ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
27 februari 2019 ( *1 )
„Hogere voorziening – Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) – Afdeling Oriëntatie – Vermindering van financiële bijstand – Verordening (EG) nr. 1260/1999 – Operationeel programma – Financiële correcties – Artikel 39 – Rechtsgrondslag – Overgangsbepalingen”
In zaak C‑670/17 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 28 november 2017,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door G. Kanellopoulos, A. Vasilopoulou en I. Pachi als gemachtigden,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en J. Aquilina als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader, A. Rosas, L. Bay Larsen en M. Safjan (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 november 2018,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt de Helleense Republiek om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 september 2017, Griekenland/Commissie (T‑327/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:631) (hierna: „bestreden arrest”), waarbij dit haar beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit C(2015) 1936 final van de Commissie van 25 maart 2015 inzake de toepassing van financiële correcties op de bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, toegewezen aan het operationeel programma CCI 2000GR061PO021 (Griekenland – Doelstelling 1 – Plattelandsreconstructie), heeft verworpen.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EG) nr. 1260/1999
2
Artikel 39, „Financiële correcties”, van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (PB 1999, L 161, blz. 1) bepaalt:
„1. De lidstaten zijn in eerste instantie belast met het onderzoek naar onregelmatigheden en laten zich daarbij leiden door de vaststelling van elke belangrijke wijziging die de aard of de voorwaarden van de uitvoering of de controle van een bijstandspakket beïnvloedt, en het verrichten van de nodige financiële correcties.
De lidstaat verricht de financiële correcties die in verband met de eenmalige of systematische onregelmatigheid geboden zijn. De door de lidstaat verrichte correcties behelzen een gehele of gedeeltelijke intrekking van de communautaire bijdrage. De aldus vrijgekomen communautaire middelen kunnen door de lidstaat ten behoeve van het betrokken bijstandspakket worden hergebruikt, met inachtneming van de overeenkomstig artikel 53, lid 2, vast te stellen voorwaarden.
2. Indien de Commissie na de nodige verificatie constateert:
a)
dat een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van lid 1 niet is nagekomen,
of
b)
dat om redenen die met een geheel bijstandspakket of een deel ervan verband houden, de bijdrage van de fondsen niet of slechts voor een deel gerechtvaardigd is,
of
c)
dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen die tot onregelmatigheden met een systematisch karakter kunnen leiden,
schorst de Commissie de betrokken tussentijdse betalingen en verzoekt zij de lidstaat, onder opgave van haar redenen, binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen kenbaar te maken en, voor zover nodig, correcties aan te brengen.
Indien de lidstaat bezwaar maakt tegen de opmerkingen van de Commissie, wordt de lidstaat door de Commissie gehoord en trachten beide partijen middels samenwerking op grond van het partnerschap overeenstemming te bereiken over de opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies.
3. Na afloop van de door de Commissie gestelde termijn kan de Commissie wanneer geen overeenstemming is bereikt en de lidstaat geen correcties heeft aangebracht, rekening houdend met de opmerkingen van de lidstaat, binnen een termijn van drie maanden besluiten:
a)
het in artikel 32, lid 2, bedoelde voorschot te verminderen,
of
b)
de vereiste financiële correcties te verrichten door de bijdrage van de fondsen aan het betrokken bijstandspakket geheel of gedeeltelijk in te trekken.
De Commissie houdt bij het vaststellen van het bedrag van een correctie, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, rekening met de aard van de onregelmatigheid of de wijziging, alsmede met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen die in de beheers- of controlesystemen van de lidstaten zijn geconstateerd.
Indien na afloop van de gestelde termijn niet besloten wordt tot de onder a) of b) bedoelde maatregel, komt de opschorting van de tussentijdse betalingen onmiddellijk te vervallen.
4. Elk bedrag dat wegens onverschuldigde betaling wordt teruggevorderd, moet aan de Commissie worden terugbetaald. Een dergelijk bedrag wordt met moratoire rente verhoogd.
5. Dit artikel is van toepassing onverminderd artikel 32.”
Verordening (EG) nr. 1290/2005
3
Artikel 40, „Uitgaven uit de afdeling Oriëntatie van het [Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL)]”, van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1) bepaalt:
„1. De bedragen die zijn vastgelegd om acties voor plattelandsontwikkeling te financieren uit de afdeling Oriëntatie van het EOGFL op grond van een beschikking van de Commissie die tussen 1 januari 2000 en 31 december 2006 is gegeven, en waarvoor de voor de afsluiting van het bijstandspakket benodigde documenten niet binnen de termijn voor de indiening van het eindverslag aan de Commissie zijn bezorgd, worden uiterlijk op 31 december 2010 door de Commissie ambtshalve doorgehaald en geven aanleiding tot terugbetaling door de lidstaten van de onverschuldigd ontvangen bedragen. De voor de afsluiting van het bijstandspakket benodigde documenten zijn de uitgavendeclaratie voor de saldobetaling, het eindverslag over de uitvoering en het desbetreffende verslag over de certificatie van de rekeningen, overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder f), van [verordening (EG) nr. 1260/1999].
2. Bij de berekening van het ambtshalve door te halen bedrag zoals bedoeld in lid 1 worden die bedragen niet meegerekend die betrekking hebben op verrichtingen of programma’s die het voorwerp zijn van een gerechtelijke procedure die, of van een administratief beroep dat volgens de nationale wet- en regelgeving schorsende werking heeft.”
Verordening (EG) nr. 1083/2006
4
Artikel 1, „Toepassingsgebied”, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB 2006, L 210, blz. 25), bepaalt in de eerste alinea:
„Bij deze verordening worden de algemene bepalingen vastgesteld met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) (hierna de „structuurfondsen” genoemd) en het Cohesiefonds, onverminderd de specifieke bepalingen die in [verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1783/1999 (PB 2006, L 210, blz. 1), in verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1784/1999 (PB 2006, L 210, blz. 12), en in verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1164/94 (PB 2006, L 210, blz. 79)] zijn vastgesteld.”
5
Artikel 105, „Overgangsbepalingen”, van verordening nr. 1083/2006 luidt:
„1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gehele of gedeeltelijke intrekking, van bijstand met medefinanciering uit de structuurfondsen of van projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds die de Commissie heeft goedgekeurd op grond van [verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB 1988, L 185, blz. 9), verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB 1988, L 374, blz. 1), verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds (PB 1994, L 130, blz. 1) en verordening nr. 1260/1999] of van enige andere regelgeving die op 31 december 2006 op de betrokken bijstand van toepassing is; de betrokken regelgeving blijft derhalve van toepassing op de bijstand of de projecten totdat deze worden afgesloten.
2. Bij de besluitvorming over operationele programma’s houdt de Commissie rekening met alle bijstand met medefinanciering uit de structuurfondsen en alle projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds die reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening door de Raad of de Commissie goedgekeurd zijn en die in de loop van de door de operationele programma’s bestreken periode een financiële weerslag hebben.
3. In afwijking van de artikelen 31, lid 2, 32, lid 4, en 37, lid 1, van verordening (EG) nr. 1260/1999 worden de delen van de bedragen die zijn vastgelegd voor bijstand met medefinanciering uit het EFRO of het ESF welke door de Commissie tussen 1 januari 2000 en 31 december 2006 is goedgekeurd en waarvoor de gecertificeerde verklaring betreffende de daadwerkelijk verrichte uitgaven, het eindverslag over de uitvoering en de verklaring als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder f), van de voornoemde verordening niet bij de Commissie zijn ingediend uiterlijk 15 maanden na de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven als bepaald in de beschikking waarbij de bijdrage van de fondsen wordt vastgesteld, uiterlijk 6 maanden na deze termijn door de Commissie ambtshalve doorgehaald, hetgeen aanleiding geeft tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen.
Bedragen die verband houden met concrete acties of programma’s die zijn geschorst wegens een gerechtelijke procedure of administratief beroep met opschortend effect, worden niet meegerekend bij de berekening van de ambtshalve door te halen bedragen.”
6
Artikel 107 van verordening nr. 1083/2006, „Intrekking”, bepaalt:
„Onverminderd het bepaalde in artikel 105, lid 1, wordt verordening (EG) nr. 1260/1999 met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening.”
Verordening (EU) nr. 1303/2013
7
In artikel 152, „Overgangsbepalingen”, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening nr. 1083/2006 (PB 2013, L 347, blz. 320), is bepaald:
„1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke intrekking, van steunverlening die door de Commissie is goedgekeurd op grond van [verordening nr. 1083/2006] of andere wetgeving die op 31 december 2013 op die bijstandsverlening van toepassing is. Die verordening of zulke andere wetgeving blijft bijgevolg na 31 december 2013 op die steunverlening of de betrokken concrete acties van toepassing totdat ze worden afgesloten. Voor de toepassing van dit lid heeft bijstand betrekking op operationele programma’s en grote projecten.
2. Steunaanvragen die zijn ingediend of goedgekeurd in het kader van [verordening nr. 1083/2006] blijven geldig.
3. Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de optie in artikel 123, lid 3, kan hij bij de Commissie een verzoek indienen inhoudende dat de managementautoriteit, in afwijking van artikel 59, lid 1, onder b), van [verordening nr. 1083/2006], de functies van de certificeringsautoriteit uitoefent voor de overeenkomstige operationele programma’s die worden uitgevoerd op basis van [verordening nr. 1083/2006]. Het verzoek gaat vergezeld van een beoordeling van de auditautoriteit. Zodra de Commissie zich er op basis van de informatie van de auditautoriteit en haar eigen audits van vergewist heeft dat de beheers- en controlesystemen van deze operationele programma’s doeltreffend functioneren en dat dit functioneren niet zal worden geschaad wanneer de managementautoriteit de functies van certificeringsautoriteit uitoefent, deelt zij de lidstaat binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek haar instemming mee.”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
8
De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 1 tot en met 15 van het bestreden arrest en kan, voor zover noodzakelijk voor de onderhavige procedure, worden samengevat als volgt.
9
Bij brief van 31 maart 2011 hebben de Griekse autoriteiten overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder f), van verordening nr. 1260/1999, bij de Commissie een verklaring van afsluiting van het operationele programma CCI 2000GR061PO021 (Griekenland – Doelstelling 1 – Plattelandsreconstructie) (hierna: „betrokken operationeel programma”) voor de periode die liep van 2000 tot en met 2006 ingediend. Bij deze verklaring, die tot doel had de Helleense Republiek te laten profiteren van de financiering van de Europese Unie, zat met name het in artikel 37 van deze verordening bedoelde eindverslag inzake de uitvoering van het betrokken operationele programma.
10
Bij brief van 2 augustus 2011 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten verzocht om haar binnen een termijn van tien dagen aanvullende informatie te verstrekken over de verklaring van afsluiting van het betrokken operationele programma en hen ervan in kennis gesteld dat zij, na de beoordeling van de inhoud van deze verklaring, de procedure van artikel 39 van verordening nr. 1260/1999 zou kunnen inleiden. Deze autoriteiten hebben de gevraagde informatie bij brief van 5 augustus 2011 verstrekt.
11
Bij brief van 24 mei 2012 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten ervan in kennis gesteld dat het eindverslag inzake de uitvoering van het betrokken operationele programma was aanvaard.
12
Op 3 januari 2013 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten verzocht binnen een termijn van twee maanden aan te geven of zij instemden met de toepassing van een financiële correctie van in totaal 94465089,65 EUR, bestaande in het verschil tussen het bedrag dat was betaald uit hoofde van het EOGFL en het bedrag van de voor dit fonds verschuldigde bijdrage voor het betrokken operationele programma. Deze instelling voegde hieraan toe dat zij, bij uitblijven van instemming binnen deze termijn, haar onderzoek naar de subsidiabiliteit van de uitgaven door de Griekse autoriteiten zou voortzetten en financiële correcties zou kunnen opleggen, die, bij een berekening op basis van de door deze autoriteiten verstrekte gegevens, zonder rekening te houden met de correcties waartoe de Griekse autoriteiten reeds hadden besloten, zouden kunnen oplopen tot een bedrag van 211582686,65 EUR.
13
Bij brief van 5 maart 2013 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie ervan in kennis gesteld dat zij niet instemden met de in het vorige punt genoemde bedragen, op grond dat zij reeds controlemaatregelen en passende corrigerende maatregelen hadden vastgesteld, zodat iedere aanvullende financiële correctie zou leiden tot een dubbele correctie. Ook hebben zij benadrukt dat zij een bedrag van in totaal 143206588,48 EUR aan financiële correcties hadden toegepast op het volledige betrokken operationele programma, hetgeen overeenkwam met een financiering door de Unie ten belope van 108308798,38 EUR.
14
Bij brief van 8 maart 2013 hebben de Griekse autoriteiten opnieuw bevestigd passende corrigerende maatregelen te hebben vastgesteld op alle gebieden waar onregelmatigheden waren aangetroffen.
15
Op 17 juli 2013 heeft de Commissie, na de herbeoordeling van het bedrag van de uit hoofde van het EOGFL verschuldigde bijdrage voor het betrokken operationele programma, de Griekse autoriteiten verzocht binnen twee maanden aan te geven of zij instemden met de toepassing van een financiële correctie van in totaal 30472624,09 EUR, bestaande in het verschil tussen het bedrag dat uit hoofde van het EOGFL was betaald en het bedrag van de genoemde bijdrage. Zij heeft verder aangegeven dat zij, indien de Griekse autoriteiten binnen deze termijn hiermee niet instemden, haar onderzoek naar de subsidiabiliteit van de uitgaven door deze autoriteiten zou voortzetten en financiële correcties zou kunnen opleggen, die, bij een berekening op basis van de door deze autoriteiten verstrekte gegevens, zonder rekening te houden met de correcties waartoe deze autoriteiten reeds hadden besloten, zouden kunnen oplopen tot een bedrag van 116487848,75 EUR.
16
Bij brief van 19 september 2013 hebben de Griekse autoriteiten deze bedragen opnieuw betwist. Daarenboven hebben zij op 13 en 14 januari 2014 de extra informatie aan de Commissie verstrekt waarom deze hen op 13 september 2013 had verzocht.
17
Op 27 mei 2014 heeft bij de Commissie een hoorzitting plaatsgevonden en op 20 juni 2014 hebben de Griekse autoriteiten aanvullende informatie verstrekt.
18
Bij brief van 11 juli 2014 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten het proces-verbaal van de hoorzitting van 27 mei 2014 meegedeeld en hen verzocht binnen twee maanden nieuwe aanvullende gegevens te verstrekken. Op 5 september 2014 heeft zij deze termijn verlengd. De Griekse autoriteiten hebben de gevraagde gegevens op 26 september 2014 verstrekt.
19
Bij brief van 13 februari 2015 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten laten weten wat haar definitieve standpunt was over de financiële gevolgen die moesten worden verbonden aan het onderzoek van door deze autoriteiten overgelegde documenten, namelijk dat de financiering door de Unie uit hoofde van het EOGFL ten bedrage van 72105592,41 EUR werd uitgesloten.
20
Bij het litigieuze besluit heeft de Commissie bepaalde uitgaven die de Helleense Republiek in de periode 2000‑2006 uit hoofde van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, heeft verricht, uitgesloten van financiering door de Unie voor een bedrag van 72105592,41 EUR.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
21
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 juni 2015, heeft de Helleense Republiek beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingediend, tot staving waarvan zij vier middelen heeft aangevoerd. Het eerste middel was ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag van het litigieuze besluit; het tweede aan de onbevoegdheid ratione temporis van de Commissie om dat besluit vast te stellen en aan schending van wezenlijke vormvoorschriften, het recht om te worden gehoord en de rechten van de verdediging, het derde aan schending van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, en het vierde aan schending van het beginsel ne bis in idem en het evenredigheidsbeginsel.
22
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht deze middelen afgewezen en bijgevolg het beroep van de Helleense Republiek in zijn geheel verworpen.
23
Wat, specifiek, het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, dat is ontleend aan het ontbreken van rechtsgrondslag van het litigieuze besluit op grond dat artikel 39 van verordening nr. 1260/1999 is ingetrokken vóór de vaststelling van dit besluit, heeft het Gerecht met name in de punten 23 tot en met 34 van het bestreden arrest het volgende opgemerkt:
„23 Verordening nr. 1083/2006 heeft, met ingang van 1 januari 2007, overeenkomstig artikel 107, lid 1, ervan, verordening nr. 1260/1999 ingetrokken. Ingevolge artikel 1, lid 1, is verordening nr. 1083/2006 van toepassing op het [EFRO], het [ESF] en het Cohesiefonds. Zoals echter blijkt uit overweging 6 van laatstgenoemde verordening, moeten de instrumenten in het kader waarvan steun wordt verleend voor plattelandsontwikkeling, namelijk het [Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)], dat in de plaats is gekomen van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, en voor de visserijsector, namelijk het Europees Visserijfonds (EVF), worden geïntegreerd in die van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid, en worden gecoördineerd met die van het cohesiebeleid. In dit verband heeft verordening nr. 1290/2005, zoals blijkt uit overweging 1 en artikel 1 ervan, twee Europese landbouwfondsen opgericht, in de eerste plaats het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) om de marktmaatregelen en andere maatregelen te financieren, en in de tweede plaats het ELFPO om de programma’s voor plattelandsontwikkeling te financieren.
24 Overeenkomstig artikel 105, lid 1, ‚Overgangsbepalingen’, van verordening (EG) nr. 1083/2006 doet die verordening ‚geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gehele of gedeeltelijke intrekking, van bijstand met medefinanciering uit de structuurfondsen of van projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds die de Commissie heeft goedgekeurd op grond van met name verordening nr. 1260/1999 of van enige andere regelgeving die op 31 december 2006 op de betrokken bijstand van toepassing was; de betrokken regelgeving blijft derhalve van toepassing op de bijstand of de projecten totdat deze worden afgesloten’.
25 Voorts bepaalt artikel 105, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 dat ,[de Commissie bij] de besluitvorming over operationele programma’s [...] rekening [houdt] met alle bijstand met medefinanciering uit de structuurfondsen en alle projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds die reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening door de Raad of de Commissie goedgekeurd zijn en die in de loop van de door de operationele programma’s bestreken periode een financiële weerslag hebben’.
26 Hieruit komt naar voren dat artikel 105, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 ertoe strekt de overgangsregeling vast te leggen voor de structuurfondsen die zijn goedgekeurd op grond van een tot en met 31 december 2006 geldende Unieregeling, maar die na die datum worden voortgezet en pas later worden afgesloten (arrest van 21 september 2016, Commissie/Spanje, C‑140/15 P, EU:C:2016:708, punt 94).
27 Met andere woorden, verordening nr. 1260/1999 is ingetrokken bij verordening nr. 1083/2006, maar overeenkomstig artikel 105, lid 1, en artikel 107, lid 1, van die laatste verordening, blijft verordening nr. 1260/1999 gelden voor de eerdere operationele programma’s (arrest van 22 september 2011, Spanje/Commissie, T‑67/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:518, punt 6).
28 De overgangsregeling van artikel 105, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 betreft de materiële regels die van toepassing zijn op de eerdere operationele programma’s, zoals overigens blijkt uit het gebruik van de woorden ,bijstand’ en ‚projecten’ in dat artikel 105, evenals uit de inhoud van de leden 2 en 3 ervan. Deze regel heeft daarentegen geen betrekking op procedurele regels, overeenkomstig het beginsel dat procedureregels met onmiddellijke ingang van toepassing zijn (arrest van 21 september 2016, Commissie/Spanje, C‑140/15 P, EU:C:2016:708, punten 92 en 95).
[...]
34 Hieruit volgt dat, op grond van artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006, de materiële bepalingen van artikel 39 van verordening nr. 1260/1999 van kracht zijn gebleven, dat wil zeggen de bepalingen waarin de respectieve rol wordt bepaald en de wederzijdse rechten en verplichtingen worden genoemd die de lidstaat en de Commissie hebben in het kader van de procedure die van toepassing is wanneer in het kader van de financiële controle van de interventies van het EOGFL onregelmatigheden zijn vastgesteld.”
Conclusies van partijen voor het Hof
24
De Helleense Republiek verzoekt het Hof:
–
het bestreden arrest te vernietigen;
–
het litigieuze besluit nietig te verklaren overeenkomstig de vordering in eerste aanleg, en
–
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
25
De Commissie verzoekt het Hof:
–
de hogere voorziening af te wijzen, en
–
rekwirante te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
26
Tot staving van haar hogere voorziening voert de Helleense Republiek vijf middelen aan. Het eerste is ontleend aan een onjuiste uitlegging en toepassing van de overgangsbepalingen van de verordeningen nr. 1083/2006 en nr. 1303/2013 junctis de bepalingen van verordening nr. 1290/2005, aan een onjuiste rechtsopvatting en een ontoereikende en onjuiste motivering van het bestreden arrest, het tweede aan een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 39 van verordening nr. 1260/1999 alsmede aan een tegenstrijdige en ontoereikende motivering van het bestreden arrest, het derde aan een onjuiste uitlegging en gebrekkige toepassing van de artikelen 144 en 145 van verordening nr. 1303/2013 alsmede aan een tegenstrijdige en ontoereikende motivering van het bestreden arrest, het vierde aan een onjuiste uitlegging en toepassing van de beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het vijfde aan een ontoereikende motivering van de afwijzing door het Gerecht van de grieven betreffende de onevenredigheid van de toegepaste financiële correctie.
Eerste middel
Argumenten van partijen
27
De Helleense Republiek verwijt het Gerecht te hebben geoordeeld dat het litigieuze besluit terecht was gegrond op artikel 39 van verordening nr. 1260/1999. In dit verband betoogt zij in wezen dat het Gerecht in de punten 25 tot en met 28 en 34 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat de operationele programma’s van het EOGFL, afdeling Oriëntatie onder de in artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 bedoelde uitzondering vielen. Anders dan in het bestreden arrest wordt beweerd, is de overgangsregeling betreffende de structuurfondsen, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste alinea, van verordening nr. 1083/2006, uitsluitend ingevoerd bij artikel 105, lid 1, en niet bij artikel 105, lid 2, van deze verordening. Het Gerecht verwijst in de punten 25 en 28 van het bestreden arrest ten onrechte naar artikel 105, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 en maakt in de punten 26 en 27 van dat arrest ten onrechte toepassing van dat artikel om hieruit een specifieke conclusie te trekken voor de operationele programma’s van het EOGFL, afdeling Oriëntatie. Dat fonds, dat voorwerp is van verordening nr. 1290/2005, is uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006. De in artikel 107 van die verordening bedoelde uitzondering moet dan weer strikt worden uitgelegd en is uitsluitend gericht op het bepaalde in artikel 105, lid 1, van die verordening, en niet op het bepaalde in artikel 105, lid 2, van die verordening. In dit verband wijkt punt 26 van het bestreden arrest, waarin artikel 105, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 wordt genoemd, af van punt 94 van het arrest van 21 september 2016, Commissie/Spanje (C‑140/15 P, EU:C:2016:708), waarin wordt verwezen naar artikel 105, lid 1, van deze verordening.
28
Aangezien de maatregel van artikel 105, lid 3, van verordening nr. 1083/2006, met betrekking tot de uitgaven van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, specifiek is opgenomen in artikel 40 van verordening nr. 1290/2005, trekt het Gerecht in punt 28 van het bestreden arrest ten onrechte een conclusie op basis van artikel 105, lid 3, van verordening nr. 1083/2006.
29
Daar de Uniewetgever de specifieke kwesties die verband houden met de landbouwfondsen heeft geregeld in verordening nr. 1290/2005, heeft hij verordening nr. 1260/1999, zoals blijkt uit de titel van verordening nr. 1083/2006, geheel ingetrokken. Het Gerecht heeft in de punten 23 en 34 van het bestreden arrest dus ten onrechte een andere conclusie getrokken.
30
Volgens de Commissie is het eerste middel ongegrond.
31
Het Gerecht heeft terecht erkend dat het EOGFL voor de programmeringsperiode voor de jaren 2000 tot en met 2006 onder de structuurfondsen viel. De afdeling Oriëntatie van het EOGFL is derhalve van dezelfde aard en behoort tot dezelfde familie als die van de structuurfondsen. Verordening nr. 1083/2006 is evenwel alleen van toepassing op het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds, terwijl het Elfpo, dat in de plaats is gekomen van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, is opgenomen in de financieringsmechanismen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
32
Het Gerecht heeft uit de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 dus terecht afgeleid dat, ook al is verordening nr. 1260/1999 ingetrokken bij verordening nr. 1083/2006, die eerste verordening krachtens artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 van toepassing blijft op de eerdere operationele programma’s.
Beoordeling door het Hof
33
In het kader van het eerste middel van de hogere voorziening betoogt de Helleense Republiek in wezen dat het Gerecht ten onrechte het gebruik van artikel 39 van verordening nr. 1260/1999 als rechtsgrondslag voor het litigieuze besluit heeft bekrachtigd.
34
Volgens artikel 107, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 is verordening nr. 1260/1999 ingetrokken met ingang van 1 januari 2007. Op de datum waarop het litigieuze besluit is vastgesteld, kon dit dus alleen op artikel 39 van verordening nr. 1260/1999 worden gebaseerd indien de toepassing van dit artikel bij specifieke bepalingen was verlengd.
35
In dit verband zet het Gerecht in punt 38 van het bestreden arrest uiteen dat artikel 39 van verordening nr. 1260/1999 op grond van verordening nr. 1083/2006 tot en met 31 december 2013 van kracht is gebleven ten aanzien van de operationele programma’s voor de periode 2000 tot en met 2006, en krachtens verordening nr. 1303/2013 vanaf 1 januari 2014 ten aanzien van dezelfde programma’s is gehandhaafd.
36
Aangezien verordening nr. 1083/2006, waarvan artikel 105, lid 1, voorzag in verlenging van de toepassing van verordening nr. 1260/1999, op haar beurt is ingetrokken met ingang van 1 januari 2014, berustte de mogelijkheid om het bestreden besluit te baseren op artikel 39 van verordening nr. 1260/1999 immers op artikel 152, lid 1, van verordening nr. 1303/2013, dat aan de verlenging van de toepassing van verordening nr. 1083/2006 de voorwaarde stelde dat er sprake was van „steunverlening die door de Commissie is goedgekeurd op grond van [verordening nr. 1083/2006] of andere wetgeving die op 31 december 2013 op die bijstandsverlening van toepassing is”.
37
Er zij echter opgemerkt dat artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 slechts voorziet in een voortzetting van de toepassing van verordening nr. 1260/1999 voor „bijstand met medefinanciering uit de structuurfondsen of van projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds”.
38
In dit verband moet worden vastgesteld dat het EOGFL, afdeling Oriëntatie, noch tot de „structuurfondsen”, die in artikel 1 van verordening nr. 1083/2006 uitdrukkelijk worden omschreven als het EFRO en het ESF, noch tot het Cohesiefonds behoort.
39
Het Gerecht heeft niettemin geoordeeld dat artikel 105, lid 1, van die verordening van toepassing kon zijn op de operationele programma’s met medefinanciering uit het EOGFL, afdeling Oriëntatie, voor de periode 2000 tot en met 2006.
40
De toepassing van artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 op de operationele programma’s die worden medegefinancierd door het EOGFL, afdeling Oriëntatie, voor de periode 2000 tot en met 2006, vloeit evenwel niet voort uit de bewoordingen van die bepaling, noch uit die van artikel 105, lid 2, van dezelfde verordening, en al evenmin uit het arrest van 21 september 2016, Commissie/Spanje (C‑140/15 P, EU:C:2016:708).
41
Ten eerste kan, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 36 van zijn conclusie, de redenering die het Gerecht in de punten 25 en 26 van het bestreden arrest over artikel 105, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 heeft gevolgd, niet afdoen aan de in artikel 1 van verordening nr. 1083/2006 opgenomen omschrijving van structuurfondsen en de daaruit voortvloeiende uitdrukkelijk omschreven werkingssfeer van artikel 105, lid 1, ervan.
42
Ten tweede doelt artikel 105, lid 2, van verordening nr. 1083/2006 op de „structuurfondsen” en het „Cohesiefonds” zonder de definitie daarvan ten opzichte van de definitie in artikel 1 van verordening nr. 1083/2006 te wijzigen.
43
Ten derde staat vast dat het arrest van 21 september 2016, Commissie/Spanje (C‑140/15 P, EU:C:2016:708), uitsluitend betrekking had op het Cohesiefonds, dat, anders dan het EOGFL, afdeling Oriëntatie, duidelijk binnen de werkingssfeer van artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 viel.
44
Door artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 aldus ruim toe te passen op de operationele programma’s die worden medegefinancierd door het EOGFL, afdeling Oriëntatie, en door derhalve te oordelen dat de Commissie het litigieuze besluit voor de periode van 2000 tot en met 2006 terecht kon baseren op artikel 39 van verordening nr. 1260/1999, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
45
Hieruit volgt dat het eerste middel van de hogere voorziening gegrond is en het bestreden arrest moet worden vernietigd zonder dat de overige middelen van de hogere voorziening behoeven te worden onderzocht.
Beroep voor het Gerecht
46
Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
47
Dit is het geval in de onderhavige zaak. Bijgevolg moet het door de Helleense Republiek ingestelde beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit worden onderzocht.
Argumenten van partijen
48
In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel dat voor het Gerecht is aangevoerd, stelt de Helleense Republiek in wezen dat artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 niet van toepassing is op financiering uit het EOGFL, afdeling Oriëntatie, voor de periode 2000 tot en met 2006. Aangezien het bestreden besluit dus niet kon worden gebaseerd op artikel 39 van verordening nr. 1260/1999, heeft het geen rechtsgrondslag en moet het bijgevolg nietig worden verklaard.
49
De Commissie antwoordt in wezen dat artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 uitdrukkelijk bepaalt dat aan de financiering die is goedgekeurd op basis van verordening nr. 1260/1999 – „met inbegrip van de [...] intrekking” – geen afbreuk wordt afgedaan door verordening nr. 1083/2006, „totdat [de bijstand of de projecten] worden afgesloten”. Deze bepaling heeft dus betrekking op alle financiering die is toegekend op grond van verordening nr. 1260/1999.
50
Aangezien deze bepaling verwijst naar de regeling die van toepassing was op grond van verordening nr. 1260/1999, moet zij daarenboven noodzakelijkerwijs zijn gericht op alle programma’s die onder deze regeling zijn goedgekeurd, en hun rechtsgrondslag en hun toepasselijke bepalingen ongewijzigd laten totdat zij zijn afgesloten. Volgens de Commissie had het EOGFL, afdeling Oriëntatie, dus moeten worden opgenomen in de groep waar de structuurfondsen en het Cohesiefonds onder vielen „vanuit zowel systematisch als teleologisch oogpunt”, zodat het zijn oorspronkelijke juridische kader behoudt.
Beoordeling door het Hof
51
Van meet af aan wordt eraan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, hoewel een onder het oude recht ontstane en definitief verworven rechtssituatie in beginsel onderworpen blijft aan dat recht, het de wetgever vrijstaat anders te beschikken, met name door middel van overgangsregels (zie in die zin arrest van 7 november 2013, Gemeinde Altrip e.a., C‑72/12, EU:C:2013:712, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
De overgangsregelingen moeten echter strikt worden uitgelegd (arrest van 2 september 2010, Kirin Amgen, C‑66/09, EU:C:2010:484, punt 33).
53
In casu doelt de tekst van artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 meer bepaald op de intrekking van bijstand met medefinanciering uit de structuurfondsen of van projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds. Zoals blijkt uit punt 38 van dit arrest, valt het EOGFL, afdeling Oriëntatie niet binnen deze fondsen.
54
Volgens de rechtspraak van het Hof vereist het rechtszekerheidsbeginsel dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt om een nauwkeurig beeld te krijgen van de omvang van de verplichtingen die hun bij deze regeling worden opgelegd, vooral wanneer daarmee financiële gevolgen gepaard gaan (arrest van 6 september 2018, Tsjechië /Commissie, C‑4/17 P, EU:C:2018:678, punt 58).
55
Het betoog van de Commissie dat het in artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 gebruikte begrip „structuurfondsen” niet moet worden gedefinieerd in het licht van artikel 1 van die verordening, maar op basis van het bepaalde in verordening nr. 1260/1999, met als gevolg dat dit begrip mede ziet op het EOGFL, afdeling Oriëntatie, zou er echter op neerkomen dat de betrokken lidstaat door een financiële correctie financiële consequenties worden opgelegd die de tekst van verordening nr. 1083/2006 niet doet vermoeden.
56
Daar de autonome begrippen van het Unierecht moeten worden uitgelegd in het verband van de context van de regeling waarvan zij deel uitmaken en in het licht van de doelstellingen van die regeling (arrest van 15 november 2018, Baltic BTA Insurance Company, C‑648/17, EU:C:2018:917, punt 31), moet namelijk worden vastgesteld dat, nu artikel 105 van verordening nr. 1083/2006 in het kader van verordening nr. 1260/1999 niet uitdrukkelijk verwijst naar een ruimere definitie van „structuurfondsen” dan in het kader van verordening nr. 1083/2006, het enkele feit dat deze bepaling „overgangsbepalingen”, vaststelt, zoals blijkt uit het opschrift ervan er, anders dan de Commissie betoogt, niet toe leidt dat de begrippen die erin worden gebruikt worden onttrokken aan de definitie die hieraan wordt gegeven in verordening nr. 1083/2006 waartoe zij behoren.
57
Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 niet van toepassing is op financiering uit het EOGFL, afdeling Oriëntatie, voor de periode 2000 tot en met 2006. Daar het bestreden besluit dus niet kan worden gebaseerd op artikel 39 van verordening nr. 1260/1999, mist het rechtsgrondslag en moet het bijgevolg nietig worden verklaard, zonder dat behoeft te worden ingegaan op het tweede onderdeel van het eerste middel alsmede op alle andere middelen van de Helleense Republiek voor het Gerecht.
Kosten
58
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het de zaak zelf afdoet.
59
Artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in hogere voorziening in het gelijk is gesteld en het bij het Gerecht ingestelde beroep gegrond is verklaard, dient de Commissie overeenkomstig de vordering van de Helleense Republiek zowel in eerste aanleg als in hogere voorziening te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Helleense Republiek.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 september 2017, Griekenland/Commissie (T‑327/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:631), wordt vernietigd.
2)
Uitvoeringsbesluit C(2015) 1936 final van de Commissie van 25 maart 2015 inzake de toepassing van financiële correcties op de bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, toegewezen aan het operationeel programma CCI 2000GR061PO021 (Griekenland – Doelstelling 1 – Plattelandsreconstructie), wordt nietig verklaard.
3)
De Europese Commissie wordt zowel in de procedure in eerste aanleg als in de hogere voorziening verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Helleense Republiek.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Grieks.