ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
4 oktober 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG – Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon – Richtlijn 2010/18/EU – Herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof – Ouderschapsverlof niet beschouwd als tijdvak van daadwerkelijke arbeid”
In zaak C‑12/17,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) bij beslissing van 11 oktober 2016, ingekomen bij het Hof op 10 januari 2017, in de procedure
Tribunalul Botoşani,
Ministerul Justiției
tegen
Maria Dicu,
in tegenwoordigheid van:
Curtea de Apel Suceava,
Consiliul Superior al Magistraturii,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, M. Ilešič, L. Bay Larsen, T. von Danwitz en E. Levits (rapporteur), kamerpresidenten, A. Borg Barthet, A. Arabadjiev, F. Biltgen, K. Jürimäe en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: R. Șereș, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 januari 2018,
gelet op de opmerkingen van:
–
de Consiliu Superior al Magistraturii, vertegenwoordigd door M. Ghena als gemachtigde,
–
de Roemeense regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door R.‑H. Radu, O.‑C. Ichim, L. Liţu en E. Gane en vervolgens door C.‑R. Canţăr, O.‑C. Ichim, L. Liţu en E. Gane als gemachtigden,
–
de Duitse regering, vertegenwoordigd door D. Klebs en T. Henze als gemachtigden,
–
de Estse regering, vertegenwoordigd door A. Kalbus als gemachtigde,
–
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,
–
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. De Socio, avvocato dello Stato,
–
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en C. Hödlmayr als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 maart 2018,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Tribunal Botoșani (rechter in eerste aanleg Botoșani, Roemenië) en de Ministeru Justiției (ministerie van Justitie, Roemenië), enerzijds, en Maria Dicu, anderzijds, betreffende de berekening van de rechten van deze laatste op jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor het jaar 2015.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2003/88
3
Overweging 6 van richtlijn 2003/88 luidt:
„Er moet rekening worden gehouden met de beginselen van de Internationale Arbeidsorganisatie ter zake van de organisatie van de arbeidstijd, met inbegrip van de beginselen op het gebied van nachtarbeid.”
4
Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift „Doel en toepassingsgebied”, bepaalt:
„1. Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.
2. Deze richtlijn is van toepassing op:
a)
[…] de minimale jaarlijkse vakantie […];
[…]”
5
Artikel 7 van die richtlijn, met het opschrift „Jaarlijkse vakantie”, luidt:
„1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
2. De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.”
6
Artikel 15 van dezelfde richtlijn regelt het volgende:
„Deze richtlijn staat er niet aan in de weg dat de lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen of invoeren die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, dan wel de toepassing bevorderen of mogelijk maken van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.”
7
Volgens artikel 17 van richtlijn 2003/88 kunnen de lidstaten afwijken van sommige bepalingen van deze richtlijn. Van artikel 7 van die richtlijn kan evenwel op geen enkele wijze worden afgeweken.
Richtlijn 2010/18
8
Clausule 2, punt 1, van de op 18 juni 2009 gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (hierna: „raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 betreffende de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG (PB 2010, L 68, blz. 13), luidt:
„Krachtens deze overeenkomst wordt aan werknemers, zowel mannen als vrouwen, bij geboorte of adoptie van een kind een individueel recht op ouderschapsverlof toegekend […].”
9
Clausule 2, punt 2, van die raamovereenkomst bepaalt:
„Het verlof wordt voor een periode van ten minste vier maanden toegekend en is, om de gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen, in beginsel niet overdraagbaar. Om te stimuleren dat het verlof meer gelijkelijk door beide ouders wordt opgenomen, is ten minste een van de vier maanden niet overdraagbaar. De uitvoeringsbepalingen van de niet-overdraagbare periode worden op nationaal niveau vastgesteld door middel van wetgeving en/of collectieve overeenkomsten, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande verlofregelingen in de lidstaten.”
10
In clausule 5 van de genoemde overeenkomst staat te lezen:
„1.
Na afloop van het ouderschapsverlof heeft de werknemer het recht terug te keren in dezelfde functie of, indien dat niet mogelijk is, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie die in overeenstemming is met zijn of haar arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking.
