ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
19 december 2018 ( *1 )
„Hogere voorziening – Beperkende maatregelen gelet op de situatie in Oekraïne – Bevriezing van tegoeden en economische middelen – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Opneming van de naam van rekwirant – Beslissing van een instantie van een derde land – Verplichting van de Raad om na te gaan of die beslissing is genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming”
In zaak C‑530/17 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 7 september 2017,
Mykola Yanovych Azarov, wonende te Kiev (Oekraïne), vertegenwoordigd door A. Egger en G. Lansky, Rechtsanwälte,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix en F. Naert als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), president van de Zevende kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Juhász en C. Vajda, rechters,
advocaat-generaal: G. Hogan,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Met zijn hogere voorziening verzoekt Mykola Yanovych Azarov om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 juli 2017, Azarov/Raad (T‑215/15, EU:T:2017:479; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht heeft afgewezen zijn beroep tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2015, L 62, blz. 25), en van uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2015, L 62, blz. 1), voor zover deze handelingen hem betreffen (hierna: „litigieuze handelingen”).
Voorgeschiedenis van het geding
2
Op 5 maart 2014 heeft de Raad besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26) vastgesteld. Artikel 1, leden 1 en 2, van dit besluit luidt:
„1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, worden bevroren.
2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”
3
Op 5 maart 2014 heeft de Raad ook verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 1) vastgesteld, waarbij, wat de Europese Unie betreft, de beperkende maatregelen van besluit 2014/119/EG ten uitvoer worden gelegd.
4
Artikel 2, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:
„Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van een in bijlage I opgelijste natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam, worden bevroren.”
5
In artikel 3, lid 1, van die verordening is het volgende bepaald:
„Bijlage I omvat personen die overeenkomstig artikel 1 van besluit 2014/119/GBVB door de Raad zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen, en personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen.”
6
Rekwirant, voor wie nader was aangegeven dat hij „premier van Oekraïne tot januari 2014” was, werd geplaatst op de lijsten van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren, die zijn opgenomen in respectievelijk de bijlage bij besluit 2014/119 en bijlage I bij verordening nr. 208/2014. De redenen voor de plaatsing op deze lijsten waren identiek en luidden als volgt:
„Persoon tegen wie in Oekraïne een onderzoek loopt wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.”
7
Bij besluit (GBVB) 2015/143 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2015, L 24, blz. 16), heeft de Raad artikel 1, lid 1, van dat laatste besluit als volgt gewijzigd:
„Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en de natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, worden bevroren.
Voor de toepassing van dit besluit worden onder meer beschouwd als personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen alle personen tegen wie door de Oekraïense autoriteiten een onderzoek is ingesteld wegens:
a)
het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of medeplichtigheid daaraan, of
b)
machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor zichzelf of een derde te verkrijgen ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of medeplichtigheid daaraan”
8
Bij verordening (EU) 2015/138 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2015, L 24, blz. 1), heeft de Raad artikel 3 in soortgelijke bewoordingen gewijzigd.
9
Bij de litigieuze handelingen heeft de Raad, na heroverweging, de naam van rekwirant op deze lijsten gehandhaafd en aldus de toepassing van de tegen hem genomen beperkende maatregelen verlengd tot 6 maart 2016, en wel om de volgende redenen:
„Persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva.”
Beroep voor het Gerecht en bestreden arrest
10
Bij verzoekschrift, op 29 april 2015 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft rekwirant beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de litigieuze handelingen en daartoe vijf middelen aangevoerd: 1) schending van de motiveringsplicht; 2) schending van zijn grondrechten; 3) misbruik van bevoegdheid; 4) schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, en 5) kennelijke beoordelingsfout.
11
Het Gerecht heeft al deze middelen afgewezen en het beroep bijgevolg in zijn geheel verworpen.
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
12
Rekwirant verzoekt het Hof:
–
het bestreden arrest te vernietigen;
–
de zaak zelf af te doen en de litigieuze handelingen nietig te verklaren voor zover deze hem betreffen, en de Raad te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht en het Hof, en
–
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor verdere afdoening met in achtneming van de beoordeling rechtens van het Hof en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
13
De Raad verzoekt het Hof:
–
de hogere voorziening af te wijzen;
–
subsidiair, het beroep te verwerpen, en
–
rekwirant te verwijzen in de kosten van de hele procedure.
Hogere voorziening
14
Rekwirant voert vijf middelen aan ter ondersteuning van de hogere voorziening. Met zijn eerste middel verwijt hij het Gerecht schending van artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Met zijn tweede middel, dat uit vier onderdelen bestaat, stelt hij dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn grondrechten niet waren geschonden. Met zijn derde middel verwijt hij het Gerecht dat het heeft geoordeeld dat de Raad zijn bevoegdheden niet heeft misbruikt. Het vierde middel betreft schending van artikel 41 van het Handvest. Ten slotte stelt rekwirant met zijn vijfde middel, dat uit zes onderdelen bestaat, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad bij de vaststelling van de litigieuze handelingen geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
15
Om te beginnen moet het derde onderdeel van het vijfde middel worden onderzocht.
Argumenten van partijen
16
Rekwirant voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 166 en volgende van het bestreden arrest te oordelen dat het arrest van het Gerecht van 16 oktober 2014, LTTE/Raad (T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885), waartegen toen hogere voorziening was ingesteld en volgens hetwelk het aan de Raad staat om, alvorens zich op een beslissing van een instantie van een derde land te baseren, na te gaan of de relevante regelgeving van dat land waarborgt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming op een vergelijkbaar niveau als dat in de Unie worden beschermd, niet op de onderhavige zaak kon worden toegepast omdat de bewoordingen en de doelstellingen van de litigieuze handelingen verschilden van die van de handelingen welke aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid.
17
In dat verband stelt rekwirant dat de verschillen tussen die twee categorieën handelingen niet doorslaggevend zijn en beroept hij zich op het inmiddels gewezen arrest van het Hof van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583). Hij betoogt dat beperkende maatregelen slechts tegen hem konden worden vastgesteld wanneer er een beslissing van een bevoegde autoriteit bestaat, zodat de Raad op basis van een dergelijke beslissing hem kan identificeren als verantwoordelijk voor het verduisteren van middelen. De door het Hof vastgestelde vereisten zouden dus van toepassing zijn op dit plaatsingscriterium, dat ruimer is geformuleerd dan het criterium dat is onderzocht in de zaak die tot dat arrest heeft geleid. Voorts is ook het argument van het Gerecht dat de in die arresten aan de orde zijnde strijd tegen het terrorisme niet noodzakelijkerwijs past binnen de context van samenwerking met een derde land, dat de Raad, zoals in casu, heeft besloten te ondersteunen, onjuist.
18
In antwoord daarop voert de Raad aan dat het derde onderdeel van het vijfde middel ongegrond is. Hij is van mening, zoals het Gerecht in het bestreden arrest heeft geoordeeld, dat het model van beperkende maatregelen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583), sterk verschilt van het model dat in de onderhavige zaak aan de orde is, wat de formulering en systematiek ervan betreft, alsook de doelstellingen en algemene voorwaarden waarop zij zijn gebaseerd. In het bijzonder de politieke beslissing van de Unie om het Oekraïense regime te steunen, met name bij de hervormingen ter versterking van de rechtsstaat in Oekraïne, is een relevant element, aangezien het Hof in het arrest van 19 oktober 2017, Yanukovych/Raad (C‑598/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:786, punt 61), heeft geoordeeld dat de beperkende maatregelen ter bestrijding van de verduistering van overheidsmiddelen in dat land deel uitmaakten van een beleid ter ondersteuning van een derde land, bedoeld om zowel de economische als de politieke stabiliteit in dat land te bevorderen.
19
De Raad voegt daaraan toe dat de conclusie van het Hof in de punten 64 en 75 van dat arrest in deze zaak kan worden toegepast, gelet op de feitelijke vaststellingen van het Gerecht in de punten 175 en 176 van het bestreden arrest, die niet door het Hof worden getoetst, en waaruit blijkt dat het door rekwirant aangedragen bewijsmateriaal niet toereikend was om aan te tonen dat zijn bijzondere situatie de gevolgen onderging van de door hem aangevoerde problemen in verband met de Oekraïense justitie.
Beoordeling door het Hof
20
Volgens de rechtspraak van het Hof dienen de rechterlijke instanties van de Unie bij de toetsing van beperkende maatregelen de rechtmatigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig te toetsen aan de grondrechten, die behoren tot de rechtsorde van de Unie (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 97; 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 58, en 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 106).
21
Tot die grondrechten behoren met name de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (arresten van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 66).
22
De doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest, vereist, zoals het Gerecht in punt 136 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht, dat de Unierechter bij de toetsing van de wettigheid van de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit tot plaatsing of handhaving van de naam van een persoon op lijsten van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, zich ervan vergewist dat dit besluit, dat een individuele strekking heeft voor die persoon, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dat betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste een daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor die handelingen, zijn gestaafd (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119; 18 juni 2015, Ipatau/Raad, C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 42, en 18 februari 2016, Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 109).
23
In casu zijn, zoals het Gerecht in de punten 132 tot en met 134 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, de beperkende maatregelen die jegens rekwirant zijn vastgesteld, door de litigieuze handelingen gehandhaafd op basis van het plaatsingscriterium van artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij besluit 2015/143, en artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van verordening 208/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2015/138. Dit criterium voorziet in de bevriezing van tegoeden van personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van overheidsmiddelen, daaronder begrepen personen tegen wie door de Oekraïense autoriteiten een onderzoek is ingesteld.
24
In dit verband blijkt uit de punten 134, 149 en 150 van het bestreden arrest dat de Raad zich bij de vaststelling van deze beperkende maatregelen heeft gebaseerd op het feit dat rekwirant een persoon is tegen wie „strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva”, zoals is aangegeven in een brief van 10 oktober 2014 van het Oekraïense gerechtelijke apparaat, waarin wordt verwezen naar een onderzoeksprocedure die door dit apparaat tegen rekwirant is ingeleid.
25
Hieruit volgt dat de handhaving, door de litigieuze handelingen, van de beperkende maatregelen die jegens rekwirant zijn genomen, is gebaseerd op de beslissing van een ter zake bevoegde instantie van een derde land om een strafrechtelijke procedure in te leiden en te voeren met betrekking tot een misdrijf van verduistering van overheidsmiddelen. Irrelevant in dit verband is de in punt 169 van het bestreden arrest vermelde omstandigheid dat het bij het bestaan van een dergelijke beslissing niet gaat om het plaatsingscriterium van artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij besluit 2015/143, maar om de feitelijke grondslag waarop de betrokken beperkende maatregelen zijn gebaseerd.
26
Wat een dergelijke beslissing betreft, staat het echter aan de Raad, alvorens zich op een beslissing van een derde land te baseren, om na te gaan of deze beslissing is genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 24).
27
Volgens vaste rechtspraak dient de Raad bij de vaststelling van beperkende maatregelen immers de grondrechten die behoren tot de rechtsorde van de Unie te eerbiedigen, waartoe met name de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming behoren, zoals is aangegeven in punt 21 van het onderhavige arrest (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 97 en 98; 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punten 65 en 66, en 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 25).
28
In dit verband heeft het vereiste voor de Raad om na te gaan of de beslissingen van derde landen waarop hij de plaatsing van een persoon of entiteit op een lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden zijn bevroren, baseert, met inachtneming van deze rechten zijn genomen, tot doel ervoor te zorgen dat deze opneming alleen plaatsvindt op een voldoende solide feitelijke basis en dus om de betrokken personen of entiteiten te beschermen (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 26).
29
Het Hof heeft ook geoordeeld dat de Raad in de motivering van een besluit tot plaatsing van een persoon of entiteit op een lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden worden bevroren, en van de daaropvolgende besluitende redenen moet vermelden, ook al is het maar beknopt, waarom hij van oordeel is dat de beslissing van het derde land waarop hij zich wil baseren, is genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punten 31 en 33).
30
Om aan zijn motiveringsplicht te voldoen, moet de Raad in het besluit waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd, te zien geven dat hij heeft geverifieerd dat de beslissing van het derde land waarop hij die maatregelen baseert, met inachtneming van deze rechten is vastgesteld (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 37).
31
In casu moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 167 van het bestreden arrest heeft overwogen dat de benadering die was gevolgd in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad (T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885), niet op de onderhavige zaak kon worden toegepast.
32
Het Gerecht heeft in punt 175 van het bestreden arrest voorts opgemerkt dat „[slechts] indien de politieke keuze van de Raad om het nieuwe Oekraïense regime te ondersteunen, […] kennelijk onjuist zou blijken te zijn, […] zou een eventuele discrepantie tussen de bescherming van de grondrechten in Oekraïne en die van de Unie dus invloed kunnen hebben op de rechtmatigheid van de [litigieuze handelingen]”. Om tot deze conclusie te komen, heeft het Gerecht zich blijkens de punten 173 en 174 van het bestreden arrest gebaseerd op de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 21 april 2015, Anbouba/Raad (C‑630/13 P, EU:C:2015:247, punt 42), volgens welke het Hof erkent dat de wetgever van de Unie over een ruime beoordelingsmarge beschikt bij de vaststelling van de algemene plaatsingscriteria die moeten worden gehanteerd bij de toepassing van beperkende maatregelen.
33
Met deze redenering wordt blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
34
De Raad kan zich immers pas op het standpunt stellen dat een plaatsingsbesluit op een voldoende solide feitelijke grondslag berust nadat hij zelf heeft geverifieerd dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming in acht zijn genomen bij de vaststelling van de beslissing van het betrokken derde land waarop hij de vaststelling van beperkende maatregelen wil baseren.
35
In casu kan de Raad op grond van het in punt 23 van dit arrest bedoelde plaatsingscriterium weliswaar beperkende maatregelen baseren op de beslissing van een derde land, zoals die waarnaar wordt verwezen in de in punt 24 van dit arrest bedoelde brief van 10 oktober 2014, maar dat neemt niet weg dat de verplichting voor deze instelling om de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming in acht te nemen, meebrengt dat hij zich ervan dient te vergewissen dat de instanties van het derde land dat die beslissing heeft genomen die rechten hebben geëerbiedigd.
36
Zoals het Gerecht in punt 173 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, is Oekraïne inderdaad een van de staten die zijn toegetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950. Een dergelijke omstandigheid brengt weliswaar mee dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens toezicht uitoefent op de door dat verdrag gewaarborgde grondrechten, die overeenkomstig artikel 6, lid 3, VEU als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie, maar heeft niet tot gevolg dat de toetsing door de Raad dat de beslissing van een dergelijk derde land waarop hij de beperkende maatregelen baseert, is genomen met inachtneming van de grondrechten, met name de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming, overbodig wordt.
37
De omstandigheid dat deze rechtspraak is gewezen in het kader van beperkende maatregelen die waren gebaseerd op gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB 2001, L 344, blz. 93), dat, volgens artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt, uitdrukkelijk verwijst naar een besluit van een bevoegde instantie, kan niet afdoen aan deze conclusie. De verschillen in formulering, systematiek en doelstelling die het Gerecht in de punten 168 tot en met 172 van het bestreden arrest heeft vastgesteld tussen enerzijds het model van beperkende maatregelen van dat gemeenschappelijk standpunt en anderzijds het model van beperkende maatregelen van besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij besluit 2015/143, en van verordening nr. 208/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2015/138, kunnen niet tot gevolg hebben dat de toepassing van de waarborgen die voortvloeien uit diezelfde rechtspraak wordt beperkt tot beperkende maatregelen die op het gebied van terrorismebestrijding volgens het model van genoemd gemeenschappelijk standpunt worden vastgesteld, met uitsluiting van die welke worden vastgesteld in het kader van de samenwerking met een derde land waartoe de Raad op basis van een politieke keuze heeft besloten.
38
Met betrekking tot de in punt 32 van dit arrest beknopt weergegeven overweging van het Gerecht, moet nog worden opgemerkt dat de vaststelling van algemene plaatsingscriteria op grond waarvan beperkende maatregelen kunnen worden genomen, in dit geval niet ter discussie staat. Aan de orde is daarentegen de beslissing om middels de litigieuze handelingen de bevriezing van de tegoeden van rekwirant te handhaven, die voor hem een individuele draagwijdte heeft. Overeenkomstig de in punt 22 van dit arrest aangehaalde rechtspraak moet de rechter van de Unie er bij de toetsing van de wettigheid van de redenen waarop een dergelijk besluit is gebaseerd, echter op toezien dat ten minste één van deze redenen voldoende nauwkeurig en concreet is, gestaafd is en op zich een toereikende grondslag voor dat besluit vormt (zie in die zin arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 72).
39
Het staat bovendien aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121, en 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 66).
40
Wat de door de Raad aangehaalde arresten van 19 oktober 2017, Yanukovych/Raad (C‑598/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:786), en 19 oktober 2017, Yanukovych/Raad (C‑599/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:785), betreft, dient erop te worden gewezen dat het Hof in het kader van de hogere voorzieningen die tot die arresten hebben geleid, niet werd gevraagd of de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583), ook zag op het geval van beperkende maatregelen die in het licht van de situatie in Oekraïne waren vastgesteld. Bovendien kan in het licht van de in de punten 27, 28 en 39 van dit arrest vermelde vaste rechtspraak uit deze arresten niet worden afgeleid dat de Raad niet dient na te gaan of de beslissing van een derde land waarop hij de vaststelling van beperkende maatregelen wil baseren, is genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Een dergelijke gevolgtrekking zou namelijk in strijd zijn met deze vaste rechtspraak. De conclusies in die arresten zijn dus niet van invloed op de onderhavige hogere voorziening.
41
Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, in tegenstelling tot wat het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583), te oordelen dat de Raad niet verplicht was na te gaan of de beslissing van een derde land waarop hij de vaststelling van beperkende maatregelen wilde baseren, was genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming, en dat het voor hem aangevoerde middel inzake een kennelijke beoordelingsfout bijgevolg moest worden afgewezen.
42
Aangezien het derde onderdeel van het vijfde middel van de hogere voorziening dus slaagt, moet het bestreden arrest op die grondslag in zijn geheel worden vernietigd, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de andere onderdelen van dit middel of over de andere middelen van de hogere voorziening.
Beroep voor het Gerecht
43
Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening. Het Hof kan de zaak dan zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
44
In casu beschikt het Hof over de nodige gegevens om definitief uitspraak te doen over het door rekwirant bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen.
45
In dit verband blijkt uit de motivering van de litigieuze handelingen niet dat de Raad is nagegaan of het Oekraïense gerechtelijke apparaat de rechten van de verdediging en het recht op rechterlijke bescherming van rekwirant in acht heeft genomen.
46
In die omstandigheden kan worden volstaan met erop te wijzen dat het beroep om de in de punten 25 tot en met 30 en 34 tot en met 42 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen gegrond is en dat de litigieuze handelingen, voor zover deze rekwirant betreffen, nietig moeten worden verklaard.
Kosten
47
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet, ten aanzien van de proceskosten.
48
Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
49
Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van rekwirant te worden verwezen in de kosten van beide instanties.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 juli 2017, Azarov/Raad (T‑215/15, EU:T:2017:479), wordt vernietigd.
2)
Besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne en uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne worden nietig verklaard voor zover zij Mykola Yanovych Azarov betreffen.
3)
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de onderhavige hogere voorziening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.