ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
7 augustus 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Richtlijn 2013/36/EU – Artikelen 64, 65 en 67 – Verordening (EU) nr. 575/2013 – Artikel 395, leden 1 en 5 – Toezicht op kredietinstellingen – Toezicht- en sanctiebevoegdheden – Limieten voor grote blootstellingen – Regeling van een lidstaat die voorziet in de oplegging van rente in geval van overschrijding van deze limieten – Verordening (EU) nr. 468/2014 – Artikel 48 – Bevoegdheidsverdeling tussen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale autoriteiten – Formeel ingestelde toezichtprocedure”
In zaak C‑52/17,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) bij beslissing van 27 januari 2017, ingekomen bij het Hof op 1 februari 2017, in de procedure
VTB Bank (Austria) AG
tegen
Finanzmarktaufsichtsbehörde,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), kamerpresident, E. Levits, A. Borg Barthet, M. Berger en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
–
VTB Bank (Austria) AG, vertegenwoordigd door M. Fellner, Rechtsanwalt,
–
de Finanzmarktaufsichtsbehörde, vertegenwoordigd door P. Wanek en C. Schaden als gemachtigden,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K.‑P. Wojcik en A. Steiblytė als gemachtigden,
–
de Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door R. Bax en K. Lackhoff als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 2018,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 64 en artikel 65, lid 1, van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338), van artikel 395, leden 1 en 5, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1) en van artikel 48, lid 3, van verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (PB 2014, L 141, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen VTB Bank (Austria) AG (hierna: „VTB”) en de Finanzmarktaufsichtsbehörde (toezichthouder op de financiële markten, Oostenrijk; hierna: „FMA”) over de oplegging van winstafromingsrente door laatstgenoemde voor de overschrijding van de limieten voor grote blootstellingen als bedoeld in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2013/36
3
In de overwegingen 2 en 41 van richtlijn 2013/36 staat te lezen:
„(2)
[...] Deze richtlijn moet [...] in samenhang met [verordening (EU) nr. 575/2013] worden gelezen en [zij] moet [...], samen met die verordening, het rechtskader vormen dat van toepassing is op het bankbedrijf, het toezichtskader en de prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.
[...]
(41)
Deze richtlijn dient te voorzien in administratieve sancties en andere administratieve maatregelen, zodat zo veel mogelijk ruimte wordt gecreëerd voor optreden nadat schending heeft plaatsgevonden, en om verdere inbreuken te helpen voorkomen, ongeacht of deze in nationaal recht als een administratieve sanctie dan wel als een andere administratieve maatregel worden aangemerkt. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben te voorzien in aanvullende sancties, en in hogere administratieve geldboeten, naast die welke in deze richtlijn zijn voorzien.”
4
In artikel 1, onder b), van deze richtlijn worden de regels inzake toezichtbevoegdheden en ‑instrumenten voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen door de bevoegde autoriteiten bepaald.
5
Artikel 64 van die richtlijn bepaalt:
„1. Aan de bevoegde autoriteiten worden alle, voor de vervulling van hun taken benodigde toezichtbevoegdheden toegekend om in de werkzaamheden van de instellingen te kunnen ingrijpen, meer bepaald het recht tot intrekking van een vergunning in overeenstemming met artikel 18, de in overeenstemming met artikel 102 vereiste bevoegdheden en de in de artikelen 104 en 105 vastgestelde bevoegdheden.
2. De bevoegde autoriteiten oefenen hun toezicht‑ en sanctiebevoegdheden uit in overeenstemming met deze richtlijn en het nationaal recht, en wel op een van de volgende wijzen:
a)
rechtstreeks;
b)
in samenwerking met andere autoriteiten;
c)
onder hun verantwoordelijkheid middels delegatie aan bevoegde autoriteiten;
d)
middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.”
6
Artikel 65, lid 1, van die richtlijn luidt:
„Onverminderd de aan de bevoegde autoriteiten toegekende toezichtbevoegdheden als bedoeld in artikel 64 en het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, stellen de lidstaten voorschriften vast inzake administratieve sancties en andere administratieve maatregelen met betrekking tot inbreuken op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en op [verordening nr. 575/2013], en nemen zij alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd.”
7
In artikel 67, lid 1, onder k), van richtlijn 2013/36 is het volgende geregeld:
„Dit artikel is van toepassing in ten minste elk van de volgende omstandigheden:
[...]
k)
een instelling heeft een blootstelling die de limieten overschrijdt die in artikel 395 van [verordening nr. 575/2013] zijn vastgelegd”.
8
Artikel 67, lid 2, van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat in de in artikel 67, lid 1, van de richtlijn bedoelde gevallen ten minste de administratieve sancties en andere administratieve maatregelen zoals voorzien in lid 2, onder a) tot en met g), kunnen worden opgelegd.
Verordening nr. 575/2013
9
In de overwegingen 5 en 9 van verordening nr. 575/2013 staat te lezen:
„(5)
Deze verordening en [richtlijn 2013/36] moeten samen het juridische kader vormen dat van toepassing is op de toegang tot de werkzaamheden, het toezichtskader en de prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen [...]. Om die reden moet deze verordening in onderlinge samenhang worden gelezen met die richtlijn.
[...]
(9)
Ter wille van de rechtszekerheid en om in de Unie gelijke mededingingsvoorwaarden te kunnen garanderen, is een voor alle marktdeelnemers geldend uniform pakket regels van cruciaal belang voor de werking van de interne markt. Om marktverstoringen en regelgevingsarbitrage tegen te gaan, moet derhalve door middel van prudentiële minimumvereisten voor maximale harmonisatie worden gezorgd. Dit brengt met zich mee dat de overgangsperioden waarin deze verordening voorziet onontbeerlijk zijn voor de probleemloze uitvoering van deze verordening en om onzekerheid voor de markten te voorkomen.”
10
Artikel 2 van die verordening luidt:
„Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in [richtlijn 2013/36] zijn bepaald.”
11
Artikel 4, lid 1, punt 1, van deze verordening omschrijft een „kredietinstelling” als „een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening”.
12
In artikel 395, „Limieten voor grote blootstellingen”, leden 1 en 5, van dezelfde verordening staat te lezen:
„1. Een instelling gaat, met betrekking tot een cliënt of een groep van verbonden cliënten, geen blootstelling aan waarvan de waarde, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, 25 % van haar in aanmerking komend kapitaal overschrijdt. Indien die cliënt een instelling is of indien een groep van verbonden cliënten een of meer instellingen omvat, overschrijdt die waarde niet 25 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling of – als dit hoger is –150 miljoen EUR, met dien verstande dat de som van de blootstellingswaarden met betrekking tot alle verbonden cliënten die geen instelling zijn, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, niet 25 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling overschrijdt.
Indien het bedrag van 150 miljoen EUR hoger is dan 25 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling, overschrijdt de blootstellingswaarde, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, niet een redelijke limiet in termen van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling. Die limiet wordt door de instelling bepaald overeenkomstig de in artikel 81 van [richtlijn 2013/36] bedoelde beleidslijnen en procedures met het oog op het ondervangen en beheersen van het concentratierisico. Deze limiet overschrijdt niet 100 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling.
De bevoegde autoriteiten kunnen een lagere limiet dan 150 miljoen EUR bepalen, en brengen die limiet ter kennis van de [Europese Bankautoriteit (EBA)] en de Commissie.
[...]
5. De in dit artikel bedoelde limieten kunnen worden overschreden voor de blootstellingen in de handelsportefeuille van de instelling, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a)
de blootstelling in de niet-handelsportefeuille met betrekking tot de cliënt of groep van verbonden cliënten in kwestie overschrijdt niet de in lid 1 bedoelde limiet, waarbij deze limiet wordt berekend in termen van het in aanmerking komend kapitaal, zodat de overschrijding zich integraal voordoet binnen de handelsportefeuille;
b)
de instelling voldoet aan een additioneel eigenvermogensvereiste voor de overschrijding van de in lid 1 bedoelde limiet, berekend overeenkomstig de artikelen 397 en 398;
c)
indien niet meer dan tien dagen zijn verstreken sedert de overschrijding zich heeft voorgedaan, overschrijdt de blootstelling in de handelsportefeuille met betrekking tot de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten niet 500 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling;
d)
alle overschrijdingen die langer dan tien dagen duren, overschrijden in het totaal niet meer dan 600 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling.
