Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. WAHL
van 24 januari 2019 (1)
Zaak C‑660/17 P
RF
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Niet-inachtneming van de termijn voor neerlegging van een verzoekschrift bij het Gerecht – Verweer – Abnormale vertraging bij de postbezorging – Artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – Toeval of overmacht – Beoordelingscriteria”
1. Om processuele gelijkheid voor de rechter te waarborgen, zijn procestermijnen in beginsel dwingend van aard. Net zoals dat bij de meeste nationale rechters het geval is, leidt de niet-naleving van dergelijke termijnen in het kader van procedures voor de Unierechter evenwel niet altijd tot termijnoverschrijding. Overeenkomstig artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan met name „[v]erval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn [...] niet worden tegengeworpen wanneer de betrokkene toeval of overmacht aantoont”.
2. Bij de bestreden beschikking(2) werd het door RF ingestelde beroep tot nietigverklaring kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond dat het verzoekschrift te laat was neergelegd. Het Gerecht was van oordeel dat RF er niet in was geslaagd om toeval of overmacht aan te tonen ter rechtvaardiging van het feit dat zij de toepasselijke termijn voor neerlegging van het ondertekende origineel van het verzoekschrift ter griffie van het Gerecht niet had nageleefd. Meer bepaald heeft het Gerecht geoordeeld dat een aanzienlijke vertraging die werd veroorzaakt door interne technische problemen bij de betrokken aanbieder van postdiensten, geen toeval of overmacht uitmaakt.
3. Deze door RF ingestelde hogere voorziening stelt het Hof in de gelegenheid aanwijzingen te geven over de manier waarop artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient te worden uitgelegd. Zij biedt het Hof dan ook een goede gelegenheid om zijn rechtspraak aangaande de betekenis van toeval – een begrip dat nauw verband houdt met overmacht – te verduidelijken.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
4. Artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „Statuut van het Hof”), dat deel uitmaakt van titel III ervan, bepaalt:
„In het Reglement voor de procesvoering worden termijnen wegens afstand vastgesteld.
Verval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn kan niet worden tegengeworpen wanneer de betrokkene toeval of overmacht aantoont.”
5. Artikel 53 van het Statuut van het Hof luidt als volgt:
„De procedure voor het Gerecht wordt geregeld in titel III.
De procedure voor het Gerecht wordt, voor zover nodig, gepreciseerd en aangevuld door het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. [...]”
B. Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
6. Titel III van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht(3) betreft rechtstreekse beroepen. Hoofdstuk 1, afdeling 4, van die titel stelt regels inzake termijnen vast.
7. Artikel 58 luidt:
„1. De procestermijnen genoemd in de Verdragen, in het Statuut en in dit Reglement worden berekend als volgt:
[...]
b) een in weken, maanden of jaren omschreven termijn loopt af bij het einde van die dag die – in de laatste week, de laatste maand of het laatste jaar – dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de gebeurtenis of handeling heeft plaatsgevonden die de termijn doet ingaan; indien in de laatste maand van een in maanden of jaren omschreven termijn de dag die bepalend is voor het einde van de termijn, ontbreekt, loopt de termijn af bij het einde van de laatste dag van die maand;
[...]”
8. Artikel 60 van diezelfde afdeling betreft de verlenging van dergelijke termijnen wegens afstand. Het luidt dat „[d]e procestermijnen worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen”.
9. Hoofdstuk 2 van titel III heeft betrekking op processtukken. Artikel 72 bepaalt:
„1. Een processtuk wordt ter griffie neergelegd in papieren vorm, in voorkomend geval na de toezending van een afschrift van het origineel van dit stuk per fax overeenkomstig artikel 73, lid 3, of op de wijze bedoeld in het besluit van het Gerecht krachtens artikel 74.
2. Elk processtuk is gedagtekend. Voor de berekening van de procestermijnen gelden slechts de dag en het uur in het Groothertogdom Luxemburg van de neerlegging van het origineel ter griffie.
[...]”
10. In artikel 73 van dit Reglement staat te lezen:
„[...]
2. Dit processtuk, vergezeld van alle bijlagen waarnaar daarin wordt verwezen, wordt overgelegd tezamen met drie afschriften voor het Gerecht en één voor elke andere partij. De afschriften worden voor eensluidend gewaarmerkt door de partij die deze neerlegt.
3. In afwijking van artikel 72, lid 2, tweede volzin, worden de datum en het uur waarop een volledig afschrift van het ondertekende origineel van een processtuk [...] de griffie per fax bereikt voor de berekening van de procestermijnen in aanmerking genomen, mits het ondertekende origineel van het stuk [...] uiterlijk tien dagen daarna ter griffie wordt neergelegd. Artikel 60 is niet van toepassing op deze termijn van tien dagen.”
C. Andere relevante bepalingen
11. De Praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (hierna: „Praktische uitvoeringsbepalingen van het Gerecht”)(4) bepalen met betrekking tot de neerlegging van de processtukken onder meer het volgende:
„79. Bij de beoordeling of een termijn is nageleefd, wordt de datum van neerlegging van een stuk per fax slechts in aanmerking genomen indien het door de vertegenwoordiger met de hand ondertekende originele document dat per fax is toegezonden, uiterlijk tien dagen later ter griffie wordt neergelegd, zoals in artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering is bepaald.
80. Het door de vertegenwoordiger met de hand ondertekende origineel moet onverwijld na de toezending per fax worden verzonden, zonder dat daarin enige, zelfs geringe, correctie of wijziging wordt aangebracht.
81. Ingeval het door de vertegenwoordiger met de hand ondertekende origineel afwijkt van het eerder per fax op de griffie binnengekomen afschrift, wordt alleen de datum van neerlegging van dat ondertekende origineel in aanmerking genomen.”
12. De Praktische aanwijzingen voor de partijen inzake bij het Hof aangebrachte zaken (hierna: „Praktische aanwijzingen van het Hof”)(5) bepalen met betrekking tot de neerlegging en toezending van processtukken onder meer het volgende:
„42. [...] kan het [processtuk] ook per post aan het Hof worden gericht. [...] krachtens artikel 57, lid 7, van het Reglement voor de procesvoering [worden] alleen de datum en het uur van de neerlegging van het origineel ter griffie in aanmerking [...] genomen voor de procestermijnen. Om termijnoverschrijding te voorkomen, wordt daarom dringend aangeraden om de zending enkele dagen vóór het verstrijken van de termijn voor neerlegging van het stuk aangetekend of met een koerierdienst te versturen.
43. [...] De neerlegging van een [afschrift van een ondertekend] processtuk [per fax of e‑mail] is voor de naleving van de procestermijnen slechts geldig wanneer het ondertekende origineel van het stuk [...] de griffie uiterlijk tien dagen na de toezending van [dat afschrift] bereikt. Het origineel moet dus zonder enige vertraging worden verzonden, meteen na de toezending van het afschrift, zonder daarin verbeteringen of wijzigingen aan te brengen, zelfs onbeduidende. Indien het ondertekende origineel afwijkt van het eerder toegezonden afschrift, wordt alleen de datum van neerlegging van het ondertekende origineel in aanmerking genomen.”
II. Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beschikking
13. Het verzoekschrift van RF strekkende tot nietigverklaring van besluit C(2016) 5925 final van de Commissie van 15 september 2016 betreffende de afwijzing van de klacht in zaak COMP AT.40251 – Transport per spoor, vervoer van goederen (hierna: „litigieus besluit”) is per fax toegezonden aan het Gerecht op 18 november 2016. Het ondertekende origineel heeft het Gerecht bereikt op 5 december 2016, zeventien dagen nadat het afschrift van het verzoekschrift per fax was toegezonden.
14. Met betrekking tot de toepasselijke procestermijn heeft het Gerecht de volgende vaststellingen gedaan: 1) RF was in kennis gesteld van het litigieuze besluit op 19 september 2016; 2) overeenkomstig artikel 263, zesde alinea, VWEU moest een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld binnen twee maanden na de kennisgeving; 3) op grond van de toepassing van artikel 58, lid 1, juncto artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht was de termijn voor neerlegging van het verzoekschrift verstreken op 29 november 2016 om middernacht; 4) overeenkomstig artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kon het afschrift dat vóór het verstrijken van die termijn per fax was toegezonden, voor de vaststelling van de datum van neerlegging van het verzoekschrift niet in aanmerking worden genomen, aangezien het ondertekende origineel de griffie van het Gerecht niet had bereikt binnen tien dagen na de toezending van dat afschrift, zoals vereist door die bepaling, en 5) het verzoekschrift was derhalve te laat neergelegd.(6)
15. Uit de bestreden beschikking blijkt eveneens dat het ondertekende origineel per post was verzonden op dezelfde dag als de dag waarop het verzoekschrift per fax aan het Gerecht was toegezonden. Volgens RF heeft Poczta Polska, de voornaamste exploitant van postdiensten in Polen, er echter langer (17 dagen) dan gebruikelijk over gedaan om de postzending met het ondertekende origineel te bezorgen. Omdat de te late levering te wijten was aan een intern technisch probleem bij Poczta Polska, heeft RF aangevoerd dat zij alle zorgvuldigheid had betracht die redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht. Zij was met name van mening dat het origineel wegens toeval of overmacht als bedoeld in artikel 45 van het Statuut van het Hof te laat was neergelegd en dat het verzoekschrift dientengevolge niet wegens termijnoverschrijding mocht worden afgewezen.(7)
16. In een eerste fase heeft het Gerecht met betrekking tot de vraag of de door RF ingeroepen omstandigheden volstonden om toeval of overmacht aan te tonen, het volgende in herinnering gebracht: ten eerste, dat de termijnen voor het inleiden van een geding dwingend van aard zijn; ten tweede, dat toeval of overmacht slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen en, ten derde, dat een verzoeker overeenkomstig de rechtspraak van het Hof het verloop van de ingeleide procedure nauwkeurig in de gaten moet houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag moet leggen om de voorziene termijnen in acht te nemen.(8)
17. Het Gerecht heeft vervolgens geoordeeld dat een verzoeker zich niet op toeval of overmacht kan beroepen in omstandigheden waarin een zorgvuldige en omzichtige persoon het verstrijken van de termijn voor het inleiden van een geding had kunnen voorkomen. Het Gerecht was eveneens van oordeel dat slechts een gebeurtenis die niet kan worden voorkomen en daardoor doorslaggevend is voor de termijnoverschrijding, als toeval of overmacht kan worden aangemerkt.(9)
18. Voorts kan volgens het Gerecht uit artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering niet worden afgeleid dat post die pas wordt bezorgd nadat de in die bepaling genoemde termijn van tien dagen is afgelopen, automatisch toeval of overmacht uitmaakt.(10) Het heeft in dat verband verwezen naar de beschikking van het Hof in de zaak Faktor B. i W. Gęsina(11), die onmiskenbaar feitelijke gelijkenissen vertoont met de onderhavige zaak. In die zaak heeft het Hof bij beschikking het oordeel van het Gerecht bevestigd dat rekwirante niet het bewijs had geleverd van toeval of overmacht.(12)
19. In een tweede fase is het Gerecht nagegaan of RF toeval of overmacht had aangetoond.
20. Het Gerecht heeft meer specifiek onderzocht of de vertraging bij de postbezorging doorslaggevend is geweest voor het feit dat RF het beroep te laat had ingesteld en of het een gebeurtenis uitmaakte die RF niet had kunnen voorkomen. In het licht van de door RF afgelegde verklaringen enerzijds en haar plicht om het verloop van de zending nauwkeurig in de gaten te houden anderzijds, heeft het Gerecht geoordeeld dat RF er niet in was geslaagd toeval of overmacht aan te tonen. Het heeft meer bepaald opgemerkt dat RF geen uitleg had gegeven over de maatregelen die zij had getroffen nadat zij de postzending met het origineel aan de postdienst had afgegeven met het oog op verzending.(13)
21. Het Gerecht heeft het beroep tot nietigverklaring dan ook kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
III. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
22. Met haar hogere voorziening verzoekt RF het Hof:
– de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen, zodat het Gerecht het beroep kan onderzoeken en een voor hogere voorziening vatbare beslissing ten gronde geeft;
– subsidiair, voor het geval dat het Hof zou oordelen dat in de onderhavige zaak is voldaan aan de voorwaarden om de zaak zelf af te doen, de bestreden beschikking te vernietigen en de in eerste aanleg aangevoerde middelen in hun geheel toe te wijzen;
– de Europese Commissie te verwijzen in de kosten.
