die prijzen rekening wordt gehouden met eventuele verschillen in verpakkingskosten die verband houden met de verpakte hoeveelheden.
13. In dit verband heeft de verwijzende rechter in de eerste plaats twijfels over de werkingssfeer van deze richtlijn. Volgens hem kan deze richtlijn aldus worden uitgelegd dat zij, overeenkomstig haar fiscale doel, slechts de prijzen van tabaksproducten regelt voor zover zij aan accijns zijn onderworpen, dat wil zeggen de prijs van sigaretten, sigaren, cigarillo’s en rooktabak als omschreven in de artikelen 2 tot en met 5 van die richtlijn.(3) Het beginsel van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64, zou dus niet van toepassing zijn op de verpakkingseenheid van deze producten. De regel van de prijs per 1 000, voor zover deze verbiedt dat de prijs van producten varieert naargelang van de inhoud van de verpakkingseenheden, zou derhalve geen afbreuk doen aan dat beginsel.
14. De Conseil d’État roept echter in herinnering dat het Hof in twee niet-nakomingsarresten, gewezen in 2002(4) en in 2010(5), twee eerdere versies van artikel 572 CGI, waarin naast de regel van de prijs per 1 000 regelingen inzake verplichte minimumkleinhandelsprijzen voor tabaksproducten waren opgenomen, strijdig achtte met genoemd artikel 15, lid 1. Het Hof was van oordeel dat deze regelingen de vrije mededinging konden belemmeren door bepaalde producenten en importeurs te beletten voordeel te trekken uit lagere kostprijzen dan die van hun concurrenten. De verwijzende rechter wenst te vernemen of uit deze arresten kan worden afgeleid dat het Hof het beginsel van vrije mededinging wil laten prevaleren boven het fiscale doel van richtlijn 2011/64. Ook wil hij weten of de prijsvaststelling van tabaksproducten naargelang van hun verpakking, niettegenstaande de definities in de artikelen 2 tot en met 5 van deze richtlijn, onder de werkingssfeer valt van de door artikel 15, lid 1, van die richtlijn gewaarborgde vrijheid van de fabrikanten en importeurs.
15. In de tweede plaats, voor het geval het Hof deze vraag bevestigend beantwoordt, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 572 CGI, voor zover dit artikel deze marktdeelnemers verbiedt om de kleinhandelsprijs van hun producten te doen variëren naargelang van de inhoud van de verpakking ervan, verenigbaar is met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64. In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat de regel van de prijs per 1 000 hun niet verbiedt om kostprijsverschillen, ongeacht de herkomst ervan, in het algemeen door te berekenen in de voor goedkeuring voorgedragen prijzen, maar slechts om deze prijzen te doen variëren naargelang van de grootte van de verpakking.
16. Daarop heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet richtlijn [2011/64] aldus worden uitgelegd dat zij, gelet op de in de artikelen 2, 3 en 4 [...] ervan gegeven definities van tabaksproducten, ook van toepassing is op de prijs van verpakte tabaksproducten?
2) Voor het geval de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, moet artikel 15 van richtlijn [2011/64], voor zover dit uitdrukking geeft aan het beginsel van vrije prijsvaststelling van tabaksproducten, aldus worden uitgelegd dat het een regel verbiedt volgens welke de prijzen van deze producten per 1 000 eenheden of per 1 000 gram worden vastgesteld, als gevolg waarvan het de fabrikanten van tabaksproducten niet is toegestaan hun prijzen te doen variëren naargelang van eventuele verschillen in verpakkingskosten van deze producten? ”
17. De vennootschappen Japan Tobacco, de Franse, de Italiaanse en de Portugese regering alsook de Europese Commissie, hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.
18. De vennootschappen Japan Tobacco, de Franse regering en de Commissie waren vertegenwoordigd ter terechtzitting van 5 september 2018.
IV. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
1. Strekking van de prejudiciële vragen
19. Met zijn twee vragen, die ik tezamen zal bespreken, beoogt de Conseil d’État in wezen te vernemen of een nationale regeling zoals artikel 572 CGI, op grond waarvan de fabrikanten en importeurs de kleinhandelsprijs van elk van hun producten moeten uitdrukken per 1 000 eenheden of per 1 000 gram en waardoor zij worden belet deze prijs te doen variëren naargelang van de inhoud van de verschillende verpakkingen waarin deze producten tot verbruik worden uitgeslagen, verenigbaar is met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64.
20. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of deze richtlijn de vaststelling van de prijzen van verpakte tabaksproducten regelt. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing heeft deze vraag meer in het bijzonder betrekking op de strekking van het in artikel 15, lid 1, van die richtlijn geformuleerde beginsel van de vrije vaststelling, door de fabrikanten en importeurs, van de maximumkleinhandelsprijs van elk van hun producten.
21. Enerzijds, zoals alle belanghebbende partijen, met uitzondering van de vennootschappen Japan Tobacco, betogen, zou de vrijheid van de fabrikanten en importeurs als bedoeld in dit artikelkunnen strekken tot vaststelling van de kleinhandelsprijs van „elk van hun producten”, met dien verstande dat wordt verwezen naar elk tabaksfabricaat van een bepaald merk en type dat beantwoordt aan een van de in de artikelen 2 tot en met 5 van die richtlijn genoemde definities, ongeacht de inhoud van de verpakking ervan (bijvoorbeeld elke sigaret van het merk X en het type Y).(6)
22. Anderzijds, zoals de vennootschappen Japan Tobacco betogen, zou „elk van hun producten” kunnen worden opgevat als verwijzend naar elke verpakkingseenheid van een dergelijk product (bijvoorbeeld elk pakje van 20, 25 of 30 sigaretten van het merk X en het type Y). Derhalve zou artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 de vrijheid van de fabrikanten en importeurs waarborgen om de kleinhandelsprijs vast te stellen van elke referentiegrootte die zij op de markt brengen.
23. De tweede vraag is slechts aan het Hof voorgelegd voor het geval het de eerste vraag conform de in het vorige punt weergegeven uitlegging van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 beantwoordt. De Conseil d’État vraagt het Hof of een nationale regeling zoals de regel van de prijs per 1 000 die in het hoofdgeding aan de orde is, in strijd is met die bepaling voor zover zij de fabrikanten en importeurs belet om vrijelijk prijsvariaties tussen de verschillende verpakkingseenheden vast te stellen.
24. Indien het Hof daarentegen oordeelt dat „producten” in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 betrekking hebben op tabaksfabricaten als zodanig, ongeacht de inhoud van de verpakking ervan, is de verwijzende rechter van mening dat artikel 572 CGI niet in strijd is met die bepaling. Uit de bewoordingen van artikel 572 CGI volgt immers dat de prijzen van de aldus gedefinieerde producten vrijelijk worden vastgesteld.
25. Ik ben het eens met laatstgenoemd standpunt en zal in mijn gezamenlijke analyse van de prejudiciële vragen verduidelijken waarom een nationale regeling zoals de regel van de prijs per 1 000 als bedoeld in artikel 572 CGI, de in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 gewaarborgde vrijheid, zij het indirect, niet beperkt. Het is met name van belang om toe te lichten in welk opzicht een dergelijke regeling verschilt van de eerdere versies van artikel 572 CGI die het Hof ontoelaatbaar heeft geacht omdat zij deze vrijheid beperkten.(7)
2. Gevolg van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben
26. Het lijkt mij tevens zinvol er allereerst op te wijzen dat, ofschoon artikel 572 CGI een aantal beperkende gevolgen heeft voor het commercieel beleid van de fabrikanten en importeurs van tabaksfabricaten, slechts één daarvan aan de orde is gesteld in de onderhavige prejudiciële verwijzing. De Conseil d’État vraagt het Hof of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 zich verzet tegen deze nationale bepaling, uitsluitend voor zover zij deze marktdeelnemers verplicht om de kleinhandelsprijs per 1 000 eenheden of per 1 000 gram voor elk van hun producten uit te drukken, waarbij deze prijs dezelfde blijft ongeacht de inhoud van de verpakkingseenheid waarin het betrokken product tot verbruik wordt uitgeslagen.
27. De prejudiciële vragen gaan echter niet over de verenigbaarheid van artikel 572 CGI met het beginsel van vrije prijsvaststelling voor zover deze bepaling bovendien tot gevolg heeft dat, ten eerste, de kleinhandelsprijs van elk product op het gehele grondgebied van Europees Frankrijk dezelfde is, ten tweede, een minimumprijs(8) wordt opgelegd en, ten derde, de fabrikanten en importeurs de door de overheidsinstantie goedgekeurde kleinhandelsprijs niet naar boven of naar beneden mogen doen variëren.
28. In hun opmerkingen hebben de vennootschappen Japan Tobacco evenwel ook kritiek op deze drie gevolgen van die bepaling. Zij stellen met name dat artikel 572 CGI onverenigbaar is met het beginsel van vrije prijsvaststelling omdat de overeenkomstig deze bepaling vastgestelde kleinhandelsprijs na goedkeuring niet alleen een maximumprijs, maar ook een minimumprijs en dus een vaste prijs bij wederverkoop vormt.
29. Om verwarring hierover te voorkomen, preciseer ik allereerst dat dit aspect van artikel 572 CGI, dat betrekking heeft op het prijsbeleid, irrelevant is wat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 betreft. Zoals blijkt uit de hierna uiteengezette rechtspraak(9), houdt deze bepaling slechts in dat de maximumkleinhandelsprijs van elk van de producten van de fabrikanten of importeurs, voor zover die prijs de grondslag vormt voor de ad-valoremaccijns, vrijelijk door laatstgenoemden moet worden vastgesteld. Genoemde bepaling verzet zich niet tegen een nationale maatregel die de fabrikanten en importeurs verplicht een vaste prijs in acht te nemen die zij zelf vrijelijk hebben vastgesteld.
30. In dit verband heeft het Hof vastgesteld dat richtlijn 2011/64 zich niet verzet tegen een prijsbeleid voor zover dat niet indruist tegen de doelstellingen van die richtlijn, met name te voorkomen dat de mededinging wordt verstoord tussen de verschillende categorieën van tabaksfabricaten die tot dezelfde groep behoren.(10)
31. Zo heeft het Hof in het arrest Etablissements Fr. Colruyt(11) geoordeeld dat artikel 15, lid 1, van genoemde richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling die detailhandelaars verbiedt om tabaksproducten te verkopen tegen een lagere eenheidsprijs dan de prijs die de fabrikant of importeur op de fiscale zegel van die producten heeft gezet, voor zover die prijs vrijelijk is vastgesteld door de fabrikant of de importeur. Volgens het Hof heeft een dergelijke regeling „geen betrekking op de in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 bedoelde situatie”.(12)
32. Evenzo verzet deze bepaling zich niet tegen een nationale regeling die bepaalt dat de goedgekeurde kleinhandelsprijs de enige prijs is – dat wil zeggen een vaste prijs, dus zowel de maximum- als de minimumprijs –, mits deze prijs vrijelijk door de fabrikanten of importeurs is vastgesteld.
