ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
22 februari 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk douanetarief – Indeling van goederen – Europese geharmoniseerde norm EN 590:2013 – Postonderverdeling 2710 19 43 van de gecombineerde nomenclatuur – Relevante criteria voor de indeling van een goed als gasolie”
In zaak C‑185/17,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad – Varna (in casu optredend als bestuursrechter in laatste aanleg Varna, Bulgarije) bij beslissing van 30 maart 2017, ingekomen bij het Hof op 10 april 2017, in de procedure
Mitnitsa Varna
tegen
„SAKSA” ООD,
in tegenwoordigheid van:
Okrazhna prokuratura – Varna,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: E. Levits, kamerpresident, M. Berger (rapporteur) en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
–
Mitnitsa Varna, vertegenwoordigd door G. Kostov als gemachtigde,
–
„SAKSA” ООD, vertegenwoordigd door S. Zhelyazkova, адвокат,
–
de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door E. Petranova en L. Zaharieva als gemachtigden,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Caeiros, Y. G. Marinova en P. Mihaylova als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van voetnoot g bij tabel 3 van geharmoniseerde norm EN 590, in de versie van september 2013, met het opschrift „Brandstoffen voor wegvoertuigen – Brandstoffen voor dieselmotoren (gasolie) – vereisten en testmethoden” (hierna: „norm EN 590:2013”), alsook van aanvullende aantekening (GN) 2, onder d) en e), op hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), in de versie van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1101/2014 van de Commissie van 16 oktober 2014 (PB 2014, L 312, blz. 1) (hierna: „GN”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Mitnitsa Varna (douanekantoor Varna, Bulgarije) en „SAKSA” OOD betreffende de tariefindeling in de GN van een vluchtige minerale olie die deze vennootschap heeft aangegeven.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
De GN
3
De door verordening nr. 2658/87 ingestelde GN is gebaseerd op het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, welk systeem is opgesteld door de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (WCO), en ingevoerd bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen. Dit verdrag is, tezamen met het wijzigingsprotocol van 24 juni 1986, namens de Europese Economische Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1).
4
De algemene regels voor de interpretatie van de GN zijn neergelegd in het eerste deel, titel I, A, ervan. Hierin is met name het volgende bepaald:
„Voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur gelden de volgende bepalingen:
1.
De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.
[...]”
5
In het tweede deel van de GN, met als opschrift „Tabel van de rechten”, is in afdeling V in het bijzonder hoofdstuk 27 opgenomen, met als opschrift „Minerale brandstoffen, aardolie en distillatieproducten daarvan; bitumineuze stoffen; minerale was”.
6
Hoofdstuk 27 van de GN bevat post 2710, die als volgt luidt:
„2710
Aardolie en olie uit bitumineuze mineralen andere dan ruwe [...]”
7
Dat hoofdstuk 27 bevat tevens de volgende postonderverdelingen:
„2710 12
– – lichte oliën en preparaten
[...]
[...]
2710 19
– – andere
– – – halfzware oliën
[...]
[...]
– – – – bestemd voor ander gebruik
– – – – – kerosine (lamppetroleum of lampolie)
2710 19 21
– – – – – – reactiemotorbrandstof
2710 19 25
– – – – – – andere
[...]
[...]
– – – zware oliën
– – – – gasolie
[...]
[...]
– – – – – bestemd voor ander gebruik
2710 19 43
– – – – – – met een zwavelgehalte van niet meer dan 0,001 gewichtspercent”
8
Aanvullende aantekening (GN) 2 op hoofdstuk 27 van de GN luidt:
„Voor de toepassing van post 2710 worden aangemerkt als:
[...]
c)
‚halfzware oliën’ (postonderverdelingen 2710 19 11 tot en met 2710 19 29), de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 90 % bij 210 °C en voor ten minste 65 % bij 250 °C van hun volume overdistilleren, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);
d)
‚zware oliën’ (onderverdelingen 2710 19 31 tot en met 2710 19 99 en 2710 20 11 tot en met 2710 20 90), de oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 65 % van hun volume overdistilleren bij 250 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86), of waarvan het distillatiepercentage bij 250 °C volgens deze methode niet kan worden vastgesteld;
e)
‚gasolie’ (onderverdelingen 2710 19 31 tot en met 2710 19 48 en 2710 20 11 tot en met 2710 20 19), de onder d) hiervoor bedoelde zware oliën die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85 % van hun volume overdistilleren bij 350 °C, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405 (gelijkwaardig met de methode ASTM D 86);
[...]”