2.
De op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording blijven ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof. Na afloop van het ouderschapsverlof zijn deze rechten, met inbegrip van de uit de wetgeving, collectieve overeenkomsten en/of nationale gebruiken voortvloeiende veranderingen, van toepassing.
3.
De lidstaten en/of de sociale partners stellen de regeling vast die gedurende het ouderschapsverlof op de arbeidsovereenkomst of de arbeidsbetrekking van toepassing is.
[…]”
11
Volgens clausule 8, punt 1, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof mogen de lidstaten gunstiger bepalingen dan in die overeenkomst toepassen of invoeren.
Roemeens recht
12
Lege nr. 53/2003 privind Codul muncii (wet nr. 53/2003 betreffende het arbeidswetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie ervan, bepaalt in artikel 10:
„De individuele arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij een natuurlijke persoon (de werknemer) zich ertoe verbindt om tegen beloning (salaris) arbeid te verrichten in dienst en onder leiding van de werkgever, die een natuurlijke persoon of rechtspersoon is.”
13
Artikel 49, leden 1, 2 en 3, van dit wetboek luidt:
„(1) De arbeidsovereenkomst kan worden geschorst krachtens de wet, doordat de partijen dit overeenkomen of door een eenzijdige handeling van een van de partijen.
(2) Schorsing van de arbeidsovereenkomst leidt tot schorsing van de verrichting van arbeid door de werknemer en van de betaling van salaris door de werkgever.
(3) Gedurende de schorsing van de overeenkomst kunnen andere dan de in het tweede lid vermelde rechten en verplichtingen blijven bestaan mits zij zijn neergelegd in bijzondere wetten, in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, in individuele arbeidsovereenkomsten of in huishoudelijke reglementen.”
14
Artikel 51, lid 1, onder a), van dat wetboek bepaalt:
„De individuele arbeidsovereenkomst kan op initiatief van de werknemer in de volgende gevallen worden onderbroken:
a)
ouderschapsverlof voor kinderen tot de leeftijd van twee jaar […]”.
15
In artikel 145, leden 4 tot en met 6, van hetzelfde wetboek staat te lezen:
„(4) Voor het bepalen van de duur van de jaarlijkse vakantie worden tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid alsook tijdvakken van zwangerschaps- en bevallingsverlof, van verlof wegens blootstelling aan specifieke risico’s tijdens de zwangerschap of de borstvoeding en van verlof wegens ziekte van een kind beschouwd als tijdvakken van daadwerkelijke arbeid.
(5) Indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, het zwangerschaps- en bevallingsverlof, het verlof wegens blootstelling aan specifieke risico’s tijdens de zwangerschap of de borstvoeding dan wel het verlof wegens ziekte van een kind valt binnen de jaarlijkse vakantie, wordt deze onderbroken en kan de werknemer de resterende vakantiedagen opnemen na afloop van de [situatie die aanleiding gaf tot de onderbreking]. Wanneer dat niet mogelijk is, worden de niet genoten vakantiedagen opnieuw gepland.
(6) De werknemer heeft ook recht op jaarlijkse vakantie wanneer de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, zoals geregeld in de wet, een vol kalenderjaar duurt, in welk geval de werkgever de jaarlijkse vakantie moet toekennen binnen 18 maanden te rekenen vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de werknemer met ziekteverlof was.”
16
Artikel 2, leden 1 en 2, van de Hotărâre Consiliului Superior al Magistraturii nr. 325/2005 pentru aprobarea Regulamentului privind concediile judecătorilor și procurorilor (besluit nr. 325/2005 van de hoge raad voor de magistratuur houdende goedkeuring van de verlofregeling voor rechters en openbare aanklagers) bepaalt:
„(1) Rechters en procureurs hebben recht op 35 werkdagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Van dit recht kan geen afstand worden gedaan en het kan niet worden beperkt.
(2) De duur van de in [de verlofregeling voor rechters en openbare aanklagers] bedoelde jaarlijkse vakantie wordt berekend op basis van de in de loop van het kalenderjaar verrichte arbeid. Voor het bepalen van de duur van de jaarlijkse vakantie worden tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid alsook tijdvakken van zwangerschaps- en bevallingsverlof, van verlof wegens blootstelling aan specifieke risico’s tijdens de zwangerschap of de borstvoeding en van verlof wegens ziekte van een kind beschouwd als tijdvakken van daadwerkelijke arbeid.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
17
Dicu is magistraat bij de Tribunal Botoșani. In de loop van 2014 heeft zij eerst haar jaarlijkse vakantie met behoud van loon volledig benut en is zij vervolgens, van 1 oktober 2014 tot en met 3 februari 2015, met zwangerschaps- en bevallingsverlof gegaan. Van 4 februari 2015 tot en met 16 september 2015 heeft zij ouderschapsverlof opgenomen. In dat tijdvak is haar arbeidsbetrekking geschorst. Ten slotte heeft zij van 17 september 2015 tot en met 17 oktober 2015 dertig dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon opgenomen.
18
Overeenkomstig het Roemeense recht, dat voorziet in een recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van 35 dagen, heeft Dicu de rechterlijke instantie waarbij zij is aangesteld, verzocht om de resterende vijf dagen jaarlijkse vakantie voor 2015 te mogen opnemen op de werkdagen tussen de eindejaarsfeestdagen.
19
De Tribunal Botoșani heeft dat verzoek afgewezen op grond dat volgens het Roemeense recht de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon evenredig is met de daadwerkelijke arbeidstijd die gedurende het lopende jaar is gepresteerd, en dat in dit verband de duur van het ouderschapsverlof dat zij had opgenomen in de loop van 2015, niet als tijdvak van daadwerkelijke arbeid kon worden beschouwd met het oog op de berekening van haar rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. De Tribunal Botoșani heeft tevens erop gewezen dat de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die Dicu van 17 september tot en met 17 oktober 2015 had opgenomen voor het jaar 2015, zeven verlofdagen voor het jaar 2016 bevatte die zij voorafgaandelijk had opgenomen.
20
Dicu heeft bij de Tribunal Cluj (rechter in eerste aanleg Cluj, Roemenië) beroep ingesteld tegen de Tribunal Botoșani, de Curte de Apel Suceava (rechter in tweede aanleg Suceava, Roemenië), het ministerie van Justitie en de Consiliu Superior al Magistraturii (hoge raad voor de magistratuur, Roemenië) teneinde te doen vaststellen dat de duur van haar ouderschapsverlof moet worden beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid voor de berekening van haar rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor het jaar 2015.
21
Bij vonnis van 17 mei 2016 heeft de Tribunal Cluj het verzoek van Dicu toegewezen. De Tribunal Botoșani en het ministerie van Justitie hebben bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.
22
In deze omstandigheden heeft de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Staat artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG in de weg aan een bepaling van nationaal recht die voor de berekening van de duur van de jaarlijkse vakantie van de werknemer het tijdvak van ouderschapsverlof voor een kind tot de leeftijd van twee jaar niet in aanmerking neemt als tijdvak van daadwerkelijke arbeid?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
23
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan voor de berekening van de rechten inzake de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die bij dat artikel aan een werknemer wordt toegekend op basis van een referentieperiode, de duur van het door die werknemer in de loop van die periode opgenomen ouderschapsverlof niet wordt beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid.
24
In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de bewoordingen zelf van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 volgt dat alle werknemers recht hebben op ten minste vier weken jaarlijkse vakantie met behoud van loon, en dat dit recht volgens vaste rechtspraak van het Hof moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Europese Unie (arrest van 20 juli 2016, Maschek, C‑341/15, EU:C:2016:576, punt 25en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Tevens zij erop gewezen dat dit aan elke werknemer toegekende recht uitdrukkelijk is neergelegd in artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat volgens artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen (arrest van 29 november 2017, King, C‑214/16, EU:C:2017:914, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Verduidelijkt moet nog worden dat de lidstaten het ontstaan zelf van het rechtstreeks uit richtlijn 2003/88 voortvloeiende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon weliswaar niet van enigerlei voorwaarde afhankelijk mogen stellen (zie met name arresten van 26 juni 2001, BECTU, C‑173/99, EU:C:2001:356, punt 53; 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 28, en 29 november 2017, King, C‑214/16, EU:C:2017:914, punt 34), maar dat de onderhavige zaak betrekking heeft op de vraag of een tijdvak van ouderschapsverlof al dan niet moet worden gelijkgesteld met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid voor de berekening van de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
27
In dit verband zij eraan herinnerd dat het bij artikel 7 van richtlijn 2003/88 aan elke werknemer toegekende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon tot doel heeft de werknemer in staat te stellen om uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken en om over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken (zie met name arresten van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 25; 22 november 2011, KHS, C‑214/10, EU:C:2011:761, punt 31, en 30 juni 2016, Sobczyszyn, C‑178/15, EU:C:2016:502, punt 25).
28
Dit doel, dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon onderscheidt van andere soorten vakantie waarmee andere doelstellingen worden nagestreefd, is gebaseerd op de premisse dat de werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt in de loop van de referentieperiode. Het doel om de werknemer in staat te stellen uit te rusten onderstelt immers dat hij een activiteit heeft uitgevoerd die het nemen van een periode van rust, ontspanning en vrije tijd rechtvaardigt om de door richtlijn 2003/88 beoogde bescherming van zijn veiligheid en gezondheid te waarborgen. Derhalve worden de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in beginsel berekend op basis van de tijdvakken van daadwerkelijke arbeid die krachtens de arbeidsovereenkomst zijn volgemaakt (zie in die zin arrest van 11 november 2015, Greenfield, C‑219/14, EU:C:2015:745, punt 29).
29
Uit vaste rechtspraak volgt inderdaad dat een lidstaat in bepaalde specifieke situaties waarin de werknemer zijn taken niet kan vervullen – onder meer vanwege een naar behoren gerechtvaardigd ziekteverlof – het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet afhankelijk kan stellen van de voorwaarde dat die werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt (zie met name arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C‑282/10, EU:C:2012:33, punt 20en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo worden werknemers die in de referentieperiode afwezig zijn geweest van het werk omdat zij met ziekteverlof waren, voor het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gelijkgesteld met werknemers die in die periode daadwerkelijk hebben gewerkt (zie met name arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 40).
30
Hetzelfde geldt voor werkneemsters die met zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn, die daardoor hun taken in het kader van hun arbeidsbetrekkingen niet kunnen uitoefenen en van wie de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in geval van dat zwangerschaps- en bevallingsverlof moeten worden gewaarborgd en moeten kunnen worden uitgeoefend in een andere periode dan tijdens dat zwangerschapsverlof (zie in die zin arrest van 18 maart 2004, Merino Gómez, C‑342/01, EU:C:2004:160, punten 34, 35 en 38).
31
De in de twee voorgaande punten aangehaalde rechtspraak kan evenwel niet mutatis mutandis worden toegepast op de situatie van een werknemer die zoals Dicu tijdens de referentieperiode ouderschapsverlof heeft opgenomen.
32
Beklemtoond dient namelijk te worden dat het intreden van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte in beginsel onvoorzienbaar is (arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 51) en plaatsvindt buiten de wil van de werknemer (zie in die zin arrest van 29 november 2017, King, C‑214/16, EU:C:2017:914, punt 49). Zoals het Hof reeds heeft opgemerkt in punt 38 van het arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18), rangschikt artikel 5, lid 4, van verdrag nr. 132 van de Internationale Arbeidsorganisatie van 24 juni 1970 over de jaarlijkse vakantie met behoud van loon, zoals herzien – waarvan de beginselen volgens overweging 6 van richtlijn 2003/88 in aanmerking moeten worden genomen bij de uitlegging van deze richtlijn – afwezigheid wegens ziekte onder arbeidsverzuim „om redenen die losstaan van de wil van de betrokken werknemer”, dat „als arbeidstijd moet worden aangemerkt”. Het opnemen van ouderschapsverlof is daarentegen niet onvoorzienbaar en vloeit meestal voort uit de wil van de werknemer om voor zijn kind te zorgen (zie in die zin arrest van 20 september 2007, Kiiski, C‑116/06, EU:C:2007:536, punt 35).
33
Voorts wordt de werknemer in ouderschapsverlof fysiek of psychisch niet gehinderd door een ziekte, zodat hij zich in een andere situatie bevindt dan die welke voortvloeit uit een aan zijn gezondheidstoestand te wijten arbeidsongeschiktheid (zie naar analogie arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin, C‑229/11 en C‑230/11, EU:C:2012:693, punt 29).
34
De situatie van de werknemer met ouderschapsverlof onderscheidt zich evenzeer van die van de werkneemster die zwangerschaps- en bevallingsverlof neemt. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft immers zowel tot doel de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap te beschermen als de bijzondere relatie tussen moeder en kind in de periode na de zwangerschap en de bevalling te beschermen door te voorkomen dat deze relatie wordt verstoord door de cumulatie van lasten ten gevolge van de gelijktijdige verrichting van beroepsbezigheden (zie in die zin arresten van 18 maart 2004, Merino Gómez, C‑342/01, EU:C:2004:160, punt 32, en 20 september 2007, Kiiski, C‑116/06, EU:C:2007:536, punt 46).
35
Ten slotte neemt het feit dat een werknemer met ouderschapsverlof een werknemer in de zin van het Unierecht blijft gedurende het tijdvak van dat verlof (arrest van 20 september 2007, Kiiski, C‑116/06, EU:C:2007:536, punt 32), niet weg dat wanneer, zoals in casu, zijn arbeidsbetrekking is geschorst op grond van het nationale recht – hetgeen clausule 5, punt 3, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof toestaat – ook de wederzijdse verplichtingen van werkgever en werknemer op het gebied van prestaties tijdelijk zijn geschorst, met name de verplichting van de werknemer om de taken uit te voeren die op hem rusten in het kader van de voornoemde arbeidsbetrekking (zie naar analogie arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin, C‑229/11 en C‑230/11, EU:C:2012:693, punt 28).
36
Hieruit volgt dat het tijdvak van ouderschapsverlof dat de betrokken werknemer tijdens de referentieperiode heeft opgenomen, in een situatie als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, niet kan worden gelijkgesteld met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid voor de berekening van zijn rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon uit hoofde van artikel 7 van richtlijn 2003/88.
37
Tevens is het van belang te benadrukken dat uit vaste rechtspraak van het Hof weliswaar voortvloeit dat een door het Unierecht gegarandeerd verlof niet kan afdoen aan het recht om een ander door het Unierecht gewaarborgd verlof te nemen waarvan de doelstelling verschilt van die welke met het eerstgenoemde verlof wordt nagestreefd (zie in die zin arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 26en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar dat uit deze rechtspraak – die tot stand is gekomen in de context van situaties die gekenmerkt worden door het feit dat de op die twee onderscheiden verloven betrekking hebbende tijdvakken elkaar overlappen of samenvallen – niet kan worden afgeleid dat de lidstaten verplicht zijn om een tijdvak van ouderschapsverlof dat een werknemer heeft opgenomen in de loop van de referentieperiode, aan te merken als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid voor de berekening van zijn rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon uit hoofde van richtlijn 2003/88.
38
Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat artikel 7 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bepaling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan voor de berekening van de rechten inzake de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die bij dat artikel aan een werknemer wordt toegekend op basis van een referentieperiode, de duur van het door die werknemer in de loop van die periode opgenomen ouderschapsverlof niet wordt beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid.
Kosten
39
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bepaling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan voor de berekening van de rechten inzake de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die bij dat artikel aan een werknemer wordt toegekend op basis van een referentieperiode, de duur van het door die werknemer in de loop van die periode opgenomen ouderschapsverlof niet wordt beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Roemeens.