B. Uitlegging van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64
33. Zoals hierboven vermeld, verzoekt de Conseil d’État het Hof te bepalen of de uitdrukking „elk van hun producten” in de zin van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 verwijst naar elk van de tabaksfabricaten van een bepaald merk en type die tot verbruik zijn uitgeslagen door de fabrikanten en importeurs, dan wel naar elk van de verpakkingseenheden van deze tabaksfabricaten. De verwijzende rechter legt het Hof deze vraag voor om uitspraak te kunnen doen over de verenigbaarheid van de regel van de prijs per 1 000 met deze bepaling voor zover zij verhindert dat de kleinhandelsprijs van elk van deze tabaksfabricaten varieert naargelang van de inhoud van de verschillende verpakkingen ervan.
34. Aangezien de bewoordingen van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 geen opheldering verschaffen over de draagwijdte van de in geding zijnde uitdrukking, moet deze uitdrukking worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene opzet van deze richtlijn en de doelstelling van deze bepaling en van de richtlijn waarvan zij een onderdeel vormt.(13)
1. Uitlegging in het licht van de algemene opzet
35. Met het oog op de harmonisatie van de structuur van de accijns door richtlijn 2011/64 vormt de maximumkleinhandelsprijs van elk van de producten van de fabrikanten en importeurs, waarnaar artikel 15, lid 1, van deze richtlijn verwijst, de grondslag voor de berekening van het evenredige deel van de accijns op tabaksfabricaten.(14)
36. Het lijkt mij dat in deze context de in deze bepaling vermelde „producten” waarvan de maximumkleinhandelsprijs door deze marktdeelnemers vrijelijk moet worden vastgesteld, verwijzen naar de tabaksfabricaten voor zover zij aan accijns zijn onderworpen.
37. In dit verband zijn volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2011/64 „tabaksfabricaten” die binnen de werkingssfeer van de geharmoniseerde accijns vallen, ten eerste sigaretten, ten tweede sigaren en cigarillo’s, en ten derde rooktabak. In de artikelen 3 tot en met 5 van deze richtlijn worden deze drie categorieën tabaksfabricaten gedefinieerd aan de hand van hun eigenschappen en hun gebruiksdoeleinden(15). In deze definities wordt slechts gewag gemaakt van de „primaire verpakking” die het roken mogelijk maakt(16), zonder de tabaksfabricaten van elkaar te onderscheiden op grond van hun „buitenverpakking”(17).
38. Zoals de Franse regering en de Commissie hebben opgemerkt, zijn daarentegen op de buitenverpakking van tabaksproducten harmonisatiemaatregelen in het kader van richtlijn 2014/40 van toepassing. Artikel 2, punt 4, van deze richtlijn definieert „tabaksproducten”. „Sigaret” en „sigaar” worden gedefinieerd in de punten 10 en 11 van dit artikel door verwijzing naar de definities in artikel 3 en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/64. Deze begrippen worden onderscheiden van het begrip „verpakkingseenheid” dat in artikel 2, punt 30, van richtlijn 2014/40 wordt gedefinieerd als „de kleinste individuele verpakking van een tabaksproduct of aanverwant product die in de handel wordt gebracht”. In dit verband wordt in artikel 14, lid 1, van deze richtlijn de minimuminhoud van verpakkingseenheden van bepaalde tabaksproducten geregeld.
39. De bepalingen van richtlijn 2011/64 die betrekking hebben op de berekening van de geharmoniseerde accijns verwijzen niet meer naar de verpakkingseenheid waarin tabaksfabricaten worden verkocht dan de artikelen 2 tot en met 5 van deze richtlijn.
40. Op sigaretten wordt krachtens artikel 7, lid 1, van genoemde richtlijn een ad-valoremaccijns geheven die berekend is over de maximumkleinhandelsprijs, met inbegrip van de douanerechten, alsmede een specifieke accijns welke berekend wordt per eenheid product. Anders dan de vennootschappen Japan Tobacco stellen, verwijst het begrip „maximumkleinhandelsprijs” in dit verband geenszins naar de verpakkingseenheden van producten in contrast met het begrip „eenheid product”. De „maximumkleinhandelsprijs” wordt namelijk onderscheiden van de „eenheid product” voor zover de eerste de grondslag vormt van de evenredige accijns door toepassing van hetzelfde heffingspercentage op deze prijs voor alle sigaretten, terwijl de tweede de grondslag vormt voor de berekening van de specifieke accijns waarvan het bedrag voor alle sigaretten hetzelfde is.(18)
41. Zoals de Franse regering heeft opgemerkt, bevat richtlijn 2011/64 geen enkele bepaling die het sigarettenpakje als meeteenheid instelt voor de berekening van een of andere component van de accijns. Aangezien het heffingspercentage van de ad-valoremaccijns en het bedrag van de specifieke accijns voor alle sigaretten dezelfde moeten zijn, mogen zij bovendien niet variëren naargelang van de inhoud van de verpakkingseenheden.