Voor elk geval waarin de limiet is overschreden, rapporteert de instelling de hoogte van de overschrijding en de naam van de betrokken cliënt, en, naargelang het geval, de naam van de betrokken groep van verbonden cliënten, onverwijld aan de bevoegde autoriteiten.”
GTM-verordening
13
Artikel 33, lid 2, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63; hierna: „GTM-verordening”) bepaalt:
„De ECB begint op 4 november 2014 aan de haar bij deze verordening opgedragen taken, overeenkomstig de in dit lid bepaalde uitvoeringsregeling en uitvoeringsmaatregelen.”
GTM-kaderverordening
14
In overweging 9 van de GTM-kaderverordening staat te lezen:
„[...] in deze verordening [worden] de in de GTM-verordening vastgelegde samenwerkingsprocedures tussen de ECB en de [nationale bevoegde autoriteiten (NBA’s)] binnen het [Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM)] verder uitgewerkt en gespecificeerd, alsook, waar toepasselijk, de samenwerkingsprocedures met de nationale aangewezen autoriteiten, waardoor aldus de effectieve en consistente werking van het GTM wordt verzekerd.”
15
In artikel 2, punt 16, van de GTM-kaderverordening is „belangrijke onder toezicht staande entiteit” gedefinieerd als „zowel a) een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat, als b) een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat”.
16
Artikel 2, punt 25, van deze verordening omschrijft een „NBA-toezichtprocedure” als:
„iedere NBA-activiteit die is gericht op het voorbereiden van de afgifte van een NBA-toezichtbesluit dat is gericht tot één of meer onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen of één of meer andere personen, inclusief het opleggen van administratieve sancties”.
17
Artikel 48, leden 1 en 3, van deze verordening luidt:
„1. Indien een verandering in bevoegdheden plaats gaat vinden tussen de ECB en een NBA, informeert de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt (hierna: „autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt”) de autoriteit die bevoegd zal worden (hierna: „autoriteit die toezicht op zich neemt”) met betrekking tot alle formeel ingestelde toezichtprocedures die een besluit vereisen. De autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt, verschaft deze informatie direct nadat deze zich bewust wordt van de aanstaande verandering in bevoegdheden. De autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt werkt deze informatie steeds bij, in de regel maandelijks, indien er nieuwe informatie over een toezichtprocedure te rapporteren is. De autoriteit die toezicht op zich neemt kan in naar behoren gemotiveerde gevallen toestaan dat er minder frequent wordt gerapporteerd. Voor de toepassing van artikel 48 en artikel 49 wordt onder een toezichtprocedure een ECB‑ of NBA-toezichtprocedure verstaan.
Voorafgaande aan de verandering in bevoegdheid, neemt de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt direct contact op met de autoriteit die toezicht op zich neemt, zodra er een nieuwe toezichtprocedure formeel wordt geïnitieerd in welk verband een besluit genomen moet worden.
[...]
3. Indien een formeel ingestelde toezichtprocedure waarop een besluit genomen moet worden niet kan worden afgerond voor de datum waarop een verandering in de toezichtbevoegdheid plaatsvindt, blijft de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt bevoegd een dergelijke aanhangige toezichtprocedure af te ronden. In dit kader zal de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt ook alle relevante rechten behouden totdat de toezichtprocedure is afgerond. De autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt rondt de betreffende aanhangige toezichtprocedure af in overeenstemming met de toepasselijke wet met betrekking tot haar behouden bevoegdheden. De autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt licht de autoriteit die toezicht op zich neemt in voordat zij enig besluit neemt in een toezichtprocedure die aanhangig was voorafgaande aan de verandering in bevoegdheid. Zij geeft de autoriteit die toezicht op zich neemt een afschrift van het genomen besluit en relevante documentatie met betrekking tot dat besluit.”
