ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
4 oktober 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Termijn die is gesteld in het recht van de ter uitvoering van een bevel tot conservatoir beslag aangezochte lidstaat – Toepassing van deze termijn op een beslagleggingstitel die in een andere lidstaat is verkregen en in de aangezochte staat uitvoerbaar is verklaard”
In zaak C‑379/17,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 11 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2017, in de procedure ingeleid door
Società Immobiliare Al Bosco Srl,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Rosas, C. Toader (rapporteur), A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 april 2018,
gelet op de opmerkingen van:
–
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, J. Techert en M. Hellmann als gemachtigden,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 2018,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 38, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een door Società Immobiliare Al Bosco Srl (hierna: „Al Bosco”) ingeleide procedure inzake de tenuitvoerlegging – middels inschrijving van een hypotheek op onroerend goed tot zekerheid van een schuldvordering – van een bevel tot conservatoir beslag dat is uitgevaardigd door de Tribunale di Gorizia (rechter in eerste aanleg Gorizia, Italië) tegen Gunter Hober, en uitvoerbaar verklaard in Duitsland door het Landgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 2, 6, 10, 16 en 17 van verordening nr. 44/2001 luiden als volgt:
„(2)
Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.
[…]
(6)
Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtstreeks toepasselijk besluit van de Gemeenschap neer te leggen.
[…]
(10)
Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen dienen beslissingen, gegeven in een lidstaat waarvoor deze verordening verbindend is, in een andere lidstaat waarvoor deze verordening verbindend is, te worden erkend en ten uitvoer gelegd […]
[…]
(16)
Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.
(17)
Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.”
4
Artikel 38, lid 1, van die verordening luidt:
„De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.”
5
Artikel 41 van voornoemde verordening luidt:
„De beslissing wordt uitvoerbaar verklaard zodra de formaliteiten van artikel 53 vervuld zijn, zonder toetsing uit hoofde van de artikelen 34 en 35. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.”
6
Artikel 66, lid 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), waarbij verordening nr. 44/2001 is ingetrokken, bepaalt:
„[V]erordening (EG) nr. 44/2001 [blijft] van toepassing op beslissingen gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld, op authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en op gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen vóór 10 januari 2015 en die onder die verordening vallen.”
Duits recht
7
§ 929, lid 2, van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „ZPO”), met als opschrift „Formule van tenuitvoerlegging; uitvoeringstermijn”, maakt deel uit van afdeling 5, betreffende conservatoire beslagen en voorlopige voorzieningen, van boek 8 van de ZPO, dat betrekking heeft op tenuitvoerleggingsmaatregelen. De leden 2 en 3 van dit artikel luiden:
„(2) De tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag is onrechtmatig wanneer één maand is verstreken sinds de dag waarop het beslagbevel werd gegeven of waarop het werd betekend aan de partij die om de afgifte ervan heeft verzocht.
(3) Tenuitvoerlegging is toegestaan voordat het bevel tot conservatoir beslag aan de schuldenaar is betekend. Zij sorteert evenwel geen effect wanneer de betekening niet heeft plaatsgevonden binnen één week na de tenuitvoerlegging en vóór het verstrijken van de daarvoor in het vorige lid gestelde termijn.”
8
§ 932 van de ZPO, „Conservatoir beslag middels hypothecaire inschrijving” bepaalt:
„(1) De tenuitvoerlegging van een onroerend conservatoir beslag […] vindt plaats door de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van de schuldvordering […].
[…]
(3) Het verzoek om inschrijving van de hypotheek geldt als tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag in de zin van § 929, leden 2 en 3.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9
Al Bosco, een vastgoedonderneming naar Italiaans recht, heeft op 19 november 2013 van de Tribunale di Gorizia een bevel verkregen dat haar toestond om jegens Hober conservatoir beslag te leggen op zowel materiële als immateriële roerende en onroerende zaken, tot een bedrag van 1000000 EUR.
10
Op 22 augustus 2014 is dat bevel tot conservatoir beslag door het Landgericht München krachtens verordening nr. 44/2001 uitvoerbaar verklaard in Duitsland.