42. Het is naar mijn mening eveneens ten onrechte dat de vennootschappen Japan Tobacco stellen dat het begrip „gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs” in artikel 8, lid 2, en artikel 10 van richtlijn 2011/64 slechts een nuttige betekenis kan hebben indien de eenheidsprijs van een sigaret kan variëren naargelang van de grootte van het pakje. Dit begrip dient namelijk als uitgangspunt voor het bepalen van het aandeel van de specifieke accijns in de totale belastingdruk en van de totale minimumaccijns op sigaretten. In dit verband is de „gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs” gelijk aan de op basis van de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen berekende totale waarde van alle tot verbruik uitgeslagen sigaretten (alle merken), gedeeld door de totale hoeveelheid tot verbruik uitgeslagen sigaretten van het voorgaande kalenderjaar. Het nut van dit begrip is dus geenszins afhankelijk van het bestaan van prijsvariaties voor dezelfde sigaret naargelang van de verschillende verpakkingseenheden waarin deze wordt aangeboden.
43. Op andere tabaksfabricaten dan sigaretten wordt krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2011/64 een accijns toegepast die ad valorem (berekend over de vrijelijk vastgestelde maximumkleinhandelsprijs), specifiek (uitgedrukt per kilogram of per aantal stuks voor sigaren of cigarillo’s) of een combinatie van beide kan zijn. In dit verband wordt voor het berekenen van de accijns evenmin verwezen naar de verpakkingseenheid.
44. Bovendien wordt in deze bepaling gepreciseerd dat de lidstaten een minimumaccijnsbedrag mogen vaststellen voor de gevallen waarin de accijns ad valorem of gemengd is, terwijl lid 2 van dat artikel bepaalt dat de totale accijns ten minste gelijk moet zijn aan bepaalde minimumtarieven of -bedragen. Volgens lid 3 van genoemd artikel gelden deze tarieven of bedragen voor alle producten van de betrokken groep tabaksfabricaten(19), zonder onderscheid binnen de groep naar onder meer presentatie. Zoals de Franse regering heeft gesteld, veronderstelt deze bepaling dat de minimumtarieven en -bedragen van de accijns niet mogen variëren naargelang van de verpakking waarin de producten van een bepaalde groep worden aangeboden.
45. Al deze overwegingen wijzen erop dat de tabaksfabricaten waarop de geharmoniseerde accijns wordt toegepast niet bestaan uit de verpakkingseenheden van de tabaksproducten, maar uit de sigaretten, sigaren, cigarillo’s en rooktabak, zoals gedefinieerd in de artikelen 2 tot en met 5 van richtlijn 2011/64, ongeacht de inhoud van de verpakking ervan.
46. Naar mijn mening bakent deze definitie van het voorwerp van de geharmoniseerde accijns eveneens de grenzen af van het begrip „producten” in de zin van artikel 15, lid 1, van deze richtlijn. Aangezien de maximumkleinhandelsprijs van elk van de producten van de fabrikanten en importeurs, die door deze laatsten vrijelijk wordt vastgesteld, de grondslag vormt van de ad-valoremaccijns, verwijzen deze producten derhalve naar de tabaksfabricaten zoals omschreven in het vorige punt.
47. In de door mij voorgestane uitlegging geeft deze bepaling deze marktdeelnemers slechts de vrijheid om de eenheidsprijs van hun sigaretten, sigaren en cigarillo’s of de prijs per gewichtseenheid van rooktabak van een bepaald merk en type vast te stellen, zonder te waarborgen dat zij deze prijzen kunnen variëren naargelang van de inhoud van de verpakkingen waarin deze producten worden aangeboden.
48. De doelstelling van deze richtlijn in het algemeen en van artikel 15, lid 1, in het bijzonder bevestigt deze uitlegging.
2. Teleologische uitlegging
49. Richtlijn 2011/64 heeft blijkens artikel 1 ervan tot doel de algemene beginselen vast te stellen voor de harmonisatie van de structuur en de tarieven van de accijns welke de lidstaten op tabaksfabricaten heffen. Zoals aangegeven in overweging 9 van deze richtlijn, beoogt deze harmonisatie in het bijzonder te waarborgen „dat de concurrentieverhoudingen tussen de verschillende categorieën tabaksfabricaten die tot [dezelfde] groep behoren, niet worden vervalst door de invloed van de belastingheffing en dat zodoende de openstelling van de nationale markten [...] wordt verwezenlijkt”. Volgens overweging 10 van deze richtlijn impliceren „[d]e eisen inzake de mededinging [...] een regeling waarbij de prijzen voor alle groepen tabaksfabricaten vrij tot stand worden gebracht”.
50. Tegen deze achtergrond beoogt artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 volgens de rechtspraak enerzijds te verzekeren dat de grondslag van de evenredige accijns op tabaksproducten, namelijk de maximumkleinhandelsprijs van deze producten, in alle lidstaten aan dezelfde regels is onderworpen. Anderzijds heeft dit artikel tot doel de vrijheid van deze marktdeelnemers te bewaren, die het hun mogelijk maakt daadwerkelijk het uit eventuele lagere kostprijzen voortvloeiende concurrentievoordeel te genieten en aantrekkelijkere kleinhandelsprijzen aan te bieden.(20)
51. Bovendien heeft het Hof gepreciseerd dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64, in het kader van het stelsel van belasting op tabak, inhoudt dat de prijs van elk product, na vaststelling door de fabrikant of importeur en goedkeuring door de overheid, is voorgeschreven als maximumprijs en als zodanig in acht moet worden genomen op alle niveaus van het distributiecircuit tot aan de verkoop aan de verbruiker, om te vermijden dat, door overschrijding van die prijs, de integriteit van de belastingopbrengsten in gevaar wordt gebracht.(21) Hierdoor wordt gewaarborgd dat de fabrikanten en importeurs niet op het tijdstip waarop de belasting wordt geheven, een lagere prijs aangeven om minder belasting te hoeven betalen, maar de producten vervolgens tegen een hogere prijs verkopen.(22)
52. De verwezenlijking van deze doelstellingen vereist mijns inziens slechts dat deze marktdeelnemers vrijelijk de eenheidsprijs van sigaretten, sigaren of cigarillo’s, of de prijs per gewichtseenheid van rooktabak van een bepaald merk en type die zij tot verbruik uitslaan, vaststellen. Zij veronderstelt niet dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 aldus wordt uitgelegd dat deze marktdeelnemers bovendien de kleinhandelsprijs van elk van deze producten moeten kunnen laten variëren naargelang van de verpakkingseenheden waarin zij worden aangeboden.
53. Het Hof heeft in het bijzonder met betrekking tot de doelstelling inzake vrije mededinging benadrukt dat volgens artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 de fabrikanten en importeurs vrijelijk de maximumkleinhandelsprijs van elk van hun producten vaststellen „teneinde te verzekeren dat tussen hen daadwerkelijk concurrentie heerst” (cursivering van mij).(23) Het beginsel van vrije vaststelling van de maximumkleinhandelsprijs waarborgt derhalve dat het in richtlijn 2011/64 neergelegde fiscale stelsel niet als neveneffect tot een vertekening van de mededinging en een belemmering van het vrije verkeer van goederen leidt.(24)
54. In dit verband heeft het behoud van het concurrentievoordeel mijns inziens betrekking op alle kostprijsvoordelen die een fabrikant of importeur heeft ten opzichte van andere fabrikanten en importeurs.(25) Het gaat hier niet om het concurrentievoordeel van een verpakkingseenheid van een tabaksfabricaat van een bepaald merk en type ten opzichte van een andere verpakkingseenheid van datzelfde tabaksfabricaat dat door dezelfde marktdeelnemer wordt verkocht.
55. Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de arresten waarin het Hof heeft vastgesteld dat bindende minimumkleinhandelsprijzen voor tabaksfabricaten die voorheen golden in verscheidene lidstaten, waaronder Frankrijk, onverenigbaar waren met het beginsel van de vrije prijsvaststelling.(26)
56. In dit verband heeft het Hof bij arrest van 27 februari 2002, Commissie/Frankrijk(27), geoordeeld dat artikel 572 CGI, in een eerdere versie dan die welke in het hoofdgeding aan de orde is, in strijd was met artikel 9, lid 1, van richtlijn 95/59/EG(28) (waarvan de inhoud is overgenomen in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64). In vergelijking met de in casu toepasselijke versie van artikel 572 CGI, was in die eerdere versie sprake van een aanvullende verplichting, volgens welke de prijs per 1 000 eenheden van onder hetzelfde merk verkochte producten van een categorie sigaretten niet lager mocht zijn dan die welke voor het meest verkochte product van dat merk werd toegepast, ongeacht de verpakkingswijze en -eenheid. Volgens het Hof legde de nationale bepaling in kwestie in werkelijkheid een minimumkleinhandelsprijs voor sigaretten op, ook al werd deze minimumprijs slechts indirect vastgesteld. Volgens het Hof heeft de vaststelling van een minimumkleinhandelsprijs door de overheid namelijk onvermijdelijk tot gevolg dat de vrijheid van de fabrikanten en importeurs om de maximumkleinhandelsprijs van elk van hun producten vast te stellen, wordt beperkt, aangezien deze in elk geval niet lager zal kunnen zijn dan de verplichte minimumprijs.
57. Bij arrest van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk(29), werd een andere eerdere versie van artikel 572 CGI, die aan fabrikanten en importeurs een minimumkleinhandelsprijs voor sigaretten oplegde van een bij decreet vastgesteld percentage van de gemiddelde marktprijs van sigaretten, eveneens in strijd geacht met het beginsel van vrije prijsvaststelling. Deze regeling zou kunnen tot gevolg hebben dat de verschillen tussen de prijzen van de concurrerende producten verdwijnen en dat deze prijzen convergeren naar de prijs van het duurste product. Die regeling doet dus afbreuk aan de vrijheid van de fabrikanten en importeurs om de maximumkleinhandelsprijs van hun producten vast te stellen. Op dezelfde dag heeft het Hof eenzelfde oordeel geveld over soortgelijke regelingen in Oostenrijk en in Ierland(30), en in datzelfde jaar over een regeling met een verplichte minimumprijs in Italië(31).
58. In deze vier arresten uit 2010 heeft het Hof gepreciseerd dat daarentegen een stelsel van minimumprijzen dat zodanig is ingericht dat het in ieder geval uitsluit dat het mededingingsvoordeel dat voor bepaalde producenten of importeurs van dergelijke producten uit lagere kostprijzen zou kunnen voortvloeien, wordt aangetast en dat de mededinging dus wordt verstoord, voldoet aan het beginsel van vrije prijsvaststelling.(32)
59. In de onderhavige zaak voeren de vennootschappen Japan Tobacco aan dat de prijs per 1 000 hetzelfde gevolg heeft als een minimumprijsregeling zoals die welke door het Hof bij arrest van 27 februari 2002, Commissie/Frankrijk(33), ontoelaatbaar werd geacht. Zij zijn van mening dat de fabrikant of importeur verplicht wordt om voor elk product van een bepaald merk en een bepaalde handelsnaam de prijs van een van de verpakkingseenheden van dat product als referentieprijs te kiezen en deze prijs op alle verpakkingseenheden van dat product toe te passen. Het mededingingsvoordeel dat voor deze marktdeelnemer kan voortvloeien uit lagere kostprijzen van de verpakkingseenheden met grotere hoeveelheden tabaksfabricaten, zou worden tenietgedaan. Hij wordt immers belet om consumenten aan te trekken voor de producten die een lagere eenheidsprijs hebben doordat zij in grotere hoeveelheden zijn verpakt.
60. Dit betoog overtuigt mij niet.
61. Ik herinner er in dit verband aan dat het doel van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 niet erin bestaat het voor een fabrikant of importeur mogelijk te maken om voordeel te halen uit een lagere kostprijs die verband houdt met de verpakking van zijn producten in grotere hoeveelheden teneinde de vraag te richten naar de grootste verpakkingen waarin zijn tabaksproducten van een bepaald merk en type worden verkocht. Het is slechts van belang dat deze marktdeelnemer een mogelijk mededingingsvoordeel kan halen uit lagere kostprijzen van zijn producten ten opzichte van die van zijn concurrenten.(34)
62. Een uitlegging van deze bepaling die de vrijheid van de fabrikanten en importeurs om de prijzen van elk van hun tabaksfabricaten te doen variëren naargelang van de inhoud van de verpakking ervan niet waarborgt en dus een nationale regeling toestaat zoals de regel van de prijs per 1 000 in het hoofdgeding, heeft niet tot gevolg dat een dergelijk mededingingsvoordeel teniet wordt gedaan.
63. Zoals de verwijzende rechter heeft benadrukt, belet deze regel slechts dat een verschillende kleinhandelsprijs wordt vastgesteld voor een product met hetzelfde merk en dezelfde handelsnaam volgens de verpakkingseenheid waarin het wordt aangeboden. De fabrikant of importeur blijft overigens vrij in het bepalen van de prijs per 1 000 eenheden of per 1 000 gram van dat product, zonder gebonden te zijn aan de prijs van het meest verkochte pakje. De regel van de prijs per 1 000 beperkt niet de mogelijkheid voor de fabrikanten en importeurs om eventuele lagere kostprijzen dan die van de producten van hun concurrenten globaal tot uitdrukking te brengen in de kleinhandelsprijs van hun producten.
64. In de vrijelijk door deze marktdeelnemers vastgestelde prijs per sigaret, sigaar of cigarillo en per gewichtseenheid rooktabak van een bepaald merk en type dient immers een deel van de totale kostprijs van de producten van dat merk en type te zijn opgenomen. De verpakkingskosten zijn hierin begrepen als een component van de productiekosten, welke kosten zelf een onderdeel van de kostprijs vormen. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, betekent de vrijheid van de fabrikanten en importeurs om de eenheidsprijs van elk van hun tabaksfabricaten vast te stellen, dat zij de vrijheid hebben om de kosten van de verschillende verpakkingen waarin deze producten worden aangeboden, in deze eenheidsprijs door te berekenen in een mate en volgens een methode naar keuze.
65. Deze marktdeelnemers kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om een prijs per sigaret van een bepaald merk en type vast te stellen op basis van het gemiddelde van de verpakkingskosten van alle pakjes waarin deze sigaret wordt verkocht. Het staat hun met name ook vrij om een prijs vast te stellen waarin de verpakkingskosten van de pakjes met de hoogste of laagste kosten zijn opgenomen.
66. Dientengevolge belet de regel van de prijs per 1 000 de fabrikanten en importeurs niet om het eventuele mededingingsvoordeel dat voortvloeit uit een lagere kostprijs – de verpakkingskosten daaronder begrepen – dan die van hun concurrenten, tot uitdrukking te brengen in de prijs van elk van hun tabaksfabricaten. Dit mededingingsvoordeel moet echter worden verdeeld over alle verpakkingseenheden van producten van hetzelfde merk en type.
67. Het voorgaande laat zien dat een nationale regeling zoals de regel van de prijs per 1 000, wat betreft de gevolgen ervan niet kan worden gelijkgesteld aan een stelsel van verplichte minimumprijzen. Een dergelijke regeling beperkt niet de vrijheid van de fabrikanten en importeurs om de maximumkleinhandelsprijs van hun producten vast te stellen, en derhalve evenmin de daadwerkelijke mededinging tussen deze marktdeelnemers.
3. Slotopmerkingen
68. Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat de vrijheid als bedoeld in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 betrekking heeft op de vaststelling, door de fabrikanten en importeurs, van de maximumkleinhandelsprijs van elk van hun tabaksfabricaten voor zover deze aan accijns onderworpen zijn. Deze producten verwijzen naar de sigaretten, sigaren of cigarillo’s, en rooktabak van een bepaald merk en type, ongeacht de inhoud van de verpakking ervan.
69. Hieruit volgt dat deze bepaling zich niet verzet tegen een nationale regeling zoals artikel 572 CGI, die bepaalt dat de vrijelijk door deze marktdeelnemers vastgestelde prijs van elk product van een bepaald merk en type moet worden uitgedrukt per 1 000 eenheden of per 1 000 gram en dus niet kan variëren naargelang van de inhoud van de verpakkingseenheden waarin het tot verbruik wordt uitgeslagen.
70. Omwille van de volledigheid wijs ik erop dat deze conclusie niet vooruitloopt op de vraag of, zoals de Italiaanse regering en de Commissie stellen, artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64, naast het feit dat dit artikel zich daar niet tegen verzet, vereist dat de maximumkleinhandelsprijs van elk product, die dient als berekeningsgrondslag voor de ad-valoremaccijns, gelijk is per eenheid (of gewicht), ongeacht de inhoud van de verpakking waarin het wordt aangeboden.(35)
71. Teneinde de verwijzende rechter een antwoord te geven dat hem in staat stelt het hoofdgeding te beslechten, volstaat het te verduidelijken dat deze bepaling de fabrikanten en importeurs niet waarborgt dat zij vrijelijk de prijzen van hun producten kunnen doen variëren naargelang van de inhoud van de verpakkingen ervan, en bijgevolg niet in de weg staat aan een nationale regeling die dat belet. Niet onderzocht hoeft te worden of, in het kader van de door richtlijn 2011/64 verrichte harmonisatie van de structuur van de accijns, de lidstaten al dan niet de mogelijkheid behouden om deze marktdeelnemers toe te staan de maximumkleinhandelsprijs van elk van hun producten, die dient als berekeningsgrondslag voor de evenredige accijns, te doen variëren naargelang van de verpakkingseenheid waarin zij op de markt worden gebracht.
V. Conclusie
72. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door de Conseil d’État gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabricaten verzet zich niet tegen een nationale bepaling, zoals die in het hoofdgeding, die bepaalt dat de fabrikanten en importeurs vrijelijk een kleinhandelsprijs vaststellen voor elk van hun tabaksfabricaten van een bepaald merk en type, uitgedrukt per 1 000 eenheden of per 1 000 gram, waarbij deze prijs niet kan worden gevarieerd naargelang van de inhoud van de verpakkingseenheden waarin elk van deze producten tot verbruik wordt uitgeslagen.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Richtlijn van de Raad van 21 juni 2011 (PB 2011, L 176, blz. 24).
3 Hoewel in de verwijzingsbeslissing alleen de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2011/64 uitdrukkelijk worden vermeld, heeft de verwijzende rechtere waarschijnlijk de bedoeling gehad zich ook te beroepen op artikel 5 van die richtlijn, waarin rooktabak wordt gedefinieerd.
4 Arrest van 27 februari 2002, Commissie/Frankrijk (C‑302/00, EU:C:2002:123).
5 Arrest van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk (C‑197/08, EU:C:2010:111).
6 Ook al worden de begrippen „merk” en „type” niet uitdrukkelijk genoemd in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2011/64 om elk van de producten van de fabrikanten en importeurs te identificeren, zij komen voor in artikel 5, leden 1 en 6, van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten (PB 2014, L 127, blz. 1). Een sigaret van merk X kan bijvoorbeeld van het type „light”, „heldere tabak” of „donkere tabak” zijn. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat het begrip „type” overeenkomt met „handelsnaam”, welk begrip wordt gehanteerd in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde brief van 22 november 2016.
7 Zie arresten van 27 februari 2002, Commissie/Frankrijk (C‑302/00, EU:C:2002:123), en 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk (C‑197/08, EU:C:2010:111).
8 Artikel 572 CGI bepaalt dat de prijs van tabaksproducten niet lager mag zijn dan de som van de kostprijs en alle, op het product betrekking hebbende, belastingen. In de onderhavige zaak wordt niet bestreden dat deze minimumprijs verenigbaar is met artikel 8, lid 6, van richtlijn 2011/64, dat de lidstaten, mits bepaalde voorwaarden in acht worden genomen, toestaat een drempelwaarde voor de belasting vast te stellen waaronder de ad-valoremaccijns geen evenredig effect uitoefent. Zie in dit verband arrest van 9 oktober 2014, Yesmoke Tobacco (C‑428/13, EU:C:2014:2263, punt 27).
9 Zie punten 50, 51 en 53 van de onderhavige conclusie.
10 Arrest van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk (C‑197/08, EU:C:2010:111, punt 47).
11 Arrest van 21 september 2016 (C‑221/15, EU:C:2016:704, punten 27‑31).
12 Arrest van 21 september 2016, Etablissements Fr. Colruyt (C‑221/15, EU:C:2016:704, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
13 Zie met name arresten van 1 juli 2008, Zweden en Turco/Raad (C‑39/05 P en C‑52/05 P, EU:C:2008:374, punt 41), en 16 juli 2015, CHEZ Razpredelenie Bulgaria (C‑83/14, EU:C:2015:480, punt 55).
14 Zie artikel 7, lid 1, artikel 9, lid 2, onder b), en artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64. Zie ook punten 40 en 43 van de onderhavige conclusie.
15 Zie in dit verband overweging 4 van richtlijn 2011/64.
16 Bijvoorbeeld in artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2011/64 wordt onder sigaretten verstaan „tabaksrolletjes die door middel van een eenvoudige niet-industriële handeling in een huls van sigarettenpapier worden geschoven” en „tabaksrolletjes die door middel van een eenvoudige niet-industriële handeling met sigarettenpapier worden omhuld”. Volgens artikel 4, lid 1, onder a), van deze richtlijn, worden producten als sigaren of cigarillo’s beschouwd, „indien zij [...] bestemd zijn om als zodanig te worden gerookt: [...] tabaksrolletjes met een dekblad van natuurtabak”.
17 Ik stel echter vast dat volgens artikel 5, lid 1, onder b), van richtlijn 2011/64 onder de categorie „rooktabak” wordt verstaan „tabaksafval, verpakt voor verkoop aan de consument”. Deze verwijzing naar de verpakking is niet bedoeld om de verschillende verpakkingseenheden van tabaksafval van elkaar te onderscheiden, maar om een onderscheid te maken tussen tabaksafval dat onderworpen is aan de geharmoniseerde accijns, voor zover dat is bestemd voor verkoop aan de consument, en ander tabaksafval.
18 Zie artikel 7, lid 2, van richtlijn 2011/64.
19 Uit artikel 13 van richtlijn 2011/64 volgt dat de groepen „andere tabaksfabricaten dan sigaretten”, bestaan uit de groep sigaren en cigarillo’s, de groep tabak van fijne snede, bestemd voor het rollen van sigaretten, en de groep andere rooktabak.
20 Zie met name arresten van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk (C‑197/08, EU:C:2010:111, punt 36), en 21 september 2016, Etablissements Fr. Colruyt (C‑221/15, EU:C:2016:704, punt 24).
21 Arrest van 21 september 2016, Etablissements Fr. Colruyt (C‑221/15, EU:C:2016:704, punt 25).
22 Zie arrest van 16 november 1977, GB-Inno-BM (13/77, EU:C:1977:185, punt 17), evenals de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaken Commissie/Ierland, Commissie/Frankrijk en Commissie/Oostenrijk (C‑197/08, C‑198/08 en C‑221/08, EU:C:2009:655, punt 23).
23 Zie arresten van 19 oktober 2000, Commissie/Griekenland (C‑216/98, EU:C:2000:571, punt 20); 4 maart 2010, Commissie/Oostenrijk (C‑198/08, EU:C:2010:112, punt 28); 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk (C‑197/08, EU:C:2010:111, punt 36); 4 maart 2010, Commissie/Ierland (C‑221/08, EU:C:2010:113, punt 39), en 24 juni 2010, Commissie/Italië (C‑571/08, niet gepubliceerd, EU:C:2010:367, punt 38).
24 Zie conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaken Commissie/Ierland, Commissie/Frankrijk en Commissie/Oostenrijk (C‑197/08, C‑198/08 en C‑221/08, EU:C:2009:654, punten 40 en 41). Zie eveneens arrest van 21 juni 1983, Commissie/Frankrijk (90/82, EU:C:1983:169, punten 20 en 21).
25 Zie ook in die zin conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Etablissements Fr. Colruyt (C‑221/15, EU:C:2016:288, punten 23 en 24). Het beginsel van vrije vaststelling van de prijzen veronderstelt overigens ook dat fabrikanten en importeurs vrijelijk de prijzen van hun producten naar merk en type variëren (zie in dit verband punt 30 van de onderhavige conclusie).
26 Zie arrest van 19 oktober 2000, Commissie/Griekenland (C‑216/98, EU:C:2000:571, punt 21) alsmede de in de punten 56 en 57 van de onderhavige conclusie genoemde rechtspraak.
27 C‑302/00, EU:C:2002:123, punten 14 en 15.
28 Richtlijn van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabricaten (PB 1995, L 291, blz. 40).
29 C‑197/08, EU:C:2010:111, punt 55.
30 Arresten van 4 maart 2010, Commissie/Oostenrijk (C‑198/08, EU:C:2010:112, punt 45), en 4 maart 2010, Commissie/Ierland (C‑221/08, EU:C:2010:113, punt 41).
31 Arrest van 24 juni 2010, Commissie/Italië (C‑571/08, niet gepubliceerd, EU:C:2010:367, punt 44).
32 Zie arresten van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk (C‑197/08, EU:C:2010:111, punt 38); 4 maart 2010, Commissie/Oostenrijk (C‑198/08, EU:C:2010:112, punt 30); 4 maart 2010, Commissie/Ierland (C‑221/08, EU:C:2010:113, punt 41), en 24 juni 2010, Commissie/Italië (C‑571/08, niet gepubliceerd, EU:C:2010:367, punt 40).
33 C‑302/00, EU:C:2002:123, punten 14 en 15.
34 Zie punt 54 van de onderhavige conclusie.
35 Ter onderbouwing van dit standpunt stelt de Italiaanse regering dat de vaststelling van een andere prijs voor elke verpakkingseenheid van hetzelfde product, vanwege de weerslag ervan op de berekening van de accijns, wellicht afbreuk zou doen aan de integriteit van de belastingopbrengsten.