18
In artikel 149, lid 1, van die verordening is het volgende geregeld:
„Tenzij anders beslist door de ECB, zijn de in artikel 48 vastgelegde procedures van toepassing indien een NBA voor 4 november 2014 toezichtprocedures heeft opgestart ten aanzien waarvan de ECB bevoegd wordt op basis van de GTM-verordening.”
Oostenrijks recht
19
§ 97, lid 1, punt 4, van het Bankwesengesetz (wet op het bankwezen), in de versie van toepassing op het hoofdgeding (hierna: „BWG”), bepaalt:
„(1) De FMA dient de kredietinstellingen [...] voor de volgende bedragen rente op te leggen:
[...]
4.
2 % voor de overschrijding van de limieten voor grote blootstellingen in de zin van artikel 395, lid 1, van [verordening nr. 575/2013], gerekend per jaar, voor 30 dagen, uitgezonderd bij toezichtmaatregelen krachtens § 70, lid 2, of bij een overmatige schuldenlast van de kredietinstelling.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
VTB is een in Oostenrijk gevestigde kredietinstelling die, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, door de ECB wordt beschouwd als „belangrijke onder toezicht staande entiteit” in de zin van artikel 2, punt 16, van de GTM-kaderverordening.
21
Bij twee besluiten, die respectievelijk zijn vastgesteld op 30 oktober 2014 en 11 mei 2015, heeft de FMA aan VTB, op grond van § 97, lid 1, punt 4, van het BWG winstafromingsrente voor overschrijding van de limieten voor grote blootstellingen als bedoeld in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013 opgelegd.
22
Met name bij het eerste besluit heeft de FMA een rentebedrag van 94951,41 EUR aan VTB opgelegd omdat de limiet voor blootstelling was overschreden tijdens de maanden maart tot en met september 2014. Dit besluit was gebaseerd op kennisgevingen van de overschrijding door VTB op 3 april, 7 juli en 8 oktober 2014.
23
Bij het tweede besluit heeft de FMA een winstafromingsrente ten bedrage van 28278,57 EUR aan VTB opgelegd voor overschrijding van de limiet voor grote blootstelling die in de maand oktober 2014 van toepassing was. Dit besluit was gebaseerd op een kennisgeving van de overschrijding door VTB op 3 november 2014.
24
Op 3 juni 2015 heeft VTB bij de verwijzende rechter, het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk), een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de FMA van 11 mei 2015 ingesteld.
25
VTB betoogt dat zij niet verplicht is de rente opgelegd bij dit besluit te betalen. Zij voert aan dat artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013, waarin de limieten voor grote blootstelling zijn opgenomen die een kredietinstelling of een beleggingsonderneming met betrekking tot haar cliënten mag aangaan, moet worden gelezen in samenhang met artikel 395, lid 5, van deze verordening, waarin de voorwaarden zijn bepaald waaronder een kredietinstelling of een beleggingsonderneming mag afwijken van de limieten voor blootstelling in artikel 395, lid 1, van dezelfde verordening.
26
De FMA stelt dat de toepassing van de rente, die is opgelegd krachtens § 97, lid 1, punt 4, van het BWG, geen sanctie of dwangmaatregel is in de zin van het Unierecht maar eerder een economische sturingsmaatregel uit het nationale mededingingsrecht.
27
In de eerste plaats wijst de verwijzende rechter erop dat de kwalificatie van de rente die is opgelegd bij het besluit van 11 mei 2015 in overeenstemming is met vaste rechtspraak van het Verfassungsgerichtshof (grondwettelijk hof, Oostenrijk), waarin de oplegging van rente voor de overschrijding van de limieten voor grote blootstellingen is aangemerkt als een maatregel van economisch recht zonder strafrechtelijk karakter die op het mededingingsrecht is gebaseerd en een op forfaitaire bedragen gebaseerde afroming beoogt van het verkregen voordeel of van het voordeel dat kan worden verkregen door op een onwettige manier de limieten bepaald in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013 te overschrijden.