Richtlijn 98/70
9
In richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB 1998, L 350, blz. 58), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/77/EU van de Commissie van 10 juni 2014 (PB 2014, L 170, blz. 62) (hierna: „richtlijn 98/70”), is in artikel 1, met als opschrift „Toepassingsgebied”, het volgende bepaald:
„Deze richtlijn geeft, voor wat betreft wegvoertuigen [...]:
a)
technische specificaties van brandstoffen voor motoren met elektrische ontsteking en compressieontstekingsmotoren, ter bescherming van de gezondheid en het milieu, met inachtneming van de technische vereisten van deze motoren; en
b)
een streefcijfer voor de vermindering van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus.”
10
In artikel 4 van deze richtlijn, met het opschrift „Dieselbrandstof”, staat vermeld:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied slechts dieselbrandstof in de handel kan worden gebracht die voldoet aan de milieutechnische specificaties van bijlage II.
[...]”
11
Bijlage II bij deze richtlijn bevat milieutechnische specificaties voor in de handel verkrijgbare gasoliebrandstoffen voor voertuigen met compressieontstekingsmotoren. In voetnoot 1 van deze bijlage staat te lezen:
„De testmethoden komen overeen met de methoden van de norm EN 590:2013. Lidstaten mogen in plaats daarvan de in EN 590:2013 als vervangende norm aangemerkte testmethode gebruiken indien deze methode even nauwkeurig en precies is als de testmethode die wordt vervangen.”
Norm EN 590:2013
12
Norm EN 590:2013 is opgesteld door het Technisch Comité CEN/TC 19 „Vloeibare en gasvormige brandstoffen, smeermiddelen en verwante producten, gebaseerd op minerale oliën of van biologische of synthetische oorsprong”, en op 26 juli 2013 goedgekeurd door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) overeenkomstig een mandaat van de Europese Commissie van 13 november 2006 (M 394 – opdracht aan de CEN voor de herziening van norm EN 590 ter verhoging van de concentratie van FAME en FAEE tot 10 % vol.).
13
In de inleiding bij deze norm staat vermeld:
„Deze Europese norm moet als nationale norm worden overgenomen [...] en alle ermee strijdige nationale normen moeten uiterlijk in maart 2014 worden ingetrokken.
[...]
Dit document is opgesteld overeenkomstig een door de Europese Commissie en de Europese Vrijhandelsorganisatie aan de CEN verleend mandaat [...]
De vereisten van [richtlijn 98/70] [...] waaronder die opgenomen in de wijzigingen [...], zijn in aanmerking genomen. [...]”
14
In artikel 1 van deze norm is bepaald:
„De onderhavige Europese norm legt vereisten en testmethoden vast voor in de handel gebrachte en geleverde brandstof voor dieselmotoren (gasolie).”
15
Punt 5.6.1 van norm EN 590:2013 is als volgt verwoord:
„Voor de klimaatgebonden vereisten is voorzien in mogelijkheden om op nationaal niveau aan het seizoen aangepaste kwaliteitseigenschappen vast te stellen. Inzake het koudfilterpunt [‚Cold Filter Plugging Point’ (CFPP)] is er keuze uit zes kwaliteitsklassen voor gematigde klimatologische omstandigheden en vijf verschillende klassen voor arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden. De klimaatgebonden vereisten staan in tabel twee (gematigde klimatologische omstandigheden) en tabel drie (arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden). Brandstof voor dieselmotoren (gasolie) moet bij testen overeenkomstig de testmethoden van tabellen twee en drie voldoen aan de in deze tabellen vastgelegde grenswaarden.”
16
In tabel drie van deze norm, met het opschrift „Klimaatgebonden vereisten en testmethoden – arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden” is het volgende opgenomen:
„Parameter
Een‑heid
Grenswaarden
Testmethode [...]
Klasse 0
Klasse 1
Klasse 2
Klasse 3
Klasse 4
[...]
Distillatie g), h)
EN ISO 3405 i)
EN ISO 3924
Gerecupereerd destillaatdeel bij 180 °C
% vol. max.
10,0
10,0
10,0
10,0
10,0
Gerecupereerd destillaatdeel bij 340 °C
% vol. min.
95,0
95,0
95,0
95,0
95,0
[...]
g)
De omschrijving in het gemeenschappelijk douanetarief van de EU kan mogelijk niet worden toegepast op de voor gebruik onder arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden gedefinieerde klassen.
[...]”
Bulgaars recht
Douanewetboek
17
In artikel 234, lid 1, punt 1, van de Zakon za mitnitsite (douanewetboek), in de versie zoals van toepassing in het hoofdgeding, is bepaald dat eenieder die zich geheel of gedeeltelijk onttrekt of probeert te onttrekken aan de afdracht van douaneheffingen, zich schuldig maakt aan douanefraude.
18
Uit artikel 234, lid 3, punt 1, van deze wet volgt dat rechtspersonen bij douanefraude met aan accijns onderworpen handelsgoederen bestraft worden met een geldboete van 150 tot 250 % van het bedrag aan niet betaalde rechten.
Norm BDS EN 590:2014
19
Het Bulgaars normalisatie-instituut heeft norm EN 590:2013 in Bulgarije overgenomen in norm BDS EN 590:2014.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
Op 10 augustus 2015 is in de haven van Varna de tanker Cosmo binnengelopen. De tanker vervoerde een lading minerale olie met een totaal brutogewicht (onder vacuüm) van 4384630 kg. SAKSA heeft zich gemeld als afnemer van de handelswaar en heeft deze bij het douanekantoor in de haven van Varna onder GN-postonderverdeling 2710 19 43 aangegeven als „met waterstof behandelde gasolie 10 ppm, met een zwavelgehalte tot en met 0,001 gewichtspercent, voor arctische klimaatzones, klasse 4 van norm EN 590, 1236742 kg gewicht onder vacuüm, 1235100 kg gewicht onder lucht, 1517660 liter, dichtheid bij 15 °C van 816,1 kg/m3, in 24 tankwagons, overeenkomstig bijgevoegde omschrijving” teneinde deze goederen in het vrije verkeer te mogen brengen.
21
Bij brief van 11 augustus 2015 heeft het douanekantoor Varna met het oog op een analyse twee monsters van de aangegeven goederen aan het regionale douanelaboratorium Ruse (Bulgarije) verstuurd om de aard van de goederen te bepalen en tot een tariefindeling te komen. Volgens dit laboratorium bestond het bestudeerde monster uit aardolie met daaraan toegevoegd paraffine en naftenische koolwaterstoffen. Uit de distillatiekenmerken en de andere vastgestelde indicatoren is gebleken dat dit monster de uit aanvullende aantekening (GN) 2, onder c), op hoofdstuk 27 van de GN voortvloeiende eigenschappen van „halfzware oliën” had. Op grond van het verkregen resultaat werd het monster beschouwd als product afkomstig van de verwerking van aardolie, meer in het bijzonder kerosine.
22
Aangezien de betrokken handelswaar niet voor reactiemotoren werd verkocht, was de douane van mening dat de goederen niet onder de op 10 augustus 2015 aangegeven tariefcode moesten worden ingedeeld, maar onder GN-onderverdeling 2710 19 25, waarvoor ten opzichte van derde landen een douanetarief van 4,7 % geldt. Bijgevolg heeft de directeur van de douane Varna bij besluit van 3 november 2015 de tariefcode gewijzigd en betaling van aanvullende douanerechten ter hoogte van 53864,18 Bulgaarse leva (BGN) (ongeveer 27560 EUR) gelast, alsook van een bedrag aan belasting over de toegevoegde waarde van 10772,83 BGN (ongeveer 5500 EUR).
23
Bovendien was de douaneautoriteit van oordeel dat SAKSA krachtens artikel 234, lid 1, punt 1, van de Zakon za mitnitsite bestuursrechtelijke bestraffende sancties moesten worden opgelegd. Bijgevolg heeft de directeur van de douane Varna haar op grond van artikel 234, lid 3, punt 1, juncto artikel 234, lid 1, punt 1, van de Zakon za mitnitsite op 18 februari 2016 een geldboete van 96955,52 BGN (ongeveer 49600 EUR) opgelegd.
24
SAKSA heeft tegen deze sanctie beroep ingesteld bij de Varnenski Rayonen sad (rechter in eerste aanleg Varna, Bulgarije). Bij beslissing van 20 oktober 2016 heeft deze rechterlijke instantie de sanctie nietig verklaard na op basis van een op verzoek van SAKSA gelast chemisch onderzoek te hebben vastgesteld dat de litigieuze minerale olie beantwoordde aan de definitie van brandstof voor dieselmotoren bestemd voor gebruik in arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden, klasse 4, waarvan de eigenschappen zijn vastgelegd in norm „EN 590:2014”.
25
De douaneautoriteit heeft bij de Administrativen sad Varna (in casu optredend als bestuursrechter in laatste aanleg Varna, Bulgarije) een hogere voorziening tegen deze beslissing ingesteld. De door SAKSA ingeroepen norm EN 590, die vereisten en testmethoden voor in de handel gebrachte brandstof voor dieselmotoren vastlegt, is volgens deze douaneautoriteit niet doorslaggevend bij de vaststelling van de tariefindeling van brandstoffen.