11
Op 23 april 2015 heeft Al Bosco verzocht om inschrijving van een hypotheek op de in Duitsland gelegen onroerende goederen van de schuldenaar, te weten een koopwoning en twee plaatsen in een ondergrondse parkeergarage. Dit verzoek werd door het Amtsgericht München – Grundbuchamt (rechter in eerste aanleg München, verantwoordelijk voor het kadaster, Duitsland) afgewezen.
12
Al Bosco heeft tegen de beslissing van die rechter beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht München (rechter in tweede aanleg München, Duitsland). Deze laatste heeft het beroep verworpen wegens het verstrijken van de termijn van § 929, lid 2, van de ZPO. Voornoemde rechter heeft namelijk geoordeeld dat die termijn van toepassing is op de tenuitvoerlegging van een door een Italiaanse rechter uitgevaardigde beslagleggingstitel, die na de erkenning ervan in Duitsland vergelijkbaar is met een door een Duitse rechter uitgevaardigde beslagleggingstitel. Bovendien overwoog hij dat deze bepaling geen betrekking heeft op de geldigheid van een in een andere lidstaat verkregen beslagleggingstitel, maar op de tenuitvoerlegging ervan, waarop de lex fori van toepassing is.
13
Op 15 juni 2016 heeft Al Bosco hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van het Oberlandesgericht München. In dit hoger beroep voert Al Bosco aan dat de tenuitvoerleggingstermijn van artikel 675 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering – dat bepaalt dat het bevel dat toestemming verleent voor de beslaglegging, zijn effect verliest indien het niet binnen 30 dagen na uitvaardiging ten uitvoer wordt gelegd – is nageleefd, aangezien de beslaglegging heeft plaatsgevonden binnen 30 dagen na het bevel van 30 november 2013. Zij stelt dat niet kan worden vereist dat naast de termijn op grond van het Italiaanse recht ook de termijn uit het Duitse recht in acht wordt genomen.
14
De verwijzende rechter vraagt zich af of een nationale bepaling als § 929, lid 2, van de ZPO verband houdt met de uitvoerbaarheid van een bevel dat toestemming verleent tot conservatoir beslag en dat overeenkomstig artikel 38 van verordening nr. 44/2001 valt onder het recht van de lidstaat waar die titel is verstrekt, dan wel of deze bepaling betrekking heeft op de tenuitvoerlegging in eigenlijk zin van een in een andere lidstaat uitgegeven executoriale titel, in welk geval de toepasselijke regels in beginsel die van de aangezochte lidstaat zijn.
15
De verwijzende rechter merkt op dat de grondslag van de gedwongen tenuitvoerlegging in Duitsland van een beslagleggingstitel die in een andere lidstaat is verstrekt, de nationale verklaring van uitvoerbaarheid is. Indien wordt verzocht om de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van schuldvordering, moet het kadaster autonoom onderzoeken of aan de uit het Duitse recht voortvloeiende tenuitvoerleggingsvoorwaarden is voldaan. Volgens de verwijzende rechter heeft de appelrechter immers terecht – en zonder dat dit in kader van het hoger beroep wordt betwist – het in Italië uitgesproken conservatoire beslag, gelet op de functie ervan, gekwalificeerd als een beslagleggingstitel naar Duits recht, die overeenkomstig § 932 van de ZPO ten uitvoer is gelegd middels het verzoek tot inschrijving van een hypotheek. Derhalve zijn in het onderhavige geval de tenuitvoerleggingsvoorwaarden van toepassing die zijn vastgelegd in Duitse bepalingen inzake de tenuitvoerlegging van titels tot conservatoir beslag, met name § 929, lid 2, van de ZPO.
16
De verwijzende rechter geeft aan dat wanneer de termijn van § 929, lid 2, van de ZPO is verstreken, het bevel tot conservatoir beslag niet meer ten uitvoer kan worden gelegd. De verwijzende rechter preciseert in dit verband dat wanneer deze termijn wordt toegepast op beslissingen die in een andere lidstaat zijn genomen, hij wordt berekend vanaf de datum van kennisgeving van de verklaring van uitvoerbaarheid aan de schuldeiser. Deze regeling strekt tot bescherming van de schuldenaar, teneinde te voorkomen dat op basis van een summiere procedure in kort geding gegeven beslissingen, gedurende relatief lange tijd en ondanks eventueel gewijzigde omstandigheden uitvoerbaar blijven.
17
De verwijzende rechter meent dat – zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof – vanuit technisch-juridisch oogpunt de tenuitvoerleggingstermijn onder het nationale recht van de aangezochte rechter valt, zonder te worden beheerst door verordening nr. 44/2001 (arresten van 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini, 119/84, EU:C:1985:388, punt 16; 29 april 1999, Coursier, C‑267/97, EU:C:1999:213, punt 28, en 28 april 2009, Apostolides, C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 69). Hiernaast heeft deze termijn tot gevolg dat de uitvoerbaarheid van de titel na verloop van een bepaalde tijd eindigt. Het effect van die termijn verschilt uiteindelijk niet van dat van de ongeldigverklaring van een titel in het kader van de beroepsprocedure. Dientengevolge zou de toepassing van deze termijn op een in een andere lidstaat uitgevaardigd bevel tot conservatoir beslag in strijd kunnen zijn met de rechtspraak van het Hof, volgens welke de toepassing van de procedureregels van de lidstaat van tenuitvoerlegging geen afbreuk mag doen aan de in verordening nr. 44/2001 neergelegde beginselen (arresten van 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini, 119/84, EU:C:1985:388, punt 21, en 28 april 2009, Apostolides, C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 69).
18
Tot slot wijst deze rechter erop dat de nationale rechtspraak en de rechtsleer verdeeld zijn op het punt van de draagwijdte van § 929, lid 2, van de ZPO. Sommige Duitse rechters hebben in dit verband geoordeeld dat deze bepaling betrekking heeft op de uitvoerbaarheid van het bevel tot goedkeuring van een conservatoir beslag en alleen van toepassing kan zijn op Duitse beslagleggingstitels, terwijl anderen overwegen dat voornoemde bepaling tevens van toepassing is op beslagleggingstitels die zijn verstrekt in andere lidstaten en in Duitsland uitvoerbaar zijn verklaard. De appelrechter was van mening dat in het kader van de exequaturprocedure zowel de naleving moet worden onderzocht van de tenuitvoerleggingstermijn naar het recht van de lidstaat van herkomst, als van de termijn die is voorzien in het recht van de lidstaat die is aangezocht voor de tenuitvoerlegging in eigenlijke zin.
19
Bovendien merkt de verwijzende rechter als element van rechtsvergelijking op dat de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) van mening is dat de uitvoeringstermijn van 5 jaar van artikel 518 van de Ley de Enjuiciamiento Civil (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), die met name van toepassing is op rechterlijke uitspraken, tevens dient te worden toegepast op uitspraken die in andere lidstaten zijn gegeven en in Spanje uitvoerbaar zouden moeten worden verklaard.
20
Daarop heeft het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is het in overeenstemming met artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001, dat een in het recht van de staat van tenuitvoerlegging gestelde termijn, op grond waarvan een titel na verloop van een bepaalde periode niet meer ten uitvoer mag worden gelegd, ook wordt toegepast op een functioneel vergelijkbare titel die in een andere lidstaat is afgegeven en in de staat van tenuitvoerlegging is erkend en uitvoerbaar is verklaard?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 38 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een wettelijke regeling van een lidstaat – zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding – waarbij een termijn is gesteld voor de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag, wordt toegepast ingeval een dergelijk bevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd en in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is verklaard.
22
Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat krachtens artikel 66, lid 2, van verordening nr. 1215/2012, verordening nr. 44/2001 van toepassing blijft op beslissingen die zijn gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld vóór 10 januari 2015 en die binnen de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening vallen. Dit is in casu het geval, aangezien het bevel op grond waarvan de in Italië uitgevaardigde titel tot conservatoir beslag in Duitsland uitvoerbaar is verklaard, dateert van 22 augustus 2014.
23
Blijkens de bewoordingen van artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 kunnen de beslissingen die in een lidstaat zijn gegeven en daar uitvoerbaar zijn, in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.
24
Zoals volgt uit artikel 41 van verordening nr. 44/2001, dienen de autoriteiten van de aangezochte lidstaat zich, met het oog op de afgifte van de uitvoerbaarverklaring van een beslissing die is gegeven in een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, te beperken tot een louter formele toetsing van de krachtens artikel 53 van die verordening vereiste documenten (zie in die zin arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, EU:C:2011:653, punten 28‑30).