28
In de tweede plaats rijst voor de verwijzende rechter de vraag hoe het begrip „formeel ingestelde toezichtprocedure”, in de zin van artikel 48, lid 3, van de GTM-kaderverordening dient te worden uitgelegd. Deze rechter wenst meer bepaald te vernemen of er met betrekking tot de overschrijding van de limieten voor grote blootstellingen tijdens de maand oktober 2014, van kon worden uitgegaan dat vóór 4 november 2014„formeel” een toezichtprocedure was ingesteld, ofwel op basis van de kennisgeving van de overschrijding door VTB op 3 november 2014, ofwel omdat er in het verleden al procedures voor vergelijkbare inbreuken zijn geweest die intussen door de FMA zijn afgesloten.
29
In die omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Zijn de voorschriften van het afgeleide Unierecht (inzonderheid artikel 64 en artikel 65, lid 1, van [richtlijn 2013/36]), van toepassing op de door de autoriteiten opgelegde verplichting tot het betalen van rente op grond van een wettelijke regeling van een lidstaat krachtens welke een kredietinstelling bij de overschrijding van de limiet voor grote blootstellingen overeenkomstig artikel 395, lid 1, van [verordening nr. 575/2013], gedurende 30 dagen rente dient te betalen ten belope van 2 % van de overschrijding, gerekend per jaar, van de limiet voor grote blootstellingen?
2)
Staat het Unierecht (inzonderheid artikel 395, leden 1 en 5, van [verordening nr. 575/2013]) in de weg aan een nationale wettelijke regeling zoals die welke was neergelegd in § 97, lid 1, punt 4, van het [BWG], wanneer, ondanks dat is voldaan aan de voorwaarden voor de uitzonderingsregeling van artikel 395, lid 5, bij een overtreding van artikel 395, lid 1, (winstafromings)rente moet worden betaald?
3)
Moet artikel 48, lid 3, van de [GTM-kaderverordening] aldus worden uitgelegd dat van een ‚formeel ingestelde toezichtprocedure’ reeds sprake is wanneer een onderneming een melding afgeeft aan de toezichthoudende instantie, of kan van een ‚formeel ingestelde toezichtprocedure’ sprake zijn wanneer in een parallelle procedure voor soortgelijke overtredingen in eerdere tijdvakken reeds een besluit door een toezichthoudende instantie is genomen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
30
Met zijn eerste en tweede vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 64 en artikel 65, lid 1, van richtlijn 2013/36 en artikel 395, leden 1 en 5, van verordening 575/2013 aldus dienen te worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan een kredietinstelling automatisch winstafromingsrente wordt opgelegd in geval van overschrijding van de limieten voor blootstelling zoals bepaald in artikel 395, lid 1, van deze verordening, zelfs wanneer laatstgenoemde voldoet aan de voorwaarden in artikel 395, lid 5, van die verordening, waarin wordt toegestaan dat een kredietinstelling deze limieten overschrijdt.
31
Allereerst zij opgemerkt dat deze richtlijn en deze verordening, die samen dienen te worden gelezen, het juridische kader vormen voor met name het toezicht en de prudentiële voorschriften voor kredietinstellingen, zoals blijkt uit overweging 2 van richtlijn 2013/36 en uit overweging 5 van verordening nr. 575/2013.
32
Artikel 395, lid 1, van deze verordening, dat deel uitmaakt van deze regels en meer bepaald van de regels voor „grote risico’s” die kredietinstellingen krachtens artikel 387 van verordening nr. 575/2013 dienen te bewaken en beheersen, verbiedt deze instellingen met betrekking tot een cliënt of een groep van verbonden cliënten een blootstelling aan te gaan waarvan de waarde 25 % van hun in aanmerking komend kapitaal overschrijdt. Artikel 395, lid 5, van die verordening staat echter een overschrijding van de limieten voor blootstelling als bepaald in artikel 395, lid 1, van dezelfde verordening toe wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
33
Vervolgens zij opgemerkt dat de bevoegde autoriteiten voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen krachtens artikel 1, onder b), van richtlijn 2013/36 over de toezichtbevoegdheden en ‑instrumenten als vastgesteld bij deze richtlijn beschikken.
34
Krachtens artikel 65, lid 1, van deze richtlijn bepalen de lidstaten dienaangaande de voorschriften inzake administratieve sancties en andere administratieve maatregelen met betrekking tot inbreuken op nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en op verordening nr. 575/2013, en nemen zij alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties en deze andere maatregelen worden uitgevoerd.
35
Uit overweging 41 van richtlijn 2013/36 volgt dat de vaststelling van administratieve sancties en andere administratieve maatregelen ervoor moet zorgen dat zo veel mogelijk ruimte wordt gecreëerd voor optreden nadat schending van de Unieregelgeving heeft plaatsgevonden, en om verdere inbreuken te helpen voorkomen.
36
Ten slotte blijkt uit een gezamenlijke lezing van artikel 67, lid 1, onder k), en lid 2, van richtlijn 2013/36 dat de lidstaten ervoor zorgen dat de administratieve sancties en andere administratieve maatregelen die kunnen worden opgelegd in de in artikel 395 van verordening nr. 575/2013 bedoelde gevallen, ten minste die zijn welke zijn vermeld in de punten a) tot en met g) van lid 2.
37
In onderhavig geval rijst voor de verwijzende rechter de vraag of de oplegging van rente aan VTB krachtens § 97, lid 1, punt 4, van het BWG, een nationale economische sturingsmaatregel zonder het karakter van een sanctie is zoals de FMA betoogt, die geen enkel verband houdt met de artikelen 64 en 65 van richtlijn 2013/36, maar enkel gericht is op de terugvordering van een voordeel dat onrechtmatig is verkregen door schending van een prudentieel voorschrift. Bij een bevestigend antwoord voert de FMA aan dat de situatie in het hoofdgeding niet onder artikel 395, leden 1 en 5, van verordening nr. 575/2013 valt.
38
In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat § 97, lid 1, punt 4, van het BWG uitdrukkelijk bepaalt dat deze rente ten belope van 2 % voor de overschrijding van de limieten voor grote blootstellingen „in de zin van artikel 395, lid 1, van [verordening nr. 575/2013]” door de FMA moet worden toegepast.
39
Volgens de verwijzende rechter heeft VTB deze limieten in casu overschreden. In dergelijke omstandigheden en behoudens de naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 395, lid 5, van deze verordening zorgen de lidstaten ervoor dat ten minste de administratieve sancties en andere administratieve maatregelen bepaald in artikel 67, lid 2, onder a) tot en met g), van richtlijn 2013/36 worden toegepast, zoals in herinnering gebracht in punt 36 van dit arrest.
40
Daaraan moet worden toegevoegd dat het Hof de verplichting om een door een onregelmatigheid ten onrechte verkregen voordeel terug te betalen, in het kader van het onderzoek van de door de lidstaten vastgestelde financiële correcties ter bescherming van de financiële belangen van de Unie heeft aangemerkt als een „administratieve maatregel” (zie in die zin arrest van 26 mei 2016, Județul Neamț en Județul Bacău, C‑260/14 en C‑261/14, EU:C:2016:360, punten 50 en 51).
41
Om marktverstoringen en regelgevingsarbitrage tegen te gaan, moet in overeenstemming met overweging 9 van verordening nr. 575/2013 bovendien door middel van Unierechtelijke prudentiële minimumvereisten voor maximale harmonisatie worden gezorgd. Wanneer de in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013 bepaalde limieten worden overschreden, moeten de lidstaten de kredietinstellingen derhalve geen nationaalrechtelijke maatregel, maar een administratieve sanctie of andere administratieve maatregel in de zin van artikel 65, lid 1, van richtlijn 2013/36 opleggen.
42
In dergelijke omstandigheden moet de winstafromingsrente in § 97, lid 1, punt 4, van het BWG als een administratieve maatregel in de zin van artikel 65, lid 1, van richtlijn 2013/36 worden beschouwd.