26
Volgens de Administrativen sad Varna is het noodzakelijk de voetnoot in norm EN 590 uit te leggen, waarin staat dat „de omschrijving [van gasolie] in het gemeenschappelijk douanetarief van de [Europese Unie] [mogelijk niet kan] worden toegepast op de voor gebruik onder arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden gedefinieerde klassen”. Uit deze voetnoot valt immers niet duidelijk op te maken welke definitie bij deze brandstof moet worden gebruikt. Evenmin is het mogelijk op basis van deze noot de beoordelingsbevoegdheid van de met zaken hieromtrent belaste douaneautoriteit af te bakenen. Bovendien wordt niet duidelijk aangegeven welk verband er bestaat tussen allereerst de vereisten en testmethoden van de genoemde norm en daarnaast de tariefindeling van de brandstoffen.
27
In deze omstandigheden heeft de Administrativen sad Varna de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Betekent de regel in de toelichting bij tabel 3 van norm EN 590 (thans norm EN 590:2014), waarin is bepaald dat ‚[d]e omschrijving [van gasolie] in het gemeenschappelijk douanetarief van de [Europese Unie] [...] mogelijk niet [kan] worden toegepast op de voor gebruik onder arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden gedefinieerde klassen’, dat het mogelijk is om bij de bepaling van de tariefindeling van deze soort brandstof de algemene voorschriften in aanvullende aantekening (GN) 2, onder d) en e), op hoofdstuk 27 [van de GN] niet toe te passen?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord en het goed waar de douaneschuld betrekking op heeft, beantwoordt aan de definitie van ‚dieselbrandstof bestemd voor gebruik onder arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden’ van norm EN 590, moet dit dan worden ingedeeld onder GN-tariefpost 2710 19 43 voor ‚gasolie’, of zijn de algemene voorschriften in aanvullende aantekening (GN) 2, onder d) en e), op hoofdstuk 27 [van de GN] van toepassing?
3)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, volgens welke criteria moet dan worden beoordeeld wanneer de definitie van gasolie in de zin van het gemeenschappelijk douanetarief van de Europese Unie moet worden toegepast en wanneer voor de tariefindeling van de goederen de door norm EN 590 opgelegde vereisten en onderzoeksmethoden in acht moeten worden genomen?
4)
Volstaan de in aanvullende aantekening (GN) 2, onder d) en e), op hoofdstuk 27 [van de GN] genoemde methoden en indicatoren om een product volledig en nauwkeurig als ‚gasolie’ te kunnen identificeren, of moeten alle chemische indicatoren die voor het product kenmerkend zijn, bij het onderzoek worden betrokken?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
28
Vooraf zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe kan het nodig zijn dat het Hof de voorgelegde vragen herformuleert (arrest van 16 februari 2017, Aramex Nederland, C‑145/16, EU:C:2017:130, punt 19en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
Voorts dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechterlijke instantie weliswaar naar norm „EN 590:2014” verwijst, maar dat op de feiten in het hoofdgeding de norm in de versie van september 2013 van toepassing is. Deze door de CEN als norm EN 590:2013 aangeduide versie is nog altijd van kracht.
30
Met haar vragen, die tezamen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de GN aldus moet worden uitgelegd dat een minerale olie zoals die in het hoofdgeding kan worden ingedeeld onder GN‑postonderverdeling 2710 19 43 als gasolie, terwijl deze olie voldoet aan de vereisten bedoeld in norm EN 590:2013 inzake gasolie bestemd voor arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden.
31
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN-post en in de aantekeningen op de afdeling of het hoofdstuk zijn omschreven (arrest van 19 oktober 2017, Lutz, C‑556/16, EU:C:2017:777, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze objectieve kenmerken en eigenschappen van de producten moeten kunnen worden vastgesteld op het ogenblik van de inklaring (arrest van 26 mei 2016, Latvijas propāna gāze, C‑286/15, EU:C:2016:363, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
In de onderhavige zaak moet worden opgemerkt dat GN‑postonderverdeling 2710 19 43, die betrekking heeft op gasolie met een zwavelgehalte van niet meer dan 0,001 gewichtspercent, onder GN‑post 2710 valt, betreffende aardolie en olie uit bitumineuze mineralen andere dan ruwe. Om deze post te kunnen toepassen, wordt in aanvullende aantekening (GN) 2 op hoofdstuk 27 van de GN onder e), het begrip „gasolie” gedefinieerd.
33
Uit de tekst van dit punt e), juncto punt d), van deze aanvullende aantekening volgt hieromtrent dat met name als „gasolie” moeten worden aangemerkt oliën en preparaten die, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 65 % bij 250 °C en voor ten minste 85 % bij 350 °C van hun volume overdistilleren, een en ander bepaald volgens de methode ISO 3405.
34
Derhalve volgt uit de tekst van deze punten dat voor de tariefindeling van een goed als gasolie in geval van GN-post 2710 alleen bepalend is in welke mate dit goed op de aangeven temperaturen volgens de methode ISO 3405 overdistilleert.
35
Aangezien in de onderhavige zaak tussen de partijen in het hoofdgeding niet ter discussie staat dat de betrokken minerale olie volgens de methode ISO 3405 voor meer dan 65 % bij 250 °C overdistilleert, valt deze minerale olie niet onder de definitie van „gasolie” van aanvullende aantekening (GN) 2, onder e), op hoofdstuk 27 van de GN, en kan deze olie bijgevolg niet worden ingedeeld onder de onderverdeling voor producten die voldoen aan deze definitie.
36
Hoewel SAKSA stelt dat het betrokken product na de import ervan is verkocht als gasolie (dieselbrandstof), dient in herinnering te worden gebracht dat de bestemming van een product slechts een relevant criterium is indien de indeling niet uitsluitend op basis van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product kan worden verricht (arrest van 16 februari 2017, Aramex Nederland, C‑145/16, EU:C:2017:130, punt 23en aldaar aangehaalde rechtspraak). In de onderhavige zaak is dit niet het geval, aangezien uit de distillatie-eigenschappen van dit product juist volgt dat het voor de toepassing van GN-post 2710 niet onder de definitie van gasolie in de zin van aanvullende aantekening (GN) 2, onder e), valt.
37
Het is in dit opzicht niet van belang dat SAKSA heeft gerefereerd aan voetnoot g van tabel 3 van norm EN 590:2013, waarin staat dat de definitie van „gasolie” in de GN „mogelijk niet [kan] worden toegepast op de voor gebruik onder arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden gedefinieerde klassen”.
38
Norm EN 590:2013 is immers niet vastgesteld door een orgaan van de Unie, maar door de CEN, een privaatrechtelijke instelling.
39
Stellig kan uit de rechtspraak van het Hof worden afgeleid dat een door een privaatrechtelijke instelling ontwikkelde geharmoniseerde norm kan worden geacht deel uit te maken van de rechtsorde van de Unie indien deze norm op initiatief, onder leiding en onder toezicht van de Commissie tot stand is gekomen en dat een dergelijke norm na publicatie van de referentiegegevens ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie rechtsgevolgen kan sorteren (zie in die zin arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction, C‑613/14, EU:C:2016:821, punten 40, 43 en 44).
40
Het is ook juist dat de CEN norm EN 590:2013 heeft ontwikkeld op grond van mandaat M 394 van de Commissie van 13 november 2006. Nadat de CEN deze norm had ontwikkeld, heeft de Commissie in richtlijn 2014/77 bovendien de referentiegegevens ervan, die waren opgenomen in voetnoot 1 van bijlage II bij richtlijn 98/70, bijgewerkt.
41
Niettemin hoeft slechts te worden vastgesteld dat de verwijzing naar norm EN 590:2013 in voetnoot 1 van deze bijlage II uitsluitend betrekking heeft op de in deze norm vermelde testmethoden.
42
Aangezien in voetnoot g van tabel 3 van norm EN 590:2013 geen testmethode aan de orde is, kan deze voetnoot niet worden geacht deel uit te maken van het Unierecht en is zij dus niet relevant om de tariefindeling van goederen vast te stellen.
43
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de GN aldus dient te worden uitgelegd dat een minerale olie zoals die in het hoofdgeding op grond van haar distillatie-eigenschappen niet als gasolie onder postonderverdeling 2710 19 43 van de GN kan worden ingedeeld, zelfs niet wanneer deze olie voldoet aan de vereisten bedoeld in norm EN 590:2013 inzake gasolie bestemd voor arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden.
Kosten
44
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1101/2014 van de Commissie van 16 oktober 2014, dient aldus te worden uitgelegd dat een minerale olie zoals die in het hoofdgeding op grond van haar distillatie-eigenschappen niet als gasolie onder postonderverdeling 2710 19 43 van deze nomenclatuur kan worden ingedeeld, zelfs niet wanneer deze olie voldoet aan de vereisten bedoeld in geharmoniseerde norm EN 590:2013, in de versie van september 2013, inzake gasolie bestemd voor arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.