25
Dat het hier een beperkte controle betreft vindt zijn rechtvaardiging in het doel van de exequaturprocedure, dat er niet in bestaat een nieuwe procedure in te leiden, maar veeleer, op basis van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de lidstaten, ermee in te stemmen dat de beslissing die is gegeven door een rechterlijke instantie van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, in de aangezochte lidstaat wordt uitgevoerd door deze in diens rechtsorde op te nemen. Dankzij deze procedure kan een beslissing die in een andere dan de aangezochte lidstaat is gegeven, in deze laatste lidstaat de gevolgen sorteren die een binnenlandse executoriale titel heeft (zie in die zin arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 31).
26
Tevens moet in herinnering worden gebracht dat verordening nr. 44/2001 enkel regels stelt voor de exequaturprocedure voor executoriale titels die zijn verstrekt door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, en niet voor de tenuitvoerlegging zelf, die onderworpen blijft aan het nationale recht van de aangezochte rechter, waarbij de toepassing van de procedureregels van de aangezochte lidstaat in het kader van de tenuitvoerlegging, geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van de exequaturregeling van die verordening door de beginselen te doorkruisen die deze verordening uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend met betrekking tot de onderhavige materie stelt (arrest van 28 april 2009, Apostolides, C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 69).
27
In de eerste plaats dient dus te worden bepaald of de in § 929, lid 2, van de ZPO voorziene termijn verband houdt met de uitvoerbaarheid van een bevel dat toestemming verleent tot conservatoir beslag en dat is verstrekt door een rechter in een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, dan wel of die bepaling betrekking heeft op de tenuitvoerlegging in eigenlijke zin.
28
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het doel van de exequaturprocedure de erkenning van de effecten van een in een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat gegeven beslissing is. Deze erkenning betreft de specifieke kenmerken van die beslissing, waarbij de feitelijke en juridische elementen met betrekking tot de uitvoering van de eruit voortvloeiende verplichtingen buiten beschouwing blijven (arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 39).
29
In het onderhavige geval volgt uit de verwijzingsbeslissing dat het door het Tribunale di Gorizia (rechter in eerste aanleg Gorizia, Italië) uitgevaardigde bevel tot conservatoir beslag overeenkomstig de exequaturregels uitvoerbaar is verklaard in Duitsland.
30
Blijkens de bepalingen van Duits recht, en met name § 932, lid 1, van de ZPO, wordt een bevel tot conservatoir beslag op onroerend goed ten uitvoer gelegd door inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van schuldvordering in het kadaster. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag niet toegestaan na het verstrijken van de in § 929, lid 2, van de ZPO gestelde termijn. Zoals volgt uit de verwijzingsbeslissing beperkt deze termijn de gedwongen tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag, maar niet de geldigheid ervan.
31
Zowel de inschrijving van een hypotheek tot zekerheid van schuldvordering bij de voor het kadaster verantwoordelijke dienst, als de termijn die voor deze inschrijving geldt, behoort tot de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag dat is uitgevaardigd door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, zoals het bevel dat aan de orde is in het hoofdgeding, dat uitvoerbaar is als gevolg van de erkenning ervan in de aangezochte lidstaat. Zij vallen dus onder de procedurele regels die in het Duitse recht zijn vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van bevelen die toestemming verlenen tot conservatoir beslag.
32
Het feit dat de toepassing van een tenuitvoerleggingstermijn, zoals die in § 929, lid 2, van de ZPO, een beperking in de tijd vormt van de uitvoerbare effecten van een door een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat gegeven beslissing, doet niet af aan de uitlegging volgens welke deze termijn betrekking heeft op de fase van tenuitvoerlegging in eigenlijke zin.
33
Aangezien de tenuitvoerlegging in eigenlijke zin van een beslissing die is gegeven door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, en in die lidstaat uitvoerbaar is, door de Uniewetgever niet is geharmoniseerd, zijn de procedurele regels van de aangezochte lidstaat inzake tenuitvoerlegging van toepassing.
34
In het bijzonder moet worden vastgesteld dat, aangezien verordening nr. 44/2001 geen regels bevat betreffende de tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn gegeven door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat, het deze laatste vrijstaat om in zijn rechtsorde te voorzien in toepassing van een termijn voor de tenuitvoerlegging van dergelijke beslissingen, die in deze laatste lidstaat zijn erkend en uitvoerbaar verklaard.
35
Wanneer die beslissing eenmaal in de rechtsorde van de aangezochte lidstaat is opgenomen, gelden daarvoor volgens vaste rechtspraak de nationale bepalingen van die laatste staat betreffende de tenuitvoerlegging op gelijke wijze als voor beslissingen die door een nationale rechter zijn gegeven (arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Alleen de procedurele bepalingen van de aangezochte lidstaat zijn van toepassing. De gerechten van de aangezochte lidstaat zijn immers niet gehouden om eventuele bepalingen van het nationale recht van de lidstaat van herkomst toe te passen, die voor de tenuitvoerlegging van door de gerechten van de lidstaat van herkomst gegeven beslissingen voorzien in andere termijnen dan die welke zijn vastgelegd in het recht van de aangezochte lidstaat.
37
Deze uitlegging wordt gestaafd door overweging 26 van verordening nr. 1215/2012, gelezen in samenhang met artikel 39 ervan, waarin de in punt 35 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak is vervat, en volgens welke iedere beslissing die door de gerechten van een lidstaat is gegeven, op dezelfde manier moet worden behandeld als een beslissing die in de aangezochte lidstaat is gegeven.
38
Vanuit een breder systematisch oogpunt moet worden opgemerkt dat voornoemde uitlegging tevens steun vindt in artikel 23 van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB 2014, L 189, blz. 59), volgens hetwelk de tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag geschiedt volgens de procedures die gelden voor de tenuitvoerlegging van gelijkwaardige nationale bevelen in de lidstaat van tenuitvoerlegging.
39
Het feit dat de niet-naleving door verzoeker van de termijn van § 929, lid 2, van de ZPO tot gevolg heeft dat de tenuitvoerlegging van een door een rechter van een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat gegeven bevel dat toestemming verleend voor een conservatoir beslag, niet meer mogelijk is middels inschrijving van een hypotheek tot garantie van schuldvordering in het kadaster van de aangezochte lidstaat, terwijl dit bevel uitvoerbaar blijft in de lidstaat van herkomst, kan niet afdoen aan een dergelijke uitlegging.
40
De erkenning dient immers in beginsel weliswaar tot gevolg te hebben dat aan de beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in de lidstaat waarin zij zijn gegeven, maar dat is nog geen reden om aan een beslissing – bij de tenuitvoerlegging ervan – gevolgen te verbinden die een soortgelijke, rechtstreeks in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing niet zou hebben (zie in die zin arrest van 13 oktober 2011, Prism Investments, C‑139/10, EU:C:2011:653, punt 38en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Vastgesteld moet worden dat de toepassing van een termijn zoals die van § 929, lid 2, van de ZPO voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit de in het voorgaande punt genoemde rechtspraak.
42
Wanneer een door een rechter, zoals de Italiaanse rechter in het hoofdgeding, uitgevaardigd bevel tot conservatoir beslag eenmaal uitvoerbaar is verklaard in Duitsland, kan het immers in die lidstaat hetzelfde gezag en dezelfde doeltreffendheid krijgen als in de lidstaat van herkomst. Daarnaast zou het buiten toepassing laten van de tenuitvoerleggingstermijn van § 929, lid 2, van de ZPO voor gelijksoortige beslissingen in de aangezochte lidstaat tot gevolg hebben dat bevelen tot conservatoir beslag die in een andere lidstaat dan de Bondsrepubliek Duitsland zijn uitgevaardigd, na uitvoerbaar te zijn verklaard, andere gevolgen zouden hebben dan die welke het nationale recht toebedeelt aan bevelen tot conservatoir beslag die door een nationale rechter zijn uitgevaardigd, en met name zouden zij zonder beperking in de tijd of gedurende een onevenredig langere periode dan geldt voor nationale beslissingen ten uitvoer kunnen worden gelegd.
43
Een uitlegging volgens welke een voor de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag vastgestelde termijn samenhangt met de uitvoerbaarheid van beslissingen, die wordt beheerst door het procedurele recht van de lidstaat van herkomst, waardoor de door deze laatste eventueel vastgestelde tenuitvoerleggingstermijn zou moeten worden toegepast op de tenuitvoerlegging van bevelen tot conservatoir beslag die door een andere lidstaat dan de aangezochte lidstaat zijn uitgevaardigd en in laatstgenoemde lidstaat uitvoerbaar zijn, zou een onevenredige last met zich brengen voor de autoriteiten die belast zijn met de tenuitvoerlegging. Zoals de verwijzende rechter vermeldt in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing, kan de Duitse voor het kadaster verantwoordelijke autoriteit niet bepalen of het recht van de lidstaat waar het bevel tot conservatoir beslag is gegeven voorziet in een tenuitvoerleggingstermijn, noch hoe dat bevel ten uitvoer zou moeten worden gelegd, en kan zij evenmin bevoegd zijn om een rechtsvoorschrift van die lidstaat toe te passen.
44
In de tweede plaats dient, zoals volgt uit punt 26 van het onderhavige arrest, te worden onderzocht of de toepassing van de procedureregels van de aangezochte lidstaat in het kader van de tenuitvoerlegging, afbreuk kan doen aan de nuttige werking van het stelsel van verordening nr. 44/2001.
45
Wat de doelstellingen van verordening nr. 44/2001 betreft, blijkt uit de overwegingen 2, 6, 16 en 17 dat deze tot doel heeft, het vrije verkeer van beslissingen uit de lidstaten in burgerlijke en handelszaken te verzekeren door de formaliteiten voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging daarvan te vereenvoudigen (arrest van 7 juli 2016, Lebek, C‑70/15, EU:C:2016:524, punt 33).
46
Deze doelstelling mag echter niet worden bereikt ten koste van een ander belangrijk beginsel, dat van de rechtszekerheid van inschrijvingen in het kadaster, zowel ter bescherming van de houders van de aldaar ingeschreven rechten, als ter bescherming van derden.
47
Een dergelijke tijdsbeperking van de tenuitvoerlegging wordt tevens gerechtvaardigd door de aard van de procedure tot conservatoir beslag, die gekenmerkt wordt door zijn voorlopige karakter, aangezien daarbij in het algemeen geldt dat spoedeisendheid geboden is teneinde te waarborgen dat een schuldvordering die dreigt niet te kunnen worden geïnd, wordt terugbetaald. Deze opvatting wordt gedeeld door het merendeel van de lidstaten, met het oog op de waarborging van de rechtszekerheid bij het innen van schuldvorderingen.
48
Zoals de verwijzende rechter opmerkt, beoogt deze tijdsbeperking te beletten dat op basis van een summiere procedure gegeven beslissingen gedurende lange tijd en ondanks eventueel gewijzigde omstandigheden uitvoerbaar blijven.
49
Bovendien doet een tenuitvoerleggingstermijn voor bevelen tot conservatoir beslag, zoals die van § 929, lid 2, van de ZPO, niet af aan het nuttig effect van verordening nr. 44/2001, aangezien beslissingen die in een andere lidstaat dan de Bondsrepubliek Duitsland zijn genomen, in beginsel van rechtswege worden erkend en uitvoerbaar verklaard in laatstgenoemde lidstaat, zodat de doelstelling van deze verordening om het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen te waarborgen, in acht wordt genomen. Deze termijn die naar het recht van de aangezochte lidstaat wordt toegepast als procedurele regel voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot conservatoir beslag, vormt een voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare titel.
50
De termijn van een maand die is vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot conservatoir beslag, waaronder bevelen die zijn uitgevaardigd door de gerechten van andere lidstaten dan de aangezochte lidstaat, die wordt berekend vanaf de datum waarop de exequaturverklaring aan de schuldeiser is medegedeeld, houdt geen reëel risico in dat de schuldeiser een uitvoerbaar bevel tot conservatoir beslag dat is uitgevaardigd in een andere lidstaat, niet ten uitvoer kan leggen in de aangezochte lidstaat.
51
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat artikel 38 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een wettelijke regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, waarbij een termijn is gesteld voor de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag, wordt toegepast ingeval een dergelijk bevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd en in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is verklaard.
Kosten
52
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 38 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een wettelijke regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, waarbij een termijn is gesteld voor de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag, wordt toegepast ingeval een dergelijk bevel in een andere lidstaat is uitgevaardigd en in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is verklaard.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.