ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
7 juni 2018 ( *1 )
„Hogere voorziening – Beroep tot schadevergoeding – Ontoereikende motivering van een arrest van het Hof in hogere voorziening – Verkeerde opvatting van het voorwerp van een schadevordering”
In zaak C‑463/17 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 25 juli 2017,
Ori Martin SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door G. Belotti, avvocato,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Hof van Justitie de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Inghelram en A. M. Almendros Manzano als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), M. Safjan, D. Šváby en M. Vilaras, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt Ori Martin SA om herziening van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 1 juni 2017, Ori Martin/Hof van Justitie van de Europese Unie (T‑797/16, niet gepubliceerd; hierna: „bestreden beschikking”, EU:T:2017:396), waarbij het Gerecht haar beroep strekkende tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden wegens vermeende schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) door het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft verworpen.
Voorgeschiedenis van het geding
2
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 september 2010, heeft Ori Martin beroep ingesteld tegen besluit C(2010) 4387 final van de Commissie van 30 juni 2010 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/38344 – Spanstaal), gewijzigd bij besluit C(2010) 6676 definitief van de Commissie van 30 september 2010 en bij besluit C(2011) 2269 definitief van de Commissie van 4 april 2011, waarbij de Commissie onder meer een geldboete van 15,96 miljoen EUR had opgelegd aan Siderurgica Latina Martin SpA (hierna: „SLM”), waarvan 14 miljoen EUR haar hoofdelijk met Ori Martin was opgelegd.
3
In dat verzoekschrift, dat heeft geleid tot zaak T‑419/10, vorderde rekwirante dat het Gerecht het litigieuze besluit nietig verklaarde voor zover daarbij was bepaald dat zij hoofdelijke aansprakelijk was voor de door SML gepleegde feiten, alsmede dat het Gerecht de haar bij dat besluit opgelegde geldboete nietig verklaarde of het bedrag ervan verlaagde.
4
Bij arrest van 15 juli 2015, SLM en Ori Martin/Commissie (T‑389/10 en T‑419/10, EU:T:2015:513) heeft het Gerecht onder meer het bedrag van de hoofdelijk aan rekwirante en aan SLM opgelegde geldboete verlaagd tot 13,3 miljoen EUR en het beroep verworpen voor het overige.
5
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 september 2015, heeft rekwirante een hogere voorziening ingesteld tegen dat arrest. Dit heeft geleid tot zaak C‑490/15 P.
6
Die hogere voorziening is afgewezen bij arrest van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678).
Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking
7
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 november 2016, heeft Ori Martin beroep ingesteld tegen het Hof van Justitie van de Europese Unie wegens schade die haar zou zijn toegebracht door het arrest van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678).
8
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep op grondslag van artikel 126 van zijn Reglement voor de procesvoering kennelijk rechtens ongegrond verklaard.
9
Ten eerste heeft het Gerecht in de punten 6 en 7 van die beschikking opgemerkt dat het door rekwirante ingediende verzoek verschilde van die welke kunnen worden ingediend om vergoeding te verkrijgen van de schade die gesteld wordt te zijn geleden wegens de onredelijk lange duur van een procedure bij de rechterlijke instanties van de Unie, welke geen beoordeling inhouden van de gegrondheid van de beoordelingen van het Hof of het Gerecht in hun arresten en beschikkingen. Volgens het Gerecht werd met dit verzoek immers beoogd de beoordeling die in het arrest van14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678) is gegeven met betrekking tot de toepassing op rekwirante van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed op SLM, in twijfel te trekken.
10
Ten tweede was het Gerecht in de punten 8 tot en met 10 van de bestreden beschikking van oordeel dat tegen een arrest of een beschikking van het Hof waarbij is beslist op een hogere voorziening, alleen verzoeken en beroepen als bedoeld in de artikelen 154, 155 en 157 tot en met 159 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, waarnaar artikel 190, lid 1, van dat Reglement verwijst, kunnen worden ingesteld. Het heeft gepreciseerd dat deze verzoeken en beroepen bovendien moeten worden ingesteld bij het Hof zelf. Volgens het Gerecht was het door rekwirante ingestelde beroep niet verwant aan een verzoek tot rectificatie van een inhoudelijke fout, noch aan een verzoek tot herstel van een verzuim om te beslissen, noch aan derdenverzet, noch aan een verzoek tot herziening, als bedoeld in de artikelen 154, 155 en 157 tot en met 159 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
Conclusies van partijen
11
Ori Martin verzoekt het Hof:
–
de bestreden beschikking te herzien;
–
te verklaren en vast te stellen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie artikel 47 van het Handvest heeft geschonden en bijgevolg
–
de Unie te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade, berekend op 13,3 miljoen EUR, of enig ander bedrag dat het Hof billijk acht.
12
Het Hof van Justitie van de Europese Unie verzoekt het Hof:
–
de hogere voorziening af te wijzen en
–
rekwirante te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
13
Ori Martin voert twee middelen aan, gebaseerd op respectievelijk een verkeerde opvatting van het verzoekschrift in eerste aanleg en op een verkeerde rechtsopvatting.
Argumenten van partijen
14
Met haar eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht het voorwerp van haar vorderingen tot schadevergoeding verkeerd heeft opgevat waar het in punt 7 van de bestreden beschikking vaststelt dat rekwirante met haar beroep heeft getracht de beoordeling die in het arrest van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678) is gegeven met betrekking tot de toepassing op haar van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed op SLM, in twijfel te trekken. Uit het verzoekschrift in eerste aanleg blijkt immers duidelijk dat die vorderingen strekten tot vergoeding van de schade die was toegebracht, niet doordat het arrest op dat punt ongegrond was, maar door een motiveringsgebrek met betrekking tot het feit dat verweerder niet de gronden zou hebben vermeld die niettegenstaande de aangevoerde gegevens rechtvaardigden dat dit vermoeden niet was weerlegd.
15
Met haar tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht in de punten 8 tot en met 10 van de bestreden beschikking ten onrechte de situaties waarin een door de Unierechter gewezen arrest onregelmatig is en een recht op schedevergoeding kan doen ontstaan op grond van artikel 47 van het Handvest, heeft beperkt tot enkel de gevallen waarin de procedure onredelijk lang duurt.
16
In antwoord op het eerste aangevoerde middel betoogt het Hof van Justitie van de Europese Unie dat voor zover rekwirante met haar beroep in eerste aanleg een motivering trachtte te verkrijgen die volgens haar ontbrak, het Gerecht terecht heeft overwogen dat haar beroep ertoe strekte de inhoud van dat arrest in twijfel te trekken.
17
Het Hof van Justitie van de Europese Unie concludeert tot afwijzing van de twee aangevoerde middelen en bijgevolg van de hogere voorziening in haar geheel.
Beoordeling door het Hof
18
Wat het eerste middel van de hogere voorziening betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat de Unierechter verplicht is de verschillende door de verzoekende partij aangevoerde vorderingen en middelen, zoals geformuleerd in haar stukken, te onderzoeken zonder het voorwerp of de inhoud ervan te wijzigen, omdat hij anders zijn functie zou miskennen (zie in die zin arrest van 29 juni 1994, Klinke/Hof van Justitie, C‑298/93 P, EU:C:1994:273, punt 20).
19
In casu was in de punten 2, 6 en 7 van het verzoekschrift in eerste aanleg gepreciseerd dat de vermeende onregelmatigheid erop was gebaseerd dat rekwirante niet in staat was gesteld te begrijpen om welke redenen haar een sanctie was opgelegd, waardoor haar de mogelijkheid was ontnomen om te voorkomen dat zij opnieuw zou worden bestraft.
20
In punt 22 van dat verzoekschrift was daaraan toegevoegd dat „door in de punten 53 tot en met 72 van zijn arrest van 14 september 2016[, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678),] niet de gronden te vermelden die rechtvaardigen dat de door de huidige rekwirante aangebrachte preciseringen aangaande de feiten werden afgewezen […], [verweerder] artikel 47 van het Handvest [had] geschonden, voor zover hij het [haar] niet mogelijk [had] gemaakt een eerlijk proces te krijgen, op grond waarvan een veroordeelde of bestrafte persoon moet weten om welke werkelijke redenen hij is bestraft of veroordeeld en wat hem concreet wordt verweten”.
21
In de punten 25 tot en met 28 van dat verzoekschrift was met betrekking tot de regel waarvan de schending in casu een recht op schadevergoeding meebracht, vermeld, ten eerste, dat „er redelijke gronden zijn voor de opvatting dat artikel 47 van het Handvest wordt geschonden telkens wanneer een rechterlijke instantie een maatregel neemt die een persoon niet in staat stelt duidelijk en objectief de gronden te begrijpen waarom hij is bestraft en wat hem precies wordt verweten”, en, ten tweede, dat de „verplichting voor de rechterlijke instanties om het recht op een eerlijk proces te verzekeren gebiedt dat arresten krachtens het beginsel van een goede rechtsbedeling altijd de concrete gronden op basis waarvan zij zijn vastgesteld, en daaraan voorafgaand de precieze verweten feiten, moeten uiteenzetten”.
22
In de punten 30 tot en met 43 van het verzoekschrift in eerste aanleg werd herhaald dat in casu de onrechtmatigheid van de verweten gedraging voortvloeide uit het feit dat „de door [verweerder] in het bestreden arrest gegeven toelichting [haar] belette […] concreet te begrijpen waarom zij verantwoordelijk was gesteld voor de door SLM gemaakte fout en haar belette te begrijpen waarom haar bijzondere kenmerken – die wel duidelijk waren gemaakt – niet werden beschouwd het vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed op SLM te weerleggen”.
23
In punt 7 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht evenwel geoordeeld dat rekwirante met haar beroep trachtte de in het arrest van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678) gegeven beoordeling betreffende de toepassing op haar van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed op SLM, in twijfel te trekken, terwijl, zoals blijkt uit bovenstaande overwegingen, de door rekwirante aangevoerde onregelmatigheid was gebaseerd op een motiveringsgebrek en dus op schending van wezenlijke vormvoorschriften, zodat het Gerecht het voorwerp van de enige door rekwirante in eerste aanleg aangevoerde schadevordering verkeerd heeft opgevat en daarover dus niet rechtsgeldig uitspraak heeft gedaan.
24
Volgens vaste rechtspraak evenwel moet de hogere voorziening worden afgewezen wanneer de motivering van een arrest van het Gerecht weliswaar blijk geeft van een schending van het Unierecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Rintisch/BHIM, C‑121/12 P, EU:C:2013:639, punt 35).
25
De in eerste aanleg aangevoerde onregelmatigheid is niet aangetoond.
26
Opgemerkt zij immers, ten eerste, dat de motiveringsplicht niet inhoudt dat de Unierechter een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt, en de motivering dus impliciet kan zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom die rechter hun argumenten heeft afgewezen (arrest van 6 september 2012, Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej/Commissie,C‑422/11 P en C‑423/11 P, EU:C:2012:553, punt 48). Ten tweede is de hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 59, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, beperkt tot rechtsvragen.
27
In de zaak die tot het arrest van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678) heeft geleid, volstond het voor verweerder dan ook dat hij het rechtsbeginsel in herinnering bracht op grond waarvan hij meende dat het Gerecht rechtsgeldig van oordeel kon zijn dat de aangevoerde gegevens het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed op SLM niet konden weerleggen, opdat rekwirante in staat was de redenen te kennen waarom verweerder van oordeel was dat het Gerecht geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niettegenstaande de door rekwirante aangevoerde gegevens, te weigeren dat vermoeden als weerlegd te beschouwen, en opdat aldus was voldaan aan verweerders motiveringplicht.
28
Verweerder is deze verplichting genoegzaam nagekomen. In punt 60 van zijn arrest van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678) heeft het Hof er immers op gewezen, ten eerste, dat volgens vaste rechtspraak, teneinde na te gaan of een dochteronderneming zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, rekening moet worden gehouden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen die dochter en haar moedermaatschappij, die in elk concreet geval anders kunnen zijn, en, ten tweede, dat de Commissie bevoegd is om geldboeten op te leggen aan een moedermaatschappij wanneer deze en haar dochtermaatschappij deel uitmaken van één onderneming in de zin artikel 101 VWEU, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een verhouding tussen de moedermaatschappij en dochteronderneming waarin tot de inbreuk is aangezet, en nog minder van de betrokkenheid van de eerste bij die inbreuk.
29
Daaruit volgt dat de door rekwirante in eerste aanleg aangevoerde vermeende onregelmatigheid, zoals uiteengezet in haar verzoekschrift in eerste aanleg, niet was aangetoond, en dat bijgevolg het dictum van de bestreden beschikking, zoals weergegeven in punt 8 van het onderhavige arrest, als gerechtvaardigd moet worden beschouwd.
30
Bijgevolg moet het eerste middel van de hogere voorziening worden afgewezen.
31
Wat het tweede middel betreft, moet in herinnering worden gebracht dat dit erop is gebaseerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de enige onregelmatigheden die een door de Unierechter gewezen arrest kunnen aantasten en een recht op schadevergoeding kunnen meebrengen, onregelmatigheden zijn die betrekking hebben op de onredelijke duur van de procedure.
32
In dit verband moet evenwel worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak in hogere voorziening aangevoerde middelen die zijn gericht tegen overwegingen die niet de noodzakelijke grondslag van het dictum van het bestreden arrest of van de bestreden beschikking vormen, niet relevant zijn en dus moeten worden afgewezen [beschikking van de president van het Hof van 12 februari 2003, Marcuccio/Commissie, C‑399/02 P(R), EU:C:2003:90, punt 16en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33
Vastgesteld zij dat aangezien de vermeende onregelmatigheid die het arrest van 14 september 2016, Ori Martin en SLM/Commissie (C‑490/15 P en C‑505/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:678) zou aantasten, niet is aangetoond, het niet noodzakelijk is dat het Gerecht zich uitspreekt over de eventuele consequenties van onregelmatigheden die een arrest van het Hof over de aansprakelijkheid van de Unie aantasten.
34
Daar de in punt 31 van het onderhavige arrest genoemde overwegingen dus niet de noodzakelijke steun bieden voor het dictum van de bestreden beschikking, moet worden geoordeeld dat het tweede middel niet ter zake dienend is en bijgevolg moet worden afgewezen.
35
Gelet op het voorgaande moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
36
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
37
Aangezien de rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verweerder te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van verweerder.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Ori Martin SA draagt haar eigen kosten en die van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy