Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. PITRUZZELLA
van 10 april 2019 (1)
Zaak C‑709/17 P
Europese Commissie
tegen
Kolachi Raj Industrial (Private) Ltd
„Hogere voorziening – Dumping – Uitvoeringsverordening (EU) 2015/776 – Invoer van rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen – Uitbreiding tot die invoer van het definitieve antidumpingrecht dat is ingesteld op rijwielen van oorsprong uit China – Verordening (EG) nr. 1225/2009 – Artikel 13 – Ontwijking – Assemblage – Directe en indirecte herkomst van de betrokken onderdelen – Regels voor het bewijs van ontwijking”
1. De huidige economische omstandigheden worden gekenmerkt door een toenemende globalisering van de internationale handel, waardoor ondernemingen steeds meer de mogelijkheid hebben om de productie van in het bijzonder lowtech goederen naar andere landen te verplaatsen. In die algemene economische context wordt het voor de Europese Unie steeds belangrijker om over instrumenten ter bescherming van de handel te beschikken waarmee effectief kan worden gereageerd op de uitdagingen die in die handelsomstandigheden rijzen – instrumenten die ervoor zorgen dat de industrie van de Unie doeltreffend wordt beschermd tegen met dumping ingevoerde waren. Tot deze instrumenten behoren de anti-ontwijkingsvoorschriften, die een essentiële rol spelen om de doeltreffendheid van de door de Unie genomen antidumpingmaatregelen te verzekeren.
2. In deze zaak krijgt het Hof voor het eerst te maken met ingewikkelde ontwijkingspraktijken bestaande in opeenvolgende en veelvuldige assemblagewerkzaamheden die in verschillende derde landen plaatsvinden. In deze zaak rijst de fundamentele vraag hoe de instellingen van de Unie, wanneer zij met die praktijken te maken krijgen, het bestaan van ontwijking kunnen bewijzen.
3. Deze vraag doet zich voor in het kader van een hogere voorziening die door de Europese Commissie is ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2017, Kolachi Raj Industrial/Commissie (T‑435/15; hierna: „bestreden arrest”)(2), waarbij het Gerecht uitvoeringsverordening (EU) 2015/776(3) (hierna: „litigieuze verordening”) tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat is ingesteld op rijwielen van oorsprong uit China tot rijwielen met name verzonden vanuit Pakistan, nietig heeft verklaard voor zover die betrekking heeft op Kolachi Raj Industrial (Private) Ltd (hierna: „Kolachi”).
4. Deze zaak is derhalve van zeer groot belang voor de antidumpingregeling van de Unie, aangezien het Hof hierin voor het eerst kan vaststellen aan welke eisen inzake bewijs de instellingen van de Unie moeten voldoen in geval van ingewikkelde ontwijkingspraktijken.
I. Toepasselijke bepalingen
5. Ten tijde van de feiten die aan het geding ten grondslag liggen, werd de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Unie geregeld door verordening nr. 1225/2009.(4)
6. Artikel 13 van deze verordening heeft betrekking op ontwijking en luidt als volgt:
„1. De overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. [...] Ontduiking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de [Unie] of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de [Unie] als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2.
De in de eerste alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere [...] in de in lid 2, beschreven situatie, de assemblage van delen in de [Unie] of een derde land.
2. Assemblage in de [Unie] of een derde land wordt geacht ontwijking van de maatregelen in te houden wanneer:
a) de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en
b) de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt, en
c) de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden.
3. Onderzoeken op grond van dit artikel worden geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 omschreven factoren. [...]
De onderzoeken worden door de Commissie uitgevoerd. De Commissie kan zich laten bijstaan door douaneautoriteiten en het onderzoek wordt binnen negen maanden voltooid.
Wanneer de definitief vastgestelde feiten uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Commissie [...] het daartoe strekkende besluit. [...]
[...]
5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de normale toepassing van de geldende bepalingen inzake douanerechten.”
II. Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze verordening
7. De voorgeschiedenis van het geding en de litigieuze verordening worden respectievelijk in de punten 1 tot en met 19 en 20 tot en met 27 van het bestreden arrest uiteengezet, waarnaar ik voor meer bijzonderheden verwijs.
8. Voor de onderhavige procedure wil ik enkel in herinnering brengen dat de Unie reeds in 1993 een antidumpingrecht heeft ingesteld op rijwielen van oorsprong uit China, dat daarna verschillende malen opnieuw is onderzocht en in 2013 uiteindelijk is gehandhaafd op 48,5 %.(5)
9. In 2013 heeft de Unie na een eerste anti-ontwijkingsonderzoek dit antidumpingrecht bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013(6) uitgebreid tot rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië.
10. Nadat de Commissie in 2014 een nieuwe klacht had gekregen, heeft zij een tweede anti-ontwijkingsonderzoek geopend, dat dit keer betrekking had op de eventuele ontwijking van de in 2013 ingestelde antidumpingmaatregelen op de invoer van Chinese rijwielen door invoer van rijwielen verzonden uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen.
11. Waar het specifiek om Pakistan gaat, heeft Kolachi, de enige rijwielproducent in dit land, aan dit tweede onderzoek deelgenomen. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat Kolachi geen rijwielonderdelen in Pakistan fabriceerde, maar deze onderdelen in Sri Lanka en China kocht om in Pakistan rijwielen te assembleren.(7) De meeste leveranciers van Kolachi waren Sri Lankaanse vennootschappen die onderdeel waren van het concern waartoe Kolachi behoorde – welk concern het eigendom was van een Chinese persoon – en waarvan reeds was vastgesteld dat zij bij ontwijking van het door de Unie op Chinese rijwielen ingestelde antidumpingrecht betrokken waren geweest.(8) Ook heeft het onderzoek enerzijds laten zien dat de leverancier van wie Kolachi het grootste deel (93 %) van de rijwielonderdelen betrok die zij bij haar assemblage in Pakistan gebruikte, te weten de vennootschap Flying Horse Pvt Ltd, een tussenpersoon was die een aanzienlijk deel van die onderdelen bij een in Sri Lanka gevestigde fabrikant van rijwielonderdelen kocht, en anderzijds dat deze fabrikant niemand anders was dan de vennootschap Great Cycles Pvt Ltd, een van deze met Kolachi verbonden vennootschappen. Uit het onderzoek is gebleken dat het merendeel van de uit Sri Lanka ingevoerde onderdelen die bij Flying Horse waren gekocht, geproduceerd werden door Great Cycles, die voor een vrij groot deel daarvan Chinese materialen gebruikte. De Commissie heeft ook een aantal onregelmatigheden vastgesteld die de relatie tussen Flying Horse en Kolachi dubieus maakten.(9)
12. Op 18 mei 2015 heeft de Commissie de litigieuze verordening vastgesteld, waarmee zij het definitieve antidumpingrecht van 48,5 % op rijwielen van oorsprong uit China heeft uitgebreid tot rijwielen, met name verzonden vanuit Pakistan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Pakistan.(10)
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
13. Bij een op 29 juli 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Kolachi beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze verordening voor zover deze op haar betrekking heeft. Tijdens de procedure bij het Gerecht is de European Bicycle Manufacturers Association (EBMA) toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.(11)
14. Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring heeft Kolachi één enkel middel aangevoerd, te weten schending van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening. In het eerste onderdeel van haar enige middel heeft Kolachi de analyse van de Commissie bestreden dat de certificaten van oorsprong, „formulier A”, die Kolachi tijdens het onderzoek had verstrekt om aan te tonen dat de door Great Cycles gefabriceerde onderdelen daadwerkelijk van oorsprong uit Sri Lanka waren, onvoldoende bewijskrachtig waren. In de litigieuze verordening had de Commissie deze formulieren wegens verschillende inconsistenties afgewezen. In het tweede onderdeel van haar enige middel heeft Kolachi aangevoerd dat de Commissie artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening ten onrechte als oorsprongsregel heeft toegepast op de fabricage van rijwielonderdelen in Sri Lanka, terwijl het onderzoek betrekking had op een mogelijke ontwijking in Pakistan.
15. In het bestreden arrest heeft het Gerecht een redenering in twee stappen gevolgd.
16. Eerst heeft het Gerecht in de punten 77 tot en met 93 van het bestreden arrest de regels voor het bewijs van de in artikel 13, lid 2, van de basisverordening neergelegde voorwaarden vastgesteld teneinde te kunnen concluderen dat er sprake was van assemblage die een ontwijking inhield.
17. Zo heeft het Gerecht op basis van de beginselen die het heeft vastgesteld in zijn arrest van 26 september 2000, Starway/Raad (T‑80/97, EU:T:2000:216, hierna: „arrest Starway”), in punt 83 van het bestreden arrest geoordeeld dat het voor de toepassing van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening in de regel weliswaar voldoende is om te kijken naar de loutere „herkomst” van de voor de assemblage van het eindproduct gebruikte onderdelen, maar dat het in het geval van twijfel toch noodzakelijk kan zijn, na te gaan of de uit een derde land „afkomstige” onderdelen in werkelijkheid van oorsprong uit een ander land zijn.
18. Het Gerecht heeft vervolgens in de punten 84 en 85 van het bestreden arrest de in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening gebruikte uitdrukking „afkomstig zijn uit” aldus uitgelegd dat deze uitdrukking moet worden begrepen als betrekking hebbend op de „invoer”.
19. Op die grondslag heeft het Gerecht in de punten 86 en 87 van het bestreden arrest eerst vastgesteld dat de voor de assemblage van rijwielen in Pakistan gebruikte onderdelen voor ten minste 47 % uit Sri Lanka waren ingevoerd nadat zij in dat land waren vervaardigd, en dus als „afkomstig” uit Sri Lanka konden worden aangemerkt, en aansluitend geoordeeld dat dit de Commissie evenwel niet belette om in geval van twijfel na te gaan of de uit Sri Lanka „afkomstige” onderdelen in werkelijkheid van oorsprong waren uit het land waarop de maatregelen van toepassing waren, in dit geval China.
20. Op grond van deze lezing van artikel 13, lid 2, van de basisverordening is het Gerecht vervolgens in de punten 94 tot en met 119 van het bestreden arrest nagegaan of de Commissie zonder het recht onjuist toe te passen, had kunnen vaststellen dat de uit Sri Lanka afkomstige rijwielonderdelen in werkelijkheid van Chinese oorsprong waren.
21. Zo heeft het Gerecht in de punten 94 tot en met 106 van het bestreden arrest het eerste onderdeel van het enige middel van Kolachi betreffende de bewijskracht van de certificaten van oorsprong, „formulier A”, afgewezen. De hogere voorziening heeft geen betrekking op dat deel van het bestreden arrest.
22. Daarentegen heeft het Gerecht in de punten 107 tot en met 119 van het bestreden arrest het tweede onderdeel van het enige middel van Kolachi aanvaard en vastgesteld dat de Commissie blijk had gegeven van een onjuiste rechtstoepassing door artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening naar analogie toe te passen op de in Sri Lanka aangekochte rijwielonderdelen teneinde de oorsprong daarvan in het kader van de assemblage in Pakistan na te gaan. Daarmee had de Commissie volgens het Gerecht namelijk in feite enerzijds onderzocht of de fabricage van rijwielonderdelen in Sri Lanka de antidumpingmaatregelen op rijwielen van oorsprong uit China ontweek, hetgeen in casu echter niet het voorwerp van het betrokken onderzoek was. Anderzijds had de Commissie artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening „naar analogie” toegepast, terwijl die bepaling geen oorsprongsregel is, en bijgevolg niet kan worden toegepast om de oorsprong van goederen te bepalen.
23. Bijgevolg heeft het Gerecht de litigieuze verordening nietig verklaard voor zover deze betrekking had op Kolachi.
IV. Conclusies van partijen
24. Op 8 december 2017 heeft de Commissie hogere voorziening tegen het bestreden arrest ingesteld. Daarbij verzoekt zij het Hof het bestreden arrest te vernietigen, het beroep in eerste aanleg te verwerpen en Kolachi te verwijzen in de kosten of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor herbeoordeling en de beslissing omtrent de kosten van de twee instanties aan te houden.
25. In haar memorie van antwoord verzoekt Kolachi het Hof de hogere voorziening volledig af te wijzen of, subsidiair, het bestreden arrest te verbeteren met bevestiging van het dictum ervan. Zij verzoekt ook de Commissie te veroordelen om haar eigen, in hogere voorziening gemaakte kosten te dragen, alsook de kosten van Kolachi, en de EBMA te veroordelen om haar eigen, in hogere voorziening gemaakte kosten te dragen.
26. De EBMA verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen, het in eerste aanleg ingestelde beroep te verwerpen en Kolachi te verwijzen in de kosten van de twee instanties of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor herbeoordeling en de beslissing omtrent de kosten van de procedure in eerste aanleg aan te houden en Kolachi te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening.
V. Analyse van de hogere voorziening
A. Korte samenvatting van de argumenten van partijen
27. Ter staving van haar hogere voorziening voert de Commissie, die wordt gesteund door de EBMA, één middel aan, bestaande uit twee onderdelen, die betrekking hebben op onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van artikel 13 van de basisverordening. Dit middel is gericht tegen de punten 83 tot en met 93 en 107 tot en met 119 van het bestreden arrest.
28. Bij de Commissie gaat het in het bijzonder om de door het Gerecht gegeven uitlegging(12) waarbij in wezen een vermoeden is vastgesteld op grond waarvan een onderdeel enkel dan wordt geacht „afkomstig” te zijn uit een land in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening, wanneer het uit dit land wordt ingevoerd – met andere woorden, wanneer het uit dit land is verzonden – tenzij de Commissie aantoont dat dit onderdeel „van oorsprong is” uit het land waarop de antidumpingmaatregel van toepassing is.
29. In het eerste onderdeel van haar enige middel betoogt de Commissie dat deze uitlegging onjuist is, omdat deze inhoudt dat de „herkomst” van de voor assemblage gebruikte onderdelen alleen door middel van oorsprongsregels kan worden aangetoond, hetgeen geen steun vindt in de tekst van artikel 13 van de basisverordening en niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever toen hij de anti-ontwijkingsregeling vaststelde. Met deze bepaling wordt namelijk een aparte juridische regeling ingevoerd die losstaat van de oorsprongsregels. Bovendien maakt de door het Gerecht voorgestane uitlegging het anti-ontwijkingsinstrument minder doeltreffend. De oorsprongsregels vereisen namelijk dat voor elk individueel onderdeel wordt nagegaan of het aan de in die regels neergelegde criteria voldoet, hetgeen bij een anti-ontwijkingsonderzoek onmogelijk is.
30. In het tweede onderdeel betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zijn uitlegging van artikel 13, lid 2, van de basisverordening een beperking meebrengt van het soort bewijs dat de Commissie kan gebruiken om de „herkomst” aan te tonen van de voor assemblage gebruikte onderdelen uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, doordat zij dit bewijs alleen door middel van de oorsprongsregels mag leveren.
31. Kolachi betwist de argumenten van de Commissie. Wat het eerste onderdeel betreft, stelt zij nadrukkelijk dat noch de basisverordening, noch de eerdere verordeningen de uitdrukking „afkomstig uit” definiëren. Dit is dan ook geen autonoom begrip, maar moet aan de hand van vergelijkbare begrippen van de Uniewetgeving, waaronder met name het douanebegrip „oorsprong”, worden uitgelegd, hetgeen overigens uit artikel 13, lid 5, van de basisverordening voortvloeit.
32. Bovendien heeft de Commissie volgens Kolachi het bestreden arrest verkeerd lezen. Het Gerecht heeft zich niet over het bewijs van de herkomst uitgesproken, maar over de mogelijkheid voor de Commissie om „na te gaan” wat de oorsprong van de onderdelen is. Het Gerecht heeft dan ook de middelen waarover de Commissie beschikt niet beperkt en heeft evenmin geoordeeld dat het begrip „herkomst” op de oorsprongsregels berust. In elk geval zijn de oorsprongsregels, zoals neergelegd in de douaneregeling, het geschikte criterium om de „herkomst” van de onderdelen vast te stellen. Die uitlegging vindt steun in de verplichtingen die op de Unie rusten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Daarentegen zijn de in artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening neergelegde drempels niet relevant om de oorsprong van een onderdeel te bepalen. Bovendien is geenszins bewezen dat de door het Gerecht gegeven uitlegging de anti-ontwijkingsregels minder doeltreffend maakt.
33. Wat het tweede onderdeel betreft, voert Kolachi aan dat, bij ontbreken van een expliciete bepaling over het gebruik van de in artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening neergelegde criteria om de oorsprong van de onderdelen te bepalen, dat gebruik niet is toegestaan. Deze bepaling vormt een uitzondering op de algemene regeling over het opleggen van antidumpingrechten en moet strikt worden uitgelegd. Bovendien kan er tussen de criteria die in artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening zijn neergelegd en het bepalen van de herkomst van de betrokken onderdelen geen logisch verband worden gelegd.
34. Subsidiair verzoekt Kolachi het Hof, voor het geval dat het zou vaststellen dat het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, om de gronden te vervangen, door in het bestreden arrest in plaats van naar de oorsprong van de onderdelen, naar de herkomst ervan te verwijzen.
B. Beoordeling
1. Opmerkingen vooraf
35. De hogere voorziening van de Commissie, die wordt ondersteund door de EBMA, heeft zowel betrekking op de vaststelling waartoe het Gerecht in de punten 107 tot en met 119 van het bestreden arrest komt, namelijk dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening „naar analogie” toe te passen op de in Sri Lanka gekochte onderdelen, als op de theoretische/interpretatieve premisse waarop deze vaststelling is gebaseerd, te weten de analyse die het Gerecht in de punten 83 en 93 van voornoemd arrest heeft gemaakt van de regels voor het leveren van het bewijs dat is voldaan aan de in artikel 13, lid 2, van de basisverordening neergelegde voorwaarden waaronder er sprake is van assemblage die ontwijkingspraktijken oplevert.
36. Alvorens in te gaan op de argumenten betreffende het enige middel dat de Commissie tegen het bestreden arrest heeft aangevoerd, acht ik het wenselijk om bepaalde beginselen met betrekking tot de ontwijkingsregeling van de Unie, zoals die in de rechtspraak zijn vastgesteld, in herinnering te brengen.
2. Ontwijkingsregeling van de Unie in het licht van de rechtspraak
37. Allereerst moet worden opgemerkt dat de in de basisverordening vervatte anti-ontwijkingsregeling van de Unie niet op de antidumpingcode van 1994(13) is gebaseerd, maar eenzijdig door de Unie is vastgesteld.(14) Hoewel de kwestie van de ontwijking in het kader van de WTO-GATT-onderhandelingen is besproken, kon in dat kader namelijk geen overeenstemming worden bereikt.(15)
38. Bijgevolg is de in artikel 13 van de basisverordening vervatte ontwijkingsregeling van de Unie een regeling die weliswaar in de antidumpingregels van de Unie is ingebed, maar een eigen specifiek karakter heeft.
39. Wat de doelstellingen van deze regeling betreft, heeft het Hof reeds de mogelijkheid gekregen om te verduidelijken dat volgens het doel en de systematiek van de basisverordening, met name overweging 19 en artikel 13, een verordening waarbij een antidumpingrecht wordt uitgebreid, er uitsluitend toe strekt de doeltreffendheid van dat recht te verzekeren en te vermijden dat het wordt ontweken, en dat een maatregel tot uitbreiding van een definitief antidumpingrecht dus slechts ondergeschikt is aan de oorspronkelijke handeling tot instelling van dat recht, die de doeltreffende toepassing van de definitieve maatregelen waarborgt.(16)
40. In het licht van die doelstelling, namelijk garanderen dat de door de Unie genomen antidumpingmaatregelen doeltreffend zijn en vermijden dat deze maatregelen worden ontweken, moeten de anti-ontwijkingsbepalingen van de Unie dus worden uitgelegd.
41. Het Hof heeft vervolgens in zijn rechtspraak vele richtsnoeren gegeven over het bewijs van de vier voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat het bestaan van ontwijking komt vast te staan.(17)
42. Het Hof heeft er namelijk op gewezen dat uit de basisverordening, en in het bijzonder uit artikel 13, lid 3, blijkt dat het aan de instellingen staat om het bestaan van ontwijking te bewijzen. Wanneer de instellingen beslissen de antidumpingrechten die zij op de invoer uit een bepaald land hebben ingesteld, uit te breiden tot een ander land, moeten zij bijgevolg aantonen dat alle in artikel 13, lid 1, derde zin, van de basisverordening genoemde bestanddelen van ontwijking van die rechten voorhanden zijn.(18)
43. Hoewel buiten kijf staat dat de bewijslast inzake het bestaan van ontwijkingspraktijken op de instellingen van de Unie rust, mogen met het oog op de vaststelling van de regels inzake het bewijs van ontwijking twee overwegingen die voortvloeien uit de rechtspraak, echter niet uit het oog worden verloren.
44. Zo heeft het Hof in de eerste plaats opgemerkt dat de in artikel 13, lid 1, van de basisverordening vervatte definitie van ontwijking is geformuleerd in zeer algemene bewoordingen, die aan de instellingen veel speelruimte laten.(19) De erkenning van deze speelruimte hangt overigens logisch samen met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover volgens vaste rechtspraak de instellingen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, in de regel beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken.(20)
45. Deze speelruimte houdt bovendien in dat bij de rechterlijke toetsing alleen wordt nagegaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op basis waarvan de omstreden keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling van deze feiten en of er geen misbruik van bevoegdheid heeft plaatsgevonden.(21)
46. In de tweede plaats heeft het Hof ook benadrukt dat in het kader van een onderzoek naar het eventuele bestaan van ontwijkingspraktijken de bevoegdheden van de instellingen van de Unie veeleer beperkt zijn. In tegenstelling tot wat het geval is op andere gebieden van Unierecht, bijvoorbeeld bij schending van het mededingingsrecht, kunnen de instellingen de betrokken producenten-exporteurs niet dwingen om deel te nemen aan het onderzoek of om inlichtingen te verstrekken. Om de nodige informatie te verkrijgen, zijn zij dus afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de belanghebbenden.(22)
47. Bovendien vinden deze onderzoeken gewoonlijk grotendeels plaats in landen buiten de Unie en gelden er bijzonder strakke tijdsschema’s voor. Volgens artikel 13, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening moeten de anti-ontwijkingsonderzoeken immers binnen negen maanden voltooid zijn.
48. Het Hof heeft echter nog niet de mogelijkheid gekregen om specifiek in te gaan op de regels voor het bewijs dat er sprake is van assemblage die ontwijkingspraktijken inhoudt in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.
49. Het enige relevante precedent in de rechtspraak op dit punt is het arrest Starway waarnaar het Gerecht, zoals blijkt uit punt 17 van deze conclusie, in het bestreden arrest heeft verwezen als fundament voor zijn uitlegging van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.
50. In het arrest Starway heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat ingevolge artikel 13, lid 2, van de basisverordening assemblage slechts kan worden geacht ontwijking van de antidumpingmaatregelen in te houden, indien de instellingen van de Unie aantonen dat de delen die 60 % of meer van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product uitmaken, afkomstig zijn uit het land waarvoor de maatregelen gelden. Deze instellingen behoeven echter niet aan te tonen dat die delen ook van oorsprong zijn uit dat land. Indien de betrokken marktdeelnemer zijn assemblagewerkzaamheden niet als ontwijking wil zien aangemerkt worden, staat het daarentegen aan hem om het bewijs te leveren dat die delen van oorsprong zijn uit een ander land.(23)
3. Uitlegging van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening
51. Het is in het licht van de beginselen die in de rechtspraak zijn vastgesteld en hiervóór zijn uiteengezet, dat de argumenten moeten worden onderzocht die tegen het bestreden arrest zijn aangevoerd door de Commissie, met de EBMA aan haar zijde. Deze argumenten hebben allereerst betrekking op de uitlegging die het Gerecht in het bestreden arrest heeft gegeven aan de in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening gebruikte uitdrukking „afkomstig zijn uit”.
52. Op dit punt herinner ik eraan dat deze bepaling, om assemblage als ontwijking van de antidumpingmaatregelen te kunnen aanmerken, met name vereist dat de betrokken onderdelen „afkomstig zijn uit” uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn.
a) Redenering van het Gerecht in het bestreden arrest
53. Zoals in punt 18 van deze conclusie naar voren is gebracht, heeft het Gerecht in de punten 84 en 85 van het bestreden arrest de in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening gebruikte uitdrukking „afkomstig zijn uit” in samenhang met het begrip „invoer” uitgelegd.
54. Volgens de uitlegging van het Gerecht kunnen onderdelen bijgevolg alleen dan worden geacht „afkomstig” te zijn uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening, wanneer zij uit dat land zijn ingevoerd. Ingeval de betrokken onderdelen zijn ingevoerd – in het land waar de assemblage plaatsvindt – vanuit een ander land, kan de Commissie volgens het Gerecht daar bij het onderzoek dat zij overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening verricht om vast te stellen of er sprake is van assemblage waarmee de antidumpingmaatregel wordt ontweken, slechts in twee gevallen rekening mee houden: in het geval van een loutere doorvoer van de onderdelen door dat andere (tussenliggende) land, of indien zij vaststelt dat deze onderdelen weliswaar uit een ander (tussenliggend) land zijn ingevoerd, maar in werkelijkheid van oorsprong zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn.
55. Volgens de redenering van het Gerecht dient de Commissie derhalve een soort onderzoek in twee stappen uit te voeren met het oog op de vaststelling van de herkomst van de betrokken onderdelen uit hoofde van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening. In eerste instantie moet zij vaststellen of de betrokken onderdelen zijn ingevoerd uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. Indien dat niet het geval is, staat het haar in tweede instantie nog vrij om na te gaan of deze onderdelen, al zijn zij uit een ander land ingevoerd, in feite van oorsprong zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn.
56. In het bestreden arrest heeft het Gerecht zijn uitlegging van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening op een dubbele grondslag gebaseerd. In de eerste plaats heeft het Gerecht verwezen naar het feit dat in verschillende bepalingen van de basisverordening(24) de uitdrukking „afkomstig zijn uit” stelselmatig in verband wordt gebracht met de term „invoer”, hetgeen steun zou vinden in de analyse van verschillende taalversies van deze bepalingen. In de tweede plaats heeft het Gerecht verwezen naar de aan artikel 13 van de basisverordening ten grondslag liggende doelstelling van doeltreffendheid van de maatregelen ter bestrijding van ontwijking.
b) Uitlegging van de uitdrukking „afkomstig zijn uit”
57. Volgens de Commissie en de EBMA is de uitlegging die het Gerecht geeft aan de uitdrukking „afkomstig zijn uit” verkeerd en in strijd met de geest van de anti-ontwijkingsbepalingen.
58. Daarom moet worden beoordeeld of de uitlegging die door het Gerecht in het bestreden arrest aan de uitdrukking „afkomstig zijn uit” is gegeven, juist is.
59. Om te beginnen merk ik met het Gerecht op dat de basisverordening geen definitie van deze uitdrukking bevat.
60. Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(25)
61. Wat in de eerste plaats de letterlijke uitlegging betreft, merk ik om te beginnen op dat de bewoordingen van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening niet uitdrukkelijk naar het begrip „invoer” verwijzen. Zoals uit punt 56 van deze conclusie blijkt, heeft het Gerecht ter ondersteuning van zijn uitlegging van de betrokken uitdrukking overigens niet gerefereerd aan de bewoordingen van de bepaling waarin die uitdrukking is opgenomen, maar heeft het daarentegen gekozen voor een contextuele en teleologische aanpak.
62. In die context ben ik er evenwel niet van overtuigd dat het feit dat de wetgever in de betrokken bepaling, anders dan in andere bepalingen van de basisverordening, geen verband heeft gelegd tussen de uitdrukking „afkomstig zijn uit” en de term „invoer”, ervoor pleit om deze beide begrippen in onderlinge samenhang uit te leggen.
63. Integendeel, wanneer in de door het Gerecht genoemde bepalingen van de basisverordening een verband tussen die begrippen wordt gelegd, dient het woord „afkomstig” ertoe om het woord „invoer” uit te leggen, voor zover daarmee wordt aangegeven vanwaar de invoer „afkomstig is”. De uitdrukking „afkomstig zijn uit” in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening heeft echter geenszins betrekking op de term „invoer” – die niet in de bepaling staat –, maar verwijst naar de betrokken onderdelen. Deze uitdrukking dient ertoe de term „onderdelen” uit te leggen en beoogt aan te geven dat bij het onderzoek betreffende de assemblage met deze onderdelen slechts rekening kan worden gehouden indien zij specifiek „afkomstig zijn” uit het land waarvoor de antidumpingmaatregelen gelden.
64. Wanneer er tussen het begrip „herkomst” en het begrip „invoer” op kunstmatige wijze een verband wordt gelegd, hoewel in een dergelijk verband niet expliciet is voorzien, houdt dit in feite in dat de strekking van het eerste begrip wordt beperkt. Letterlijk betekent de Franse term „provenir” (afkomstig zijn) immers zowel „venir de” (komen uit) als „tirer son origine de” (zijn oorsprong vinden in).(26) Een uitlegging die de betekenis van dit woord beperkt tot alleen de situatie die met de eerste betekenis overeenkomt, waarin de onderdelen fysiek direct komen – namelijk worden ingevoerd – uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, beperkt de strekking van het begrip „herkomst” aanzienlijk. Bij die uitlegging worden namelijk alle situaties uitgesloten die met de tweede betekenis van de term „provenir” overeenstemmen, waarbij de onderdelen indirect uit het land komen waarop de maatregelen van toepassing zijn, namelijk de situaties waarin de betrokken onderdelen weliswaar fysiek niet direct afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, maar toch kunnen worden geacht uit dat land te komen.
65. Overigens wordt de restrictieve uitlegging van het begrip „herkomst” waarvoor het Gerecht heeft gekozen, weerlegd door het onderzoek van de verschillende taalversies van de betrokken bepaling, te weten artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening, welk onderzoek het Gerecht in het bestreden arrest achterwege heeft gelaten.(27)
66. Hoewel verschillende taalversies van deze bepaling een term gebruiken die vergelijkbaar is met de Franse uitdrukking „provenir de”(28), verwijzen andere taalversies, zoals de Duitse en de Italiaanse, uitdrukkelijk naar de oorsprong van de onderdelen „uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn”(29) en gebruiken nog andere taalversies termen die dubbelzinniger lijken, aangezien zij zowel naar de herkomst als naar de oorsprong verwijzen.(30)
67. Blijkens bovenstaande overwegingen pleit de letterlijke analyse van de betrokken bepaling eerder tegen een uitlegging die de strekking van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” beperkt tot de loutere „invoer” uit het laatste land waaruit de betrokken onderdelen zijn uitgevoerd.
68. Een aanpak die zowel rekening houdt met de verschillende betekenissen van het werkwoord „provenir” als met de verschillende taalversies van de betrokken bepaling pleit daarentegen eerder voor een ruimere uitlegging van dit begrip, die zich niet beperkt tot het enkele begrip „invoer” en rekening houdt met zowel de directe als de indirecte herkomst van de betrokken onderdelen uit het land waarvoor de antidumpingmaatregelen gelden.
69. Wat in de tweede plaats de context van de betrokken bepaling betreft, moet, zoals blijkt uit de punten 37 en 38 van deze conclusie, de in artikel 13 van de basisverordening neergelegde ontwijkingsregeling van de Unie als een specifieke regeling binnen het antidumpingrecht van de Unie worden beschouwd, aangezien zij niet op de antidumpingcode van 1994 is gebaseerd.
70. Daarom ben ik van mening dat het Gerecht, indien het artikel 13, lid 2, van de basisverordening wil uitleggen onder verwijzing naar andere bepalingen van die verordening, waarvan sommige de specifieke verplichtingen van de antidumpingcode van 1994 in Unierecht zouden hebben kunnen omzetten(31), de redenen moet uiteenzetten waarom die verwijzing gerechtvaardigd is, hetgeen het Gerecht in casu heeft nagelaten.
71. Deze overweging pleit derhalve ook tegen de redenering die het Gerecht heeft gevolgd om te rechtvaardigen dat het begrip „herkomst” samenhangt met het begrip „invoer”.
72. In de derde plaats strookt de restrictieve uitlegging die het Gerecht in het bestreden arrest van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” heeft gegeven, mijns inziens evenmin met het doel van de anti-ontwijkingsregeling van de Unie dat, zoals blijkt uit de punten 39 en 40 van deze conclusie, erin bestaat de doeltreffendheid van de door de Unie genomen antidumpingmaatregelen te garanderen en de ontwijking van deze maatregelen te vermijden.
73. In dat opzicht dient erop te worden gewezen dat, zoals ik in punt 1 van deze conclusie uiteen heb gezet, in de huidige economische omstandigheden, die zich kenmerken door de globalisering van de internationale handel en meer mogelijkheden om de productie van in het bijzonder low-tech goederen te verplaatsen, het relatief eenvoudig is geworden om steeds ingewikkelder vormen van ontwijking op te zetten. In die context is het essentieel dat de Unie beschikt over instrumenten ter bescherming van de handel waarmee effectief op die uitdagingen kan worden gereageerd en ervoor wordt gezorgd dat de industrie van de Unie doeltreffend wordt beschermd tegen de met dumping ingevoerde producten. In dat licht moeten de in artikel 13 van de basisverordening vervatte anti-ontwijkingsbepalingen worden uitgelegd.
74. In dat kader merk ik op dat de door het Gerecht gegeven uitlegging van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening, het voor de Commissie mogelijk maakt om uit de enkele vaststelling dat er een fysieke verplaatsing (namelijk de loutere invoer) van de onderdelen heeft plaatsgevonden vanuit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, naar het land van assemblage, de conclusie te trekken dat de onderdelen uit het eerste land „afkomstig zijn”.
75. Zoals het Gerecht in punt 85 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, wordt door die aanpak het bewijs van de voorwaarde inzake de „herkomst” eenvoudiger gemaakt in eventueel als „klassiek” te omschrijven gevallen van ontwijking door assemblage van onderdelen, te weten gevallen waarin de uiteindelijk in het eindproduct geassembleerde onderdelen direct worden ingevoerd uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn.
76. In dergelijke gevallen heeft deze uitlegging namelijk tot gevolg dat de enkele vaststelling door de Commissie dat de onderdelen zijn ingevoerd uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, een soort vermoeden van „herkomst” uit dat land doet ontstaan, dat eventueel door de betrokken marktdeelnemers kan worden weerlegd.(32)
77. De situatie is echter geheel anders in geval van „ingewikkelde” ontwijkingspraktijken, die opeenvolgende of veelvuldige assemblagewerkzaamheden in verschillende landen meebrengen. Ook deze praktijken moeten binnen de werkingssfeer van de in artikel 13 van de basisverordening neergelegde anti-ontwijkingsregeling vallen.
78. Anders dan bij de „klassieke assemblage” leidt de door het Gerecht gegeven uitlegging van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” er bij „ingewikkelde” ontwijkingspraktijken immers toe dat er een soort vermoeden van „herkomst” – in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening – van de betrokken onderdelen uit het land van invoer wordt geschapen. Dit betekent volgens de door het Gerecht gekozen aanpak in twee stappen dat in die gevallen, ook al zijn er sterke aanwijzingen die het legitieme vermoeden kunnen doen ontstaan dat er sprake is van ontwijkingspraktijken, de bewijslast inzake de oorsprong van deze onderdelen op de instellingen van de Unie rust en niet op de betrokken marktdeelnemers.(33)
79. Een dergelijke aanpak houdt echter een duidelijke verzwaring in van de op de instellingen van de Unie rustende bewijslast, die dan ontwijkingspraktijken bestaande in ingewikkelde assemblagewerkzaamheden moeten aantonen. Die aanpak is bovendien in strijd met de aanpak in het arrest Starway, waarnaar het Gerecht zelf heeft verwezen.(34)
80. Mijns inziens kan een uitlegging die ertoe leidt dat de op de instellingen van de Unie rustende bewijslast inzake het bestaan van ontwijking aanzienlijk zwaarder wordt, niet worden geacht in overeenstemming te zijn met de aan de anti-ontwijkingsbepalingen ten grondslag liggende doelstelling van doeltreffendheid, waarop in de punten 39, 40 en 72 van deze conclusie is gewezen. Deze vaststelling geldt nog meer in het licht van de in de punten 46 en 47 van deze conclusie uiteengezette overwegingen aangaande de aard van de anti-ontwijkingsonderzoeken en van de bevoegdheden waarover de Unie-instellingen in dat kader beschikken.
81. In de vierde plaats is, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, een uitlegging van artikel 13, lid 2, van de basisverordening waarbij de instellingen van de Unie de oorsprong van de ingevoerde onderdelen moeten bewijzen, bovendien in strijd met de wil van de wetgever om niet langer van de instellingen te verlangen dat zij de oorsprong – in de technische zin van de douanewetgeving – van de bij de assemblage betrokken onderdelen bewijzen. Terwijl de anti-ontwijkingsbepalingen van de Unie oorspronkelijk voorzagen in de mogelijkheid om definitieve antidumpingrechten uit te breiden in geval van assemblage van „onderdelen [...] van oorsprong uit het land van uitvoer van het aan het [antidumpingrecht] onderworpen product”(35), is sinds de vaststelling van verordening (EG) nr. 3283/94(36) de term „oorsprong” in de bepaling betreffende assemblage immers vervangen door de uitdrukking „afkomstig zijn uit”, waardoor redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die wijziging de wil van de wetgever weergeeft om in deze context af te stappen van het begrip „oorsprong” in de technische zin(37) en, wat dat aspect betreft, de voorwaarden voor de vaststelling van het bestaan van ontwijkingspraktijken aan te passen.(38) Bijgevolg zijn sinds de inwerkingtreding van deze nieuwe regels, die worden bevestigd in de versie van de basisverordening die op de onderhavige zaak van toepassing is, de instellingen van de Unie niet meer gehouden de „oorsprong” van de onderdelen, in de technische zin van de douaneregeling, te bewijzen, maar moeten zij enkel aantonen dat die onderdelen uit het land komen waarop de maatregelen van toepassing zijn, hetgeen impliceert dat het begrip „herkomst” in een flexibeler en ruimere zin dan het begrip „oorsprong” moet worden opgevat.(39)
82. Kortom, uit het bovenstaande blijkt mijns inziens dat de restrictieve uitlegging die het Gerecht in de punten 84 en 85 van het bestreden arrest heeft gegeven van de in artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening gebruikte uitdrukking „afkomstig zijn uit” in samenhang met het begrip „invoer”, onjuist is.
83. Ik ben daarentegen van mening dat uit een letterlijke, contextuele, teleologische en historische uitlegging van deze bepaling naar voren komt dat de uitdrukking „afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn” ruim moet worden uitgelegd in die zin dat onder het begrip „herkomst” zowel de directe als de indirecte herkomst van de betrokken onderdelen uit dit land valt.
4. Regels voor het bewijs dat er sprake is van ontwijkingspraktijken bestaande in assemblage in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening
84. In het bestreden arrest heeft het Gerecht op grond van de uitlegging van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” en het daaruit voortvloeiende onderscheid tussen enerzijds de herkomst van de betrokken onderdelen – die, volgens het Gerecht, resulteert uit de invoer – en anderzijds de oorsprong van deze onderdelen, die de Commissie eventueel zou moeten nagaan, regels vastgesteld voor het bewijs dat de instellingen van de Unie moeten leveren om aan te tonen dat er sprake is van ontwijkingspraktijken bestaande in assemblage in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.
85. In haar hogere voorziening betwist de Commissie, gesteund door de EBMA, ook dit deel van het bestreden arrest.
86. Op dit punt herinner ik er om te beginnen aan dat, zoals blijkt uit de punten 41 en 42 van deze conclusie, het Hof reeds heeft aangegeven dat de bewijslast inzake het bestaan van ontwijking berust bij de instellingen van de Unie. Niettemin moet worden nagegaan hoe deze bewijslast concreet toepassing moet vinden en aan welke vereisten het door de instellingen te leveren bewijs moet voldoen in de verschillende omstandigheden die zich kunnen voordoen.
87. In die context acht ik het nodig een onderscheid te maken tussen twee soorten gevallen: enerzijds de gevallen die ik als „klassieke” ontwijking heb aangeduid, namelijk die waarbij de betrokken onderdelen – die uiteindelijk in het eindproduct zijn geassembleerd – direct afkomstig zijn uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, en anderzijds de „ingewikkelde” gevallen van ontwijking, die opeenvolgende of veelvuldige assemblagewerkzaamheden in een of meer verschillende landen meebrengen en waarbij de betrokken onderdelen indirect uit het land van assemblage komen.
88. Om bij het eerste soort gevallen te bewijzen dat de betrokken onderdelen direct uit het land komen waarop de maatregelen van toepassing zijn, volstaat het mijns inziens dat de Commissie aantoont dat die onderdelen zijn ingevoerd uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, net zoals het Gerecht in het bestreden arrest heeft geoordeeld en zoals uit de punten 74 tot en met 76 van deze conclusie blijkt. Wanneer de directe herkomst van deze onderdelen eenmaal is aangetoond, zullen in dat geval de betrokken marktdeelnemers het vermoeden van directe herkomst als gevolg van de invoer van de onderdelen uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, nog steeds kunnen weerleggen door aan te tonen dat die onderdelen in feite van oorsprong zijn uit een ander land.(40)
89. Wanneer de regels voor het bewijs bij dit soort gevallen aldus worden vastgesteld, is dat mijns inziens geheel in overeenstemming met de doelstelling van doeltreffendheid van de anti-ontwijkingsregels.
90. Bij het tweede soort gevallen, waarin de instellingen ermee te maken krijgen dat de betrokken onderdelen indirect uit het land komen waarop de maatregelen van toepassing zijn, kan, afgezien van het geval van een loutere doorvoer van de onderdelen voor het tussenliggende land, echter niet zo snel worden bewezen dat er sprake is van ingewikkelde ontwijkingspraktijken, bestaande in veelvuldige assemblagewerkzaamheden.
91. Indien bij het onderzoek is gebleken dat de onderdelen die in het eindproduct zijn geassembleerd, weliswaar uit een ander land zijn ingevoerd dan dat waarop de maatregelen van toepassing zijn, maar in feite voor een aanzienlijk deel bestaan uit onderdelen die oorspronkelijk zijn vervaardigd in het land waarop de maatregelen van toepassing zijn of voor de productie waarvan in grote mate componenten of materialen zijn gebruikt die uit dit laatste land van oorsprong zijn, kunnen de vereisten inzake het door de Commissie te leveren bewijs om vast te stellen dat ontwijking heeft plaatsgevonden, mijns inziens echter worden versoepeld.
92. In die omstandigheden is het volgens mij namelijk redelijk de Commissie toe te staan zich op een „reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen”(41) te baseren om aan te tonen dat deze onderdelen indirect uit het land komen waarop de maatregelen uit hoofde van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening van toepassing zijn, teneinde daarmee rekening te houden bij de analyse die zij overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder b), van deze verordening uitvoert. Het bestaan van banden tussen de vennootschappen die bij de verschillende fasen van het productieproces zijn betrokken, de deelname van een aantal van die vennootschappen aan eerdere ontwijkingspraktijken en indicaties van een lage toegevoegde waarde bij de tussenliggende assemblage zijn voorbeelden van aanwijzingen waarmee de Commissie in een dergelijke situatie rekening kan houden bij haar analyse betreffende de indirecte herkomst van de betrokken onderdelen.
93. Wanneer de Commissie in zo’n geval eenmaal op basis van een „reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen” heeft vastgesteld dat de betrokken onderdelen indirect afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen uit hoofde van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening van toepassing zijn, zal de betrokken marktdeelnemer nog steeds de mogelijkheid hebben te bewijzen dat deze onderdelen in feite van oorsprong zijn uit een tussenliggend land of eventueel uit een ander land, hoewel deze uit dit tussenliggend of ander land ingevoerde onderdelen voor een aanzienlijk deel bestaan uit onderdelen die van oorsprong zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn of voor een belangrijk deel zijn vervaardigd met componenten of materialen die van oorsprong zijn uit dat land, en niettegenstaande dat er belangrijke aanwijzingen zijn die het vermoeden van ontwijking duidelijk staven. Daartoe zal deze marktdeelnemer bijvoorbeeld betrouwbare certificaten kunnen verstrekken die de oorsprong van de betrokken onderdelen uit het tussenliggende land bewijzen. Hij zal ook kunnen aantonen dat deze onderdelen in het tussenliggende land zulke wezenlijke bewerkingen hebben ondergaan dat zij van aard zijn veranderd, en dat deze tussenliggende bewerkingen op objectieve economische overwegingen zijn gebaseerd die de inrichting van een productieproces in verschillende landen rechtvaardigen.
94. Wanneer de regels voor het bewijs in geval van veelvuldige assemblagewerkzaamheden aldus worden gekenschetst, maakt dit het mijns inziens mogelijk het beginsel na te leven dat het aan de instellingen van de Unie is om ontwijkingspraktijken te bewijzen, en is dit tevens in overeenstemming met de doelstelling van doeltreffendheid van de anti-ontwijkingsregels. Ook wordt daarbij rekening gehouden met de specifieke aard van de bevoegdheden waarover de instellingen van de Unie in het kader van de anti-ontwijkingsonderzoeken beschikken en de strakke tijdsschema’s die bij dit soort onderzoeken van toepassing zijn, zoals in de punten 46 en 47 van deze conclusie naar voren is gebracht.
95. De door het Gerecht bepleite aanpak in twee stappen, die in de punten 54 en 55 van deze conclusie is beschreven, is echter op een onjuiste uitlegging van artikel 13, lid 2, van de basisverordening gebaseerd.
5. Conclusie
96. De vaststelling van de regels voor het bewijs van ontwijking die voortvloeit uit de – mijns inziens onjuiste – uitlegging die het Gerecht in het bestreden arrest heeft gegeven van het begrip „herkomst”, ligt ten grondslag aan de hele redenering op grond waarvan het Gerecht tot de slotsom is gekomen dat de Commissie blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dat de litigieuze verordening derhalve nietig moest worden verklaard. Aangezien volgens het Gerecht de betrokken onderdelen waren ingevoerd – en dus in zijn zienswijze „afkomstig waren” – uit Sri Lanka, moest de Commissie nagaan of zij van Chinese oorsprong waren indien zij er bij het onderzoek van de assemblagewerkzaamheden uit hoofde van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening rekening mee wilde houden. Het is bij het onderzoek naar de Chinese oorsprong van deze onderdelen dat de Commissie van de vermeende onjuiste rechtsopvatting blijk zou hebben gegeven, aangezien zij daarbij de in artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening neergelegde criteria „naar analogie” had gebruikt.
97. Hieruit volgt dat het Gerecht, wegens zijn onjuiste uitlegging van de uitdrukking „afkomstig zijn uit”, ook de regels voor het bewijs dat er overeenkomstig artikel 13, lid 2, van de basisverordening sprake is van ingewikkelde ontwijkingspraktijken door assemblage, onjuist heeft vastgesteld, wat op zijn beurt ten grondslag ligt aan de conclusie van het Gerecht dat de Commissie blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
98. Daarom moet worden vastgesteld dat het bestreden arrest berust op een aantal onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van artikel 13, lid 2, van de basisverordening, die de grondslag van de conclusie waartoe het Gerecht in het bestreden arrest is gekomen, ondermijnen. Bijgevolg moet de hogere voorziening van de Commissie, ondersteund door de EBMA, mijns inziens worden toegewezen, en moet het bestreden arrest derhalve worden vernietigd.(42)
VI. Beroep in eerste aanleg
99. Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Ik meen dat dit hier het geval is.
100. Ter onderbouwing van haar beroep in eerste aanleg heeft Kolachi één middel aangevoerd, namelijk schending van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening. In wezen heeft Kolachi de Commissie ten eerste verweten dat zij deze bepaling heeft toegepast op fabricagewerkzaamheden in Sri Lanka, terwijl het onderzoek betrekking had op de vermeende ontwijking door assemblage in Pakistan; ten tweede, dat zij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze bepaling als oorsprongsregel te behandelen en, ten derde, dat zij geen enkele maatregel heeft getroffen om de oorsprongsregels uit de douanewetgeving van de Unie toe te passen.
101. Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat volgens de informatie die tijdens het onderzoek door Kolachi zelf is verstrekt, 93 % van de onderdelen die voor de assemblage van rijwielen in Pakistan zijn gebruikt, door de tussenpersoon Flying Horse waren geleverd. Deze onderdelen waren gedeeltelijk uit China – 46 % van alle geassembleerde onderdelen – en gedeeltelijk uit Sri Lanka – 47 % van alle geassembleerde onderdelen – ingevoerd. Het onderzoek heeft laten zien dat de meeste uit Sri Lanka ingevoerde onderdelen die bij Flying Horse zijn aangekocht, te weten frames, vorken, lichtmetalen velgen en kunststofwielen, in feite door Great Cycles waren vervaardigd, waarbij voor een vrij groot deel Chinese materialen waren gebruikt. Bovendien is uit het onderzoek gebleken dat Great Cycles een met Kolachi verbonden vennootschap was die eerder al bij ontwijkingspraktijken betrokken was geweest. Zoals blijkt uit overweging 99 van de litigieuze verordening heeft de Commissie ook vastgesteld dat de relatie tussen Flying Horse en Kolachi dubieus was. Al deze omstandigheden zijn bewezen en door Kolachi niet weersproken. Ter terechtzitting bij het Hof heeft Kolachi naar aanleiding van de aan haar gestelde specifieke vragen zelfs uitdrukkelijk bevestigd dat de in Sri Lanka bewerkte onderdelen „geconverteerd” waren uit onderdelen van Chinese oorsprong.
102. Met de uit het onderzoek voortvloeiende conclusies moet rekening worden gehouden bij de beoordeling van de overwegingen 98 tot en met 101 van de litigieuze verordening, waarin de Commissie tot de slotsom is gekomen dat Kolachi zich met assemblagewerkzaamheden bezighield die ontwijkingspraktijken in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening opleveren.
103. Uit de overwegingen 98 en 99 van de litigieuze verordening blijkt dat de Commissie op grond van de volgende factoren tot de slotsom is gekomen dat hoewel de door Kolachi bij Flying Horse betrokken onderdelen uit Sri Lanka zijn ingevoerd, deze in feite (indirect) uit China afkomstig waren in de zin van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening: ten eerste, de conclusie dat Kolachi er niet in was geslaagd aan te tonen dat deze onderdelen van Sri Lankaanse oorsprong waren(43) en, ten tweede, diverse aanwijzingen die de relatie tussen Flying Horse, die als tussenpersoon optrad voor een met Kolachi verbonden vennootschap – namelijk Great Cycles –, en Kolachi zelf dubieus maakten. Op grond van deze factoren heeft de Commissie in de laatste zin van overweging 99 van de litigieuze verordening vastgesteld dat in dit geval aan de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening was voldaan.
104. Het is enkel in antwoord op een door Kolachi aangevoerd argument, zoals dat is samengevat in de laatste zin van overweging 100 van de litigieuze verordening, waarmee zij de Commissie verweet artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening als oorsprongsregel te gebruiken, dat de Commissie in de laatste zin van overweging 101 van de litigieuze verordening heeft opgemerkt dat „artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening als zodanig [...] geen oorsprongsregel is”, en aansluitend het standpunt heeft ingenomen dat zij ervan mocht uitgaan „dat zij, aangezien deze onderdelen voor meer dan 60 % uit grondstoffen uit [China] werden gefabriceerd en de toegevoegde waarde minder dan 25 % van de fabricagekosten bedroeg, terecht heeft geconcludeerd dat deze onderdelen zelf uit [China] afkomstig zijn”.
105. In het licht van al deze uit het onderzoek en de lezing van de litigieuze verordening voortvloeiende factoren ben ik in de eerste plaats van mening dat overeenkomstig de regels voor het bewijs van „ingewikkelde” assemblagewerkzaamheden die ik in de punten 91 tot en met 93 van deze conclusie heb voorgesteld, de Commissie in het onderhavige geval terecht heeft vastgesteld dat de bij Flying Horse betrokken en uit Sri Lanka ingevoerde, maar door Great Cycles vervaardigde onderdelen, indirect uit China afkomstig waren. Enerzijds was namelijk gebleken dat deze onderdelen in Sri Lanka waren vervaardigd, waarbij in vrij grote mate Chinese componenten en materialen waren gebruikt. Anderzijds beschikte de Commissie over een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen die duidelijk het vermoeden onderbouwde dat Kolachi zich met ingewikkelde ontwijkingspraktijken bezighield. In die omstandigheden was het overeenkomstig de voormelde bewijsregels aan Kolachi om aan te tonen dat de betrokken onderdelen van Sri Lankaanse oorsprong waren, hetgeen deze vennootschap zeker niet is gelukt.
106. Dit betekent in de tweede plaats dat de Commissie in die omstandigheden niet gehouden was om, ter vaststelling van de indirecte herkomst van deze onderdelen uit China, de oorsprong daarvan na te gaan door een oorsprongsregel van het douanerecht of „naar analogie” de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening als oorsprongsregel toe te passen.
107. In de derde plaats komt mijns inziens uit de lezing van de relevante overwegingen van de litigieuze verordening naar voren dat de Commissie in elk geval de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening niet „naar analogie” als oorsprongsregel heeft toegepast om de indirecte herkomst van de betrokken onderdelen uit China vast te stellen. De vaststelling van de indirecte herkomst van deze onderdelen uit China vloeit namelijk voort uit de expliciete conclusies die de Commissie op grond van belangrijke aanwijzingen waarover zij beschikte, heeft getrokken uit overweging 98, laatste zin, en overweging 99, voorlaatste zin, van de litigieuze verordening. Dat de Commissie in antwoord op een concreet argument van Kolachi tevens heeft vastgesteld dat de criteria van artikel 13, lid 2, onder b), van de basisverordening ook waren vervuld wat de betrokken in Sri Lanka bewerkte onderdelen betreft, is slechts een aanvullende indicatie die de conclusie die de Commissie reeds had getrokken en die Kolachi zo nodig moest weerleggen door betrouwbaar bewijs van de Sri Lankaanse oorsprong van deze onderdelen te leveren, nog verder kon onderbouwen.
108. Blijkens bovenstaande overwegingen moeten mijns inziens de drie grieven van het enige middel van Kolachi worden afgewezen en moet het door Kolachi ingestelde beroep tot nietigverklaring derhalve in zijn geheel worden verworpen.
VII. Kosten
109. Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet, ten aanzien van de proceskosten. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
110. Indien het Hof mijn beoordeling betreffende de hogere voorziening van de Commissie overneemt, zal Kolachi in het ongelijk worden gesteld. In die omstandigheden geef ik het Hof in overweging Kolachi overeenkomstig de vordering van de Commissie en de EBMA te veroordelen in de kosten die zij in de procedure in eerste aanleg en in deze hogere voorziening hebben gedragen.
VIII. Conclusie
111. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2017, Kolachi Raj Industrial/Commissie (T‑435/15, EU:T:2017:712), wordt vernietigd.
2) Het beroep tot nietigverklaring dat Kolachi Raj Industrial (Private) Ltd in zaak T‑435/15 bij het Gerecht heeft ingesteld, wordt verworpen.
3) Kolachi Raj Industrial (Private) wordt veroordeeld in de kosten die de Europese Commissie en de European Bicycle Manufacturers Association (EBMA) in de procedure in eerste aanleg en in de hogere voorziening hebben gedragen.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 EU:T:2017:712.
3 Uitvoeringsverordening van de Commissie van 18 mei 2015 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EU) nr. 502/2013 van de Raad is ingesteld op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot rijwielen verzonden vanuit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Cambodja, Pakistan en de Filipijnen (PB 2015, L 122, blz. 4).
4 Verordening van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 (PB 2014, L 18, blz. 1) (hierna: „basisverordening”).
5 Zie verordening (EU) nr. 502/2013 van 29 mei 2013 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB 2013, L 153, blz. 17). Zie de punten 1 tot en met 5 van het bestreden arrest voor verwijzingen naar eerdere verordeningen.
6 Uitvoeringsverordening van 29 mei 2013 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië (PB 2013, L 153, blz. 1).
7 Zie punt 8 van het bestreden arrest.
8 Zie de punten 9 en 11 van het bestreden arrest.
9 Punten 12 en 13 van het bestreden arrest.
10 Zie artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening.
11 Beschikking van de president van de Zevende kamer van het Gerecht van 9 maart 2016.
12 De Commissie verwijst in het bijzonder naar de punten 83, 87, 92 en 108 van het bestreden arrest.
13 Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103), die als bijlage 1A is gevoegd bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1).
14 Zie overweging 19 van de basisverordening. Zie op dit punt de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de gevoegde zaken Maxcom e.a./Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2016:712, punt 5), en de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:261, punten 10 en 11).
15 Zie op dit punt overweging 19 van de basisverordening.
16 Zie arresten van 6 juni 2013, Paltrade (C‑667/11, EU:C:2013:368, punt 28), en 17 december 2015, APEX (C‑371/14, EU:C:2015:828, punten 50 en 53). Zie op dit punt ook overweging 19 van de basisverordening, en punt 85 van het arrest Starway.
17 Uit de in artikel 13, lid 1, derde zin, van de basisverordening vervatte definitie blijkt dat voor het bewijs van het bestaan van ontwijking aan vier voorwaarden moet zijn voldaan: ten eerste moet er sprake zijn van een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen het betrokken derde land en de Unie; ten tweede moet die verandering het gevolg zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor er, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat; ten derde moet worden bewezen dat er sprake is van schade, en ten vierde moet het bestaan van dumping worden bewezen.
18 Zie de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de gevoegde zaken Maxcom e.a./Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2016:712, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede in die zin arrest van 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punten 56‑58).
19 Zie arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 48).
20 Zie de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de gevoegde zaken Maxcom e.a./Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2016:712, punt 44), en arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 29), en 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Ibidem.
22 Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de gevoegde zaken Maxcom e.a./Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2016:712, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 Zie de punten 84, 85 en 88 van het arrest Starway en de punten 79‑81 van het bestreden arrest.
24 In punt 84 van het bestreden arrest noemt het Gerecht specifiek overweging 8, artikel 2, lid 7, onder a), artikel 3, lid 4, artikel 9, leden 5 en 6, en artikel 13, lid 1, van de basisverordening.
25 Zie arrest van 12 oktober 2017, Tigers (C‑156/16, EU:C:2017:754, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Zie de definitie van de term „provenir” in Le Petit Larousse illustré, druk 2011, Larousse, Parijs. In deze context kan de term „origine” (oorsprong) echter niet als „origine” (oorsprong) in de technische zin van de douaneregeling worden opgevat. Zie dienaangaande de overwegingen in punt 81 van deze conclusie over de oorspronkelijke uitlegging van de betrokken bepaling.
27 Dienaangaande merk ik op dat het Gerecht niet de verschillende taalversies van de betrokken bepaling heeft onderzocht, maar die van de in punt 84 van het bestreden arrest en in voetnoot 24 van deze conclusie genoemde artikelen van de basisverordening, die de uitdrukking „afkomstig zijn van” en de term „invoer” met elkaar in verband brengen.
28 Te weten de Spaanse („procedan del”), de Griekse („προέρχονται από”), de Engelse („are from”), de Kroatische („iz”), de Letse („nāk no”), de Litouwse („ira iš”), de Portugese („provenientes do”), en de Roemeense taalversie („provin din”).
29 De Duitse taalversie gebruikt de term „Ursprung”, de Italiaanse taalversie de term „originari”.
30 Zie met name de Tsjechische („pochazeji”), de Poolse („pochodzą z”) en de Slowaakse taalversie („pochádzajú z”). Dat lijkt ook het geval te zijn bij de uitdrukking die in de Estse taalversie is gebruikt, „ pärinevad riigist”.
31 Het is in dit verband niet nodig een standpunt in te nemen over de vraag of artikel 3, lid 4, en artikel 9, leden 5 en 6, van de basisverordening dergelijke verplichtingen beogen om te zetten. Zie wat betreft artikel 9, lid 5, van de basisverordening de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association (C‑465/16 P, EU:C:2018:794, punten 184 e.v.).
32 Blijkens de rechtspraak kunnen, wanneer de instellingen van de Unie het bestaan van ontwijking voor een derde land aantonen, de betrokken producenten-uitvoerders immers aantonen dat hun specifieke situatie de toekenning van vrijstelling uit hoofde van artikel 13, lid 4, van de basisverordening rechtvaardigt (zie op dit punt arrest van 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia, C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punt 59). Deze producenten moeten dus de mogelijkheid hebben om aan te tonen dat de onderdelen die „afkomstig zijn” uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, in feite „van oorsprong” zijn uit een ander derde land zodat de assemblage daarvan niet als ontwijking kan worden aangemerkt. Dit is overigens de aanpak die door het Gerecht is gekozen in het arrest Starway (punten 85, 86 en 88), dat door het Gerecht veelvuldig is aangehaald in het bestreden arrest (zie specifiek de punten 80 en 81 van het bestreden arrest).
33 Het Gerecht gebruikt in het bestreden arrest de term „nagaan” in plaats van „aantonen” of „bewijzen” van de oorsprong (zie met name de punten 87, 92, 107 en 114). Wanneer het bestreden arrest in zijn geheel (en met name de punten 107‑114 ervan) wordt gelezen, blijkt echter dat de door het Gerecht bepleite aanpak in twee stappen, die in de punten 54 en 55 van deze conclusie is beschreven, bij een „ingewikkelde” assemblage uiteindelijk erop neerkomt dat de instellingen van de Unie het bewijs van de oorsprong in douanerechtelijke zin van de betrokken onderdelen moeten leveren.
34 Zie punt 50 en voetnoot 32 van deze conclusie.
35 Zie artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1761/87 van de Raad van 22 juni 1987 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2176/84 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1987, L 167, blz. 9), waarbij in het Unierecht anti-ontwijkingsbepalingen zijn ingevoerd. Zie op dit punt ook de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:261, punten 9 e.v.).
36 Verordening van de Raad van 22 december 1994 inzake beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1994, L 349, blz. 1).
37 Een lezing in die zin van de wil van de wetgever vindt steun in het werkdocument van de Commissie [COM(94) 414 def., van 5 oktober 1994, blz. 164 en 165], volgens hetwelk „de oorsprongsregels in toenemende mate ontoereikend [blijken] te zijn, zelfs in duidelijke gevallen van ontwijking of ontduiking”.
38 Zie in dezelfde zin punt 83 van het arrest Starway.
39 Deze conclusie kan mijns inziens niet in twijfel worden getrokken door de omstandigheid dat, zoals uit punt 67 van deze conclusie blijkt, bepaalde taalversies van artikel 13, lid 2, onder a), van de basisverordening nog steeds naar de term „oorsprong” verwijzen. In de eerste plaats vormen deze taalversies, binnen alle taalversies van de basisverordening, immers een duidelijke minderheid en in de tweede plaats zou een uitlegging van de betrokken bepaling die de Commissie verplicht om voor de vaststelling van de herkomst in de zin van deze bepaling de oorsprong van de onderdelen in douanerechtelijke zin te bewijzen, in strijd zijn met de in de punten 39, 40 en 72 van deze conclusie genoemde doelstelling van de anti-ontwijkingsregeling om de doeltreffendheid van de antidumpingmaatregelen te garanderen. Anders dan Kolachi heeft aangevoerd, kan een dergelijke verplichting overigens niet worden gebaseerd op artikel 13, lid 5, van de basisverordening.
40 Zie voetnoot 32 van deze conclusie.
41 Dit criterium ter bepaling van de vereisten waaraan het door de instellingen van de Unie te leveren bewijs moet voldoen om het bestaan van ontwijking aan te tonen, is hetzelfde criterium dat door de rechtspraak is erkend wanneer de instellingen van de Unie, ingeval alle belanghebbenden of althans een relevant aantal van hen weigeren mee te werken, een besluit nemen op basis van de beschikbare gegevens. Zie in die zin arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punten 35‑37), en 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia (C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punten 63‑66) en Maxcom/City Cycle Industries (C‑248/15 P, C‑254/15 P en C‑260/15 P, EU:C:2017:62, punten 65‑68).
42 Aangezien de onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht betreffende de uitlegging van de uitdrukking „afkomstig zijn uit” en de daaruit voortvloeiende onjuiste vaststelling van de regels voor het bewijs van ontwijkingspraktijken door assemblage de redenering van het Gerecht volledig ondermijnen, kan het in punt 34 van deze conclusie vermelde verzoek van Kolachi om de gronden te vervangen, niet slagen.
43 Zie overweging 98 van de litigieuze verordening. Deze analyse heeft het Gerecht bevestigd en daarop heeft deze hogere voorziening geen betrekking (zie punt 21 van deze conclusie).