23. De Commissie verzoekt het Hof om de hogere voorziening af te wijzen en RF te verwijzen in de kosten.
24. Krachtens artikel 76, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie heeft het Hof beslist om geen pleitzitting te houden.
IV. Analyse
25. Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert RF vier middelen aan. Met het eerste middel wordt aangevoerd dat het Gerecht artikel 45 juncto artikel 53 van het Statuut van het Hof onjuist heeft uitgelegd. Volgens het tweede middel heeft het Gerecht artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht(14) geschonden door het beroep van RF kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens het derde middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat RF niet had aangetoond dat er sprake was van toeval als bedoeld in artikel 45 van het Statuut van het Hof. Ten slotte wordt met het vierde middel aangevoerd dat de bestreden beschikking in strijd is met artikel 1, artikel 6, lid 1, en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”).
26. De Commissie stelt dat de door RF aangevoerde middelen in hogere voorziening gedeeltelijk ongegrond (eerste en tweede middel) en gedeeltelijk niet-ontvankelijk (derde en vierde middel) moeten worden verklaard.
A. Beoordeling
1. Eerste en tweede middel in hogere voorziening
27. Met het eerste en tweede middel in hogere voorziening, die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, betoogt RF in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door haar beroep op grond van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren (tweede middel). Aan die verkeerde rechtsopvatting ligt een onjuiste uitlegging van artikel 45 van het Statuut van het Hof ten grondslag (eerste middel). RF argumenteert meer specifiek dat het Gerecht de begrippen „overmacht” en „toeval” ten onrechte op één lijn heeft gesteld. Zij stelt in dat verband dat in de bestreden beschikking verwarring wordt gezaaid over het duidelijke onderscheid dat de opstellers van het Statuut van het Hof hebben gemaakt tussen „toeval” en „overmacht”. Voorts voert RF aan dat de manier waarop het Gerecht artikel 45 van dat Statuut opvat, discriminerend werkt doordat degenen die verder van het Hof wonen, in een nadelige positie worden geplaatst.
28. De Commissie is het daarmee niet eens. Zij betoogt dat de opvatting van het Gerecht in de lijn ligt van de vaste rechtspraak op grond waarvan geen onderscheid wordt gemaakt tussen „toeval” en „overmacht”. Zij merkt bovendien op dat een strikte uitlegging van artikel 45 van het Statuut van het Hof, volgens welke een probleem dat zich tijdens de postafhandeling voordoet, op zich geen toeval of overmacht kan vormen, neutraal is en niet nadelig is voor degenen die zich geografisch op grotere afstand van het Hof bevinden.
a) Beoordeling van „toeval of overmacht” als bedoeld in artikel 45 van het Statuut van het Hof: twee begrippen maar slechts één enkel criterium
29. Ik zie wel iets in de argumenten van beide partijen.
30. Zoals de Commissie terecht heeft aangegeven, wordt in de rechtspraak van het Hof inzake de mogelijkheid om op grond van artikel 45 van het Statuut van het Hof aan termijnoverschrijding te ontsnappen, geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de begrippen „toeval” en „overmacht”. In de rechtspraak worden deze begrippen vaak gekoppeld en volgens dezelfde criteria onderzocht zonder dat mogelijke verschillen nader worden toegelicht.
31. De oorsprong van de rechtspraak van het Hof inzake de uitzonderingen op procestermijnen is te vinden in de rechtspraak inzake overmacht op het gebied van landbouwverordeningen.(15) Van bijzonder belang is de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest Busseni(16) en die overmacht omschrijft als „van buiten komende omstandigheden die de verwezenlijking van het betrokken feit onmogelijk maken. Ook al onderstelt het geen volstrekte onmogelijkheid, het dient wel te gaan om abnormale moeilijkheden die onafhankelijk zijn van de wil van de betrokkene en die ondanks alle dienstige voorzorgsmaatregelen onvermijdelijk blijken te zijn”.(17)
32. In de context van procestermijnen werd een soortgelijke omschrijving aangenomen die geldt voor zowel toeval als overmacht. Uit het arrest van het Hof in de zaak Bayer/Commissie(18) kan worden afgeleid dat de begrippen „toeval” en „overmacht” elk twee elementen bevatten.(19) De begrippen bevatten een objectief element, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden die niet de betrokken partij betreffen, en een subjectief element, dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. Het Hof heeft in dat verband verklaard dat een partij het verloop van de ingeleide procedure nauwkeurig in de gaten moet houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag moet leggen om de voorziene termijnen in acht te nemen teneinde zich op toeval of overmacht te kunnen beroepen.(20)
33. Hoewel het Hof naar mijn weten nooit een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen de twee begrippen, lijkt het redelijk om aan te nemen dat hun draagwijdte niet helemaal dezelfde is.
34. Hoe dienen deze begrippen te worden opgevat in de context van procedures voor de Unierechters?
35. Ik meen in dat verband dat overmacht (vis major) verwijst naar een beperkter aantal extreme gebeurtenissen of „acts of God”. Onder dergelijke gebeurtenissen vallen in ieder geval natuurrampen zoals grote overstromingen, aardbevingen en orkanen, maar mogelijkerwijs ook andere, met name onweerstaanbare (door de mens veroorzaakte) omstandigheden.(21) Mijns inziens duidt overmacht dus op een kracht van buitenaf die belet dat een partij kan voldoen aan een verplichting en haar geen alternatief biedt (dit zou bijvoorbeeld het geval zijn in de situatie waarin een per luchtpost verzonden pakket niet kan worden afgeleverd vanwege het feit dat het vliegtuig met dat pakket aan boord is neergestort in de oceaan).
36. Het begrip „toeval” daarentegen vormt naar mijn mening een enigszins flexibeler begrip. Het kan een ruimere reeks omstandigheden dekken die niet onder overmacht vallen. Daaronder zou een aantal abnormale omstandigheden kunnen vallen zoals technische onderbrekingen, stroomuitval of incidenten met communicatiesystemen.
37. In zekere zin is de manier waarop die begrippen in verhouding tot elkaar worden omschreven, een kwestie van persoonlijke smaak en kunnen zij elkaar zelfs gedeeltelijk overlappen. Ongeacht op welke manier de begrippen ten opzichte van elkaar worden afgebakend, is het echter duidelijk dat zij zeer nauw met elkaar verband houden en zien op een reeks uitzonderlijke omstandigheden waarin van de procestermijnen – die normaliter strikt moeten worden uitgelegd – kan worden afgeweken. Termijnen dienen in beginsel inderdaad strikt te worden toegepast ter wille van de rechtszekerheid en om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden.(22)
38. Tegelijkertijd moet evenwel worden benadrukt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om een uitzondering op dat zeer fundamenteel procesbeginsel uit te werken, op grond waarvan van dergelijke termijnen kan worden afgeweken. Volgens artikel 45 van het Statuut van het Hof vormt zowel toeval als overmacht een grond om van die termijnen af te wijken.
39. De keuze om beide begrippen in artikel 45 van dat Statuut op te nemen, vormt mijns inziens een sterke aanwijzing dat de wetgever de lijst van omstandigheden als bedoeld in artikel 45 niet in al te enge zin wenste op te vatten. Met die keuze heeft de wetgever eveneens aangegeven dat hij geen uitputtende lijst van omstandigheden op grond waarvan van de procestermijnen kan worden afgeweken, wenste vast te stellen, maar een vrij flexibele regel die aan de omstandigheden van het concrete geval kan worden aangepast.
40. Het criterium dat het Hof hanteert om vast te stellen of sprake is van toeval of overmacht, weerspiegelt mijns inziens die keuzes. Hoewel het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat slechts in hoogst uitzonderlijke omstandigheden van termijnen kan worden afgeweken(23), kan het Hof dankzij dat criterium in elk afzonderlijk geval op een flexibele manier nagaan of de termijnoverschrijding, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, het gevolg is van een gebeurtenis die de partij redelijkerwijs niet kon hebben voorzien en dus voorkomen zonder buitensporige offers te brengen.
41. Uit de rechtspraak van het Hof leid ik dan ook af dat „toeval of overmacht” samen, als een cluster van begrippen, moet worden beoordeeld aan de hand van hetzelfde criterium, waarbij de nadruk wordt gelegd op de redelijke aard van de maatregel die de betrokken partij moet treffen om te vermijden dat zij de gestelde termijn overschrijdt: door geval per geval na te gaan, enerzijds, of de niet-naleving van de procesvoorschriften heeft plaatsgevonden in abnormale omstandigheden die niet de betrokken partij betreffen en, anderzijds, of de betrokkene – zonder buitensporige offers te brengen – maatregelen heeft getroffen om de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te voorkomen.
42. Zoals dat steeds het geval is wanneer een beoordeling afhangt van de omstandigheden, zal het antwoord op de vraag waaruit enerzijds de abnormale gebeurtenis en anderzijds de passende maatregelen ter voorkoming van de negatieve gevolgen van die gebeurtenis zouden kunnen bestaan, afhangen van de bijzonderheden van elk geval.
43. Door die relatief flexibele toetssteen te hanteren, kan normaal gezien processuele gelijkheid tussen de partijen in het geding worden gegarandeerd in omstandigheden waarin een strikte toepassing van procestermijnen tot een verstoring van die gelijkheid zou leiden.
b) Onjuiste rechtsopvatting in de bestreden beschikking
44. Het Gerecht heeft in de bestreden beschikking een strikter criterium gehanteerd dan hetgeen uit de rechtspraak van het Hof voortvloeit. In de onderhavige zaak heeft het Gerecht voor het uitsluiten van toeval of overmacht onderzocht of de niet-inachtneming van de gestelde termijn het gevolg was van een gebeurtenis die niet kon worden voorkomen.(24)
45. Hoewel het Gerecht het uit het arrest Bayer/Commissie voortvloeiende criterium in de bestreden beschikking heeft herhaald, heeft het in feite vervolgens geoordeeld dat er van toeval of overmacht in de zin van artikel 45 van het Statuut van het Hof slechts sprake kan zijn wanneer de desbetreffende gebeurtenis niet kan worden voorkomen en daardoor doorslaggevend is voor het feit dat de partij de voorziene termijn niet heeft nageleefd (hierna: „onvermijdbaarheidsvereiste”).(25) Het Gerecht heeft eveneens geoordeeld dat de traagheid waarmee postzendingen worden toegezonden op zich geen toeval of overmacht kan uitmaken, tenzij er sprake is van andere bijzondere omstandigheden, zoals een staking, een administratieve storing of een natuurramp.(26)
46. Zoals reeds vermeld, dient volgens de rechtspraak van het Hof enerzijds de niet-naleving van de gestelde termijn het gevolg te zijn van een abnormale gebeurtenis van buitenaf die niet de betrokken partij betreft (objectief element). Anderzijds dienen partijen zich tegen de gevolgen van abnormale gebeurtenissen te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder dat evenwel is vereist dat zij buitensporige offers brengen om te voorkomen dat zij de gestelde termijn overschrijden. Partijen dienen in dat verband „het verloop van de ingeleide procedure” nauwkeurig in de gaten te houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen om de voorziene termijnen in acht te nemen (subjectief element).(27)
47. Volgens die rechtspraak is daarentegen niet vereist dat de abnormale gebeurtenis bovendien niet kon worden voorkomen. Door een dergelijke extra vereiste zou de werkingssfeer van artikel 45 van het Statuut van het Hof aanzienlijk worden beperkt en louter zien op situaties die, indien niet volstrekt, dan toch vrijwel onmogelijk zijn.
48. Zoals de Commissie aangeeft, is het juist dat het Hof minstens één keer de door het Gerecht in de bestreden beschikking gehanteerde aanpak lijkt te hebben onderschreven. Dat was het geval in de beschikking van het Hof in de zaak Faktor B. i W. Gęsina(28). In die beschikking heeft het Hof de beoordeling van het Gerecht bevestigd wat betreft het ontbreken van toeval of overmacht op grond van het onvermijdbaarheidsvereiste.(29) Net zoals in het onderhavige geval rees de vraag of een verzoekende partij een aanzienlijke vertraging bij de postbezorging (van Polen naar Luxemburg) kon inroepen om aan te tonen dat er sprake was van toeval of overmacht als bedoeld in artikel 45 van het Statuut van het Hof.(30)
49. Die beschikking (net zoals de bestreden beschikking) lijkt af te wijken van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest Bayer/Commissie. Dat is het geval voor zover het Hof de toepassing van het onvermijdbaarheidsvereiste door het Gerecht heeft bevestigd.
50. Er mag niet uit het oog worden verloren dat partijen overeenkomstig artikel 72 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals van toepassing op de onderhavige procedure, processtukken in papieren vorm ter griffie van het Gerecht kunnen neerleggen. Volgens dat Reglement beschikten partijen nog over die mogelijkheid, ondanks het bestaan van e‑Curia, een systeem op basis waarvan partijen processtukken langs elektronische weg kunnen neerleggen.(31)
51. De Praktische uitvoeringsbepalingen van het Gerecht en de Praktische aanwijzingen van het Hof verdienen in deze context eveneens aandacht. Die bepalingen voorzien specifiek in de mogelijkheid voor een partij om processtukken per post te versturen.(32) In dat verband wordt bepaald dat een per fax toegezonden afschrift voor de naleving van de procestermijnen slechts geldig is wanneer het ondertekende origineel van het stuk zonder enige vertraging wordt verzonden, meteen na de toezending van het afschrift per fax.(33)
52. Toch houdt het door het Gerecht toegepaste onvermijdbaarheidsvereiste in dat een abnormale vertraging bij de postbezorging automatisch buiten de werkingssfeer van artikel 45 van het Statuut van het Hof valt.
53. Niet elke partij is in staat om persoonlijk bij de Unierechter processtukken af te geven zonder buitensporige offers te brengen. Doordat het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals dat op het onderhavige geding van toepassing is, partijen bovendien uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om processtukken in papieren vorm mede te delen, zou de absolute uitsluiting van vertragingen bij de postbezorging mijns inziens strijdig zijn zowel met de rechtspraak van het Hof van Justitie als met het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
54. Om deze redenen ben ik van mening dat het Gerecht in de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
55. Niettemin dient te worden onderzocht op welke wijze toeval of overmacht meer concreet dient te worden beoordeeld op basis van de in de rechtspraak geformuleerde criteria.
c) Beoordelingswijze en in aanmerking te nemen factoren bij de beoordeling of de partij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht
56. Het is niet voor de hand liggend om die vraag op grond van de rechtspraak van het Hof te beantwoorden. Dat komt omdat de beoordeling van de omstandigheden die de partijen inroepen om aan te tonen dat er volgens de in het arrest Bayer/Commissie geformuleerde test sprake is van toeval of overmacht, uiteindelijk een ad-hocbeoordeling is.
57. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat de vraag of er sprake is van omstandigheden waardoor van procestermijnen kan worden afgeweken, dient te worden beoordeeld aan de hand van de elementen die worden aangedragen door de partij die zich op artikel 45 van het Statuut van het Hof beroept: volgens die bepaling moet die partij toeval of overmacht aantonen. Dientengevolge dient die partij te bewijzen dat a) er sprake is van een abnormale gebeurtenis die niet haarzelf betreft (objectief element) en b) zij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de gestelde termijn wordt overschreden (subjectief element).
58. Zoals hierboven aangegeven, mag een abnormale vertraging bij de postbezorging mijns inziens op grond van de rechtspraak niet zonder meer van de werkingssfeer van artikel 45 van het Statuut van het Hof worden uitgesloten. Tegenwoordig lijkt het redelijk om aan te nemen dat post, althans in beginsel, binnen tien dagen dient te arriveren op welke bestemming in Europa dan ook. Een levering die meer tijd in beslag neemt dan de tien extra dagen als bedoeld in artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, kan mijns inziens inderdaad worden aangemerkt als een abnormale gebeurtenis (die niet de betrokken partij betreft).(34)
59. Om die reden zou het ter voldoening van het objectieve element (a) moeten volstaan dat de partij aantoont dat de niet-naleving van de voorziene termijn het gevolg was van een abnormale vertraging bij de postbezorging. In dat verband hoeft niet te worden aangetoond dat aan de vertraging een buitengewone gebeurtenis, zoals een staking, natuurramp of administratieve storing, ten grondslag ligt.(35)
60. Niettemin leert de ervaring dat levertijden kunnen verschillen en dat (zelfs aanzienlijke) vertragingen bij de postbezorging weleens voorkomen. Om deze reden moet bij de vaststelling of aan het objectieve element is voldaan, rekening worden gehouden met de vraag of de vertraging abnormaal is in de gegeven omstandigheden, meer bepaald met inaanmerkingneming van factoren zoals afstand, tijd van het jaar, enzovoort.
61. Wanneer is vastgesteld dat de vertraging gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak abnormaal was, moet nog worden nagegaan of de partij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de gestelde termijn wordt overschreden.
62. Voor de vaststelling of aan het subjectieve element (b) is voldaan, dient een aantal factoren in aanmerking te worden genomen.
63. Ten eerste is het van belang vast te stellen wanneer het ondertekende origineel van het verzoekschrift aan de postbedelingsdienst werd afgegeven. Naleving van punt 80 van de Praktische uitvoeringsbepalingen van het Gerecht, dit wil zeggen dat het origineel onverwijld is verzonden, op dezelfde dag als die waarop het afschrift werd verzonden per fax of uiterlijk de volgende dag, is mijns inziens een aanwijzing van zorgvuldig gedrag.(36)
64. Ten tweede kan van een partij niet worden verwacht dat zij gebruikmaakt van de duurste internationale leveringsdiensten die op de markt beschikbaar zijn wanneer een minder duur aanbod van een leverancier in beginsel kennelijk volstaat om ervoor te zorgen dat het ondertekende origineel binnen de voorziene termijn ter griffie van het Gerecht wordt afgeleverd.(37) Aangezien vertragingen zich voordoen, dient een partij die beslist om een processtuk per post in plaats van via e‑Curia te versturen, mijns inziens evenwel voorzorgsmaatregelen te treffen die van een zorgvuldige persoon redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Die zorgvuldigheid kan dan ook al naargelang de omstandigheden (wanneer bijvoorbeeld de dienstaanbieder notoir onbetrouwbaar is of de termijn in de buurt van een wettelijke feestdag afloopt) inhouden dat het ondertekende origineel met een koerierdienst, expresdienst of minstens aangetekend moet worden verstuurd.
65. Heeft de partij daarna geen verplichtingen meer?
66. Die heeft zij wel degelijk. Het is juist dat de verzender na afgifte van de postzending bij de postdienst met het oog op verzending daarop geen daadwerkelijke controle meer kan uitoefenen. Er dient evenwel te worden gewezen op het feit dat verzending van processtukken per post risico’s van vertragingen met zich meebrengt die de partij kan voorkomen door gebruik te maken van e‑Curia.(38)
67. Een partij die ervoor heeft gekozen gebruik te maken van de in artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziene mogelijkheid, moet mijns inziens dan ook de zending opvolgen om althans te trachten te voorkomen dat die risico’s zich daadwerkelijk voordoen. Een partij moet immers „het verloop van de ingeleide procedure” nauwkeurig in de gaten houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de voorziene termijnen in acht te nemen.(39)
68. Wat houdt deze verplichting echter in deze bijzondere context concreet in?
69. Indien een trackingnummer ter beschikking wordt gesteld, dient de partij nauwlettend en met een zekere regelmaat toe te zien op het verloop van de zending totdat het stuk naar behoren ter griffie van het Gerecht is afgeleverd. Indien het verloop van de zending niet kan worden gevolgd, dient de partij de griffie te contacteren (ruim voordat de voorziene termijn is verstreken) teneinde te controleren dat het ondertekende origineel tijdig is binnengekomen.(40) Wanneer de zending vertraging blijkt op te lopen, kan de partij nog steeds proberen de voorziene termijn na te leven door via contactopname met de betrokken aanbieder van postdiensten actief te trachten na te gaan waar de postzending zich bevindt en, als al het andere niet lukt, door naar de griffie een van een nieuwe originele handtekening voorzien exemplaar van het verzoekschrift te zenden (of te brengen indien dat een redelijke optie is) ter vervanging van het zoekgeraakte oude origineel.(41)
70. Door deze maatregelen te treffen, kan de betrokken partij aantonen dat zij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht zonder echter buitensporige offers te brengen. Of er een reële kans bestaat dat de gestelde termijn in acht wordt genomen, doet in dat opzicht dan ook niet ter zake.
71. Concluderend kan worden gesteld dat wanneer een partij ervoor heeft gekozen gebruik te maken van de in artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziene mogelijkheid, die partij, om te kunnen ontsnappen aan termijnoverschrijding overeenkomstig artikel 45 van het Statuut van het Hof, dient aan te tonen dat zij de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd door alle redelijke maatregelen te treffen om te voorkomen dat de gestelde termijn wordt overschreden. Dat betekent dat deze partij moet aantonen dat het ondertekende origineel onmiddellijk na de toezending van het afschrift per fax werd verstuurd; dat het origineel werd verstuurd door een postdienst die kennelijk kon garanderen dat het ondertekende origineel van het verzoekschrift binnen de voorziene termijn ter griffie van het Gerecht zou worden afgeleverd, en dat zij naar behoren heeft toegezien op het verloop van de zending en, indien uit die opvolging vertraging bleek, heeft getracht de voorziene termijn toch na te leven.
d) Tussentijdse conclusie
72. In de bestreden beschikking heeft het Gerecht in een eerste fase geoordeeld dat een partij slechts aan termijnoverschrijding kan ontsnappen indien de niet-naleving van de gestelde termijn het gevolg is van een gebeurtenis die niet kon worden voorkomen. Op die manier heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
73. Die onjuiste rechtsopvatting houdt in casu evenwel niet in dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat wanneer in de motivering van een uitspraak van het Gerecht blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar het dictum van die uitspraak op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, deze onjuiste opvatting niet betekent dat die uitspraak moet worden vernietigd, maar enkel dat het anders dient te worden gemotiveerd.(42)
74. Aangezien het Gerecht in een tweede fase de maatregelen die RF heeft getroffen om te voorkomen dat de gestelde termijn wordt overschreden, wel degelijk heeft onderzocht, laat de vastgestelde onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht het dictum van de bestreden beschikking onverlet.
75. Uit de bestreden beschikking blijkt dat RF het ondertekende origineel onmiddellijk na toezending van het afschrift van het origineel per fax naar het Gerecht heeft verstuurd (op dezelfde dag) en dat zij dat aangetekend heeft gedaan met gebruikmaking van een dienst die kennelijk kon garanderen dat het tijdig zou worden bezorgd. RF heeft echter geen ander bewijs aangevoerd om aan te tonen dat zij had getracht toe te zien op het verloop van de zending en na het vaststellen van de vertraging maatregelen had getroffen om te voorkomen dat de gestelde termijn werd overschreden.(43) Het Gerecht heeft met andere woorden niettemin terecht geconcludeerd dat RF niet heeft aangetoond dat zij de nodige zorgvuldigheid had betracht om de voorziene termijn na te leven.
76. Mijn conclusie luidt dan ook dat het argument dat het Gerecht op grond van een onjuiste uitlegging van artikel 45 van het Statuut van het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat RF geen toeval of overmacht had aangetoond, moet worden afgewezen door uit te gaan van een andere motivering.
77. Het eerste en het tweede middel in hogere voorziening moeten dan ook ongegrond worden verklaard.
2. Derde middel in hogere voorziening
78. RF betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat rekwirante niet had aangetoond dat er sprake was van toeval in de zin van artikel 45 van het Statuut van het Hof. Volgens RF werd het bewijs van toeval geleverd: zij heeft hiervoor niet alleen meer bewijs overgelegd dan nodig was, maar alle bewijzen waarover zij in het algemeen kon beschikken.
79. De Commissie stelt dat de door rekwirante aangedragen argumenten feitelijke vaststellingen betreffen en niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
80. Ik ben het met de Commissie eens. In dit middel wordt in wezen het betoog overgenomen dat reeds in het kader van het eerste middel in hogere voorziening werd aangevoerd, zij het uit zuiver feitelijk oogpunt.
81. Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht op grond van artikel 58 van het Statuut van het Hof en artikel 256 VWEU bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen en om deze te beoordelen. Bij het Hof van Justitie ingestelde hogere voorzieningen zijn bijgevolg beperkt tot rechtsvragen. Het Hof van Justitie mag dus toezicht uitoefenen op de wijze waarop deze feiten juridisch zijn gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die door het Gerecht daaraan zijn verbonden.(44) Een nieuwe beoordeling van de feiten of bewijzen levert evenwel geen rechtsvraag op die vatbaar is voor toetsing door het Hof van Justitie. Dat is het geval behoudens wanneer de aan het Gerecht overgelegde feiten of bewijzen onjuist werden opgevat, in welk geval de beweerdelijk onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier.(45)
82. Met haar derde middel in hogere voorziening beoogt RF duidelijk een nieuwe beoordeling van de aan het Gerecht overgelegde feiten en bewijzen zonder dat enige onjuiste opvatting ervan wordt aangevoerd. Op grond daarvan moet het derde middel in hogere voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Vierde middel in hogere voorziening
83. RF voert aan dat het Gerecht in de bestreden beschikking artikel 1, artikel 6, lid 1, en artikel 14 EVRM heeft geschonden. Volgens haar wordt door de wijze waarop het Gerecht artikel 45 van het Statuut van het Hof uitlegt, de toegang tot de Unierechter bemoeilijkt voor partijen met woon‑ of vestigingsplaats op een aanzienlijke afstand van de zetel van de Unierechter. Door de restrictieve uitlegging van die bepaling door het Gerecht worden procespartijen bovendien gediscrimineerd op grond van hun woonplaats.
84. Primair stelt de Commissie dat dit middel niet-ontvankelijk is, op grond dat RF verwijst naar rechten die in het EVRM en niet in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) zijn neergelegd en dat de door RF aangedragen argumenten onduidelijk zijn. Volgens de Commissie is dit middel in elk geval ongegrond.
85. Rekwirante heeft in haar dupliek verduidelijkt dat met dit middel wordt aangevoerd dat de considerans evenals de artikelen 20, 21 en 47 van het Handvest zijn geschonden.
86. Dat volstaat evenwel niet. Een hogere voorziening dient duidelijk aan te geven tegen welke onderdelen van de beslissing waarvan vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.(46)
87. Ik begrijp dat met dit middel voornamelijk wordt aangevoerd dat de wijze waarop het Gerecht artikel 45 van het Statuut van het Hof opvat, een partij als RF, die niet in de nabijheid van de Unierechter haar vestigingsplaats heeft, discrimineert. Volgens de bestreden beschikking kan een partij die gebruik wenst te maken van de in artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziene mogelijkheid en die dus voor de mededeling van processtukken aan het Gerecht het gebruik van fax en post wenst te combineren, zich immers niet beroepen op een abnormale vertraging bij de postbezorging om de niet-naleving van de voorziene termijn te rechtvaardigen. Om termijnoverschrijding met zekerheid te voorkomen, kan RF derhalve geen gebruik maken van de in artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering voorziene mogelijkheid. Zij dient het verzoekschrift daarentegen ruim vóór het verstrijken van de gestelde termijn van twee maanden (te verlengen met de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziene tien dagen wegens afstand) per post te versturen.
88. Ik heb enigszins begrip voor het argument van RF. Niettemin kan ik niet voorbijgaan aan het feit dat dit middel in het verzoekschrift onvoldoende is uitgewerkt en slechts in algemene termen is geformuleerd zonder de argumenten rechtens die de basis vormen voor dit betoog, op een samenhangende manier uiteen te zetten. Eenvoudig gesteld missen de argumenten nauwkeurigheid.
89. Aangezien het niet aan het Hof staat om rekwirantes argumenten uit te werken of aan te vullen teneinde een uitspraak ten gronde mogelijk te maken, geef ik het Hof in overweging, dit middel niet-ontvankelijk te verklaren. In het bijzonder heeft RF geen juridisch relevante vergelijkingsgroep vastgesteld wat de beweerdelijk aan de bestreden beschikking inherente discriminatie betreft, noch heeft zij verduidelijkt op welke manier met die hogere voorziening een schending van het recht op toegang tot de rechter in de zin van artikel 47 van het Handvest wordt aangevoerd.
90. Het vierde middel in hogere voorziening dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
B. Gevolgen van de beoordeling
91. Ik ben tot de slotsom gekomen dat het Gerecht aan de hand van onjuiste criteria heeft vastgesteld dat het bewijs van toeval of overmacht in de zin van artikel 45 van het Statuut van het Hof niet was geleverd. Om voornoemde redenen ben ik evenwel van mening dat de onjuiste rechtsopvatting geen aanleiding vormt tot vernietiging van de bestreden beschikking.
92. De hogere voorziening dient derhalve in haar geheel te worden afgewezen.
V. Kosten
93. Op grond van artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dient, voor zover dit is gevorderd, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden verwezen.
94. Indien het Hof mijn beoordeling van de hogere voorziening volgt, dient RF overeenkomstig de artikelen 137, 138 en 184 van het Reglement voor de procesvoering de kosten te dragen van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
VI. Conclusie
95. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– RF te verwijzen in de kosten.
1 Oorspronkelijke taal: Engels.
2 Beschikking van 13 september 2017, RF/Commissie (T‑880/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:647).
3 PB 2015, L 105, blz. 1.
4 PB 2015, L 152, blz. 1.
5 PB 2014, L 31, blz. 1.
6 Punten 6‑11 van de bestreden beschikking.
7 Punten 12 en 14 van de bestreden beschikking.
8 Punten 15‑17 van de bestreden beschikking.
9 Punten 18 en 19 van de bestreden beschikking.
10 Punt 20 van de bestreden beschikking.
11 Beschikking van het Hof van 30 september 2014, Faktor B. i W. Gęsina/Commissie (C‑138/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2256).
12 Idem, punten 20‑25.
13 Punten 22‑27 van de bestreden beschikking.
14 Die bepaling luidt: „Wanneer het Gerecht kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, kan het Gerecht te allen tijde, op voorstel van de rechter-rapporteur, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.”
15 Zie bijvoorbeeld arresten van 11 juli 1968, Schwarzwaldmilch (4/68, EU:C:1968:41, blz. 536); 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft (11/70, EU:C:1970:114, punt 24), en 30 januari 1974, Kampffmeyer (158/73, EU:C:1974:8, punt 8).
16 Arrest van 9 februari 1984, Acciaierie e Ferriere Busseni/Commissie (284/82, EU:C:1984:47).
17 Arresten van 9 februari 1984, Acciaierie e Ferriere Busseni/Commissie (284/82, EU:C:1984:47, punt 11); 30 mei 1984, Ferriera Vittoria/Commissie (224/83, EU:C:1984:208, punt 13), en 12 juli 1984, Ferriera Valsabbia/Commissie (209/83, EU:C:1984:274, punt 21).
18 Arrest van 15 december 1994, Bayer/Commissie (C‑195/91 P, EU:C:1994:412).
19 Met betrekking tot het begrip „overmacht” had advocaat-generaal Capotorti reeds dat standpunt ingenomen. Zie conclusies van advocaat-generaal Capotorti in de zaak Milch-, Fett‑ und Eierkontor (42/79, niet gepubliceerd, EU:C:1979:259, blz. 3723) en in de gevoegde zaken Ferriera Valsabbia e.a./Commissie (154/78, 205/78, 206/78, 226/78–228/78, 263/78, 264/78, 31/79, 39/79, 83/79 en 85/79, EU:C:1979:275, blz. 1067).
20 Met name arresten van 15 december 1994, Bayer/Commissie (C‑195/91 P, EU:C:1994:412, punt 32), en 22 september 2011, Bell & Ross/BHIM (C‑426/10 P, EU:C:2011:612, punt 48). Zie eveneens arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad (C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 72), en beschikking van 8 november 2007, België/Commissie (C‑242/07 P, EU:C:2007:672, punt 17).
21 Het Hof lijkt oorlog aan te merken als overmacht en niet als toeval. Zie in die zin arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad (C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 72).
22 Arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad (C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie eveneens beschikking van 7 mei 1998, Ierland/Commissie (C‑239/97, EU:C:1998:213, punt 7 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 Arresten van 14 december 2016, SV Capital/EBA (C‑577/15 P, EU:C:2016:947, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 22 september 2011, Bell & Ross/BHIM (C‑426/10 P, EU:C:2011:612, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Punten 25‑27 van de bestreden beschikking.
25 Punt 19 van de bestreden beschikking.
26 Punt 21 van de bestreden beschikking.
27 Arrest van 15 december 1994, Bayer/Commissie (C‑195/91 P, EU:C:1994:412, punt 32).
28 Beschikking van het Hof van 30 september 2014, Faktor B. i W. Gęsina/Commissie (C‑138/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2256).
29 Idem, punten 19 en 20.
30 Idem, punten 10 en 11.
31 Zie artikel 74 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en het besluit van het Gerecht van 14 september 2011 betreffende de neerlegging en de betekening van processtukken met behulp van de applicatie e‑Curia (PB 2011, C 289, blz. 9). Sinds 1 december 2018 is het gebruik van e-Curia verplicht in procedures voor het Gerecht.
32 Zie met name punten 79‑81 van de Praktische uitvoeringsbepalingen van het Gerecht en punten 42 en 43 van de Praktische aanwijzingen van het Hof.
33 Met betrekking tot stukken die enkel per post worden ingediend, raadt het Hof aan om deze met een koerierdienst of aangetekend te versturen. Die aanbeveling geldt niet voor partijen die overeenkomstig artikel 73, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gebruik wensen te maken van fax of e‑mail.
34 Uit de bijlage bij richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1998, L 15, blz. 14) blijkt dat 97 % van het grensoverschrijdende postverkeer binnen vijf werkdagen na de datum van verzending op de bestemming zou moeten zijn afgeleverd.
35 Zie punt 27 van de bestreden beschikking.
36 Zie in diezelfde zin beschikkingen van 7 mei 1998, Ierland/Commissie (C‑239/97, EU:C:1998:213, punt 9), en 18 januari 2005, Zuazaga Meabe/BHIM (C‑325/03 P, EU:C:2005:28, punt 26).
37 Zie in diezelfde zin arresten van 14 januari 2015, Abdulrahim/Raad en Commissie (T‑127/09 RENV, EU:T:2015:4, punt 47), en 21 juni 2017, City Train/EUIPO (CityTrain) (T‑699/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:409, punt 15).
38 Wanneer gebruik wordt gemaakt van e‑Curia, ontvangt de verzender, ingeval de stukken naar behoren werden toegezonden aan de Unierechter, ogenblikkelijk een ontvangstbevestiging.
39 Met name arresten van 15 december 1994, Bayer/Commissie (C‑195/91 P, EU:C:1994:412, punt 32), en 22 september 2011, Bell & Ross/BHIM (C‑426/10 P, EU:C:2011:612, punt 48). Zie eveneens beschikking van 8 november 2007, België/Commissie (C‑242/07 P, EU:C:2007:672, punt 17).
40 Voor een ander standpunt, zie arrest van 14 januari 2015, Abdulrahim/Raad en Commissie (T‑127/09 RENV, EU:T:2015:4, punt 50).
41 Zie eveneens arrest van 14 januari 2015, Abdulrahim/Raad en Commissie (T‑127/09 RENV, EU:T:2015:4, punt 52).
42 Zie onder meer arrest van 26 januari 2017, Zucchetti Rubinetteria/Commissie (C‑618/13 P, EU:C:2017:48, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Punt 26 van de bestreden beschikking.
44 Zie onder meer arrest van 25 juli 2018, Commissie/Spanje e.a. (C‑128/16 P, EU:C:2018:591, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Zie bijvoorbeeld arrest van 6 september 2018, Klein/Commissie (C‑346/17 P, EU:C:2018:679, punten 124‑126 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Zie onder meer arrest van 20 september 2018, Agria Polska e.a./Commissie (C‑373/17 P, EU:C:2018:756, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Full & Egal Universal Law Academy