ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
27 juni 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Artikel 21, lid 1, VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten – Verblijfsrecht van een derdelander die familielid is van een burger van de Unie, in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit – Binnenkomst van dit familielid op het grondgebied van de lidstaat in kwestie nadat de burger van de Unie naar deze lidstaat is teruggekeerd”
In zaak C‑230/17,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het oosten van Denemarken) bij beslissing van 21 april 2017, ingekomen bij het Hof op 2 mei 2017, in de procedure
Erdem Deha Altiner,
Isabel Hanna Ravn
tegen
Udlændingestyrelsen,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, J. Malenovský, M. Safjan, D. Šváby en M. Vilaras (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Wahl,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 maart 2018,
gelet op de opmerkingen van:
–
Erdem Deha Altiner en Isabel Hanna Ravn, vertegenwoordigd door E.O.R. Khawaja, advokat,
–
de Deense regering, vertegenwoordigd door M. Søndahl Wolff, J. Nymann-Lindegren en C. Thorning als gemachtigden, bijgestaan door R. Holdgaard, advokat,
–
de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Pochet, L. Van den Broeck en M. Jacobs als gemachtigden,
–
Ierland, vertegenwoordigd door A. Joyce en L. Williams als gemachtigden,
–
de Noorse regering, vertegenwoordigd door I. S. Jansen als gemachtigde, bijgestaan door K. B. Moen, advokat,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Montaguti en M. Wilderspin als gemachtigden, bijgestaan door H. Peytz, advokat,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 21 VWEU en van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificaties in PB 2004, L 229, blz. 35, en PB 2018, L 94, blz. 32).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Erdem Deha Altiner [hierna: „Altiner (zoon)”] en Isabel Hanna Ravn enerzijds en de Udlændingestyrelse (immigratiedienst, Denemarken) anderzijds, over het besluit van de Udlændingestyrelse van 3 juni 2016 (hierna: „besluit van 3 juni 2016”) tot bevestiging van het eerdere besluit van de Statsforvaltning (regionaal staatsbestuur, Denemarken), waarbij het verzoek van Altiner (zoon) om toekenning van een verblijfsrecht in Denemarken als familielid van Ravn – een burger van de Unie – is afgewezen.
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 2004/38
3
Artikel 1 van richtlijn 2004/38, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt:
„Bij deze richtlijn worden vastgesteld:
a)
de voorwaarden voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden;
[...]”
4
In artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Definities”, is bepaald:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1.
‚burger van de Unie’: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit;
2.
,familielid’:
a)
de echtgenoot;
[...]
c)
de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot [...], beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
[...]
3.
‚gastland’: de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen.”
5
Artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Begunstigden”, bepaalt in lid 1:
„Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.”
6
Artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38 bepaalt:
„1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:
a)
indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,
b)
indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of
c)
–
indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en
–
indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit – door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze – de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; of
d)
indien hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a), b) of c) en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.
2. Het verblijfsrecht van lid 1 strekt zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, voor zover deze burger van de Unie voldoet aan de voorwaarden van lid 1, onder a), b) of c).”
Deens recht
7
§ 13 van bekendtgørelse nr. 474 om ophold i Danmark for udlændinge, der er omfattet af Den Europæiske Unions regler (besluit nr. 474 betreffende het verblijf in Denemarken van vreemdelingen op wie de voorschriften van de Europese Unie van toepassing zijn) van 12 mei 2011 luidt:
„Voor zover zulks uit het Unierecht voortvloeit, zijn familieleden van een Deens staatsburger verblijfsgerechtigd in Denemarken na de periode van drie maanden als bedoeld in § 2, leden 1 en 2, van de udlændingelov (vreemdelingenwet).”
8
Op 10 december 2014 heeft de immigratiedienst EU‑orientering nr. 1/14, Orientering til Statsforvaltningen om behandling af ansøgninger om familiesammenføring efter EU‑retten, hvor referencen er dansk statsborger (EU‑richtsnoer nr. 1/14 voor de Statsforvaltning betreffende de behandeling van verzoeken om gezinshereniging op grond van het Unierecht in gevallen waarin de gezinshereniger een Deens staatsburger is; hierna: „richtsnoer nr. 1/14”), vastgesteld.
9
In punt 4.1.5 van dit richtsnoer, met als opschrift „Temporeel verband tussen de terugkeer van een Deens staatsburger naar Denemarken en een verzoek om gezinshereniging op grond van het Unierecht”, is het volgende bepaald:
„Het familielid met een vreemde nationaliteit hoeft niet tezelfdertijd als de Deense staatsburger Denemarken binnen te komen.
Indien het familielid van een Deens staatsburger die in een ander land van de Europese Unie gebruikgemaakt heeft van zijn recht van vrij verkeer, pas om gezinshereniging op grond van de Unievoorschriften verzoekt op een later tijdstip dan dat waarop de Deense staatsburger naar Denemarken is teruggekeerd, dient in concreto te worden beoordeeld of het verzoek van het familielid is ingediend als natuurlijk vervolg op de terugkeer van de Deense staatsburger naar Denemarken.
Bij deze beoordeling dient betekenis te worden gehecht aan de reden voor het tijdsverloop tussen de terugkeer van de Deense staatsburger en de indiening van het verzoek. Zo dient in aanmerking te worden genomen of het familielid om specifieke professionele of onderwijsgerelateerde redenen de indiening van het verzoek heeft uitgesteld, en dient rekening te worden gehouden met de omvang van het tijdsverschil. Dat de indiening van het verzoek wordt uitgesteld, kan bijvoorbeeld te wijten zijn aan het feit dat de verzoeker eerst een aangevangen opleiding wil afmaken, wat onder meer kan worden gestaafd door overlegging van diploma’s. Voorts kunnen specifieke gezondheidsredenen, waaronder ernstige ziekte van de verzoeker of diens familieleden, aan het uitstel ten grondslag liggen.
Een uitstel van meerdere maanden kan in de regel evenwel niet worden gerechtvaardigd door de algemene wens om een betrekking te blijven uitoefenen of verder bij familie te verblijven.
Indien de indiening van het verzoek daarentegen meerdere maanden is uitgesteld om specifieke professionele redenen, waaronder de nakoming van een contractuele verplichting, wordt het verzoek in de regel geacht te zijn ingediend als natuurlijk vervolg op de terugkeer van de Deense staatsburger. Dit kan onder meer worden gestaafd met een arbeidsovereenkomst, waaruit bijvoorbeeld blijkt dat de betrokkene deelneemt aan een concreet bouwproject.
[...]
Wanneer de binnenkomst van het familielid in Denemarken samenvalt met de terugkeer van de Deense staatsburger naar Denemarken of een natuurlijk vervolg daarop is, maar dat familielid pas later een verzoek om gezinshereniging op grond van de Unievoorschriften indient, hoeft het verzoek niet als natuurlijk vervolg op de terugkeer van de Deense staatsburger te worden ingediend indien de betrokkene voor het overige voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor gezinshereniging met de Deense staatsburger op grond van de Unievoorschriften.
Alsdan geldt als voorwaarde dat het familielid Denemarken binnen is gekomen om er een gezinsleven te leiden met de Deense staatsburger, en dat het in aanmerking zou zijn gekomen voor gezinshereniging met de Deense staatsburger op grond van de Unievoorschriften indien het reeds bij binnenkomst [op het grondgebied] daarom had verzocht. Voorts moet de verzoeker aan deze voorwaarden blijven voldoen tot de indiening van het verzoek.
Bij de beoordeling van dergelijke gevallen is dus beslissend dat het familielid tijdens de hele periode heeft voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor gezinshereniging met de Deense staatsburger op grond van de Unievoorschriften, maar enkel geen verzoek daartoe heeft ingediend. In dat geval ontleent het familielid aan de Unievoorschriften een verblijfsrecht in Denemarken, ook al wordt het eigenlijke verzoek om toekenning van een verblijfskaart pas later ingediend.
Wanneer het verzoek niet bij binnenkomst [op het grondgebied] wordt ingediend, dient de verzoeker aan te tonen dat de binnenkomst samenviel met of een natuurlijk vervolg was op de terugkeer van de Deense staatsburger naar Denemarken, en dat hij tijdens de hele periode heeft voldaan aan de voorwaarden voor gezinshereniging met de Deense staatsburger op grond van de Unievoorschriften, wat onder meer inhoudt dat hij de hele tijd samen met de Deense staatsburger in Denemarken heeft verbleven. Dat kan bijvoorbeeld worden gestaafd door overlegging van kaartjes, adreswijzigingen in het bevolkingsregister, huurkwitanties enzovoort.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Altiner (zoon) is op 2 september 2004 geboren in Turkije en is Turks staatsburger. Zijn vader, Metin Altiner [hierna: „Altiner (vader)”], is op 17 juli 2008 in Denemarken aangekomen en is gescheiden van de moeder van Altiner (zoon). Op 26 oktober 2010 is Altiner (vader) hertrouwd met Ravn, die Deens staatsburger is en op dat ogenblik in Denemarken verbleef. Bij het vonnis waarin de echtscheiding van Altiner (vader) en de moeder van Altiner (zoon) is uitgesproken, is de moeder van Altiner (zoon) belast met het ouderlijke gezag over haar zoon. Altiner (zoon) heeft in Turkije bij zijn moeder – een Turks staatsburger – gewoond.
11
Ravn en Altiner (vader) hebben van 1 december 2012 tot 24 oktober 2014 in Zweden verbleven. Van 1 augustus 2013 tot 9 september 2013 en van 8 juli 2014 tot 2 september 2014 heeft Altiner (zoon) Zweden bezocht met een visum dat geldig was voor het Schengengebied, en bij hen verbleven.
12
Op 24 oktober 2014 zijn Ravn en Altiner (vader) teruggekeerd naar Denemarken, waar zij sindsdien hebben verbleven. Op 25 juni 2015 is Altiner (zoon) Denemarken binnengekomen met een Schengenvisum dat geldig was tot 30 september 2015.
13
Twee dagen nadat Altiner (zoon) op 15 juli 2015 de schriftelijke toestemming van zijn moeder had verkregen, heeft hij bij de Statsforvaltning een verzoek om een verblijfsrecht in de Unie als familielid van Ravn – de echtgenote van zijn vader – ingediend.
14
Bij besluit van 9 maart 2016 heeft de Statsforvaltning dit verzoek afgewezen op grond dat de indiening ervan geen natuurlijk vervolg was op de terugkeer van Ravn naar Denemarken. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat de Statsforvaltning in zijn afwijzende besluit heeft gepreciseerd dat hij geen standpunt innam met betrekking tot de vraag of Altiner (zoon) door zijn verblijf in Zweden in deze lidstaat een gezinsleven met Ravn had kunnen opbouwen of bestendigen. Tegen deze afwijzing is bij de immigratiedienst administratief beroep ingesteld, dat deze laatste bij besluit van 3 juni 2016 heeft verworpen.
15
In dit besluit heeft de immigratiedienst opgemerkt dat Altiner (zoon) niet op hetzelfde ogenblik als Ravn is binnengekomen op het Deense grondgebied en dat zijn verzoek om toekenning van een verblijfsrecht geen natuurlijk vervolg is op de terugkeer van Ravn naar Denemarken. Volgens deze dienst vervalt het afgeleide verblijfsrecht in Denemarken van een derdelander die familielid is van een Deens staatsburger die terugkeert naar Denemarken nadat hij in een andere lidstaat heeft verbleven, wanneer de binnenkomst van het betrokken familielid op het Deense grondgebied of de indiening van het verzoek om toekenning van een verblijfsrecht in Denemarken geen natuurlijk vervolg is op de terugkeer van de Deense staatsburger.
16
Op 15 juni 2016 hebben Altiner (zoon) en Ravn tegen het besluit van 3 juni 2016 beroep ingesteld bij de Københavns Byret (rechter in eerste aanleg Kopenhagen, Denemarken), die bij beschikking van 18 oktober 2016 de zaak heeft verwezen naar de verwijzende rechter.
17
De verwijzende rechter vermeldt dat er tussen de partijen onenigheid bestaat over de verenigbaarheid met het Unierecht van de bepaling in de Deense regeling volgens welke het verblijfsrecht van een derdelander die familielid is van een Deens staatsburger die naar Denemarken is teruggekeerd nadat hij heeft gebruikgemaakt van zijn recht van vrij verkeer, is verbonden aan de voorwaarde dat de binnenkomst op het Deense grondgebied van dat familielid of de indiening door dat familielid van een verzoek om toekenning van een verblijfsrecht, een „natuurlijk vervolg” is op de terugkeer van de Deense staatsburger in kwestie. Verzoekers in het hoofdgeding zijn van mening dat een dergelijke voorwaarde in strijd is met het Unierecht, met name met artikel 21 VWEU.
18
Daarom heeft de Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het oosten van Denemarken) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Verzet artikel 21 VWEU, gelezen in samenhang met [richtlijn 2004/38], zich ertegen dat een lidstaat een afgeleid verblijfsrecht ontzegt aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die de nationaliteit van die lidstaat bezit en daarheen is teruggekeerd na zijn recht van vrij verkeer te hebben uitgeoefend, wanneer de binnenkomst van het familielid of de indiening van zijn verzoek om toekenning van een verblijfsrecht geen natuurlijk vervolg is op de terugkeer van de burger van de Unie?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
19
Vooraf zij opgemerkt dat de Belgische en de Noorse regering in hun bij het Hof ingediende opmerkingen, onder verwijzing naar de relatief beperkte duur van de twee verblijfsperioden van Altiner (zoon) in Zweden, twijfels hebben geuit omtrent de vraag of deze persoon kan worden geacht daadwerkelijk in deze lidstaat te hebben verbleven en aldus een gezinsleven heeft kunnen opbouwen of bestendigen met de betrokken burger van de Unie – in casu Ravn –, zodat hij in Denemarken beschikt over een op het Unierecht gebaseerd afgeleid verblijfsrecht. De Noorse regering is van mening dat de prejudiciële vraag in deze omstandigheden kan worden geacht een hypothetisch karakter te hebben.
20
Het is juist dat het daadwerkelijke verblijf in het gastland van een burger van de Unie en zijn familielid dat derdelander is, bij terugkeer van deze burger van de Unie in de lidstaat van zijn nationaliteit een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, lid 1, VWEU doet ontstaan ten gunste van de derdelander met wie die burger van de Unie een gezinsleven in het gastland heeft geleid.
21
In casu blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter die zijn samengevat in de punten 13 tot en met 15 van dit arrest, dat het door Altiner (zoon) krachtens het Unierecht ingediende verzoek om toekenning van een verblijfsrecht, in laatste instantie is afgewezen door de immigratiedienst, niet op grond dat tijdens het verblijf van Altiner (zoon) in Zweden geen gezinsleven tussen hem, Altiner (vader) en Ravn kon worden opgebouwd of bestendigd, maar op grond dat zijn binnenkomst op het Deense grondgebied en de indiening van zijn verzoek om toekenning van een verblijfsrecht niet samenvielen met de terugkeer van Ravn naar Denemarken of daarvan geen natuurlijk gevolg waren, zoals richtsnoer nr. 1/14 nochtans vereist.
22
Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudicieel verzoek van een nationale rechter wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en voorts wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punten 19 en 20).
23
In deze omstandigheden kan, onverminderd de mogelijkheid voor de verwijzende rechter om in voorkomend geval de feitelijke elementen van de voor hem betwiste bestuurshandeling te controleren, niet worden geoordeeld dat de prejudiciële vraag – die in wezen betrekking heeft op de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale regeling zoals richtsnoer nr. 1/14 – geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding of een hypothetisch probleem betreft.
24
Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Ten gronde
25
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 21 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die niet voorziet in de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op grond van het Unierecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die de nationaliteit van deze lidstaat heeft en die naar deze lidstaat terugkeert nadat hij in een andere lidstaat heeft verbleven krachtens en onder eerbiediging van het Unierecht, wanneer dat familielid van de betrokken burger van de Unie niet op het grondgebied van deze lidstaat is binnengekomen of daar geen verzoek om toekenning van een verblijfsrecht heeft ingediend „als natuurlijk vervolg” op de terugkeer van de betrokken burger van de Unie naar deze lidstaat.
26
In dit verband zij meteen eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat wanneer een burger van de Unie een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf krachtens en onder eerbiediging van artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38, in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, de nuttige werking van de rechten die de betrokken burger van de Unie aan artikel 21, lid 1, VWEU ontleent, vereist dat het gezinsleven dat deze burger in het gastland heeft geleid, kan worden voortgezet bij diens terugkeer in de lidstaat van zijn nationaliteit, middels de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan het betrokken familielid dat derdelander is. Zonder een dergelijk afgeleid verblijfsrecht zou de betrokken burger van de Unie immers ervan worden weerhouden de lidstaat van zijn nationaliteit te verlaten om zijn recht uit te oefenen om krachtens artikel 21, lid 1, VWEU in een andere lidstaat te verblijven, omdat hij niet de zekerheid heeft dat hij in zijn lidstaat van oorsprong een gezinsleven met zijn naaste verwanten dat hij in het gastland heeft opgebouwd of bestendigd, kan voortzetten (arresten van 12 maart 2014, O. en B., C‑456/12, EU:C:2014:135, punt 54, en 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 24).
27
Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de voorwaarden waaronder bij de terugkeer van een burger van de Unie naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, krachtens artikel 21, lid 1, VWEU een afgeleid verblijfsrecht toekomt aan een derdelander die familielid is van die burger van de Unie en bij wie die burger in het gastland louter in zijn hoedanigheid van burger van de Unie heeft verbleven, in beginsel niet strenger mogen zijn dan die welke richtlijn 2004/38 verbindt aan de toekenning van een dergelijk verblijfsrecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit te vestigen. Hoewel richtlijn 2004/38 niet een dergelijk geval van terugkeer betreft, dient zij naar analogie te worden toegepast wat de voorwaarden betreft van het verblijf van de burger van de Unie in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit, daar het in beide gevallen de burger van de Unie is die de referentiepersoon is voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander die familielid van deze burger van de Unie is (arrest van 12 maart 2014, O. en B., C‑456/12, EU:C:2014:135, punt 50).
28
Er zij aan herinnerd dat het afgeleide verblijfsrecht dat krachtens artikel 7, lid 2, van richtlijn 2004/38 wordt toegekend aan de familieleden van een burger van de Unie die zich gevestigd heeft op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit, niet afhankelijk is van de voorwaarde dat die familieleden op het grondgebied van deze lidstaat binnenkomen binnen een bepaalde termijn na de binnenkomst van die burger van de Unie.
29
Volgens die bepaling wordt in een dergelijke situatie immers een afgeleid verblijfsrecht toegekend aan familieleden van een burger van de Unie, niet enkel wanneer zij deze burger „begeleiden” in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, maar eveneens wanneer zij zich bij hem „voegen” in die lidstaat.
30
Overigens zij eraan herinnerd dat het eventuele verblijfsrecht van een derdelander in een lidstaat van de Unie is afgeleid uit de uitoefening van het recht van vrij verkeer door een burger van de Unie (zie in die zin arrest van 12 maart 2014, O. en B., C‑456/12, EU:C:2014:135, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Aangezien de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht krachtens artikel 21, lid 1, VWEU ertoe strekt de betrokken burger van de Unie in staat te stellen het gezinsleven dat hij in het gastland heeft opgebouwd of bestendigd met zijn familielid dat derdelander is, voort te zetten in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, hebben de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit het recht om, alvorens een dergelijk verblijfsrecht toe te kennen, te controleren of dat gezinsleven van de burger van de Unie en de derdelander die lid is van zijn familie, niet was onderbroken voordat de derdelander is binnengekomen in de lidstaat waarvan de betrokken burger van de Unie de nationaliteit bezit.
32
In het kader van dit onderzoek kan de betreffende lidstaat rekening houden met het feit dat de derdelander die familielid is van een onderdaan van deze lidstaat, is binnengekomen op zijn grondgebied lang nadat die onderdaan was teruggekeerd naar dat grondgebied.
33
Het kan evenwel niet worden uitgesloten dat het gezinsleven van een burger van de Unie en een familielid dat derdelander is – dat is opgebouwd of bestendigd tijdens hun verblijf in het gastland krachtens en onder eerbiediging van het Unierecht – wordt voortgezet, hoewel deze burger terugkeert naar de lidstaat van zijn nationaliteit zonder het betrokken familielid, dat met name om redenen die verband houden met zijn persoonlijke situatie, beroep of opleiding ertoe gehouden is zijn binnenkomst in de lidstaat van herkomst van de betrokken burger van de Unie uit te stellen.
34
Derhalve is het feit dat het verzoek om toekenning van een verblijfsrecht geen „natuurlijk vervolg” is op de terugkeer van de burger van de Unie een relevante factor die, zonder dat hij op zichzelf beslissend is, ertoe kan leiden dat het land van herkomst van de betrokken burger van de Unie in het kader van een algemene beoordeling vaststelt dat er geen verband bestaat tussen dat verzoek en de voorafgaande uitoefening van het recht van vrij verkeer door die burger van de Unie en, bijgevolg, weigert een dergelijk verblijfsrecht toe te kennen.
35
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 21, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die niet voorziet in de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op grond van het Unierecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die de nationaliteit van deze lidstaat heeft en naar deze lidstaat terugkeert nadat hij in een andere lidstaat heeft verbleven krachtens en onder eerbiediging van het Unierecht, wanneer dat familielid van de betrokken burger van de Unie niet op het grondgebied van de lidstaat van herkomst van die burger van de Unie is binnengekomen of daar geen verzoek om toekenning van een verblijfsrecht heeft ingediend „als natuurlijk vervolg” op de terugkeer van de betrokken burger van de Unie naar deze lidstaat, voor zover deze regeling vereist dat in het kader van een algemene beoordeling ook andere relevante factoren in aanmerking worden genomen, met name factoren die kunnen aantonen dat – niettegenstaande het tijdsverloop tussen de terugkeer van de burger van de Unie naar die lidstaat en de binnenkomst in dezelfde lidstaat van zijn familielid dat derdelander is – het in het gastland opgebouwde en bestendigde gezinsleven niet is beëindigd, wat de toekenning aan het betrokken familielid van een afgeleid verblijfsrecht rechtvaardigt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
Kosten
36
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 21, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die niet voorziet in de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op grond van het Unierecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die de nationaliteit van deze lidstaat heeft en naar deze lidstaat terugkeert nadat hij in een andere lidstaat heeft verbleven krachtens en onder eerbiediging van het Unierecht, wanneer dat familielid van de betrokken burger van de Unie niet op het grondgebied van de lidstaat van herkomst van die burger van de Unie is binnengekomen of daar geen verzoek om toekenning van een verblijfsrecht heeft ingediend „als natuurlijk vervolg” op de terugkeer van de betrokken burger van de Unie naar deze lidstaat, voor zover deze regeling vereist dat in het kader van een algemene beoordeling ook andere relevante factoren in aanmerking worden genomen, met name factoren die kunnen aantonen dat – niettegenstaande het tijdsverloop tussen de terugkeer van de burger van de Unie naar die lidstaat en de binnenkomst in dezelfde lidstaat van zijn familielid dat derdelander is – het in het gastland opgebouwde en bestendigde gezinsleven niet is beëindigd, wat de toekenning aan het betrokken familielid van een afgeleid verblijfsrecht rechtvaardigt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Deens.
Full & Egal Universal Law Academy