43
Wat die kwalificatie betreft, is het niet relevant dat die rente niet is opgenomen in de lijst van artikel 67, lid 2, van richtlijn 2013/36.
44
Uit de bewoordingen van die bepaling volgt immers dat deze lijst niet exhaustief is. Ook zij erop gewezen dat artikel 65, lid 1, van richtlijn 2013/36 bepaalt dat de lidstaten alle maatregelen nemen die zij noodzakelijk achten om ervoor te zorgen dat deze richtlijn en verordening nr. 575/2013 worden toegepast.
45
In de tweede plaats volgt uit de gegevens waarover het Hof beschikt en die ter verificatie van de verwijzende rechter staan, dat VTB in het kader van het hoofdgeding heeft voldaan aan de voorwaarden in artikel 395, lid 5, van verordening nr. 575/2013, op grond waarvan de kredietinstellingen de limieten voor blootstelling met betrekking tot cliënten zoals bepaald in artikel 395, lid 1, van dezelfde verordening, mogen overschrijden.
46
Zoals de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de situatie bedoeld in artikel 395 van verordening nr. 575/2013, waarin de lidstaten krachtens artikel 67, lid 2, van richtlijn 2013/36 administratieve sancties of andere administratieve maatregelen kunnen opleggen, het resultaat van de gecombineerde toepassing van de leden 1 en 5 van dat artikel 395.
47
Bijgevolg is een nationale bepaling zoals § 97, lid 1, punt 4, van het BWG, waarbij automatisch afromingsrente wordt opgelegd aan een kredietinstelling wanneer zij de limieten voor blootstelling bepaald in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013 overschrijdt en die niet in de mogelijkheid voorziet om na te gaan of aan de voorwaarden in artikel 395, lid 5, van deze verordening is voldaan, niet in overeenstemming met de vereisten van het prudentieel toezicht als vastgelegd in die verordening.
48
Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 64 en artikel 65, lid 1, van richtlijn 2013/36 en artikel 395, leden 1 en 5, van verordening 575/2013 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan een kredietinstelling automatisch winstafromingsrente wordt opgelegd in geval van overschrijding van de limieten voor blootstelling zoals bepaald in artikel 395, lid 1, van deze verordening, zelfs wanneer laatstgenoemde voldoet aan de voorwaarden in artikel 395, lid 5, van die verordening, waarin wordt toegestaan dat een kredietinstelling deze limieten overschrijdt.
Derde vraag
49
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 48, lid 3, van de GTM-kaderverordening aldus moet worden uitgelegd dat een toezichtprocedure kan worden geacht formeel ingesteld te zijn in de zin van die bepaling wanneer een kredietinstelling de nationale toezichthouder op de hoogte brengt van de overschrijding van de limieten bepaald in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013 of wanneer deze autoriteit al een besluit heeft vastgesteld in een parallelle procedure voor vergelijkbare inbreuken.
50
Krachtens artikel 33, lid 2, van de GTM-verordening heeft de ECB sinds 4 november 2014 de toezichttaken met betrekking tot kredietinstellingen die haar bij deze verordening zijn toegekend binnen het kader van het GTM op zich genomen.
51
Zoals uit overweging 9 van de GTM-kaderverordening blijkt, worden in deze verordening de in de GTM-verordening vastgelegde samenwerkingsprocedures tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM verder uitgewerkt en gespecificeerd, waardoor de effectieve en consistente werking van het GTM wordt verzekerd.
52
In artikel 2, punt 25, van de GTM-kaderverordening wordt een NBA-toezichtprocedure gedefinieerd als iedere NBA-activiteit die is gericht op het voorbereiden van de afgifte van een NBA-toezichtbesluit.
53
Bovendien zijn krachtens artikel 149 van deze verordening de in artikel 48 van de GTM-kaderverordening vastgelegde procedures van toepassing indien een NBA vóór 4 november 2014 toezichtprocedures heeft opgestart ten aanzien waarvan de ECB bevoegd wordt op basis van de GTM-verordening.
54
In lid 3 van deze laatste bepaling staat te lezen dat indien een formeel ingestelde toezichtprocedure waarop een besluit moet worden genomen niet kan worden afgerond vóór de datum waarop een verandering in de toezichtbevoegdheid plaatsvindt, de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt bevoegd blijft een dergelijke aanhangige toezichtprocedure af te ronden.
55
In casu blijkt uit het aan het Hof toegezonden dossier dat het besluit van de FMA van 11 mei 2015 over de overschrijding van de limieten in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013 door VTB in de loop van oktober 2014 was gebaseerd op een kennisgeving van de overschrijding door deze instelling op 3 november 2014, zijnde de dag vóór de overdracht van bevoegdheden van de FMA aan de ECB. Uit dat dossier blijkt ook dat dit besluit is genomen nadat de FMA een andere procedure wegens overschrijding van de limieten voor grote blootstellingen door VTB had ingesteld, die bij besluit van 30 oktober 2014 is afgesloten.
56
In de eerste plaats blijkt uit artikel 2, punt 25, van de GTM-kaderverordening dat alleen een procedure gevoerd door een NBA als een toezichtprocedure in de zin van die bepaling kan worden beschouwd. De handelingen van een kredietinstelling kunnen bijgevolg niet worden beschouwd als deel van een toezichtprocedure in de zin van deze bepaling.
57
Zoals de advocaat-generaal overigens heeft opgemerkt in punt 89 van zijn conclusie wordt met het bijwoord „formeel” in artikel 48, lid 3, van de GTM-kaderverordening, een uitdrukkelijk besluit tot inleiding van de procedure bedoeld, wat ook de materiële oorzaken zijn die tot de formele vaststelling van dat besluit hebben geleid, zoals een kennisgeving van de onder toezicht staande kredietinstelling.
58
Bijgevolg volstaat de loutere kennisgeving door VTB van 3 november 2014 niet om ervan uit te gaan dat de FMA op die datum „formeel” een toezichtprocedure heeft „ingesteld”.
59
In de tweede plaats is een toezichtprocedure van een NBA krachtens artikel 2, punt 25, van de GTM-kaderverordening gericht op de voorbereiding van een toezichtbesluit. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de procedure inzake de overschrijdingen tijdens de maanden maart tot en met september 2014 bij besluit van 30 oktober 2014 is afgesloten, dus vóór de kennisgeving op basis waarvan de andere procedure, die zich van de eerste onderscheidt, door de FMA is ingesteld en die tot het besluit van 11 mei 2015 heeft geleid.
60
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 48, lid 3, van de GTM-kaderverordening aldus moet worden uitgelegd dat een toezichtprocedure niet kan worden geacht formeel ingesteld te zijn in de zin van die bepaling wanneer een kredietinstelling de nationale toezichthouder op de hoogte brengt van de overschrijding van de limieten bepaald in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013 of wanneer deze autoriteit al een besluit in een parallelle procedure voor vergelijkbare inbreuken heeft vastgesteld.
Kosten
61
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1)
Artikel 64 en artikel 65, lid 1, van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG en artikel 395, leden 1 en 5, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan een kredietinstelling automatisch winstafromingsrente wordt opgelegd in geval van overschrijding van de limieten voor blootstelling zoals bepaald in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013, zelfs wanneer laatstgenoemde voldoet aan de voorwaarden in artikel 395, lid 5, van die verordening, waarin wordt toegestaan dat een kredietinstelling deze limieten overschrijdt.
2)
Artikel 48, lid 3, van verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening), moet aldus worden uitgelegd dat een toezichtprocedure niet kan worden geacht „formeel ingesteld” te zijn in de zin van die bepaling wanneer een kredietinstelling de nationale toezichthouder op de hoogte brengt van de overschrijding van de limieten bepaald in artikel 395, lid 1, van verordening nr. 575/2013, of wanneer de bevoegde autoriteit al een besluit in een parallelle procedure voor vergelijkbare inbreuken heeft vastgesteld.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy